Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (VIERDE KAMER) VAN 27 SEPTEMBER 1989. - RHEINKRONE-KRAFTFUTTERWERKE, GEBRUEDER HUEBERS GMBH & CO KG TEGEN HAUPTZOLLAMT HAMBURG-JONAS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT HAMBURG - DUITSLAND. - LANDBOUW - MONETAIR COMPENSERENDE BEDRAGEN - MENGSEL VAN TARWENEEL EN TARWEZEMELEN - VERORDNING NR. 1371/81. - ZAAK 37/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03013
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Landbouw - Monetair compenserende bedragen - Vaststelling - "Mengsels" in zin van artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 - Begrip
( Verordening nr . 1371/81 van de Commissie, artikel 30, lid 3 )
SamenvattingArtikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de monetaire compenserende bedragen, moet aldus worden uitgelegd, dat het begrip "mengsels" geldt voor alle uit twee of meer stoffen samengestelde produkten ongeacht hun tariefindeling, en dat het geldt voor mengsels vallende onder de hoofdstukken 2, 10 of 11 van het GDT, ook wanneer bepaalde componenten van deze mengsels onder een ander hoofdstuk van het GDT vallen .
PartijenIn zaak 37/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Hamburg, in het aldaar aanhangig geding tussen
Rheinkrone-Kraftfutterwerk Gebr . Huebers GmbH & Co . KG, te Wesel,
en
Hauptzollamt Hamburg-Jonas,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de monetaire compenserende bedragen ( PB 1981, L 138, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, C . N . Kakouris en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Rheinkrone-Kraftfutterwerk Gebr . Huebers GmbH & Co . KG, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door F . Modest en B . Festge, advocaten te Hamburg,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Booss als gemachtigde, bijgestaan door J . Imbach, advocaat, en tijdens de mondelinge behandeling door H . Prahl als deskundige,
gelet op het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 18 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 mei 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 30 oktober 1987, ingekomen ten Hove op 2 februari 1988, heeft het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de monetaire compenserende bedragen alsook over het algemene vertrouwensbeginsel .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen de onderneming Rheinkrone-Kraftfutterwerk Gebr . Huebers GmbH & Co . KG, te Wesel ( verzoekster in het hoofdgeding, hierna : verzoekster ), en het Hauptzollamt Hamburg-Jonas ( verweerder in het hoofdgeding, hierna : verweerder ).
3 Verzoekster exporteerde diverse partijen tarwemeel, dat voor minder dan 90 gewichtsprocenten was samengesteld uit tarwemeel vallende onder post 11.01 A van het Gemeenschappelijk Douanetarief ( hierna : het GDT ) en voor 10 tot 20 gewichtsprocenten uit tarwezemelen vallende onder post 23.02 A II van het GDT . Het hoofdgeding heeft betrekking op de vraag, of de aan verzoekster toegekende monetair compenserende bedragen ( hierna : mcb' s ) overeenkomstig artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 moesten worden vastgesteld tegen het voor tarwemeel geldende tarief, zoals verweerder aanvankelijk had gedaan, dan wel tegen het lagere tarief voor tarwezemelen .
4 Artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 luidt als volgt :
" Voor mengsels die vallen onder de hoofdstukken 2, 10 en 11 van het gemeenschappelijk douanetarief wordt het toe te kennen monetaire compenserende bedrag als volgt berekend :
a ) voor mengsels die voor ten minste 90 gewichtsprocenten uit één component bestaan, wordt het monetaire compenserende bedrag toegepast dat voor die component geldt,
b ) voor andere mengsels wordt het monetaire compenserende bedrag toegepast van de component waarvoor het laagste monetaire compenserende bedrag geldt . Wanneer voor één of meer componenten geen monetaire compenserende bedragen gelden, wordt voor het mengsel geen monetair compenserend bedrag toegekend ."
5 Van oordeel dat het geschil vragen over de uitlegging van de gemeenschapsregeling deed rijzen, besloot het Finanzgericht Hamburg krachtens artikel 177 EEG-Verdrag, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een uitspraak over twee prejudiciële vragen . Bij beschikking van 30 juni 1988, ingekomen ten Hove op 11 juli 1988, heeft het Finanzgericht Hamburg de tweede vraag ingetrokken . Bijgevolg behoeft het Hof alleen de eerste vraag te beantwoorden, die luidt als volgt :
" Moet artikel 30, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1371/81 van 19 mei 1981 ( PB 1981, L 138, blz . 1 ) aldus worden uitgelegd, dat onder 'mengsel' enkel moet worden verstaan een goed waarvan de componenten onder de hoofdstukken 2, 10 of 11 van het GDT vallen, of zijn als mengsels ook te beschouwen goederen waarvan de componenten bestaan uit goederen van de hoofdstukken 2, 10 of 11 en goederen van andere hoofdstukken, en in het bijzonder, zijn mengsels van tarwemeel en tarwezemelen, die volgens de Algemene regels voor de interpretatie van het GDT als tarwemeel moeten worden ingedeeld, mengsels in de zin van artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 De door de nationale rechter gestelde vraag omvat in werkelijkheid de twee volgende vragen :
"a ) Kan een produkt dat volgens de regels van het GDT onder één omschrijving van een tariefpost valt, niettemin een 'mengsel' vormen in de zin van artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 van de Commissie, enkel omdat het is samengesteld uit twee of meer stoffen?
b ) Zo ja : geldt artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 alleen voor mengsels die of als zodanig onder één van de hoofdstukken 2, 10 of 11 van het GDT moeten worden ingedeeld, of zijn samengesteld uit bestanddelen die, elk afzonderlijk, eveneens onder één van deze hoofdstukken van het GDT vallen, dan wel geldt het voor alle mengsels die vallen onder de hoofdstukken 2, 10 of 11, zelfs wanneer sommige bestanddelen ervan onder een ander hoofdstuk van het GDT vallen?"
Vraag a
8 Vastgesteld moet worden, dat de tariefindeling van een mengsel, dat wil zeggen een uit twee of meer stoffen samengesteld produkt, plaatsvindt overeenkomstig de algemene regels en de bijzondere bepalingen van het GDT . Daaruit volgt, dat een dergelijk produkt onder één omschrijving van een post moet worden ingedeeld .
9 Zo wordt volgens algemene regel 2 b voor de interpretatie van de nomenclatuur van het GDT, "onder een in een post vermelde stof ... niet alleen verstaan die stof in zuivere staat, doch ook vermengd of verbonden met andere stoffen ... De vorenbedoelde mengsels ... worden ingedeeld met inachtneming van de in punt 3 vermelde beginselen ". Volgens regel 3 a heeft voor de indeling van de sub 2 b bedoelde produkten "de post met de meest specifieke omschrijving ... voorrang boven posten met een meer algemene strekking", terwijl volgens regel 3 b "mengsels ... waarvan de indeling niet mogelijk is aan de hand van het bepaalde onder a, worden ingedeeld naar de stof of naar het goed waaraan ( zij ) ... hun wezenlijk karakter ontlenen, indien dit kan worden bepaald ".
10 Wat meer in het bijzonder de door het malen van tarwe verkregen produkten betreft, bepaalt aantekening 2 van hoofdstuk 11, dat deze onder dit hoofdstuk vallen indien zij, in gewichtsprocenten berekend op de droge stof, tegelijkertijd : a ) een zetmeelgehalte hebben dat hoger is dan 45%, en b ) een asgehalte hebben gelijk aan of lager dan 2,5 %. Bovendien moeten de betrokken produkten volgens deze aantekening worden ingedeeld onder post 11.01 ( meel ), indien de hoeveelheid die door een zeef met een maaswijdte van 315 micrometer gaat, gelijk is aan of groter dan 80 %.
11 Overeenkomstig deze aantekening 2 van hoofdstuk 11 wordt een mengsel van tarwemeel en tarwezemelen, dat voldoet aan bovengenoemde criteria, onder de omschrijving "meel van tarwe" van post 11.01 A van het GDT ingedeeld .
12 Daarbij moet worden vastgesteld, dat de indeling van dit produkt onder de omschrijving "meel van tarwe" daaraan niet de hoedanigheid ontneemt van een mengsel van tarwemeel en tarwezemelen, maar enkel duidelijk moet maken, welk douanetarief erop van toepassing is .
13 Met betrekking tot artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 moet worden opgemerkt, dat deze bepaling algemeen en zonder nadere precisering van "mengsels" spreekt; de term "mengsels" moet derhalve in algemene zin worden opgevat . Bewoordingen noch doel van deze bepaling spreken voor de uitlegging, dat zij niet van toepassing zou zijn op mengsels die onder één omschrijving van een post moeten worden ingedeeld, maar uitsluitend op mengsels die uit stoffen van verschillende posten zijn samengesteld . De omstandigheid dat de communautaire voorschriften betreffende de mcb' s een ander doel nastreven dan die van het GDT, pleit juist voor een uitlegging, dat artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 voor alle mengsels geldt, en wel ongeacht of zij eventueel onder één omschrijving moeten worden ingedeeld .
14 Bijgevolg moet op vraag a worden geantwoord, dat artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 aldus moet worden uitgelegd, dat het begrip "mengsels" voor alle uit twee of meer stoffen samengestelde produkten geldt, ongeacht hun tariefindeling .
Vraag b
15 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat in artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 alleen sprake is van mengsels die vallen onder de hoofdstukken 2, 10 en 11 van het GDT . Nadere voorwaarden worden niet gesteld; in het bijzonder wordt niet verlangd, dat de componenten van het betrokken mengsel eveneens onder hoofdstuk 2, 10 of 11 vallen .
16 Voor het overige is er geen aanwijzing, dat het doel van deze bepaling een uitlegging gebiedt die afwijkt van de bewoordingen ervan . Het is veeleer zo, dat met artikel 30, lid 3, een bepaling die deel uitmaakt van de regeling betreffende de mcb' s, doeleinden worden nagestreefd die verschillen van die van het GDT en die rekening houden met de mogelijkheid, dat er voor de handelaren aanleiding bestaat om verscheidene produkten te mengen of in componenten op te splitsen, ten einde de verschillende mcb-tarieven te benutten . De betrokken bepaling moet dus onafhankelijk van het GDT worden uitgelegd, voor zover een dergelijke uitlegging noodzakelijk is wegens de verschillende doeleinden van beide regelingen .
17 Op vraag b moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 aldus moet worden uitgelegd, dat het geldt voor mengsels vallende onder de hoofdstukken 2, 10 of 11 van het GDT, ook wanneer bepaalde componenten van deze mengsels onder een ander hoofdstuk van het GDT vallen .
Beslissing inzake de kostenKosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 30 oktober 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 moet aldus worden uitgelegd, dat het begrip "mengsels" geldt voor alle uit twee of meer stoffen samengestelde produkten, ongeacht hun tariefindeling .
2 ) Artikel 30, lid 3, van verordening nr . 1371/81 moet aldus worden uitgelegd, dat het geldt voor mengsels vallende onder de hoofdstukken 2, 10 of 11 van het GDT, ook wanneer bepaalde componenten van deze mengsels onder een ander hoofdstuk van het GDT vallen .
Top