Avis juridique important
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 6 juni 2002. - Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek. - Niet-nakoming - Artikelen 4 en 11 van richtlijn 96/59/EG betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's). - Zaak C-177/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-05137
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Beroep wegens niet-nakoming - Onderzoek van gegrondheid door Hof - In aanmerking te nemen situatie - Situatie bij verstrijken van in met redenen omkleed advies gestelde termijn
(Art. 226 EG)
PartijenIn zaak C-177/01,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H. Støvlbæk en J. Adda als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en D. Colas als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om vast te stellen dat de Franse Republiek, door de Commissie niet een samenvatting mee te delen van de inventarissen van apparaten die meer dan 5 dm3 PCB's bevatten, en evenmin een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's, of een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PB L 243, blz. 31) bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn hoeven te worden geïnventariseerd, de krachtens de artikelen 4 en 11 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: S. von Bahr, kamerpresident, D. A. O. Edward en A. La Pergola (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 maart 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 24 april 2001, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 226 EG beroep ingesteld, strekkende tot vaststelling dat de Franse Republiek, door haar niet een samenvatting mee te delen van de inventarissen van apparaten die meer dan 5 dm3 PCB's bevatten, en evenmin een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's, of een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (PB L 243, blz. 31) bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn hoeven te worden geïnventariseerd, de krachtens de artikelen 4 en 11 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
2 Artikel 1 van richtlijn 96/59 bepaalt:
Deze richtlijn heeft tot doel de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de gecontroleerde verwijdering van PCB's, de reiniging of de verwijdering van PCB's bevattende apparaten en/of de verwijdering van gebruikte PCB's, teneinde op basis van de bepalingen van deze richtlijn te komen tot een volledige verwijdering van PCB's."
3 Artikel 4, lid 1, van richtlijn 96/59 luidt als volgt:
Teneinde te voldoen aan artikel 3, dragen de lidstaten er zorg voor dat inventarissen worden opgesteld van apparaten die meer dan 5 dm3 PCB's bevatten en sturen zij uiterlijk drie jaar na aanneming van deze richtlijn een samenvatting van deze inventarissen naar de Commissie. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 5 dm3 voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel."
4 Artikel 6, lid 3, van richtlijn 96/59 bepaalt:
Waar dit redelijkerwijs haalbaar is, worden apparaten met PCB's die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, hoeven te worden geïnventariseerd en die onderdeel uitmaken van een ander apparaat, verwijderd en afzonderlijk ingezameld wanneer het apparaat buiten gebruik wordt gesteld, wordt gerecycleerd of verwijderd."
5 In artikel 11 van richtlijn 96/95 wordt bepaald:
1. De lidstaten stellen binnen drie jaar na aanneming van deze richtlijn het volgende vast:
- een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's;
- een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, hoeven te worden geïnventariseerd.
2. De lidstaten delen dit plan en dit schema onverwijld mede aan de Commissie."
6 Aangezien de Commissie door de Franse Republiek niet in kennis was gesteld van de bepalingen die waren vastgesteld om te voldoen aan de artikelen 4 en 11 van richtlijn 96/59 en evenmin over andere gegevens beschikte waaruit zij kon afleiden dat deze lidstaat de nodige maatregelen daartoe had genomen, heeft zij overeenkomstig de procedure van artikel 226 EG de Franse Republiek bij brief van 13 april 2000 aangemaand, binnen een termijn van twee maanden haar opmerkingen dienaangaande kenbaar te maken.
7 Als antwoord op deze brief zonden de Franse autoriteiten op 13 juni 2000 een nota, waarin zij om te beginnen opmerkten dat zij reeds bepaalde maatregelen hadden genomen om in oktober 2001 een inventaris op te stellen van apparaten die PCB's bevatten. Verder gaven zij in deze nota een schatting van het totale aantal Franse machines die PCB's of met PCB's vervuilde oliën bevatten. Ten slotte deelden zij een voorlopig tijdsschema mee voor de reiniging en/of verwijdering, dat was opgesteld op basis van de bestaande verwerkingscapaciteit.
8 Toen de Commissie vaststelde dat de Franse autoriteiten noch de samenvatting van inventarissen, noch het plan of het schema, bedoeld in de artikelen 4 en 11 van richtlijn 96/59, hadden opgesteld, bracht zij op 27 juli 2000 een met redenen omkleed advies uit waarin zij de Franse Republiek verzocht, binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving ervan de nodige maatregelen te nemen om aan dit advies te voldoen.
9 Bij brief van 12 oktober 2000 antwoordde de Franse Republiek aan de Commissie dat zij een tijdsschema zou opstellen om haar, overeenkomstig de geldende nationale procedure, tegen oktober 2001 de nodige gegevens te kunnen verstrekken om aan de artikelen 4 en 11 van richtlijn 96/59 te voldoen.
10 Op 26 januari respectievelijk 23 maart 2001 heeft de Franse Republiek de Commissie in kennis gesteld van decreet nr. 2001-63 van 18 januari 2001 tot wijziging van decreet nr. 87-59 van 2 februari 1987 betreffende het in het verkeer brengen, het gebruik en de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (JORF van 25 januari 2001, blz. 1286; hierna: decreet nr. 2001-63") en van het besluit van 13 februari 2001 betreffende de aangifte van het bezit van apparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten (JORF van 6 maart 2001, blz. 3500; hierna: besluit van 13 februari 2001").
11 In haar verzoekschrift stelt de Commissie dat de Franse Republiek de krachtens de artikelen 4 en 11 van richtlijn 96/59 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. Zij betoogt dat de maatregelen die de Franse Republiek na ontvangst van het met redenen omklede advies heeft genomen - zoals decreet nr. 2001-63 en het besluit van 13 februari 2001 -, dit verzuim niet kunnen verhelpen.
12 De Franse regering erkent dat zij binnen de door richtlijn 96/59 gestelde termijnen de in de artikelen 4, lid 1, en 11 van deze richtlijn bedoelde documenten diende uit te werken en aan de Commissie toe te zenden. Zij betwist niet dat zij op het ogenblik dat zij haar verweerschrift neerlegde, deze documenten nog niet had opgesteld en dus niet in de vereiste vorm aan de Commissie kon doen toekomen. Zij stelt evenwel dat het opzetten van de procedure om deze documenten uit te werken langer heeft geduurd dan voorzien, dat technische belemmeringen die samenhingen met het gebruikte informaticasysteem, voor nog meer vertraging hebben gezorgd, en dat zij wellicht in 2002 aan de genoemde bepalingen van richtlijn 96/59 zal kunnen voldoen.
13 Dienaangaande zij erop gewezen dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van een niet-nakoming moet worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn, en dat het Hof met sedertdien opgetreden wijzigingen geen rekening kan houden (zie met name arrest van 11 november 1999, Commissie/Italië, C-315/98, Jurispr. blz. I-8001, punt 11).
14 De Franse regering erkent evenwel dat zij aan het einde van de in het met redenen omklede advies gestelde termijn nog geen samenvatting van inventarissen en evenmin een plan of een schema, bedoeld in de artikelen 4, lid 1, en 11 van richtlijn 96/59, aan de Commissie had meegedeeld.
15 In deze omstandigheden moet het door de Commissie ingestelde beroep gegrond worden geacht.
16 Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de Franse Republiek, door de Commissie niet een samenvatting mee te delen van de inventarissen van apparaten die meer dan 5 dm3 PCB's bevatten, en evenmin een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's, of een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, van richtlijn 96/59 bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn hoeven te worden geïnventariseerd, de krachtens de artikelen 4 en 11 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Beslissing inzake de kostenKosten
17 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, indien dit is gevorderd. Daar de Franse Republiek in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
rechtdoende, verstaat:
1) Door de Commissie van de Europese Gemeenschappen niet een samenvatting mee te delen van de inventarissen van apparaten die meer dan 5 dm3 PCB's bevatten, en evenmin een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB's, of een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de in artikel 6, lid 3, van richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's en PCT's) bedoelde apparaten die niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van deze richtlijn hoeven te worden geïnventariseerd, is de Franse Republiek de krachtens de artikelen 4 en 11 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
2) De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.
Top