Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (VIERDE KAMER) VAN 7 MAART 1990. - TREND-MODEN TEXTILHANDELS GMBH TEGEN HAUPTZOLLAMT EMMERICH. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT DUESSELDORF - DUITSLAND. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - BEWIJS VAN HET COMMUNAUTAIRE KARAKTER VAN GOEDEREN. - ZAAK 117/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00631
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Communautair karakter van goederen - Bewijsmiddelen - Beperking tot documenten T2 of T2L - Verenigbaarheid met artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag
( EEG-Verdrag, artikelen 9 en 10; verordening nr . 222/77 van de Raad; verordening nr . 223/77 van de Commissie )
SamenvattingDe in de verordeningen nrs . 222/77 en 223/77 betreffende communautair douanevervoer gestelde regel dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzondering, uitsluitend door middel van het document T2 of het document T2L kan worden geleverd, kan niet in strijd met de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag worden geacht .
Enerzijds wordt namelijk in de artikelen 9 en 10 niets gezegd omtrent de bewijsmiddelen of de bewijslast met betrekking tot het communautaire karakter van een goed, doch wordt het aan het afgeleide gemeenschapsrecht overgelaten, deze vraagstukken te regelen . Anderzijds wordt het feit dat uniforme en eenvoudige bewijsmiddelen ter beschikking worden gesteld en daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om deze bewijzen zelfs nog na de grensoverschrijding over te leggen, gerechtvaardigd door de noodzaak om het vervoer van goederen waarbij de binnengrenzen van de Gemeenschap worden overschreden te vermakkelijken, hetgeen een van de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt uitmaakt .
PartijenIn zaak C-117/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Duesseldorf, in het aldaar aanhangig geding tussen
Trend-Moden Textilhandels GmbH
en
Hauptzollamt Emmerich,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag, alsmede over de uitlegging van de artikelen 1, lid 4, en 9 van verordening ( EEG ) nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 1 ), wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal, M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen, ingediend door :
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Sack, juridisch adviseur, als gemachtigde,
- de Duitse regering, vertegenwoordigd door M . Seidel als gemachtigde,
- de Spaanse regering, vertegenwoordigd door J . Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en R . Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 11 oktober 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 5 maart 1988, ingekomen ten Hove op 14 april daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag, alsmede van de artikelen 1, lid 4, en 9 van verordening ( EEG ) nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 1 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Trend-Moden Textilhandels GbmH, handelaar in textielgoederen te Rees in de Bondsrepubliek Duitsland ( hierna : Trend-Moden ), en het Hauptzollamt Emmerich ( hierna : Hauptzollamt ).
3 Blijkens het dossier had Trend-Moden tussen maart 1980 en maart 1981 textielgoederen uit Nederland in de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerd zonder rechten te betalen . Het Hauptzollamt vorderde betaling van een bedrag van 29 890,90 DM aan invoerrechten, op grond dat Trend-Moden geen vervoerdocumenten had overgelegd ten bewijze dat de betrokken goederen aan de voorwaarden van artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag voldeden . Inzonderheid weigerde het als geldig bewijs van het communautaire karakter van de ingevoerde goederen de verklaringen en documenten te erkennen die Trend-Moden had overgelegd en waarin haar Nederlandse leverancier verklaarde dat de betrokken goederen van oorsprong uit de Gemeenschap waren of zich aldaar in het vrije verkeer bevonden . Het Hauptzollamt is van mening dat volgens vorengenoemde verordening nr . 222/77 van de Raad een dergelijk bewijs slechts kan worden geleverd door middel van een document voor communautair douanevervoer T2 of T2L .
4 Blijkens de verwijzingsbeschikking helt het Finanzgericht Duesseldorf over tot de mening van Trend-Moden, dat andere bewijsmiddelen dan de documenten voor communautair douanevervoer moeten worden aanvaard, omdat anders artikel 9, lid 1, EEG-Verdrag wezenlijk zal worden beperkt . Het betoog van het Hauptzollamt deed de nationale rechter evenwel twijfelen aan de juistheid van deze opvatting .
5 Waar het derhalve van oordeel is dat het geding een probleem van uitlegging van het gemeenschapsrecht opwerpt, heeft het Finanzgericht Duesseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan over de navolgende prejudiciële vraag :
"Moet artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat produkten alleen dan worden behandeld als produkten van oorsprong uit een Lid-Staat - met als gevolg dat geen invoerrechten worden geheven - wanneer dit is bewezen door middel van een document als bedoeld in artikel 1, lid 4, en artikel 9 van verordening ( EEG ) nr . 222/77?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Blijkens de formulering van de prejudiciële vraag gaat de nationale rechter ervan uit, dat in verordening nr . 222/77 van de Raad als enig middel voor het bewijs dat een goed van oorsprong is uit de Gemeenschap, het aldaar voorziene document voor douanevervoer wordt voorgeschreven en dat ter zake dus elk ander bewijs wordt uitgesloten . Mitsdien vraagt hij of artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat dit artikel zelf rechtstreeks het bewijs van de communautaire oorsprong van een goed door elk ander bewijsmiddel toelaat, waardoor de bepalingen van verordening nr . 222/77 ongeldig zouden zijn, voor zover daarin andere bewijsmiddelen dan dit document voor douanevervoer worden uitgesloten .
Verordening nr . 222/77
8 Alvorens de gestelde vraag wordt beantwoord, zij opgemerkt dat de uitgangsgedachte van de nationale rechter juist is . Ingevolge verordening nr . 222/77 kan het bewijs dat goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zijn, tegenover de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming slechts worden bewezen door middel van het daartoe voorziene document . Dit volgt uit de navolgende overwegingen .
9 Verordening nr . 222/77 voorziet twee regelingen voor communautair douanevervoer . De ene, de zogenoemde regeling voor extern communautair douanevervoer, geldt blijkens artikel 1, lid 2, van verordening nr . 222/77 voornamelijk voor de goederen die niet aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag voldoen, dat wil zeggen de goederen uit derde landen die zich niet in het vrije verkeer in de Gemeenschap bevinden . De andere, de zogenoemde regeling voor intern communautair douanevervoer, geldt blijkens artikel 1, lid 3, van dezelfde verordening voornamelijk voor de goederen die aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag voldoen, dat wil zeggen de goederen die van oorsprong zijn uit de Lid-staten of die zich in het vrije verkeer in de Gemeenschap bevinden; deze goederen worden "communautaire goederen" genoemd .
10 Overeenkomstig artikel 12, lid 1, van verordening nr . 222/77 moet voor de goederen die met toepassing van de regeling voor extern communautair douanevervoer worden vervoerd, aangifte worden gedaan op een formulier T1 .
11 Volgens artikel 39, lid 1, van dezelfde verordening moet voor de goederen die met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd, dus hoofdzakelijk voor de communautaire goederen, aangifte worden gedaan op een formulier T2 . Dit document dient dus in de regel als bewijs van het communautaire karakter van de goederen waarvoor de regeling voor intern communautair douanevervoer geldt .
12 In bijzondere bepalingen van verordening nr . 222/77 zijn daarnaast gevallen voorzien waarin communautaire goederen niet met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd .
13 Voor deze communautaire goederen die niet met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer worden vervoerd, wanneer deze regeling niet verplicht is, wordt in verordening ( EEG ) nr . 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 20 ) het document T2L, waarvan de inhoud overeenkomt met het document T2 voor intern communautair douanevervoer, als bewijsmiddel voorzien ( vergelijk negende overweging en artikel 1, lid 8, van verordening nr . 223/77 ).
14 In de verordeningen nrs . 222/77 en 223/77 wordt dus als regel gesteld, dat het bewijs van het communautaire karakter van een goed, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzondering, uitsluitend door middel van het document T2 of het document T2L kan worden geleverd .
15 Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 9 van verordening nr . 222/77 . Hierin wordt bepaald : "Wanneer in de gevallen, bedoeld in deze verordening, de bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende het vrije verkeer van goederen slechts worden toegepast bij overlegging van een ten bewijze van het communautaire karakter van de goederen afgegeven document voor intern communautair douanevervoer, kan de belanghebbende, om welke geldige reden dan ook, dit document achteraf van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek verkrijgen ." Uit deze bepaling blijkt dat de gemeenschapswetgever andere bewijsmiddelen wilde uitsluiten, doch tegelijkertijd de taak van de belanghebbende wilde vergemakkelijken . In een soortgelijke bepaling in artikel 71 van uitvoeringsverordening nr . 223/77 wordt voorzien dat het document T2L achteraf kan worden afgegeven .
16 Deze uitlegging wordt gerechtvaardigd door het doel van de betrokken regeling : het vervoer van goederen binnen de Gemeenschap vergemakkelijken door middel van een vereenvoudiging en uniformisering van de formaliteiten die bij het overschrijden van de binnengrenzen moeten worden vervuld .
De gestelde vraag
17 Vervolgens dient te worden onderzocht, of de gemeenschapsregeling in overeenstemming is met de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag, voor zover daarin het bewijs van het communautaire karakter van een goed tegenover de douane-instanties van de Lid-Staat van bestemming door andere bewijsmiddelen dan de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L wordt uitgesloten .
18 In de verwijzingsbeschikking wordt verklaard dat volgens Trend-Moden de verdeling van de bewijslast en de beperking van de bewijsmiddelen ertoe kan leiden dat douanerechten worden geheven op goederen die niet vergezeld gaan van de voorgeschreven documenten voor douanevervoer, doch waarvan het communautaire karakter op andere wijze is bewezen, hetgeen in strijd zou zijn met de bepalingen van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag .
19 In de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag wordt evenwel niets gezegd omtrent de bewijsmiddelen of de bewijslast met betrekking tot het communautaire karakter van een goed . Daarin wordt het aan het afgeleide gemeenschapsrecht overgelaten, deze vraagstukken te regelen .
20 De hiervoor beschreven regeling wordt gerechtvaardigd door de noodzaak om het vervoer van goederen waarbij de binnengrenzen van de Gemeenschap worden overschreden te vermakkelijken, hetgeen een van de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt uitmaakt . Wanneer de marktdeelnemer op wie in beginsel de bewijslast rust, uniforme en eenvoudige middelen ter beschikking worden gesteld om het communautaire karakter van de goederen te bewijzen, en hem daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om deze bewijzen zelfs nog na de grensoverschrijding over te leggen, blijft zulks binnen de grenzen van dit doel en kan het niet in strijd met de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag worden geacht .
21 Gelet op het voorgaande dient te worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken dat de geldigheid van de verordeningen nr . 222/77 van de Raad en nr . 223/77 van de Commissie wordt aangetast door het feit dat, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzondering, het communautaire karakter van een goed tegenover de douane-instanties van de Lid-Staat van bestemming niet door andere bewijsmiddelen kan worden aangetoond dan door de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L .
Beslissing inzake de kostenKosten
22 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de Duitse regering en de Spaanse regering wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Duesseldorf bij beschikking van 5 maart 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken dat de geldigheid van de verordeningen nr . 222/77 van de Raad en nr . 223/77 van de Commissie wordt aangetast door het feit dat, behoudens uitdrukkelijk voorziene uitzondering, het communautaire karakter van een goed tegenover de douane-instanties van de Lid-Staat van bestemming niet door andere bewijsmiddelen kan worden aangetoond dan door de documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L .
Top