RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-26/88 ( *1 )
I — De feiten en de procedure
Brother International GmbH voerde in 1984 en 1985 elektronische schrijfmachines uit Taiwan in de Bondsrepubliek Duitsland in, die zij aangaf als goederen van oorsprong uit Taiwan en voor open douane-entrepôt respectievelijk vanaf begin 1985 voor het vrije verkeer inklaarde.
Een door de Commissie van de Europese Gemeenschappen in december 1985 ingeleide anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Taiwan (PB 1985, C 338, blz. 7) werd beëindigd bij besluit van de Commissie van 23 mei 1986 (PB 1986, L 140, blz. 52). In de motivering van dit besluit werd onder meer verklaard, „dat de in Taiwan uitgevoerde bewerkingen niet voldoende waren om de produkten het predikaat ‚van oorsprong uit Taiwan’te verlenen in de zin van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad”.
Brother Industries Ltd, te Nagoya, Taiwan Brother Industries Ltd en Brother International Europe Ltd stelden tegen dat besluit beroep tot nietigverklaring in, dat bij beschikking van het Hof van Justitie van 30 september 1987 niet-ontvankelijk werd verklaard (zaak 229/86, Jurispr. 1987, blz. 3757).
Na een bij Brother International GmbH in september 1986 verrichte controle kwamen de Duitse autoriteiten tot de conclusie, dat de door die onderneming uit Taiwan ingevoerde elektronische schrijfmachines als goederen van oorsprong uit Japan te beschouwen waren en dus onder verordening (EEG) nr. 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 (PB 1985, L 163, blz. 1) vielen, waarbij een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan was ingesteld. Daarop vorderde het Hauptzollamt Gießen bij navorderingsbesluit van 12 mei 1987 van Brother International GmbH nabetaling van anti-dumpingrechten ten bedrage van in totaal 3210277,83 DM. Tegen dat besluit diende de betrokken onderneming een bezwaarschrift in met het betoog, dat er in Taiwan een volledig uitgeruste fabriek stond waar de in Japan geproduceerde losse onderdelen werden gemonteerd, zodat de schrijfmachines als van oorsprong uit Taiwan moesten worden beschouwd. Tegelijkertijd verzocht Brother International GmbH om opschorting van de tenuitvoerlegging van het navorderingsbesluit. Na afwijzing van dit verzoek door het Hauptzollamt Gießen, wendde de betrokken onderneming zich tot het Hessische Finanzgericht ten einde opschorting respectievelijk staking van de tenuitvoerlegging van het navorderingsbesluit te verkrijgen.
Het Hessische Finanzgericht is van oordeel, dat de te geven beslissing afhangt van de uitlegging van de artikelen 5 en 6 van verordening (EEG) nr. 802/68, die beslissend zijn voor de bepaling van de oorsprong van de betrokken goederen. De verwijzende rechter twijfelt eraan, of ook de enkele assemblage in zogenoemde „schroevedraaier-fabrieken” bepalend kan zijn voor de oorsprong, met name wanneer — zoals in het hoofdgeding — alle losse onderdelen worden aangevoerd en alleen maar worden geassembleerd, dan wel of er daarnaast een eigen intellectuele prestatie moet worden geleverd. Voorts kan de vraag rijzen, of het gebruik van bestaande produktiecapaciteiten en de omlegging van goederenstromen reeds het vermoeden van ontduiking in de zin van artikel 6 van verordening nr. 802/68 rechtvaardigen. Derhalve heeft het Hessische Finanzgericht bij beschikking van 17 december 1987, ingeschreven ter griffie van het Hof op 25 januari 1988, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de navolgende vragen gesteld:
„Moet artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip ‚oorsprong van goederen’(PB 1968, L 148, blz. 1) aldus worden uitgelegd, dat ook de enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen tot een nieuw produkt als laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking bepalend is voor de oorsprong, of is de assemblage slechts bepalend voor de oorsprong wanneer daarnaast een eigen intellectuele prestatie wordt geleverd ?
Wanneer de enkele assemblage van kant en klare onderdelen bepalend is voor de oorsprong in de zin van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68, moet artikel 6 van deze verordening dan aldus worden uitgelegd, dat reeds de omlegging van de uitvoer met gebruikmaking van reeds bestaande produktieplaatsen het vermoeden rechtvaardigt, dat die omlegging ten doel heeft bepalingen (anti-dumpingrechten) te ontduiken ?”
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Brother, vertegenwoordigd door G. Laule, advocaat; de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door E. Belliard en C. Chavance als gemachtigden; de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. J. Heinemann als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J. Sack, bijgestaan door R. Wagner, een Duits rechter die ter beschikking van de Commissie is gesteld in het kader van de uitwisseling met nationale ambtenaren.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, krachtens artikel 95, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering besloten, de zaak naar de Vijfde kamer te verwijzen en zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
1. Uitlegging van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68
a)
Volgens Brother International GmbH is de assemblage van elektronische schrijfmachines een klassieke fase van het verwerkingsproces in de zin van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68, daar een groot aantal losse onderdelen tot een nieuw zinvol geheel worden geassembleerd. Voor oorsprongcriteria
die verder gaan dan het bepaalde in artikel 5, zoals het vereiste van een eigen intellectuele of creatieve prestatie, is geen plaats. Bepalend is bijgevolg alleen, dat in het als land van oorsprong te beschouwen land de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf, en dat die bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.
Uit de rechtspraak van het Hof (arresten in de zaken 114/78, Yoshida, Jurispr. 1979, blz. 151, en 49/76, Gesellschaft für Überseehandel, Jurispr. 1977, biz. 41) zou volgen, dat de voorwaarden van artikel 5 van technische aard zijn. Essentieel is, dat het nieuwe produkt met het basisprodukt wordt vergeleken; daarbij zijn alleen de bewerkingen of verwerkingen oorsprongbepalend die, omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van mankracht, kapitaal en hulpbronnen van het land van verwerking, aan de economie van dat land zijn toe te rekenen. Daarentegen is het criterium van de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking van ondergeschikt belang. Er is op regelmatige wijze aan voldaan, wanneer het gaat om de produktie van een onderneming die winst nastreeft; de onderneming moet worden verondersteld op een economisch verantwoorde wijze te handelen.
Bij de toetsing van de assemblagehandelingen aan artikel 5 passen zowel de Commissie als het Comité Oorsprong van goederen uitsluitend technische criteria toe. Toepassing van criteria van meer economische aard zou enkel mogelijk zijn, wanneer daarin werd voorzien in een verordening op grond van artikel 14 van verordening (EEG) nr. 802/68, maar zelfs in dat geval mogen die criteria niet zover gaan, dat de intellectuele of creatieve waarde van de assemblage wordt getoetst. Hetzelfde geldt voor het criterium van de ingrijpende bewerking, dat eveneens uitsluitend aan de hand van technische criteria moet worden getoetst. Volgens de oorsprongregel van artikel 5 moet de oorsprong ook in dit opzicht hoofdzakelijk worden getoetst aan de technische omstandigheden van het bewerkingsproces in het land waar de oorsprong moet worden vastgesteld. Daarentegen vindt het vereiste, dat de assemblage gepaard moet gaan met een eigen intellectuele of creatieve prestatie, geen steun in de tekst van artikel 5. Die uitlegging valt evenmin te rijmen met de beginselen van de rechtszekerheid en het gewettigd vertrouwen, daar zulk een vaag criterium de deur openzet voor een willekeurige toepassing van de bepalingen van oorsprong op afzonderlijke produktieprocessen.
b)
Volgens de Franse en de Nederlandse regering is de enkele assemblage van elektronische schrijfmachines op basis van ingevoerde geprefabriceerde losse onderdelen niet te beschouwen als de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking die oorsprongbepalend is in de zin van artikel 5.
Voorts betoogt de Nederlandse regering, dat de inbreng van een eigen intellectuele prestatie naast de assemblage niet zonder meer bepalend is, doch moet worden beoordeeld in het licht van de vraag, of de kwalitatieve eigenschappen van het betrokken produkt in belangrijke mate worden gewijzigd alsmede of de daaraan verbonden kosten een belangrijk deel vormen van de totale kostprijs van het produkt. In gevallen als het onderhavige kan slechts van de laatste ingrijpende verwerking of bewerking worden gesproken, indien de assemblage meer inhoudt dan het enkele samenvoegen van losse onderdelen aan de hand van een schema, een redelijk deel van de essentiële samenstellende delen van oorsprong is uit het land waar de assemblage plaatsvindt en het economisch belang van alle verrichte verwerkingen of bewerkingen ook blijkt uit een redelijke toegevoegde waarde. In dat verband verwijst de Nederlandse regering naar het Verdrag van Kyoto inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, met name naar bijlage D.l betreffende de regels inzake oorsprong, volgens welke eenvoudige assemblagehandelingen geen ingrijpende verwerkingen of bewerkingen zijn (PB 1977, L 166, biz. 3).
c)
De Commissie is van mening dat de assemblage in beginsel geen oorsprongbepalende verwerking of bewerking is, daar zij geen nieuwe specifieke eigenschappen toevoegt aan die welke de onderdelen reeds bezitten. Dat standpunt strookt eveneens met het bepaalde in punt 2a van de algemene bepalingen van het gemeenschappelijk douanetarief, dat de post van een goed in afgewerkte staat eveneens geldt voor dat goed in gedemonteerde staat.
Alleen de assemblage die technisch gecompliceerd is of veel tijd vergt, kan een ingrijpende verwerking of bewerking in de zin van artikel 5 zijn; in dat verband moeten twee nauw met elkander verband houdende criteria worden toegepast, namelijk de ingezette arbeid en middelen enerzijds, en de bereikte toegevoegde waarde anderzijds. De assemblage kan dus oorsprongbepalend zijn, wanneer zij ongeveer even duur is als de produktie van de samenstellende delen in een ander land dan dat waarin de assemblage plaatsvindt, of wanneer zij niet aanmerkelijk minder belangrijk is dan de andere produktiefasen. Bij iedere andere uitlegging van artikel 5 zou de oorsprong als uitgangspunt van handelspolitieke maatregelen nauwelijks nog betekenis hebben.
Belangrijke aanwijzingen voor de beoordeling van de vereiste toegevoegde waarde zijn te vinden in de verordeningen (EEG) nrs. 2632/70 van de Commissie van 23 december 1970 (PB 1970, L 279, biz. 35) en 861/71 van de Commissie van 27 april 1971 (PB 1971, L 95, biz. 11), volgens welke de assemblage van radio- en televisieontvangsttoestellen en bandrecorders uit geprefabriceerde onderdelen telkens tot een toegevoegde waarde van minstens 45% van de factuurprijs „af fabriek” moet leiden, wil zij bepalend voor de oorsprong zijn.
De Commissie stelt voor, de eerste vraag aldus te beantwoorden, dat de enkele assemblage van geprefabriceerde onderdelen van een machine geen ingrijpende verwerking of bewerking in de zin van artikel 5 is, wanneer die produktiefase, gezien de ingezette arbeid en middelen enerzijds, en de bereikte toegevoegde waarde anderzijds, aanmerkelijk minder belangrijk is dan de andere verwerkingen en bewerkingen die in een ander land of in andere landen plaatsvinden.
2. De uitlegging van artikel 6 van verordening (EEG) nr. 802/68
a)
Volgens Brother International GmbH rechtvaardigt de omlegging van exportstromen met gebruikmaking van bestaande produktieplaatsen op zich niet het vermoeden van ontduiking in de zin van artikel 6. Aangezien de internationale economie steeds meer op verdeling van de arbeid berust, kunnen voor een dergelijke handelwijze juist bij multinationale concerns tal van redenen bestaan, zoals bij voorbeeld een betere capaciteitsbenutting of de verlaging van de produktiekosten. Ook kan het een reactie zijn op bepaalde aspecten van de nationale administratieve context. In geval van samenloop van verscheidene factoren van dien aard, is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 6, daar die bepaling vereist, dat de vastgestelde feiten het vermoeden wettigen, dat zij slechts ontduiking beogen. Ten slotte moet die bepaling restrictief worden uitgelegd, daar zij een uitzonderingsbepaling is.
b)
De Franse regering betoogt kort gezegd, dat er sprake is van ontduiking in de zin van artikel 6, wanneer er een sterk vermoeden bestaat, dat de assemblage plaatsvindt in een onderneming die niet speciaal is uitgerust voor de vervaardiging van het betrokken produkt en uit de relevante handelsstatistieken een sterke toename van de invoer van dat produkt blijkt, ten detrimente van de invoer van produkten die in de regel in de betrokken onderneming worden vervaardigd.
c)
De Commissie bepleit een enge uitlegging van artikel 6: de ontduiking van de bepalingen moet het uitsluitende doel van de verwerking of bewerking in een ander land zijn, zonder dat nog andere beweegredenen meespelen.
M. Zuleeg
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Duits.
Top