ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
14 november 2013 ( *1 )
„Hogere voorziening — Dumping — Invoer van katoenhoudend bedlinnen uit Pakistan — Verordening (EG) nr. 384/96 — Artikel 3, lid 7 — Begrip ‘andere factoren’”
In zaak C‑638/11 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 6 december 2011,
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door J.‑P. Hix als gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt,
rekwirant,
andere partijen in de procedure:
Gul Ahmed Textile Mills Ltd, vertegenwoordigd door L. Ruessmann, avocat,
verzoekster in eerste aanleg,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Stobiecka-Kuik als gemachtigde, bijgestaan door E. McGovern, barrister,
interveniënte in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: T. von Danwitz, kamerpresident, K. Lenaerts, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Vijfde kamer, E. Juhász (rapporteur), A. Rosas en C. Vajda, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: L. Hewlett, hoofdadministrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 21 februari 2013,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 april 2013,
het navolgende
Arrest
1
Met zijn hogere voorziening verzoekt de Raad van de Europese Unie om vernietiging van het arrest van 27 september 2011, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (T‑199/04; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht van de Europese Unie verordening (EG) nr. 397/2004 van de Raad van 2 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenhoudend beddenlinnen uit Pakistan (PB L 66, blz. 1) heeft nietig verklaard voor zover zij Gul Ahmed Textile Mills Ltd (hierna: „Gul Ahmed Textile Mills”) betreft.
Toepasselijke bepalingen
2
Artikel 3 van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1972/2002 van de Raad van 5 november 2002 (PB L 305, blz. 1; hierna: „verordening nr. 384/96”), bepaalt onder het opschrift „Vaststelling van schade”:
„1. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‘schade’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd.
2. De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Gemeenschap en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
3. Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.
[...]
5. Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals het feit dat een bedrijfstak nog steeds herstellende is van de gevolgen van invoer met dumping of subsidiëring die in het verleden heeft plaatsgevonden, de werkelijke hoogte van de dumpingmarge, de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, de winst, de productie, het marktaandeel, de productiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die van invloed zijn op de prijzen in de Gemeenschap, de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de ‘cash flow’, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend.
6. Aan de hand van het overeenkomstig lid 2 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond, dat de invoer met dumping schade in de zin van deze verordening veroorzaakt. Hierbij moet meer in het bijzonder worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt.
7. Andere [b]ekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfdertijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen en exportprestaties en productiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap.
[...]”
Voorgeschiedenis van het geding
3
Het bestreden arrest bevat de volgende vaststellingen:
„1
Verzoekster, Gul Ahmed Textile Mills [...], is een te Karachi (Pakistan) gevestigde onderneming naar Pakistaans recht. Zij houdt zich met name bezig met op uitvoer gerichte verkoop en afzet van bedlinnen. Verzoekster produceert dat product in Pakistan en voert het uit naar de Europese Unie. Op de Pakistaanse markt verkoopt zij geen bedlinnen, maar wel een aantal basisproducten.
2
Naar aanleiding van een op 30 juli 1996 door het Committee of the Cotton and Allied Textile Industries of the European Communities [...] ingediende klacht, en na inleiding van een antidumpingprocedure op 13 september 1996, zijn definitieve antidumpingrechten ingesteld op onder meer Pakistaanse producenten bij verordening (EG) nr. 2398/97 van de Raad van 28 november 1997 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van katoenachtig beddenlinnen van oorsprong uit Egypte, India en Pakistan (PB L 332, blz. 1; hierna: ‘eerdere antidumpingrechten’). Krachtens artikel 1, eerste alinea, van die verordening werd het definitieve antidumpingrecht ingesteld op de invoer van bedlinnen van katoenvezels, zuiver of gemengd met kunstmatige vezels of vlas (waarbij vlas niet mag overheersen), gebleekt, geverfd of bedrukt, ingedeeld onder de volgende codes van de gecombineerde nomenclatuur: ex 6302 21 00 (Taric-codes 6302 21 00 * 81 en 6302 21 00 * 89), ex 6302 22 90 (Taric-code 6302 22 90 * 19), ex 6302 31 10 (Taric-code 6302 31 10 * 90), ex 6302 31 90 (Taric-code 6302 31 90 * 90) en ex 6302 32 90 (Taric-code 6302 32 90 * 19).
3
Overeenkomstig het Memorandum van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschap en de Islamitische Republiek Pakistan inzake overgangsregelingen op het gebied van de markttoegang voor textiel‑ en kledingproducten op 15 oktober 2001 te Brussel geparafeerd (PB L 345, blz. 81), en na vaststelling van verordening (EG) nr. 2501/2001 van de Raad van 10 december 2001 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 (PB L 346, blz. 1), is [de Islamitische Republiek] Pakistan begunstigde van dat schema geworden voor zover dat gold voor landen die de vervaardiging van en de handel in verdovende middelen bestrijden. Bijgevolg konden textiel‑ en kledingproducten uit Pakistan vanaf 1 januari 2002 in de Europese Gemeenschap worden ingevoerd met douanevrijstelling, nadat zij eerder aan een douanerecht van 12 % waren onderworpen. Krachtens artikel 10 van verordening nr. 2501/2001, juncto bijlage IV bij die verordening, behoorden tot de producten die van rechten waren vrijgesteld omdat zij onder de bijzondere regeling ter bestrijding van de vervaardiging van en de handel in verdovende middelen vielen, met name de volgende, onder hoofdstuk 63 van de gecombineerde nomenclatuur ingedeelde, producten: ‘andere geconfectioneerde artikelen van textiel; stellen of assortimenten; oude kleren en dergelijke’.
4
De eerdere antidumpingrechten zijn voor de Pakistaanse producenten opgeheven vanaf 30 januari 2002 bij verordening (EG) nr. 160/2002 van de Raad van 28 januari 2002 tot wijziging van verordening nr. 2398/97 (PB L 26, blz. 1).
5
Naar aanleiding van een nieuwe klacht die het [Committee of the Cotton and Allied Textile Industries of the European Communities] op 4 november 2002 heeft ingediend namens producenten die een groot deel van de totale communautaire productie van katoenhoudend bedlinnen vertegenwoordigen, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen een antidumpingprocedure ingeleid betreffende de invoer in de Gemeenschap van bedlinnen van katoenvezels, zuiver of gemengd met synthetische of kunstmatige vezels of met vlas (waarbij vlas niet mag overheersen), gebleekt, geverfd of bedrukt, van oorsprong uit Pakistan [...], waarbij zij ‘slechts ter informatie’ heeft vermeld dat deze invoer was ingedeeld onder de codes van de gecombineerde nomenclatuur ‘ex 6302 21 00, ex 6302 22 90, ex 6302 31 10, ex 6302 31 90 en ex 6302 32 90’. De inleiding van deze procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 december 2002 (PB C 316, blz. 6).
6
Het onderzoek naar dumping en daaruit voortvloeiende schade bestreek de periode van 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2002 (hierna: ‘onderzoektijdvak’). Het onderzoek van de voor de schadebeoordeling relevante ontwikkelingen had betrekking op de periode van 1999 tot het einde van het onderzoektijdvak [...].
7
Gezien het grote aantal producenten/exporteurs op wie de antidumpingprocedure betrekking had, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17 van verordening [...] nr. 384/96 [...] een steekproef samengesteld van zes ondernemingen, waaronder verzoekster, die in het onderzoektijdvak goed waren voor meer dan 32 % van de uitvoer van bedlinnen van Pakistan naar de Gemeenschap. Die ondernemingen werd gevraagd de antidumpingvragenlijst te beantwoorden.
8
Gelet op het grote aantal producenten in de Gemeenschap dat de klacht steunde, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 17 van [...] verordening [nr. 384/96] ook van deze producenten een steekproef – vijf ondernemingen uit drie lidstaten – samengesteld, op basis van het productie‑ en verkoopvolume dat het meest representatief was voor de omvang van de markt. De Commissie heeft die ondernemingen vervolgens vragenlijsten gestuurd.
9
Alle Pakistaanse producenten/exporteurs van de steekproef hebben de vragenlijst beantwoord, evenals de vijf in de steekproef opgenomen producenten in de Gemeenschap die aan de basis van de klacht lagen. Daarnaast hebben ook twee onafhankelijke importeurs in de Gemeenschap en drie niet in de steekproef opgenomen Pakistaanse producenten/exporteurs die om een individueel onderzoek hadden verzocht, de vragenlijst beantwoord.
10
Op 10 februari 2003 hebben de verenigingen die de Pakistaanse producenten/exporteurs van bedlinnen vertegenwoordigen de Commissie het document ‘Opmerkingen over de schade’ overgelegd. Daarin betwistten zij met name de rechtmatigheid van de inleiding van de antidumpingprocedure, het bestaan van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en het oorzakelijke verband tussen de Pakistaanse uitvoer en de beweerde schade van die bedrijfstak. Op 2 juni 2003 heeft de Commissie een hoorzitting georganiseerd in aanwezigheid van onder meer Pakistaanse producenten/exporteurs, waaronder verzoekster. De verenigingen die de Pakistaanse producenten/exporteurs van bedlinnen vertegenwoordigen, hebben de Commissie vervolgens het document ‘Opmerkingen na de hoorzitting over de schade’ overgelegd, waarin zij de tijdens die hoorzitting aan de orde gestelde punten opnieuw hebben uiteengezet.
11
Overeenkomstig artikel 16 van [...] verordening [nr. 384/96] heeft de Commissie controlebezoeken uitgevoerd bij twee Pakistaanse producten/exporteurs in het bijzonder, om de haar in de antwoorden op de vragenlijst verstrekte gegevens te verifiëren. [...] [S]lechts bij één Pakistaanse producent/exporteur, namelijk verzoekster, werd een volledige controle uitgevoerd; een andere Pakistaanse producent/exporteur werd gedeeltelijk gecontroleerd. De uitvoer van die twee ondernemingen was goed voor meer dan 50 % van de totale cif-waarde (cost, insurance, freight) bij uitvoer naar de Gemeenschap van de in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs. Aangezien niet was voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om controles in Pakistan uit te voeren, heeft de Commissie voorts geen gevolg gegeven aan de verzoeken om een individueel onderzoek van de drie niet in de steekproef opgenomen Pakistaanse producenten/exporteurs.
12
Op 10 december 2003 heeft de Commissie verzoekster een definitieve algemene mededeling van bijzonderheden betreffende de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan zij definitieve antidumpingmaatregelen voorstelde, gestuurd, samen met een definitieve mededeling specifiek voor haar (hierna: ‘definitieve mededelingen’). Bij brief van 5 januari 2004 is verzoekster officieel opgekomen tegen de conclusies van de Commissie in de definitieve mededelingen. Bij brieven van 16 februari 2004 heeft verzoekster de Commissie nog andere inlichtingen verstrekt.
13
De Commissie heeft op 17 februari 2004 de brief van 5 januari 2004 beantwoord. Ofschoon zij enkele correcties aan haar berekeningen had aangebracht, heeft zij de conclusies van de definitieve mededelingen bevestigd. Bij brief van 27 februari 2004 heeft verzoekster nogmaals gewezen op de fouten die de Commissie in haar analyse zou hebben begaan.
[...]
15
Op 2 maart 2004, heeft de Raad verordening [...] nr. 397/2004 [...] vastgesteld.
16
Bij verordening [nr. 397/2004] heeft de Raad een definitief antidumpingrecht van 13,1 % ingesteld op bedlinnen van katoenvezels, zuiver of gemengd met kunstmatige of synthetische vezels of met vlas (waarbij vlas niet mag overheersen), gebleekt, geverfd of bedrukt, ingedeeld onder de codes van de gecombineerde nomenclatuur ex 6302 21 00 (Taric-codes 6302 21 00 81 en 6302 21 00 89), ex 6302 22 90 (Taric-code 6302 22 90 19), ex 6302 31 10 (Taric-code 6302 31 10 90), ex 6302 31 90 (Taric-code 6302 31 90 90) en ex 6302 32 90 (Taric-code 6302 32 90 19), van oorsprong uit Pakistan.
17
Verordening [nr. 397/2004] is vervolgens wat verzoekster betreft, gewijzigd bij verordening (EG) nr. 695/2006 van de Raad van 5 mei 2006 tot wijziging [van die verordening] (PB L 121, blz. 14). De wijzigingsverordening heeft het definitieve dumpingrecht vastgesteld op 5,6 % voor de betrokken producten die verzoekster vervaardigt.”
Bestreden arrest
4
Bij op 28 mei 2004 neergelegd verzoekschrift heeft Gul Ahmed Textile Mills het Gerecht verzocht om nietigverklaring van verordening nr. 397/2004 voor zover deze haar betreft.
5
Gul Ahmed Textile Mills heeft daartoe vijf middelen aangevoerd, die hierna worden weergegeven.
—
Inzake de inleiding van het onderzoek: schending van artikel 5, leden 7 en 9, van verordening nr. 384/96 en van de artikelen 5.1 en 5.2 van de Overeenkomst inzake de Toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994 (WTO-GATT 1994) (PB L 336, blz. 103; hierna: „antidumpingovereenkomst van 1994”), opgenomen in bijlage 1 A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die op 15 april 1994 te Marrakesh is ondertekend en is goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986‑1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB L 336, blz. 1);
—
wat de berekening van de normale waarde betreft: kennelijke beoordelingsfout, schending van de artikelen 2, leden 3 en 5, en 18, lid 4, van verordening nr. 384/96, en van de antidumpingovereenkomst van 1994;
—
inzake de op de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs toegepaste neerwaartse correctie: schending van artikel 2, lid 10, van verordening nr. 384/96, van de antidumpingovereenkomst van 1994 en van de verplichting tot toereikende motivering krachtens artikel 253 EG;
—
wat de vaststelling van het bestaan van aanmerkelijke schade betreft: kennelijke beoordelingsfout, schending van artikel 3, leden 1 tot en met 3 en 5, van verordening nr. 384/96 en van de antidumpingovereenkomst van 1994, en
—
wat de vaststelling van een oorzakelijk verband tussen de invoer met beweerde dumping en de gestelde schade betreft: kennelijke beoordelingsfout, schending van artikel 3, leden 6 en 7, van verordening nr. 384/96 en van de antidumpingovereenkomst van 1994.
6
Het Gerecht heeft het aangewezen geacht eerst uitspraak te doen over het derde onderdeel van het vijfde middel. Met dat onderdeel stelde verzoekster in wezen dat de Raad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken of de opheffing van de eerdere antidumpingrechten en de invoering van het stelsel van algemene preferenties ten voordele van de Islamitische Republiek Pakistan begin 2002 het oorzakelijke verband tussen de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de invoer uit Pakistan verbraken.
7
In de eerste plaats heeft het Gerecht in de punten 45 tot en met 51 van het bestreden arrest opgemerkt dat de verenigingen die de Pakistaanse producenten/exporteurs van bedlinnen vertegenwoordigen vanaf het begin van de administratieve procedure de instellingen van de Unie erop hebben gewezen dat de beweerde schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap was te wijten aan twee factoren, namelijk de opheffing van de eerdere antidumpingrechten en van de gewone douanerechten in het kader van het stelsel van algemene tariefpreferenties ten voordele van de Islamitische Republiek Pakistan, en niet aan dumping betreffende invoer uit Pakistan. De toename van de invoer uit Pakistan werd volgens de Pakistaanse producenten/exporteurs dus mogelijk gemaakt door de vrijstelling van bepaalde rechten en de wijziging van de toepasselijke regelgeving.
8
In de punten 53 tot en met 59 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de instellingen van de Unie de in artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 neergelegde verplichting om alle „[a]ndere [b]ekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade toebrengen” te onderzoeken slechts daadwerkelijk nakomen indien zij de schadelijke gevolgen van invoer met dumping goed scheiden en onderscheiden van het schadelijke effect van andere bekende factoren.
9
In punt 56 van het bestreden arrest heeft het Gerecht overwogen dat de opsomming die in artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 wordt gegeven van „andere [b]ekende factoren dan de invoer met dumping” niet limitatief is, maar indicatief, zoals blijkt uit het gebruik van de woorden „onder andere” waarmee de lijst van mogelijk relevante factoren wordt ingeleid. Het Gerecht heeft in punt 57 van dat arrest benadrukt dat artikel 3, lid 7, van die verordening en artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst van 1994 beide tot doel hebben te voorkomen dat de mogelijk negatieve gevolgen van andere factoren die een invloed kunnen hebben op de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap, respectievelijk van de nationale bedrijfstakken, worden toegeschreven aan de invoer waarop het onderzoek betrekking heeft, zodat die bedrijfstakken geen grotere bescherming wordt verleend dan noodzakelijk is.
10
Het Gerecht heeft in punt 59 van het bestreden arrest geoordeeld dat de opheffing van de eerdere dumpingrechten en van de gewone douanerechten in het kader van het stelsel van algemene tariefpreferenties, bekende factoren waren waarmee de instellingen van de Unie rekening moesten houden bij de beoordeling of sprake is van een oorzakelijk verband tussen de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap en de invoer uit Pakistan van het product waarop het antidumpingonderzoek betrekking had.
11
Op basis daarvan heeft het Gerecht in punt 84 van het bestreden arrest vastgesteld dat uit de analyse van de instellingen van de Unie niet bleek, zelfs niet in de vorm van een eenvoudige raming, welke de schade van de bedrijfstak van de Gemeenschap zou zijn geweest zonder dumping, dit wil zeggen, welke schade louter uit de inwerkingtreding van het stelsel van algemene tariefpreferenties en de opheffing van de eerdere antidumpingrechten zou voortvloeien, qua verlies van marktaandeel, afname van de winsten of prestaties van de bovenbedoelde bedrijfstak, terugtrekkingen uit de lagere marktsegmenten of enige andere relevante economische indicator.
12
Het Gerecht heeft derhalve het derde onderdeel van het vijfde middel aanvaard en zonder de andere middelen te onderzoeken verordening nr. 397/2004 nietig verklaard voor zover zij Gul Ahmed Textile Mills betreft.
13
In die omstandigheden heeft de Raad, ondersteund door de Commissie, interveniënte in eerste aanleg, de onderhavige hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest.
Hogere voorziening
Argumenten van partijen
14
De Raad stelt dat het Gerecht artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 heeft geschonden door het in dat artikel bedoelde begrip „andere factoren” onjuist uit te leggen. Hij benadrukt dat het Gerecht weliswaar terecht heeft vastgesteld dat die bepaling in beginsel de verplichting inhoudt om de schadelijke gevolgen van andere bekende factoren te scheiden en onderscheiden van de schade door de invoer met dumping. De Raad meent echter dat het Gerecht ten onrechte de twee litigieuze factoren, te weten de opheffing van de eerdere antidumpingrechten en de invoering van het stelsel van algemene tariefpreferenties, heeft beschouwd als „andere factoren” in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96. Het Gerecht heeft dus ten onrechte geoordeeld dat de instellingen in casu die bepaling hadden geschonden door de beweerde schadelijke gevolgen van de twee litigieuze factoren niet afzonderlijk en onderscheiden te behandelen.
15
Volgens de Raad is een „andere factor” in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 per definitie een factor die geen verband houdt met de invoer met dumping. Beide litigieuze factoren zijn nauw verbonden met de invoer met dumping uit Pakistan. Volgens de Raad „is een factor die enkel voor toename van de invoer met dumping zorgt, op zich geen onderscheiden schadeveroorzakende factor, aangezien alle schade die voortvloeit uit een toename van de invoer met dumping wordt veroorzaakt door de invoer met dumping en niet door de factoren die de toename van die invoer mogelijk maken”. Die uitlegging vindt steun in de conclusies van het rapport van het WTO-panel van 28 oktober 2011, „European Union – Anti-dumping duties on certain footwear from China” (Europese Unie – Antidumpingmaatregelen voor bepaalde schoenen uit China) (WT/DS405/R).
16
De Raad merkt op dat de – weliswaar op zich niet-exhaustieve – lijst in artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 de twee litigieuze factoren niet vermeldt als „andere factoren” in de zin van die bepaling. De wijzigingen van de wet‑ en regelgeving zijn immers slechts relevant voor zover zij een effect op de markt hebben en de twee litigieuze factoren konden enkel een effect hebben op de invoer met dumping. Volgens de Raad hebben die twee factoren evenwel geen invloed op de prestaties van de bedrijfstak van de Unie.
17
Voorts meent de Raad dat de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht voortvloeit uit een onjuiste uitlegging van artikel 3, leden 6 en 7, van verordening nr. 384/96, wat blijkt uit de overwegingen in punt 84 van het bestreden arrest.
18
De Commissie deelt in wezen de argumenten van de Raad.
19
Gul Ahmed Textile Mills betoogt dat de ter ondersteuning van de hogere voorziening aangevoerde middelen zonder reden het begrip „andere factoren” in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96 beperken. De uitlegging die de Raad van dit begrip geeft, is immers in strijd met die bepaling. Aangezien die bepaling ertoe strekt te voorkomen dat schade wordt toegeschreven aan de invoer met dumping terwijl een andere factor aan de basis van die schade ligt, bestaat bovendien geen grond om de factoren waarvan de schadelijke gevolgen in aanmerking moeten worden genomen, arbitrair te beperken.
20
Wat het begrip „andere factoren” betreft, is het volgens Gul Ahmed Textile Mills niet juist dat de litigieuze factoren „nauw verband” hielden met de invoer met dumping. Met de opheffing van de eerdere antidumpingrechten wenste de Unie de onterechte instelling van maatregelen in 1997 recht te zetten en deze opheffing hield geen verband met de invoer met dumping, hetzij in het onderzoektijdvak, hetzij daarvoor. De toekenning door de Unie van een bijzondere tariefpreferentie aan de invoer uit Pakistan vanaf 1 januari 2002 betreft niet specifiek de invoer van bedlinnen en nog minder de invoer van bedlinnen met dumping. De wijzigingen van de marktregelgeving zijn enkel toe te schrijven aan acties van de Unie en houden geen „nauw verband” met acties van producenten uit derde landen.
21
Gul Ahmed Textile Mills merkt op dat de litigieuze factoren de heffinglast op alle invoer van bedlinnen uit Pakistan direct hebben verlaagd en zo de prijzen van die invoer op de markt van de Unie direct hebben beïnvloed. Stellen dat die tariefwijzigingen „louter een toename van de omvang van de invoer met dumping mogelijk maken” is kennelijk onjuist.
22
Volgens Gul Ahmed Textile Mills is de centrale vraag of de litigieuze factoren een directe invloed hebben gehad op het niveau van een van de economische indicatoren die de instellingen van de Unie in aanmerking nemen om te bepalen of de bedrijfstak van de Unie materiële schade heeft geleden en, in voorkomend geval, waarom. Artikel 3, lid 5, van verordening nr. 384/96 vereist een beoordeling van „alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn” en in de in die bepaling neergelegde indicatieve lijst is sprake van de „factoren die van invloed zijn op de prijzen in de Gemeenschap”. Verweerster in hogere voorziening benadrukt dat de litigieuze factoren als direct gevolg hadden dat, zonder wijziging van de fob‑prijzen („free on board”) van de producten van de Pakistaanse producenten, de producenten van de Unie zich plots geconfronteerd zagen met invoer op de Uniemarkt tegen een aanmerkelijk lager prijsniveau dan voorheen. De wijzigingen van de regelgeving hebben dus een direct effect gehad op de economische omstandigheden waarmee rekening wordt gehouden bij de vaststelling van de schade en van het oorzakelijke verband tussen die schade en de dumping.
Beoordeling door het Hof
23
Uit de punten 108 tot en met 115 van verordening nr. 397/2004 blijkt dat de instellingen van de Unie de factoren hebben onderzocht die volgens hen andere factoren zijn dan de invoer met dumping.
24
In het bijzonder hebben zij de invoer uit India, Turkije, Roemenië, Bangladesh en Egypte onderzocht en de factoren die verband houden met de inkrimping van de vraag, de invoer door en de export van de bedrijfstak van de Unie en de productiviteit van die bedrijfstak.
25
Vaststaat dat de instellingen van de Unie bij de beoordeling van het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de schade van de bedrijfstak van de Unie de twee litigieuze maatregelen die aan de orde zijn, te weten de opheffing van de gewone douanerechten in het kader van de toepassing van het stelsel van algemene tariefpreferenties en die van de eerdere antidumpingrechten, niet hebben onderzocht.
26
Die maatregelen hadden betrekking op producten uit Pakistan en verordening nr. 397/2004 geldt voor alle Pakistaanse exporteurs. Krachtens die verordening vormt de uitvoer van alle daarin opgesomde producten dus invoer met dumping in de zin van artikel 3 van verordening nr. 384/96.
27
De opheffing van de invoerrechten, van 12 % enerzijds en 6,7 % anderzijds, kan de invoer van de betrokken producten hebben vergemakkelijkt en bevorderd. Dat effect heeft echter betrekking op de invoer met dumping zelf.
28
Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96, met name uit de woorden „[b]ekende factoren [...] die de bedrijfstak van de Gemeenschap [...] schade toebrengen”, blijkt dat die verordening een onderzoek vereist van de factoren die direct schade veroorzaken, wat een direct oorzakelijk verband veronderstelt.
29
In casu kunnen de wijzigingen van de wettelijke voorwaarden voor invoer met dumping op zich evenwel niet als schadeveroorzakend worden beschouwd. Het is de invoer zelf die schade veroorzaakt.
30
De invoer met dumping en de wettelijke voorwaarden waaronder deze plaatsvindt, zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.
31
De litigieuze maatregelen, die de invoer vergemakkelijken en bevorderen, zijn slechts indirecte oorzaken en kunnen niet worden aangemerkt als „andere factoren” in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96.
32
Die uitlegging is in overeenstemming met het rapport van het WTO-panel van 28 oktober 2011, „European Union – Anti-dumping duties on certain footwear from China”, waarin de vraag naar het oorzakelijke verband tussen de opheffing van een invoercontingent en de schade is getoetst aan artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst van 1994. In punt 7.527 van dat rapport is vastgesteld dat de opheffing van een invoercontingent, waardoor de omvang van de invoer met dumping toeneemt, op zich geen schadeveroorzakende factor is.
33
De invoercontingenten vormen, net zoals de douanerechten bij invoer, de wettelijke voorwaarden waaronder de invoer plaatsvindt.
34
In die omstandigheden heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de twee litigieuze factoren „andere factoren” zijn in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening nr. 384/96.
35
Die conclusie laat echter de vraag onverlet of met de litigieuze factoren rekening moet worden gehouden bij het onderzoek naar het bestaan van schade, op grond van artikel 3, leden 2, 3 en 5, van verordening nr. 384/96.
36
Het bestreden arrest moet derhalve worden vernietigd.
37
Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening naar het Gerecht terugverwijzen.
38
In het onderhavige geding is niet voldaan aan de voorwaarden om de zaak zelf af te doen.
39
Bijgevolg dient de zaak naar het Gerecht te worden terugverwezen en moet de beslissing over de kosten worden aangehouden.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:
1)
Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 september 2011, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (T‑199/04), wordt vernietigd.
2)
De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.
3)
De beslissing over de kosten wordt aangehouden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Engels.
Top