Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (VIJFDE KAMER) VAN 18 JUNI 1991. - ASBL PIAGEME EN ANDEREN TEGEN BVBA PEETERS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: RECHTBANK VAN KOOPHANDEL LEUVEN - BELGIE. - UITLEGGING VAN ARTIKEL 30 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 14 VAN RICHTLIJN 79/112/EEG - ETIKETTERING EN PRESENTATIE VAN VOOR DE CONSUMENT BESTEMDE LEVENSMIDDELEN - ETIKETTERING IN DE TAAL VAN DE STREEK WAAR ZIJ TEN VERKOOP WORDEN AANGEBODEN. - ZAAK C-369/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02971
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Harmonisatie van wetgevingen - Etikettering en presentatie van levensmiddelen - Richtlijn 79/112 - Verplichting voor Lid-Staten om handel te verbieden in produkten waarop vermeldingen niet in voor koper gemakkelijk te begrijpen taal voorkomen - Draagwijdte - Voorschriften die verder gaan dan deze verplichting - Ontoelaatbaarheid - Schending van artikel 30 EEG-Verdrag
(EEG-Verdrag, art. 30; Richtlijn 79/112 van de Raad, art. 14)
SamenvattingArtikel 14 van richtlijn 79/112 betreffende de etikettering en de presentatie van levensmiddelen, dat de Lid-Staten de verplichting oplegt om de handel in die produkten op hun grondgebied te verbieden indien bepaalde vermeldingen niet op het etiket voorkomen "in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht", verbiedt enkel de handel in produkten waarvan de etikettering voor de koper niet gemakkelijk te begrijpen is; zij schrijft niet het gebruik van een bepaalde taal voor.
Een nationale wettelijk regeling die een strengere verplichting oplegt dan om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, bij voorbeeld de verplichting om uitsluitend de taal te bezigen van het taalgebied waar de verkoop plaatsvindt, gaat verder dan die bepaling vereist en negeert de mogelijkheid om de verbruiker door andere maatregelen in te lichten.
De verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te gebruiken, zou een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen.
PartijenIn zaak C-369/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Rechtbank van koophandel te Leuven (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
ASBL Piageme, Groupement des Producteurs, Importateurs et Agents généraux d' Eaux minérales étrangères, e.a.
en
BVBA Peeters,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: J. C. Moitinho de Almeida, kamerpresident, G. C. Rodríguez Iglesias, Sir Gordon Slynn, F. Grévisse en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- verzoeksters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. Horsmans en A. Puts, advocaten te Brussel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R. Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verzoeksters, van de BVBA Peeters, vertegenwoordigd door J. Danckaerts, advocaat te Leuven, en van de Commissie ter terechtzitting van 11 december 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van dezelfde datum,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 5 december 1989, ingekomen bij het Hof op 8 december daaraanvolgend, heeft de Rechtbank van koophandel te Leuven (België) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PB 1979, L 33, blz. 1).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen enerzijds Groupement des Producteurs, Importateurs et Agents généraux d' Eaux minérales étrangères (Piageme), Société générale des Grandes Sources et Eaux minérales françaises (SGGSEMF) en de vennootschappen Evian, Apollinaris en Vittel (hierna: "verzoeksters in het hoofdgeding"), die zich bezighouden met de invoer en de verdeling in België van verschillende Franse mineraalwaters, en anderzijds BVBA Peeters (hierna: "Peeters"), die gevestigd is in het Nederlandse taalgebied, waar zij de betrokken mineraalwaters verkoopt in flessen met uitsluitend Franstalige of Duitstalige etiketten.
3 Van oordeel dat zij daardoor schade leden, daagden verzoeksters in het hoofdgeding Peeters voor de Rechtbank van koophandel te Leuven, stellende dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980, vervangen door artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986 (Belgisch Staatsblad van 2.12.1986, blz. 16317), waarbij voormelde richtlijn 79/112 in Belgisch recht is omgezet, bepaalt dat de voorgeschreven vermeldingen op de etiketten ten minste moeten zijn gesteld in de taal of de talen van het taalgebied waar de voedingsmiddelen te koop worden gesteld.
4 Peeters beriep zich op de onverenigbaarheid van de Belgische regeling met artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van voormelde richtlijn, volgens hetwelk de betrokken vermeldingen moeten worden aangebracht "in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht." Onder die omstandigheden heeft de Rechtbank van koophandel te Leuven de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de navolgende vraag:
"Is artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980, thans artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986, verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van 18 december 1978?"
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten in het hoofdgeding, de toepasselijke regelingen en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De bevoegdheid
6 Verzoeksters in het hoofdgeding betwisten de bevoegdheid van het Hof met twee middelen. In de eerste plaats stellen zij, dat het Hof niet bevoegd is de verenigbaarheid van bepalingen van nationaal recht te toetsen aan het gemeenschapsrecht, en dus de vraag van de nationale rechter niet kan beantwoorden. In de tweede plaats zou de gestelde prejudiciële vraag volstrekt overbodig zijn.
7 Met betrekking tot het eerste middel zij eraan herinnerd, dat het Hof zich volgens vaste rechtspraak in een krachtens artikel 177 EEG-Verdrag aanhangig gemaakte procedure niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het gemeenschapsrecht. Het is daarentegen wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, aan de hand waarvan hij die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van de voor hem aanhangige zaak (zie bijvoorbeeld het arrest van 21 november 1990, zaak C-373/89, Caisse d' assurances sociales pour travailleurs indépendants "Integrity", Jurispr. 1990, blz. I-4243, r.o. 9).
8 Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, of artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112 zich ertegen verzetten, dat de wettelijke regeling van een Lid-Staat het gebruik verplicht stelt van de taal van het taalgebied waar de levensmiddelen worden verkocht, en het gebruik van een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal dan wel elke afwijking wanneer de koper door andere maatregelen wordt ingelicht, verbiedt.
9 In hun tweede middel stellen verzoeksters in het hoofdgeding, dat het geding voor de nationale rechter niet de vraag betreft, of de Belgische regeling bij wege van afwijking de mogelijkheid moest bieden dat de koper door andere maatregelen dan door een in de taal van zijn taalgebied gesteld etiket wordt ingelicht, doch of het, nu in die mogelijkheid is voorzien, mogelijk is bedoelde inlichtingen doeltreffend op andere wijze te verstrekken. Anders gezegd, het geding zou een bewijsprobleem betreffen, ten aanzien waarvan alleen de nationale rechter bevoegd is en niet het Hof, zodat de voorgelegde vraag van geen nut is voor de uitspraak in het hoofdgeding.
10 Volgens vaste rechtspraak staat het bij uitsluiting aan de aangezochte nationale rechter, die de verantwoordelijkheid draagt voor het te wijzen vonnis, om rekening houdend met de bijzonderheden van elk geval, te beoordelen of een prejudiciële beslissing noodzakelijk is om vonnis te kunnen wijzen, en of de aan het Hof gestelde vragen relevant zijn. Wanneer de vragen van de nationale rechter de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht betreffen, is het Hof derhalve in beginsel gehouden die vragen te beantwoorden (arrest van 8 november 1990, zaak C-231/89, Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r.o. 20).
De prejudiciële vraag
11 Verzoeksters in het hoofdgeding zijn van mening, dat de verplichting om het etiket te stellen in de taal van het taalgebied waar de produkten worden verkocht, een redelijke invulling van het doel van de richtlijn vormt, namelijk de verbruiker nauwkeurige inlichtingen over de verkochte produkten verstrekken en zorgen voor de nodige rechtszekerheid, gezien de diverse talen die in een bepaald gebied worden gesproken. Zij wijzen erop, dat artikel 14 van de richtlijn de Lid-Staten de verplichting oplegt, de handel in produkten waarvan de etikettering niet in overeenstemming is met de regeling, te verbieden; dit is meer dan een gedoogplicht, krachtens welke een voor de koper gemakkelijk te begrijpen etikettering zou moeten worden toegelaten.
12 Dienaangaande zij erop gewezen, dat de bij artikel 14 aan de Lid-Staten opgelegde verplichting erin bestaat, de handel in de betrokken produkten op hun grondgebied te verbieden indien de voorgeschreven vermeldingen niet op het etiket voorkomen "in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht."
13 De richtlijn verbiedt dus enkel de handel in produkten waarvan de etikettering voor de koper niet gemakkelijk te begrijpen is; zij schrijft niet het gebruik van een bepaalde taal voor.
14 Letterlijk uitgelegd, verzet artikel 14 zich niet tegen een nationale wettelijke regeling die ter informatie van de verbruiker enkel het gebruik toelaat van de taal of de talen van het taalgebied waar de produkten worden verkocht. Een dergelijke regel zou de koper in staat stellen, de vermeldingen op het produkt gemakkelijk te begrijpen. De taal van het taalgebied is immers die welke daar het gemakkelijkst zal worden begrepen.
15 Deze uitlegging van artikel 14 heeft echter geen oog voor het doel van de richtlijn. Blijkens de eerste drie overwegingen van haar considerans heeft richtlijn 79/112 immers tot doel, de verschillen op te heffen die thans tussen de nationale bepalingen bestaan en die het vrije verkeer van produkten belemmeren. Met het oog daarop verlangt artikel 14 enkel een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal; volgens dit artikel kan, wanneer de relevante vermeldingen niet in een gemakkelijk te begrijpen taal zijn aangebracht, de binnenkomst van levensmiddelen op het grondgebied van een Lid-Staat voorts worden toegestaan indien "de koper door andere maatregelen wordt ingelicht".
16 Uit het voorgaande volgt, dat een strengere verplichting dan om een gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken, bijvoorbeeld de verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te bezigen, en het ontbreken van de mogelijkheid om de verbruiker door andere maatregelen in te lichten, verder gaan dan hetgeen de richtlijn vereist. De verplichting om uitsluitend de taal van het taalgebied te gebruiken, zou een bij artikel 30 EEG-Verdrag verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormen.
17 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG eraan in de weg staan, dat een nationale wettelijke regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
Beslissing inzake de kostenKosten
18 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Rechtbank van koophandel te Leuven bij beschikking van 5 december 1989 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen bestemd voor de eindverbruiker alsmede de daarvoor gemaakte reclame, staan eraan in weg, dat een nationale wettelijke regeling het uitsluitend gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van levensmiddelen voorschrijft, zonder de mogelijkheid open te laten dat een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal wordt gebruikt of dat de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
Top