Avis juridique important
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 3 oktober 2002. - Franse Republiek tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Staatssteun - Ontwikkelingshulp - Passagiersschip .Le Levant geëxploiteerd in Saint-Pierre-en-Miquelon - Beroep tot nietigverklaring van beschikking van Commissie betreffende door Franse Republiek toegekende staatssteun. - Zaak C-394/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08245
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Steunmaatregelen van de staten - Onderzoek door Commissie - Beoordeling van wettigheid aan hand van gegevens die beschikbaar zijn op ogenblik van vaststelling van beschikking
(Art. 88 EG)
2. Steunmaatregelen van de staten - Verbod - Afwijkingen - Steun aan scheepsbouw - Richtlijn 90/684 - Criteria voor afwijking - Steun die in vorm van ontwikkelingshulp aan ontwikkelingsland wordt verleend - Noodzaak om steun aan ontwikkeling in concreto te beoordelen
(Richtlijn 90/684 van de Raad, art. 4, lid 7)
Samenvatting1. De wettigheid van een beschikking betreffende steunmaatregelen moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf. Een lidstaat kan zich voor het Hof dus niet beroepen op feitelijke gegevens die tijdens de in artikel 88 EG bedoelde precontentieuze procedure niet werden aangevoerd.
( cf. punt 34 )
2. Het feit dat een archipel economische en financiële moeilijkheden kent, volstaat niet om steunverlening aan de scheepsbouw of -verbouwing aan te merken als steun [...] aan een ontwikkelingsland" in de zin van artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684, dat bepaalt dat dergelijke steun, zonder aan het in artikel 4, leden 1 tot en met 3, beschreven plafond te zijn onderworpen, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd als zij in overeenstemming is met de bepalingen van de OESO-overeenkomst inzake exportkredieten voor schepen. De bijdrage van deze steunmaatregelen aan de ontwikkeling moet immers in concreto worden beoordeeld.
Het feit dat de Commissie in het verleden andere, gelijksoortige projecten betreffende overzeese gebieden heeft aanvaard, is niet relevant voor de beoordeling van de litigieuze steun, die op zijn eigen merites moet worden beoordeeld.
( cf. punten 52-53 )
PartijenIn zaak C-394/01,
Franse Republiek, vertegenwoordigd door G. de Bergues en F. Million als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Rozet als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 2001/882/EG van de Commissie van 25 juli 2001 betreffende door Frankrijk toegekende staatssteun in de vorm van ontwikkelingshulp ten behoeve van het passagiersschip Le Levant dat gebouwd is door Alstom Leroux Naval en in Saint-Pierre-en-Miquelon wordt geëxploiteerd (PB L 327, blz. 37),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, S. von Bahr (rapporteur), M. Wathelet, C. W. A. Timmermans en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo,
griffier: R. Grass,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 juni 2002,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 oktober 2001, heeft de Franse Republiek krachtens artikel 230, eerste alinea, EG verzocht om nietigverklaring van beschikking 2001/882/EG van de Commissie van 25 juli 2001 betreffende door Frankrijk toegekende staatssteun in de vorm van ontwikkelingshulp ten behoeve van het passagiersschip Le Levant dat gebouwd is door Alstom Leroux Naval en in Saint-Pierre-en-Miquelon wordt geëxploiteerd (PB L 327, blz. 37; hierna: bestreden beschikking").
De toepasselijke regelgeving
2 Richtlijn 90/684/EEG van de Raad van 21 december 1990 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 380, blz. 27), waarvan de toepassing is verlengd bij verordening (EG) nr. 3094/95 van de Raad van 22 december 1995 betreffende de steunverlening aan de scheepsbouw (PB L 332, blz. 1), bevat bijzondere regels voor steunverlening aan deze sector, die een uitzondering vormen op het algemene verbod van artikel 92, lid 1, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, lid 1, EG).
3 Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 90/684 kan productiesteun ten behoeve van de scheepsbouw of -verbouwing als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits het bedrag ervan niet meer bedraagt dan een in dit artikel bepaald plafond.
4 Artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684 luidt als volgt:
Steun voor scheepsbouw of -verbouwing die in de vorm van ontwikkelingshulp aan een ontwikkelingsland wordt verleend, is niet aan het plafond onderworpen. Deze steun kan als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd als zij in overeenstemming is met de bepalingen die OESO-werkgroep nr. 6 met het oog daarop heeft opgenomen in haar akkoord over de uitlegging van de artikelen 6, 7 en 8 van de [...] OESO-overeenkomst [inzake exportkredieten voor schepen], of met een later addendum bij of corrigendum op genoemde overeenkomst.
Elk afzonderlijk steunvoornemen van dien aard moet vooraf aan de Commissie worden medegedeeld. De Commissie gaat de bijzondere ontwikkelingscomponent van het steunvoornemen na en vergewist zich ervan dat deze steun onder de werkingssfeer van het in de eerste alinea genoemde akkoord valt."
De feiten
5 Het uit de punten 1 tot en met 3 en 12 van de bestreden beschikking blijkende verloop van de precontentieuze procedure kan als volgt worden weergegeven.
6 Eind 1998 vernam de Commissie via een in Lloyds List verschenen artikel dat het passagiersschip Le Levant", dat in Frankrijk door Alstom Leroux Naval was gebouwd tegen een contractprijs van 228,55 miljoen FRF, was gefinancierd met behulp van aan de investeerders in de bouw van het schip toegekende belastingverminderingen. Deze steun was niet bij de Commissie aangemeld.
7 Bij schrijven van 2 december 1999 stelde de Commissie de Franse autoriteiten in kennis van haar beslissing om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden. Deze beslissing werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 5 februari 2000 (PB C 33, blz. 6) en de belanghebbenden werd verzocht hun opmerkingen te maken.
8 Bij brieven van 12 januari 2000, 14 juni 2000, 30 april 2001 en 11 juni 2001 deelde de Franse Republiek haar opmerkingen dienaangaande mee.
9 De kenmerken en de context van de steun, zoals uiteengezet in punt 5 van de bestreden beschikking, zijn de volgende. De steun werd toegekend in 1996, bij de aankoop van het passagiersschip Le Levant" door een groep particuliere investeerders die op initiatief van een vennootschap (hierna: vennootschap X") een gemeenschappelijke maritieme eigendom hadden gevormd. Vervolgens werd het schip verhuurd aan de Compagnie des Iles du Levant (hierna: CIL"), een in Wallis-en-Futuna (een Frans overzees gebied) geregistreerde dochteronderneming van een Franse maatschappij. De investeerders mochten hun investeringen aftrekken van hun belastbaar inkomen. Door deze belastingverminderingen ten bedrage van een geraamde totale waarde van 78 miljoen FRF kon CIL het schip tegen gunstige voorwaarden exploiteren. De investeerders moesten hun aandelen na vijf jaar, d.w.z. begin 2004, aan vennootschap X verkopen. Vervolgens diende CIL deze aandelen van vennootschap X te kopen tegen een prijs waarin de waarde van de steun was doorberekend. Op CIL rustte tevens de verplichting om het schip gedurende minimaal vijf jaar te exploiteren, hoofdzakelijk met vertrek en aankomst in Saint-Pierre-en-Miquelon (een Frans overzees gebied ter hoogte van de oostkust van Canada), gedurende 160 dagen per jaar.
De bestreden beschikking
10 In punt 16 van de bestreden beschikking heeft de Commissie verklaard dat de betrokken steun moest worden getoetst aan artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684, aangezien het ging om met scheepsbouw verbonden steun die in 1996 werd toegekend als ontwikkelingshulp in het kader van een door de zogenaamde wet Pons" ingestelde en door de Commissie in 1992 goedgekeurde steunregeling.
11 In punt 17 van de bestreden beschikking heeft de Commissie gepreciseerd dat zij de ontwikkelingscomponent" van de betrokken steun moest nagaan en zich ervan diende te vergewissen dat deze steun onder de werkingssfeer van de in artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684 bedoelde overeenkomst viel. In punt 21 van de bestreden beschikking heeft zij vastgesteld dat de steun aan de door deze overeenkomst vastgestelde criteria voldeed, doch in het volgende punt heeft zij vastgesteld dat de steun niet aan het ontwikkelingscriterium voldeed.
12 De voornaamste overwegingen op grond waarvan de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de omstreden steun geen ontwikkelingshulp vormde, staan in de punten 22 tot en met 33 van de bestreden beschikking.
13 De Commissie wees erop dat uit de door de Franse autoriteiten meegedeelde informatie bleek dat de door hen gemaakte ramingen van de economische voordelen in wezen waren gebaseerd op de veronderstelling dat het schip de haven van Saint-Pierre-en-Miquelon 50 maal per seizoen zou binnenlopen, tijdens de 160 dagen, van eind mei tot begin oktober, dat de klimaatomstandigheden een cruise in dit gebied mogelijk maken.
14 De Commissie stelde echter vast dat de werkelijkheid er heel anders uitzag en wees erop dat de Franse autoriteiten in hun schrijven van 30 april 2001 hadden meegedeeld dat in 1999 en 2000 respectievelijk slechts 9 en 11 cruises Saint-Pierre-en-Miquelon als vertrekpunt of eindbestemming hadden. Volgens de Commissie volgde hieruit dat het schip tijdens deze twee jaar, in plaats van de geraamde 100 maal, slechts 11 maal de haven was binnengelopen, hetgeen neerkomt op 11 %.
15 Wat 2001 betreft, merkte de Commissie op dat volgens diezelfde brief 13 cruises met Saint-Pierre-en-Miquelon als vertrekpunt of als bestemming en 5 mini-cruises met vertrek en aankomst aldaar waren gepland, wat neerkomt op 12 aanlopen in plaats van de geraamde 50, i.e. 24 %.
16 De Commissie is op basis van de cijfers over de jaren 1999 en 2000 tot de conclusie gekomen dat de veronderstellingen op basis waarvan de economische voordelen voor Saint-Pierre-en-Miquelon waren berekend, onjuist waren. Zij verklaarde dat zij de verwachte economische voordelen derhalve had herberekend aan de hand van de cijfers van de Franse autoriteiten, maar rekening houdend met een veel kleiner aantal effectieve aanlopen.
17 De Commissie stelde vast dat, wat de directe economische voordelen betreft, de Franse autoriteiten de met de exploitatie van het schip verbonden uitgaven op 10,8 miljoen FRF per jaar hadden geraamd, en dat de door de passagiers ter plaatse verrichte uitgaven op 1,2 miljoen FRF per jaar werden geschat, wat een totaal van 12 miljoen FRF oplevert. De Commissie preciseerde dat voor beide uitgaven deze cijfers op een verwachting van 50 aanlopen per jaar waren gebaseerd.
18 Rekening houdend met de aard van de economische voordelen die werden berekend, waaronder de verkoop van levensmiddelen en materiaal, alsmede de havenrechten, is de Commissie ervan uitgegaan dat deze voordelen evenredig waren met het aantal aanlopen.
19 Op basis van het werkelijke aantal aanlopen in de jaren 1999-2000 en het aantal te verwachten aanlopen voor de drie daaraanvolgende jaren raamde de Commissie, uitgaande van de juistheid van de economische berekeningen van de Franse autoriteiten betreffende de weerslag van de aanlopen, de economische voordelen over de periode 1999-2003 op 11,28 miljoen FRF, uitgesplitst als volgt:
- in 1999 en 2000 bedroegen de economische voordelen per jaar 11 % van 12 miljoen FRF per jaar, i.e. 1,32 miljoen FRF per jaar;
- voor 2001 kunnen de economische voordelen worden geraamd op 24 % van 12 miljoen FRF, i.e. 2,88 miljoen FRF;
- daar de voor de jaren 2002 en 2003 geplande cruises nog niet bekend zijn, wordt uitgegaan van het cijfer voor 2001, te weten 24 % van 12 miljoen FRF per jaar, en worden de economische voordelen geraamd op 2,88 miljoen FRF per jaar.
20 Aangezien het totale bedrag van de omstreden steun 78 miljoen FRF beliep, oordeelde de Commissie dat de steun derhalve bijna zeven keer hoger was dan de economische voordelen voor de archipel Saint-Pierre-en-Miquelon.
21 Wat de directe arbeidsplaatsen betreft, verklaarde de Commissie dat de Franse autoriteiten hadden bevestigd dat bij de aanwerving van de 55 bemanningsleden voorrang zou worden gegeven aan de inwoners van Saint-Pierre-en-Miquelon. De Commissie wees er evenwel op dat als enige inlichting was meegedeeld dat vier voormalige vissers van deze archipel een opleiding hadden gevolgd om op het schip te werken. De Commissie leidde hieruit af dat onder de bemanningsleden niet veel inwoners van de archipel waren.
22 De Commissie merkte op dat de beweringen betreffende andere indirecte voordelen niet werden gekwantificeerd.
23 Zij stelde eveneens vast dat het argument van de Franse autoriteiten dat een langere periode dan de jaren 1999 tot en met 2003 in aanmerking moest worden genomen, niet kon worden aanvaard, aangezien er voor CIL geen enkele verplichting bestaat om de exploitatie van het schip met vertrek- of eindpunt Saint-Pierre-en-Miquelon na deze periode voort te zetten.
24 De Commissie concludeerde hieruit dat niet was aangetoond dat het project waarvoor de omstreden steun was gegeven, een ontwikkelingsproject was. Enerzijds betoogde zij dat de vermeende voordelen in termen van rechtstreeks gecreëerde arbeidsplaatsen niet waren bewezen en niet op realistische veronderstellingen berustten. Anderzijds merkte zij op dat de vermeende rechtstreekse economische voordelen aanzienlijk kleiner waren dan de verstrekte steun, waardoor er geen sprake was van evenredigheid tussen de steun en de verwachte economische gevolgen.
25 De Commissie stelde vast dat de Franse Republiek de betrokken steun in strijd met artikel 88, lid 3, EG, had verstrekt. Zij voegde daaraan toe dat deze steun niet in overeenstemming was met richtlijn 90/684 en dus onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en met rente moest worden teruggevorderd.
Conclusies van partijen
26 De Franse Republiek, die slechts één middel tot staving van haar beroep aanvoert, concludeert dat het den Hove behage de bestreden beschikking nietig te verklaren en de Commissie te verwijzen in de kosten.
27 De Commissie concludeert tot verwerping van het beroep wegens ongegrondheid en tot verwijzing van de Franse Republiek in de kosten.
Het middel
28 Met haar enige middel betwist de Franse regering de conclusie van de Commissie dat de litigieuze steun geen ontwikkelingshulp is. Zij is van mening dat de Commissie slechts tot deze conclusie kon komen door een aantal onjuiste opvattingen over de feiten en het recht en kennelijk onjuiste beoordelingen, die tot nietigverklaring van de bestreden beschikking moeten leiden.
29 Dit middel bestaat uit twee onderdelen. Wat in de eerste plaats de gegevens aangaande de werkgelegenheid betreft, zou de Commissie geen rekening hebben gehouden met het juiste aantal op Saint-Pierre-en-Miquelon wonende werknemers. Wat in de tweede plaats de economische gevolgen betreft, zou het oordeel van de Commissie onjuist zijn.
De gegevens betreffende de werkgelegenheid
Argumenten van partijen
30 De Franse regering betoogt dat het project waarvoor de litigieuze steun is verleend zijn doel inzake het scheppen van werkgelegenheid heeft bereikt. De Commissie heeft ten onrechte gemeend dat slechts vier voormalige vissers een opleiding hadden gevolgd om op het betrokken schip te werken, en dat onder de bemanningsleden niet veel inwoners van Saint-Pierre-en-Miquelon zouden zijn. Volgens de Franse regering werden 12 inwoners van deze archipel en 17 van de Antillen als bemanningslid aangeworven.
31 De Commissie antwoordt dat zij geen vergissing omtrent de feiten heeft begaan en dat de informatie betreffende de beweerde 12 in Saint-Pierre-en-Miquelon aangeworven bemanningsleden nieuw is. Deze informatie blijkt helemaal niet uit de tijdens de precontentieuze procedure verstrekte inlichtingen en is derhalve in het kader van het onderhavige beroep niet-ontvankelijk. De informatie betreffende de 17 op de Antillen aangeworven bemanningsleden is niet relevant in een dossier dat betrekking heeft op de ontwikkeling van Saint-Pierre-en-Miquelon.
32 In repliek geeft de Franse regering toe dat zij de Commissie niet onmiddellijk na haar brief van 12 mei 1999 waarin zij de Commissie meedeelde dat vier voormalige vissers in opleiding waren, heeft ingelicht over de herkomst van de aangeworven bemanningsleden.
Beoordeling door het Hof
33 Vaststaat dat de Franse regering de Commissie tijdens de precontentieuze procedure niet de in het verzoekschrift voorkomende informatie betreffende de aanwerving van 12 inwoners van Saint-Pierre-en-Miquelon als bemanningslid heeft meegedeeld.
34 Dienaangaande zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de wettigheid van een beschikking betreffende steunmaatregelen moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop zij haar beschikking gaf (zie met name arrest van 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C-288/96, Jurispr. blz. I-8237, punt 34). Zoals de advocaat-generaal in punt 20 van zijn conclusie opmerkt, kan een lidstaat zich voor het Hof niet beroepen op feitelijke gegevens die tijdens de in artikel 88 EG bedoelde precontentieuze procedure niet werden meegedeeld (zie in die zin arresten van 14 september 1994, Spanje/Commissie, C-278/92-C-280/92, Jurispr. blz. I-4103, punt 31, en 13 juni 2002, Nederland/Commissie, C-382/99, Jurispr. blz. I-5163, punten 49 en 76).
35 Hieruit volgt dat de Franse regering zich voor het Hof niet kan beroepen op het door haar voor het eerst in haar verzoekschrift aangevoerde argument betreffende het beweerde aantal op Saint-Pierre-en-Miquelon wonende bemanningsleden.
36 Derhalve dient het eerste onderdeel van het middel niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De economische voordelen
37 Het tweede onderdeel van het middel van de Franse regering heeft vier sub-onderdelen.
Het eerste sub-onderdeel: de periode 2001-2003
Argumenten van partijen
38 In de eerste plaats verwijt de Franse regering de Commissie dat zij blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de economische voordelen van de litigieuze steun over de periode 2001-2003 te beoordelen door extrapolatie van de cijfers met betrekking tot 1999 en 2000. Doordat het schip tijdens de jaren 1999 en 2000 door technische averijen werd geteisterd, is deze vergissing des te groter.
39 De Commissie antwoordt dat dit verwijt van de Franse regering op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking berust. Uit deze beschikking blijkt duidelijk dat de Commissie haar berekeningen betreffende de periode 2001-2003 niet op de cijfers voor de jaren 1999 en 2000 heeft gebaseerd, doch op de ramingen voor 2001.
Beoordeling door het Hof
40 Dienaangaande volstaat de vaststelling dat de Commissie in punt 29 van de bestreden beschikking de raming voor het jaar 2001 heeft gebruikt om de economische voordelen over de periode 2001-2003 te beoordelen. De Commissie betoogt dus terecht dat de door de Franse regering voorgestelde lezing van de bestreden beschikking in strijd is met de uitdrukkelijke bewoordingen ervan.
41 Hieruit volgt dat het betoog van de Franse regering in het kader van het eerste sub-onderdeel van het tweede onderdeel van het middel wegens ongegrondheid moet worden afgewezen.
Het tweede sub-onderdeel: de gebruiksperiode van het schip
Argumenten van partijen
42 In de tweede plaats betoogt de Franse regering dat de Commissie ten onrechte heeft gemeend dat de ramingen van de economische voordelen berustten op de veronderstelling dat het schip 160 dagen per jaar in het gebied rond Saint-Pierre-en-Miquelon zou varen. Zij betoogt dat de oorspronkelijke verplichting ter zake slechts 130 dagen betrof, en dat deze doelstelling in 2001 met vijf dagen werd overschreden en in 1999 en 2000 bijna werd bereikt.
43 De Commissie antwoordt dat dit betoog zich niet verdraagt met de gegevens van de zaak. Zij betoogt dat de enige gegevens die de Franse autoriteiten dienaangaande hebben verstrekt, voorkomen in hun brieven van 12 mei 1999 en 14 juni 2000, waarin uitsluitend sprake is van 160 en niet van 130 dagen, bovendien slaan die gegevens op de exploitatieduur van het schip en niet op de in het gebied rond Saint-Pierre-en-Miquelon doorgebrachte tijd.
44 In repliek erkent de Franse regering dat zij melding had gemaakt van 160 en niet van 130 dagen, doch zij betoogt dat dit een verschrijving was.
45 In dupliek betwist de Commissie deze uitleg van de Franse regering.
Beoordeling door het Hof
46 Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Franse regering erkent dat zij in haar briefwisseling met de Commissie een periode van 160 en niet van 130 dagen heeft vermeld.
47 Vastgesteld moet worden dat, zoals de Commissie in dupliek betoogt, deze vermeldingen niet als verschrijvingen kunnen worden aangemerkt, aangezien de Franse regering in deze briefwisseling tot tweemaal toe duidelijk gewag maakt van een verplichting om het schip gedurende 160 dagen in de betrokken zone te exploiteren.
48 Derhalve moet het betoog van de Franse regering in het kader van het tweede sub-onderdeel van het tweede onderdeel van het middel wegens ongegrondheid worden afgewezen.
Het derde sub-onderdeel: de economische context
Argumenten van partijen
49 In de derde plaats betoogt de Franse regering dat de Commissie bij de beoordeling van de voordelen van de litigieuze steun in elk geval rekening had moeten houden met de context van de archipel, met name met de grootte en de economische vooruitzichten ervan. In repliek wijst zij op de problemen inzake economische omschakeling en diversificatie van de archipel Saint-Pierre-en-Miquelon en zij voegt hieraan toe dat het op losse schroeven zetten van de litigieuze steun het zeer precaire economische evenwicht van deze archipel alleen maar meer in het gedrang kan brengen. Zij betoogt verder dat de Commissie zich in het verleden niet tegen dergelijke projecten betreffende een overzees gebied heeft verzet, en haalt als voorbeeld aan beschikking 1999/719/EG van de Commissie van 30 maart 1999 inzake de staatssteun die Frankrijk voornemens is om bij wijze van ontwikkelingshulp te verlenen voor de verkoop van twee passagiersschepen die door Chantiers de l'Atlantique worden gebouwd en door Renaissance Financial in Frans-Polynesië worden geëxploiteerd (PB L 292, blz. 23).
50 De Commissie antwoordt dat zij in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met de door de Franse autoriteiten verstrekte gegevens betreffende de werkgelegenheid en de directe voordelen van de exploitatie van het betrokken schip. Zij betoogt dat de gegevens betreffende de indirecte voordelen voor de ontwikkeling van de infrastructuur en betreffende de eventuele komst van andere marktdeelnemers niet waren gekwantificeerd en geen betrekking hadden op de bijdrage van de litigieuze steun aan de ontwikkeling.
51 Met betrekking tot de overweging dat het op losse schroeven zetten van de litigieuze steun het economische evenwicht van Saint-Pierre-en-Miquelon alleen maar meer in het gedrang kan brengen, betoogt de Commissie dat richtlijn 90/684 bepaalde steunmaatregelen ten gunste van ontwikkelingslanden toestaat. Uiteraard verkeren deze landen in een moeilijke financiële situatie, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat een bepaalde steun bijdraagt aan de ontwikkeling. De Commissie voegt hieraan toe dat het feit dat zij in het verleden gelijksoortige projecten ten voordele van de overzeese gebieden heeft aanvaard, niet relevant is voor de litigieuze steun. Dit toont alleen aan dat de Commissie niet a priori gekant is tegen deze vorm van steun, voorzover aan de in artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684 vermelde voorwaarden is voldaan.
Beoordeling door het Hof
52 Vaststaat dienaangaande dat de Franse regering niets anders doet dan de economische en financiële moeilijkheden van de archipel Saint-Pierre-en-Miquelon te beschrijven zonder aan te tonen dat de Commissie bij haar onderzoek van de litigieuze steun blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting over de feiten of het recht. Zoals de Commissie terecht opmerkt, volstaat het bestaan van dergelijke moeilijkheden niet om steunverlening aan de scheepsbouw of -verbouwing aan te merken als steun [...] aan een ontwikkelingsland" in de zin van artikel 4, lid 7, van richtlijn 90/684.
53 Verder stelt de Commissie terecht dat het feit dat zij in het verleden andere, gelijksoortige projecten betreffende overzeese gebieden heeft aanvaard, niet relevant is voor de beoordeling van de litigieuze steun, die op zijn eigen merites moet worden beoordeeld.
54 Derhalve moet het betoog van de Franse regering in het kader van het derde sub-onderdeel van het tweede onderdeel van het middel wegens ongegrondheid worden afgewezen.
Het vierde sub-onderdeel: het aantal aanlopen en het bedrag van de economische voordelen
Argumenten van partijen
55 In de vierde plaats betoogt de Franse regering dat niet zij maar de Commissie het door deze laatste in haar beoordeling van de economische voordelen over de jaren 1999 en 2000 gebruikte cijfer van 100 aanlopen (escales"), i.e. 50 per jaar, naar voren heeft gebracht. De Franse regering heeft slechts melding gemaakt van 50 havenbewegingen (touchées") en elke escale" bestaat uit twee touchées", namelijk één bij aankomst en één bij vertrek van het schip. Volgens de meest recente cijfers bedragen de economische voordelen van de litigieuze steun overigens 492 000 euro in 1999, 349 000 euro in 2000 en 821 000 euro in 2001, dit wil zeggen meer dan 1 600 000 euro voor de eerste drie exploitatiejaren van het schip.
56 Volgens de Commissie snijdt dit betoog geen hout en is het in elk geval niet-ontvankelijk.
57 De Commissie is verwonderd over de door de Franse regering voorgestelde definitie van het begrip touchées", dat haars inziens niet te rijmen valt met het begrip escale", zoals dit blijkt uit de in de Franse woordenboeken voorkomende definities. Zij blijft erbij dat escale" en touchée" synoniemen zijn, in die zin dat een escale" bestaat uit één en niet twee touchées". Bovendien heeft de Franse regering deze definitie van het begrip touchées" voor het eerst vermeld in repliek. Zij werd in geen enkele fase van de aan de bestreden beschikking voorafgaande procedure uiteengezet, hoewel de Commissie tijdens het onderzoek voortdurend heeft gewezen op het belang dat zij aan het aantal escales" hechtte. Deze definitie kan derhalve niet worden aanvaard.
58 De Commissie onderzoekt verder de nieuwe, in repliek aangedragen cijfers betreffende de economische voordelen van de litigieuze steun. Zij betoogt dat het gaat om gegevens die dateren van na de bestreden beschikking en dus niet-ontvankelijk zijn. In elk geval betwist zij de relevantie van de nieuwe cijfers die toegelicht noch aannemelijk gemaakt worden.
Beoordeling door het Hof
59 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt dat de door de Franse regering voorgestelde betekenis van het woord touchée" geen steun vindt in de door de Franse woordenboeken gegeven definitie ervan.
60 Verder staat vast dat het argument van de Franse regering over het aantal touchées" per escale", alsmede de door haar aangedragen nieuwe cijfers betreffende de economische voordelen van de litigieuze steun, voor het eerst zijn voorgedragen in repliek. Deze regering heeft hiervan voordien geen melding gemaakt, met name niet tijdens de precontentieuze procedure. Uit het dossier blijkt evenwel dat het belang dat de Commissie bij de beoordeling van de economische voordelen van de litigieuze steun aan het aantal escales" en aan het bedrag van die voordelen hechtte, haar niet kon zijn ontgaan.
61 Derhalve moet overeenkomstig de in punt 34 van dit arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof het door de Franse regering in het kader van het vierde sub-onderdeel van het tweede onderdeel van het middel gevoerde betoog niet-ontvankelijk worden verklaard omdat het te laat werd gevoerd.
62 Aangezien geen enkel sub-onderdeel van het door de Franse regering ter ondersteuning van het tweede onderdeel van haar middel gevoerde betoog is aanvaard, dient dit tweede onderdeel in zijn geheel te worden afgewezen.
63 Gelet op het voorgaande dient het enige middel van de Franse regering te worden afgewezen en mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kostenKosten
64 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek met betrekking tot haar enige middel in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst de Franse Republiek in de kosten.
Top