Arrêt de la Cour
Zaak C-92/02
Nina Kristiansen
tegen
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening
(verzoek van de Arbeidsrechtbank van het arrondissement Tongeren om een prejudiciële beslissing)
«Sociale zekerheid – Nationale regeling inzake werkloosheidsuitkeringen volgens welke deze niet kunnen worden gecumuleerd met bepaalde inkomsten – Werkloosheidsuitkering van voormalige tijdelijk functionarissen van Europese Gemeenschappen – Vrij verkeer van werknemers – Nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering – Kwalificatie postdoctorale activiteit – Activiteit van stagiair-beursstudent – Andere kwalificatie in andere lidstaten van EER – Discriminatie»
Conclusie van advocaat-generaal S. Alber van 6 maart 2002 I - 0000 Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 4 december 2003 I - 0000
Samenvatting van het arrest
1.. Ambtenaren – Regeling andere personeelsleden – Rechtskarakter – Verordening – Verplichtingen van lidstaten – Eerbiediging van aanvullend karakter van communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen – Voormalig tijdelijk functionaris die in aanmerking komt voor communautaire werkloosheidsuitkeringen – Toepassing van nationale anticumulatiebepaling
(Art. 249, tweede alinea, EG; Regeling andere personeelsleden, art. 28 bis, lid 1, tweede alinea; verordening nr. 259/68 van de Raad)
2.. Vrij verkeer van personen – Werknemers – Gelijke behandeling – Verschillen tussen lidstaten voortvloeiend uit verschillen tussen nationale wettelijke socialezekerheidsregelingen – Toelaatbaarheid – Voorwaarden – Persoon die postdoctorale activiteit uitoefent – Persoon die wordt aangemerkt als stagiair-beursstudent en geen toegang heeft tot nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering – Toelaatbaarheid
(Art. 39, lid 2, EG; verordening nr. 1612/68 van de Raad, art. 7, lid 4)
1. Krachtens artikel 249, tweede alinea, EG, heeft de bij verordening nr. 259/68 vastgestelde regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen algemene strekking en is zij verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Daaruit volgt dat zij, naast de werking die zij binnen de communautaire administratie heeft, ook verbindend is voor de lidstaten in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan. Artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, bepaalt dat, indien een voormalig tijdelijk functionaris krachtens een nationale regeling aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering, het bedrag van die uitkering in mindering wordt gebracht op de krachtens de communautaire regeling verleende uitkering. Uit deze bepaling volgt derhalve dat de communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen aanvullend is ten opzichte van de regelingen van de lidstaten. Derhalve mag aan dit aanvullende karakter geen afbreuk worden gedaan bij de toepassing van een nationale regeling inzake werkloosheidsuitkeringen, en met name van een in die regeling vervatte anticumulatiebepaling, op een voormalig tijdelijk functionaris die in de betrokken lidstaat woont en in aanmerking komt voor werkloosheidsuitkeringen op grond van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden. cf. punten 32-35, dictum 1
2. Het gemeenschapsrecht laat de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, onverlet. Bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau staat het elke lidstaat immers vrij, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid, en waaronder recht bestaat op verstrekkingen en uitkeringen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dienen de lidstaten evenwel het gemeenschapsrecht te eerbiedigen. Dienaangaande ziet het zowel in artikel 39, lid 2, EG als in artikel 7 van verordening nr. 1612/68 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap geformuleerde non-discriminatiebeginsel, volgens hetwelk het elke lidstaat verboden is binnen de werkingssfeer van het Verdrag het nationale recht verschillend toe te passen naar gelang van de nationaliteit van de betrokken personen, niet op eventuele verschillen in behandeling van de ene lidstaat tot de andere als gevolg van verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen, voorzover deze verschillen op dezelfde wijze, volgens objectieve criteria en ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen gelden voor de personen die binnen de werkingssfeer van deze wettelijke regelingen vallen. Meer in het bijzonder staat het non-discriminatiebeginsel van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 derhalve niet eraan in de weg dat iemand die een postdoctorale functie uitoefent, zoals die op basis van een contract dat tot doel heeft de beroepskwalificatie van jonge werknemers te vervolmaken, zonder dat hij of zij een bezoldiging ontvangt, maar wel een maandelijks bedrag krijgt ter vergoeding van zijn of haar reis- en verblijfskosten en waarvan de socialezekerheidsbijdragen en belastingen te zijnen of haren laste komen, in een lidstaat wordt aangemerkt als een stagiair-beursstudent, die geen toegang heeft tot de nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering, terwijl een persoon die een identieke functie uitoefent, in andere lidstaten wordt aangemerkt als iemand die een beroepsactiviteit uitoefent die onder de regeling inzake werkloosheidsverzekering valt. cf. punten 37-38, 40, dictum 2
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
4 december 2003 (1)
„Sociale zekerheid – Nationale regeling inzake werkloosheidsuitkeringen volgens welke deze niet kunnen worden gecumuleerd met bepaalde inkomsten – Werkloosheidsuitkering van voormalige tijdelijk functionarissen van Europese Gemeenschappen – Vrij verkeer van werknemers – Nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering – Kwalificatie van postdoctorale activiteit – Activiteit van stagiair-beursstudent – Andere kwalificatie in andere lidstaten van EER – Discriminatie”
In zaak C-92/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Arbeidsrechtbank te Tongeren (België), in het aldaar aanhangige geding tussen
Nina Kristiansen
en
Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) gewijzigde en bijgewerkte versie, en van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2),wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),,
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. A. O. Edward en A. La Pergola (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D. Martin als gemachtigde,
gezien het rapport van de rechter-rapporteur,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 2003,
het navolgende
Arrest
1 Bij vonnis van 11 maart 2002, ingekomen bij het Hof op 15 maart daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Tongeren krachtens artikel 234 EG twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB 1997, L 28, blz. 1) gewijzigde en bijgewerkte versie (hierna: verordening nr. 1408/71), en van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen N. Kristiansen en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (hierna: RVA) over een door eerstgenoemde ingediende aanvraag voor werkloosheidsuitkeringen die door de RVA was afgewezen.
Het rechtskader
De communautaire regeling
3 Artikel 67 van verordening nr. 1408/71, met als titel Samentellen van tijdvakken van verzekering of van arbeid, bepaalt:
1. Het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkering afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van verzekering waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld mits evenwel de tijdvakken van arbeid als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd indien zij krachtens bedoelde wettelijke regeling waren vervuld.
2. Het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wettelijke regeling het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van arbeid, houdt, voorzover nodig, rekening met de krachtens de wettelijke regeling van elke andere lidstaat als werknemer vervulde tijdvakken van verzekering of van arbeid alsof het tijdvakken van arbeid waren welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling waren vervuld.
3. Met uitzondering van de in artikel 71, lid 1, sub a, ii, en sub b, ii, bedoelde gevallen, wordt toepassing van de leden 1 en 2 afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de betrokkene laatstelijk:
─ in het geval van lid 1, tijdvakken van verzekering,
─ in het geval van lid 2, tijdvakken van arbeid,
heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd.
4. Wanneer de duur waarover uitkeringen worden verleend afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering of van arbeid, is lid 1 respectievelijk lid 2, van toepassing.
4 Artikel 28 bis van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”), ingevoerd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2799/85 van de Raad van 27 september 1985 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 265, blz. 1) bepaalt:
1. De gewezen tijdelijke functionaris die na beëindiging van zijn dienst bij een instelling van de Europese Gemeenschappen werkloos is en:
─ geen ouderdoms- of invaliditeitspensioen van de Europese Gemeenschappen ontvangt,
─ wiens beëindiging van de dienst niet het gevolg is van een ontslag op verzoek of een opzegging van de overeenkomst om redenen van tuchtrechtelijke aard,
─ ten minste zes maanden in dienst is geweest,
─ en woonachtig is in een lidstaat van de Gemeenschappen,
ontvangt op de onderstaande voorwaarden een maandelijkse werkloosheidsuitkering.Indien hij krachtens een nationale verzekering aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering, is hij gehouden hiervan opgave te doen bij de instelling waar hij werkzaam was, die de Commissie daarvan onverwijld in kennis stelt. In dat geval wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op de krachtens lid 3 verleende uitkering.
2. Om voor de werkloosheidsuitkering in aanmerking te komen, dient de gewezen tijdelijke functionaris:
a) op eigen verzoek als werkzoekende te worden ingeschreven bij de bureaus voor arbeidsbemiddeling in de lidstaat waar hij zich vestigt;
b) te voldoen aan de verplichtingen die door de wetgeving van die lidstaat zijn voorgeschreven voor personen die op grond van deze wetgeving werkloosheidsuitkering genieten;
c) maandelijks een verklaring van de bevoegde nationale dienst toe te zenden aan de instelling waar hij werkzaam was, die haar onverwijld aan de Commissie doet toekomen, waarin wordt aangegeven of hij al dan niet aan de sub a en b vastgestelde verplichtingen heeft voldaan.
Ook wanneer niet aan de sub b bedoelde nationale verplichtingen wordt voldaan, mag de uitkering door de Gemeenschap worden verleend of gehandhaafd in geval van ziekte, ongeval, moederschap, invaliditeit of een als daarmee overeenkomend erkende situatie of indien de bevoegde nationale autoriteit ontheffing van die verplichtingen verleent.[...]
4. De werkloosheidsuitkering wordt aan de voormalige tijdelijk functionarissen uitbetaald voor een periode van ten hoogste 24 maanden, die ingaat op de dag waarop de dienst wordt beëindigd. Indien de voormalige tijdelijke functionaris in de loop van deze periode evenwel niet langer aan de in de leden 1 en 2 gestelde voorwaarden voldoet, wordt de uitbetaling van de uitkering onderbroken. De uitkering wordt opnieuw uitbetaald indien de voormalige tijdelijke functionaris vóór het verstrijken van deze periode opnieuw aan bedoelde voorwaarden voldoet, zonder het recht op een nationale werkloosheidsuitkering te hebben verworven.
[...]
8. Op de werkloosheidsuitkering die aan de werkloos blijvende gewezen tijdelijke functionaris wordt uitbetaald, is verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen van toepassing.
9. De ter zake van werkgelegenheid en werkloosheid bevoegde nationale diensten zorgen, in het kader van hun nationale wetgeving, samen met de Commissie voor een doeltreffende samenwerking om dit artikel naar behoren toe te passen.
5 Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 bepaalt: Bepalingen van collectieve of individuele arbeidsovereenkomsten of van enige andere collectieve regeling inzake het aanvaarden van arbeid, de tewerkstelling, de beloning, de overige arbeidsvoorwaarden en de voorwaarden voor ontslag zijn van rechtswege nietig, voorzover daarin discriminerende voorwaarden worden vastgesteld of toegestaan ten opzichte van werknemers die onderdaan zijn van andere lidstaten.
De nationale regeling
6 Artikel 30 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering ( Belgisch Staatsblad van 31 december 1991; hierna koninklijk besluit) bepaalt: Om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben die het hierna vermelde aantal arbeidsdagen omvat:[...]
2° 468 in de loop van de 27 maanden vóór die aanvraag, indien hij van 36 tot minder dan 50 jaar is,
[...]De in het eerste lid bedoelde referteperiode wordt verlengd met het aantal dagen dat begrepen is in de periode van:[...]
3° de uitoefening gedurende een periode van ten minste zes maanden van een beroep waardoor de werknemer niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, valt; die verlenging mag niet meer dan negen jaar bedragen.
7 Artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit bepaalt: Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden in aanmerking genomen de arbeidsprestaties verricht in een onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming waarvoor gelijktijdig:
1° een loon werd betaald dat ten minste gelijk is aan het minimumloon
[...]
2° op het uitbetaalde loon de voorgeschreven inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid, werden verricht.
8 Artikel 44 van het koninklijk besluit bepaalt: Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werkloze wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn.
9 Artikel 46, lid 1, van het koninklijk besluit bepaalt: Wordt voor de toepassing van artikel 44 inzonderheid als loon beschouwd:[...]
5° de vergoeding waarop de werknemer aanspraak kan maken uit hoofde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met uitzondering van de vergoeding wegens morele schade en de vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering;
[...]Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, wordt beschouwd als een vergoeding die toegekend wordt ter aanvulling van de werkloosheidsuitkering, de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding, toegekend ingevolge de uitdiensttreding van een onvrijwillig werkloze, indien de navermelde voorwaarden vervuld zijn:
─ de vergoeding werd door de partijen niet als opzeggingsvergoeding aangemerkt;
─ de vergoeding of het gedeelte van de vergoeding kan niet in de plaats treden van de voordelen toegekend in het kader van een normale ontslagregeling, aangezien deze laatste voordelen daadwerkelijk werden toegekend.
10 Artikel 14 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering ( Belgisch Staatsblad van 25 januari 1992; hierna: ministerieel besluit) bepaalt: Komen niet in aanmerking voor de berekening van het vereiste aantal arbeidsdagen, de arbeidsprestaties verricht in een niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming, zelfs als de inhoudingen werden verricht.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 Kristiansen is geboren op 17 november 1961 en heeft de Noorse nationaliteit. Na de beëindiging van haar universitaire studie in Noorwegen heeft zij er van 1 juni 1988 tot 1 november 1994 een beroepsactiviteit uitgeoefend. Zij was in deze periode van beroepsactiviteit aan de Noorse sociale zekerheid onderworpen.
12 Van 1 november 1994 tot 31 oktober 1996 werkte Kristiansen bij het Instituut voor referentiematerialen en -metingen (hierna: IRMM) te Geel (België) op basis van een met de Commissie van de Europese Gemeenschappen gesloten contract ( Individual Fellowship Contract; hierna: fellowship contract). Dit contract had tot doel de beroepskwalificatie van jonge werknemers te vervolmaken. In het kader daarvan nam Kristiansen deel aan een opleidingsproject op het gebied van onderzoek ( research training project), waarvan de voorwaarden bij haar contract waren gevoegd. Overeenkomstig deze voorwaarden ontving zij geen bezoldiging, maar werd haar een maandelijks bedrag toegekend ter vergoeding van haar reis- en verblijfskosten. Bovendien kwamen de socialezekerheidsbijdragen en belastingen te haren laste. Zij was niet aan de Belgische sociale zekerheid onderworpen.
13 Na afloop van het fellowship contact heeft Kristiansen gedurende één maand geen beroepsactiviteit uitgeoefend.
14 Van 1 december 1996 tot 30 november 1999 heeft zij voor de Commissie gewerkt op basis van een overeenkomst van tijdelijk functionaris in het kader waarvan zij onder de socialezekerheidsregeling van de ambtenaren en personeelsleden van de Europese Gemeenschappen viel.
15 Na afloop van deze overeenkomst heeft Kristiansen in België werkloosheidsuitkeringen aangevraagd. Op 23 juni 2000 heeft de RVA deze aanvraag afgewezen op grond dat Kristiansen niet voldeed aan de door de Belgische regeling gestelde voorwaarde dat in de toepasselijke referteperiode, te weten in de 27 maanden vóór de aanvraag, 468 arbeidsdagen of daarmee gelijkgestelde dagen zijn vervuld.
16 Daarbij heeft de RVA geen rekening willen houden met de werkzaamheden die Kristiansen in de periode van 1 december 1996 tot 30 november 1999 als personeelslid van de Commissie had verricht. Ter motivering van zijn beslissing voerde hij aan dat deze werkzaamheden werden verricht in het kader van een niet onder de sociale zekerheid, sector werkloosheid, vallend beroep of onderneming, zodat daarmee volgens artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit en artikel 14 van het ministerieel besluit geen rekening kon worden gehouden. De RVA was evenwel van oordeel dat de referteperiode om toegelaten te worden tot het Belgische stelsel van werkloosheidsuitkeringen, overeenkomstig artikel 30, derde alinea, van het koninklijk besluit diende te worden verlengd met het tijdvak waarin die beroepsactiviteit was uitgeoefend.
17 Wat de door Kristiansen tussen 1 november 1994 en 31 oktober 1996 bij het IRMM uitgeoefende activiteit betreft, was de RVA daarentegen van mening dat deze periode de referteperiode niet verlengde overeenkomstig artikel 30, derde alinea, van het koninklijk besluit omdat het ging om een opleidingsperiode die door Kristiansen als stagiair-beursstudente was vervuld.
18 Onder die omstandigheden zou Kristiansen niet hebben aangetoond voldoende arbeidsdagen te hebben vervuld om recht te hebben op de werkloosheidsuitkering waarin de Belgische wettelijke regeling voorziet.
19 Kristiansen heeft tegen de beslissing van de RVA beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren.
20 Kristiansen betoogde voor de verwijzende rechter dat de activiteiten die zij in het kader van het fellowship contract bij het IRMM had uitgeoefend, een beroepsactiviteit vormden. Dienaangaande stelde zij dat voor een dergelijke opleidingsperiode bij het IRMM een bijzonder internationaalrechtelijk statuut voortvloeiend uit de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3; hierna: „EER-Overeenkomst”) geldt. Zij benadrukt dat in een aantal lidstaten van de EER een postdoctorale functie bij het IRMM als een al dan niet aan de sociale zekerheid onderworpen beroepsactiviteit wordt aangemerkt, terwijl zij in België wordt beschouwd als een stage van een beursstudent. In deze lidstaat kan een beursstudent niet vrijwillig toetreden tot het socialezekerheidsstelsel waaraan de beroepsactiviteiten zijn onderworpen. Volgens Kristiansen is een dergelijke ongelijkheid in het sociaal statuut van een postdoc onverenigbaar met artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68.
21 De RVA betoogde dat de door Kristiansen bij het IRMM uitgeoefende activiteit geen beroepsactiviteit was, maar een opleiding als stagiair-beursstudent. Uit artikel 7 van de bijlage bij het fellowship contract, waarin de algemene voorwaarden zijn opgenomen, blijkt immers dat de betrokkene geen bezoldiging ontving, maar een maandelijks bedrag dat haar reis- en verblijfskosten dekte, en dat zij niet onderworpen was aan de sociale zekerheid. Daardoor leidt de door Kristiansen bij het IRMM uitgeoefende activiteit ook niet tot verlenging van de voor haar geldende referteperiode om te worden toegelaten tot de werkloosheidsuitkeringen.
22 De verwijzende rechter is van mening dat twee vragen dienen te worden beantwoord: ten eerste de vraag of voormalige tijdelijk functionarissen van de Commissie die na het beëindigen van hun beroepswerkzaamheden bij deze instelling in België blijven wonen, aanspraak kunnen maken op de werkloosheidsuitkeringen waarin de Belgische regeling voorziet, ook al werden geen socialezekerheidsbijdragen betaald en komen de betrokkenen in aanmerking voor werkloosheidsuitkeringen door de Commissie; ten tweede de vraag of de beslissing van de RVA waarbij een door het IRMM op basis van een fellowship contract aangestelde postdoc-student als een stagiair-beursstudent wordt aangemerkt, in strijd is met de communautaire regeling voorzover zij inbreuk maakt op het non-discriminatiebeginsel en zelfs op het beginsel van het vrije verkeer van werknemers.
23 In deze omstandigheden heeft de Arbeidsrechtbank te Tongeren de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
1) Beletten de bepalingen van verordening nr. 1408/71 ─ voor tijdelijke functionarissen van de [EG] die, na het einde van hun diensten bij de [EG] in België wonen, voor wie geen bijdragen voor de sociale zekerheid werden afgehouden, die recht hebben op een door de [EG] betaalde werkloosheidsuitkering ─ dat de nationale wetgeving op hen volledig wordt toegepast, met inachtneming van de nationale anticumulregel waarin is gesteld dat volgens de voorwaarden voor de toekenning van de werkloosheidsuitkering de werknemer zonder werk en zonder loon moet zijn, waarbij inzonderheid als loon wordt aangemerkt: opzeggingsvergoeding of schadevergoeding wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, waarop de werknemer eventueel recht heeft, met uitzondering van die welke de morele schade dekt?
2) Is het in strijd met de verordening [...] nr. 1612/68 [...] (titel II, artikel 7, lid 4) waarin is gesteld dat eenvormigheid op het vlak van de sociale zekerheid dient te worden nagestreefd en er geen discriminatie wordt gewenst, dat (volgens eiseres) er ongelijkheid is in het sociaal statuut van een postdoc binnen de EER; dat in verschillende lidstaten van de EER een postdoc als een beroepsactiviteit wordt beschouwd, al dan niet onderworpen aan de sociale zekerheid, en in België een postdoc (volgens eiseres, ten onrechte) wordt beschouwd als een stagiair-beursstudent en een postdoc fellow zichzelf moet verzekeren in het Belgisch nationaal systeem, terwijl dit op vrijwillige basis (alleszins voor de sector werkloosheidsverzekering) niet mogelijk is?
De prejudiciële vragen
24 Om te beginnen moet worden vastgesteld dat de verordeningen nrs. 1612/68 en 1408/71 krachtens de artikelen 28 en 29 van en de bijlagen V en VI bij de EER-Overeenkomst van toepassing zijn op de Noorse staatsburgers. Aangezien Kristiansen, die in België woont, blijkens het verwijzingsvonnis de Noorse nationaliteit bezit, kan zij zich beroepen op de bepalingen van genoemde verordeningen.
De eerste vraag
25 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening nr. 1408/71 in de weg staat aan de toepassing van een nationale regeling inzake werkloosheidsuitkeringen, en meer in het bijzonder van een in die regeling vervatte nationale anticumulatiebepaling, op een voormalig tijdelijk functionaris van de Commissie die in een lidstaat woont en in aanmerking komt voor werkloosheidsuitkeringen door de Commissie.
26 In dit verband blijkt uit het verwijzingsvonnis dat Kristiansen van 1 december 1996 tot 30 november 1999 werkzaam is geweest als tijdelijk functionaris van de Commissie en daarna als voormalig tijdelijk functionaris de werkloosheidsuitkering heeft ontvangen waarin de RAP voorziet.
27 Daaruit volgt enerzijds dat, zoals de Commissie in haar opmerkingen terecht heeft beklemtoond, de eerste vraag de RAP betreft en meer in het bijzonder het verband tussen de bepalingen van deze regeling die van toepassing zijn op voormalige tijdelijk functionarissen, en de anticumulatiebepalingen van de Belgische werkloosheidsregeling.
28 Anderzijds is het vaste rechtspraak dat het Hof, om de rechterlijke instantie die een prejudiciële vraag heeft voorgelegd, een bruikbaar antwoord te geven, bepalingen van het gemeenschapsrecht in aanmerking kan nemen waarvan de nationale rechter in zijn vraag geen melding heeft gemaakt (arresten van 20 maart 1986, Tissier, 35/85, Jurispr. blz. 1207, punt 9; 27 maart 1990, Bagli Pennacchiotti, C-315/88, Jurispr. blz. I-1323, punt 10, en 18 november 1999, Teckal, C-107/98, Jurispr. blz. I-8121, punt 39).
29 Wat de bepalingen betreft die van toepassing zijn op de voormalige tijdelijk functionarissen, bevat artikel 28 bis van de RAP echter een bijzondere bepaling over het verband tussen de communautaire en de nationale werkloosheidsuitkeringen.
30 In deze omstandigheden moeten, om de verwijzende rechter een nuttige uitlegging van het gemeenschapsrecht te geven, de relevante bepalingen van de RAP worden uitgelegd en niet die van verordening nr. 1408/71.
31 Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat, zoals de advocaat-generaal in punt 33 van zijn conclusie heeft opgemerkt, volgens vaste rechtspraak het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, onverlet laat, en dat het bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau elke lidstaat vrijstaat, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid, en waaronder recht bestaat op verstrekkingen en uitkeringen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dienen de lidstaten evenwel het gemeenschapsrecht te eerbiedigen (arrest van 12 juli 2001, Smits en Peerbooms, C-157/99, Jurispr. blz. I-5473, punten 44-46).
32 Ten tweede is, zoals de Commissie in haar opmerkingen heeft benadrukt, de RAP vastgesteld bij een verordening van de Raad, die volgens artikel 249, tweede alinea, EG, algemene strekking heeft en verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten. Daaruit volgt dat de RAP, naast de werking die zij binnen de communautaire administratie heeft, de lidstaten verbindt in al die opzichten waarin hun medewerking noodzakelijk is voor de toepassing ervan (arrest van 7 mei 1987, Commissie/België, 186/85, Jurispr. blz. 2029, punt 21).
33 In deze context moet worden opgemerkt dat artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de RAP bepaalt dat, indien een voormalig tijdelijk functionaris krachtens een nationale verzekering aanspraak heeft op een werkloosheidsuitkering, [...] het bedrag van die uitkering in mindering [wordt] gebracht op de krachtens [de communautaire regeling] verleende uitkering. Uit deze bepaling volgt derhalve dat de communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen aanvullend is ten opzichte van de regelingen van de lidstaten.
34 Aangezien het aanvullende karakter van de communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen zijn grondslag vindt in artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de RAP zelf, zijn de lidstaten eraan gebonden en mag daaraan geen afbreuk worden gedaan door nationale wettelijke bepalingen (arrest Commissie/België, reeds aangehaald, punt 23).
35 Uit het voorgaande volgt dat op de eerste vraag moet worden geantwoord dat uit artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de RAP voortvloeit dat de communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen een aanvullend karakter heeft ten opzichte van de regelingen van de lidstaten. Daaraan mag geen afbreuk worden gedaan bij de toepassing van de regeling inzake werkloosheidsuitkeringen van een lidstaat, en met name van een in die regeling vervatte anticumulatiebepaling, op een voormalig tijdelijk functionaris die in de betrokken lidstaat woont en in aanmerking komt voor werkloosheidsuitkeringen op grond van de RAP.
De tweede vraag
36 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het non-discriminatiebeginsel van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 eraan in de weg staat dat iemand die een postdoctorale functie uitoefent, zoals de functie bedoeld in het fellowship contract, in een lidstaat wordt aangemerkt als een stagiair-beursstudent die geen toegang heeft tot de nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering, terwijl een persoon die een identieke functie uitoefent, in andere lidstaten wordt aangemerkt als iemand die een beroepsactiviteit uitoefent die onder een dergelijke regeling inzake werkloosheidsverzekering valt.
37 Allereerst zij vastgesteld dat, zoals in punt 31 van dit arrest in herinnering is gebracht, het gemeenschapsrecht de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels in te richten, onverlet laat, en dat het bij gebreke van harmonisatie op communautair niveau elke lidstaat vrijstaat, de voorwaarden vast te stellen waaronder een persoon zich kan of moet aansluiten bij een stelsel van sociale zekerheid, en waaronder recht bestaat op verstrekkingen en uitkeringen (reeds aangehaald arrest Smits en Peerbooms, punten 44 en 45).
38 Ten tweede ziet het zowel in artikel 39, lid 2, EG als in artikel 7 van verordening nr. 1612/68 geformuleerde non-discriminatiebeginsel, volgens hetwelk het elke lidstaat verboden is binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag het nationale recht verschillend toe te passen naar gelang van de nationaliteit van de betrokken personen, niet op eventuele verschillen in behandeling van de ene lidstaat tot de andere als gevolg van verschillen tussen de nationale wettelijke regelingen, voorzover deze verschillen op de dezelfde wijze, volgens objectieve criteria en ongeacht de nationaliteit van de betrokkenen gelden voor de personen die binnen de werkingssfeer van deze wettelijke regelingen vallen.
39 In deze context kan met name de Belgische socialezekerheidsregeling niet in strijd met het gemeenschapsrecht worden geacht op de enkele grond dat volgens die regeling de door Kristiansen bij het IRMM uitgeoefende postdoctorale functie wordt aangemerkt als de functie van een stagiair-beursstudent die geen toegang geeft tot de nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering, voorzover een Belgische onderdaan die dezelfde activiteiten heeft uitgeoefend, op dezelfde wijze wordt behandeld.
40 In deze omstandigheden moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het non-discriminatiebeginsel van artikel 7, lid 4, van verordening nr. 1612/68 niet eraan in de weg staat dat iemand die een postdoctorale functie uitoefent, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in een lidstaat wordt aangemerkt als een stagiair-beursstudent die geen toegang heeft tot de nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering, zelfs al wordt een persoon die een identieke functie uitoefent, in andere lidstaten aangemerkt als iemand die een beroepsactiviteit uitoefent die onder de regeling inzake werkloosheidsverzekering valt.
Kosten
41 De kosten door de Commissie wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Tongeren bij vonnis van 11 maart 2002 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1) Uit artikel 28 bis, lid 1, tweede alinea, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen vloeit voort dat de communautaire regeling inzake werkloosheidsuitkeringen een aanvullend karakter heeft ten opzichte van de regelingen van de lidstaten. Daaraan mag geen afbreuk worden gedaan bij de toepassing van de regeling inzake werkloosheidsuitkeringen van een lidstaat, en met name van een in die regeling vervatte anticumulatiebepaling, op een voormalig tijdelijk functionaris die in de betrokken lidstaat woont en in aanmerking komt voor werkloosheidsuitkeringen op grond van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.
2) Het non-discriminatiebeginsel van artikel 7, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, staat niet eraan in de weg dat iemand die een postdoctorale functie uitoefent, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, in een lidstaat wordt aangemerkt als een stagiair-beursstudent, die geen toegang heeft tot de nationale regeling inzake werkloosheidsverzekering, zelfs al wordt een persoon die een identieke functie uitoefent, in andere lidstaten aangemerkt als iemand die een beroepsactiviteit uitoefent die onder de regeling inzake werkloosheidsverzekering valt.
Timmermans
Edward
La Pergola
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 4 december 2003.
De griffier
De president
R. Grass
V. Skouris
1 – Procestaal: Nederlands. Top
Full & Egal Universal Law Academy