Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 11 JULI 1990. - QUIETLYNN LTD EN BRIAN JAMES RICHARDS TEGEN SOUTHEND BOROUGH COUNCIL. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: CROWN COURT, CHELMSFORD - VERENIGD KONINKRIJK. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - UITLEGGING VAN DE ARTIKELEN 30 EN 36 EEG-VERDRAG - NATIONAAL VERBOD OP DE VERKOOP VAN SEKSARTIKELEN IN SEKSWINKELS DIE GEEN VERGUNNING HEBBEN. - ZAAK C-23/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03059
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Regeling die verkoop van seksartikelen op bepaalde verkooppunten verbiedt - Toelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikel 30 )
SamenvattingArtikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling die de verkoop van legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning verbiedt, geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt .
Een dergelijke regeling betreffende de verkoopvoorwaarden van bepaalde produkten, die zonder onderscheid van toepassing is op ingevoerde en binnenlandse produkten en niet is bedoeld om de handel tussen de Lid-Staten te regelen, houdt in werkelijkheid geen verband met die handel, daar bedoelde produkten kunnen worden verhandeld in sekswinkels met een vergunning en ook langs andere wegen, namelijk in winkels waar seksartikelen slechts een gering deel van de omzet uitmaken zodat zij geen vergunning behoeven, dan wel via postorderverkoop .
PartijenIn zaak C-23/89,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Chelmsford Crown Court ( Verenigd Koninkrijk ), in het aldaar aanhangig geding tussen
Quietlynn Limited en B . J . Richards,
en
Southend Borough Council,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Quietlynn Limited en B . J . Richards, vertegenwoordigd door N . Peters, barrister, geïnstrueerd door Kaye Tesler & Co ., solicitors,
- Southend Borough Council, vertegenwoordigd door S . Reid, barrister, geïnstrueerd door de Borough Solicitor van Southend Borough Council,
- het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door N . Paines, barrister, geïnstrueerd door S . J . Hay, Treasury Solicitor,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . L . White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 27 maart 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 7 september 1988, ingekomen ten Hove op 30 januari 1989, heeft de Chelmsford Crown Court krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag ten einde de verenigbaarheid met die bepalingen te kunnen beoordelen van een nationale wettelijke regeling die de verkoop van legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning verbiedt .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen Quietlynn Limited en haar bedrijfsleider B . J . Richards, die een detailhandel exploiteren waar onder meer seksartikelen worden verkocht, en Southend Borough Council .
3 Section 2 van de Local Government ( Miscellaneous Provisions ) Act 1982 ( hierna : "de Act ") geeft de gemeentelijke overheid in Engeland en Wales een recht van toezicht op de sekswinkels op hun grondgebied . Meer in het bijzonder wordt hun de mogelijkheid geboden, Schedule 3 bij de Act, bepalende dat voor de verkoop van dergelijke artikelen een vergunning vereist is, op hun grondgebied van toepassing te verklaren .
4 Southend Borough Council maakte per 3 juni 1983 van die mogelijkheid gebruik . Op grond daarvan werd tegen Quietlynn en Richards vervolging ingesteld ter zake van het feit dat zij op 13 maart en 11 april 1985 seksartikelen hadden verkocht zonder in het bezit te zijn van de daarvoor vereiste vergunning . De Southend Magistrates' Court bevond hen op 11 februari 1986 schuldig aan die twee overtredingen en veroordeelde hen tot een boete van 1 000 UKL plus kosten .
5 Quietlynn Limited en Richards gingen van dit vonnis in beroep bij de Chelmsford Crown Court . Hun verdediging is volledig gebaseerd op het argument, dat de bepalingen van de Act betreffende het vergunningenstelsel voor sekswinkels onverenigbaar zijn met artikel 30 EEG-Verdrag, omdat zij een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking van de invoer uit andere Lid-Staten vormen en de in artikel 36 genoemde uitzonderingen noch enige andere afwijking daarop van toepassing zijn .
6 Van oordeel dat het geschil vragen deed rijzen over de uitlegging van het gemeenschapsrecht, heeft de Chelmsford Crown Court het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"Vraag 1
Wanneer een Lid-Staat ( zodra een gemeentelijke overheid heeft beslist dat op haar grondgebied een wettelijke regeling moet worden toegepast, krachtens welke voor het gebruik van een pand als sekswinkel een vergunning is vereist ) de verkoop verbiedt van ( onder meer ) legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning, en wanneer dit verbod tot gevolg heeft dat de gemeentelijke overheid toezicht kan uitoefenen op de sekswinkels op haar grondgebied, zodat de verkoop van goederen uit andere Lid-Staten voor appellanten moeilijker werd gemaakt, omdat zij probeerden met hun voorraadbeleid niet in strijd te komen met de Act en dus minder artikelen uit de Lid-Staten hebben verkocht dan anders het geval zou zijn geweest, en de beschikbaarheid van seksartikelen uit andere Lid-Staten werd beperkt, is dit verbod dan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag?
Vraag 2
Zo ja, is deze maatregel gerechtvaardigd krachtens artikel 36 EEG-Verdrag?
Vraag 3
Zo het in vraag 1 bedoelde verbod in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag en niet gerechtvaardigd is uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag, kan het dan in het geheel niet worden doorgezet tegen een handelaar in de betrokken Lid-Staat, of alleen niet voor zover het transacties betreft inzake artikelen die zijn vervaardigd in of ingevoerd uit andere Lid-Staten?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Vraag 1
8 Met zijn eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of een verbod op de verkoop van legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning, een maatregel van gelijke werking is als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag .
9 Vooraf moet worden vastgesteld, dat een nationale wettelijke regeling die de verkoop van seksartikelen door sekswinkels zonder vergunning verbiedt, zonder onderscheid van toepassing is op ingevoerde en binnenlandse produkten . Zij bevat geen absoluut verbod op de verkoop van die produkten, maar regelt enkel de verspreiding ervan door te bepalen waar zij mogen worden verkocht . De verkoop van uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten wordt daardoor in beginsel dus niet meer bemoeilijkt dan die van binnenlandse produkten .
10 In soortgelijke zaken die de wijze van verhandeling van bepaalde produkten betroffen, heeft het Hof beslist dat artikel 30 EEG-Verdrag niet van toepassing was . Zo oordeelde het in zijn arrest van 14 juli 1981 ( zaak 155/80, Oebel, Jurispr . 1981, blz . 1993 ), dat een nationale regeling betreffende de werktijden in bakkerijen en de bij de aflevering en de verkoop van brood - en banketwaren in acht te nemen tijden, verenigbaar was met artikel 30 EEG-Verdrag, daar de intracommunautaire handel te allen tijde mogelijk bleef . Evenzo oordeelde het in zijn arrest van 31 maart 1982 ( zaak 75/81, Blesgen, Jurispr . 1982, blz . 1211 ), dat een wettelijke bepaling die enkel de verkoop van sterke drank voor verbruik ter plaatse in alle voor het publiek toegankelijke plaatsen verbiedt en die geen andere vormen van verhandeling van die dranken betreft, in werkelijkheid geen verband houdt met de invoer van de produkten en dus de handel tussen de Lid-Staten niet belemmert .
11 Zo moet ook worden vastgesteld, dat de bepalingen die de verkoop verbieden van seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning, in werkelijkheid geen verband houden met de handel tussen de Lid-Staten, daar de in die wettelijke regeling bedoelde produkten kunnen worden verhandeld in sekswinkels met een vergunning en ook langs andere wegen, namelijk in winkels waar seksartikelen slechts een gering deel van de omzet uitmaken zodat zij geen vergunning behoeven, dan wel via postorderverkoop . Bovendien zijn die bepalingen niet bedoeld om de handel tussen de Lid-Staten te regelen, en kunnen zij de handel tussen de Lid-Staten dus niet belemmeren .
12 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale regeling die de verkoop van legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning verbiedt, geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt .
De tweede en de derde vraag
13 Gezien het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord .
Beslissing inzake de kostenKosten
14 De kosten door de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
uitspraak doende op de door de Chelmsford Crown Court bij beschikking van 7 september 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat een nationale regeling die de verkoop van legale seksartikelen in sekswinkels zonder vergunning verbiedt, geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking vormt .
Top