Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 19 OKTOBER 1989. - FIRMA HOESCH AG EN BONDSREPUBLIEK DUITSLAND TEGEN FIRMA BERGROHR GMBH. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BUNDESVERWALTUNGSGERICHT - DUITSLAND. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - BEPERKINGEN OP UITVOER VAN STALEN BUIZEN NAAR VS - NIEUWE PRODUCENTER VAN BUIZEN EN PIJPEN. - ZAAK 142/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03413
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Uitvoerbeperkingen - Regeling tussen Gemeenschap en Verenigde Staten van Amerika inzake handel in stalen buizen en pijpen - Stelsel van uitvoervergunningen - Nieuwe producenten - Begrip - Recht op passend gedeelte van beschikbare uitvoervergunningen
( Verordening nr . 60/85 van de Raad, artikel 5, lid 2 )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Uitvoerbeperkingen - Regeling tussen Gemeenschap en Verenigde Staten van Amerika inzake handel in stalen buizen en pijpen - Stelsel van uitvoervergunningen - Toekenning van vergunningen - Speciale behandeling van onderneming door Lid-Staat vanwege haar bijzondere situatie - Toelaatbaarheid
( Verordening nr . 60/85 van de Raad )
Samenvatting1 . Artikel 5 van verordening nr . 60/85 met betrekking tot de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika, moet aldus worden uitgelegd, dat onder "nieuwe producenten van buizen en pijpen" mede zijn te verstaan ondernemingen die vroeger reeds stalen buizen en pijpen vervaardigden, maar die, met behoud van hun rechtsvorm en firmanaam, een verandering in economisch opzicht hebben ondergaan die heeft geleid tot de oprichting van een nieuwe fabriek met een grote produktiecapaciteit, met name wanneer die fabriek een nieuw produkt vervaardigt dat tevoren niet door de onderneming werd vervaardigd .
Een als "nieuwe producent" in de zin van artikel 5, lid 2, van genoemde verordening erkende onderneming dient overeenkomstig de in die bepaling genoemde criteria een passend gedeelte van de beschikbare uitvoervergunningen te krijgen . De met het bepalen van het gewicht van elk der criteria belaste autoriteiten van de Lid-Staten dienen in het bijzonder rekening te houden met de produktiecapaciteit en het uitvoerpotentieel van de nieuwe producent en hem een reële toegang tot de Amerikaanse markt van buizen en pijpen mogelijk te maken .
2 . Wanneer de bijzondere situatie van een in een Lid-Staat gevestigde onderneming, die is toe te schrijven aan het feit, dat deze onderneming haar Amerikaanse dochteronderneming voorziet van half afgewerkte produkten, zowel in aanmerking is genomen op het niveau van de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika, die hebben geleid tot het sluiten van de regeling inzake de handel in stalen buizen en pijpen tussen de Gemeenschap en die derde staat - voor de vaststelling van het maximum voor de communautaire uitvoer -, als op het niveau van de verdeling over de Lid-Staten van het toegestane uitvoercontingent - voor de vaststelling van het aandeel dat toekomt aan de Lid-Staat waar de onderneming is gevestigd -, moet worden aangenomen, dat de nationale autoriteiten, al wordt in verordening nr . 60/85 niet gerept over de situatie van genoemde onderneming, op grond van deze verordening en rekening houdend met de erin vervatte criteria voor de toewijzing van de uitvoervergunningen, gerechtigd waren - zonder daar evenwel tot verplicht te zijn - die onderneming een bijzondere hoeveelheid buizen en pijpen toe te wijzen ten laste van het nationale uitvoerquotum .
PartijenIn zaak 142/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesverwaltungsgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
1 ) Hoesch AG, te Dortmund,
2 ) Bondsrepubliek Duitsland
en
Bergrohr GmbH, te Herne,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van verordening nr . 60/85 van de Raad van 9 januari 1985 met betrekking tot de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika ( PB 1985, L 9, blz . 13 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, T . Koopmans, G . F . Mancini en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door
- Bergrohr GmbH, verzoekster in het hoofdgeding, verweerster in en verzoekster tot "Revision", vertegenwoordigd door D . Ehle, advocaat te Keulen,
- de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door het Bundesamt fuer Wirtschaft, verweerster in het hoofdgeding, verzoekster tot en verweerster in "Revision", vertegenwoordigd door G . Limberger, advocaat te Frankfurt am Main,
- Hoesch AG, in het hoofdgeding geroepen partij, verzoekster tot en verweerster in "Revision", vertegenwoordigd door A . Stockburger, advocaat te Frankfurt am Main,
- de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen, als gemachtigde, bijgestaan door O . Fiumara, avvocato dello stato,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseurs R . Waegenbaur en E . De March, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 20 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 17 maart 1988, ingekomen ten Hove op 20 mei daaraanvolgend, heeft het Bundesverwaltungsgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van verordening nr . 60/85 van de Raad van 9 januari 1985 met betrekking tot de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika ( PB 1985, L 9, blz . 13 ).
2 Verordening nr . 60/85 heeft betrekking op de uitvoering van een in 1985 door de Gemeenschap in de vorm van een briefwisseling met de Verenigde Staten gesloten regeling, volgens welke de uitvoer naar de Verenigde Staten van stalen buizen en pijpen, van oorsprong uit de Gemeenschap, gedurende een bepaalde periode tot een zeker niveau moet worden beperkt ( PB 1985, L 9, blz . 2 ). Volgens de derde overweging van verordening nr . 60/85 worden de hoeveelheden waartoe de Gemeenschap haar uitvoer zal beperken, om redenen van praktische administratieve aard over de Lid-Staten verdeeld . Te dien einde is een verdeelsleutel vastgesteld; het is de taak van de autoriteiten van de Lid-Staten, de hoeveelheden die hun aldus zijn toegekend, aan de hand van objectieve criteria aan de ondernemingen toe te wijzen .
3 Het hoofdgeding vindt zijn oorsprong in een verzoek van Bergrohr GmbH ( hierna : Bergrohr ), een Duitse producent van stalen buizen en pijpen, om verhoging van de maximumhoeveelheid buizen en pijpen die zij in het kader van het Duitse quotum naar de Verenigde Staten mocht uitvoeren . Bergrohr voerde hiertoe aan, dat zij een economische herstructurering had ondergaan, waarbij onder meer in samenwerking met een andere staalonderneming een nieuwe fabriek was opgericht voor de vervaardiging van een nieuw produkt, namelijk buizen en pijpen met een grote doorsnede . Het Duitse bevoegde orgaan, het Bundesamt fuer gewerbliche Wirtschaft ( hierna : het Bundesamt ), wees dit verzoek af .
4 Het Bundesamt baseerde zijn beslissing op artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85, dat bepaalt volgens welke criteria de autoriteiten van de Lid-Staten de uitvoervergunningen afgeven . Zo moeten met name "de traditionele uitvoerstromen van de ondernemingen" in acht worden genomen, rekening houdende met de in de verordening bepaalde verlaging van de uitgevoerde hoeveelheden en met "de situatie van nieuwe producenten van buizen en pijpen ". Volgens het Bundesamt was Bergrohr geen "nieuwe producent van buizen en pijpen" in de zin van artikel 5, lid 2, daar met dit begrip niet wordt gedoeld op de uitbreiding van de produktiecapaciteit door een onderneming die reeds buizen en pijpen produceert .
5 Het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, waarbij Bergrohr tegen deze beslissing van het Bundesamt beroep had ingesteld, sloot zich aan bij het betoog van het Bundesamt, al was het wel van mening, dat de door Bergrohr aangevraagde aanvullende uitvoervergunningen moesten worden afgegeven en dat het overeenkomstige tonnage ten laste moest komen van de aan de te Dortmund gevestigde vennootschap Hoesch AG ( hierna : Hoesch ) toegewezen bijzondere hoeveelheid van 20 000 ton . Die bijzondere hoeveelheid was aan Hoesch voorbehouden, ten einde haar in staat te stellen haar dochteronderneming te Baytown, Texas, te voorzien van half afgewerkte buizen voor de vervaardiging van buizen . Bijgevolg werd het Duitse quotum, dat 2,82% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten bedroeg, pas over de betrokken ondernemingen verdeeld na aftrek van de aan Hoesch voorbehouden bijzondere hoeveelheid . Het Verwaltungsgericht achtte deze praktijk onrechtmatig, omdat verordening nr . 60/85 op dit punt geen enkele aanwijzing bevat .
6 Het Verwaltungsgerichtshof Hessen, dat in hoger beroep kennis diende te nemen van de zaak, riep Hoesch als belanghebbende in het geding en stelde vervolgens vast, dat het voorbehouden van de bijzondere hoeveelheid van 20 000 ton aan deze onderneming niet onrechtmatig was . Het baseerde zich daarbij op verschillende stukken waaruit zou blijken dat de toewijzing van een dergelijke bijzondere hoeveelheid aan Hoesch tijdens de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten was overeengekomen . Het Verwaltungsgerichtshof was evenwel van mening, dat Bergrohr als nieuwe producent van stalen buizen en pijpen in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85, moest worden aangemerkt en derhalve aanspraak kon maken op een verhoging van de maximumhoeveelheid die zij naar de Verenigde Staten mocht uitvoeren .
7 Het Bundesverwaltungsgericht waarbij Hoesch, Bergrohr en het Bundesamt een beroep tot "Revision" hebben ingesteld, heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) a ) Kunnen 'nieuwe producenten van buizen en pijpen' in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 60/85 van de Raad van 9 januari 1985 ( PB 1985, L 9, blz . 13 ) ook ondernemingen zijn die tot dusver weliswaar reeds stalen buizen en pijpen hebben vervaardigd, maar die, met behoud van hun rechtsvorm en firmanaam, belangrijke vennootschapsrechtelijke en economische veranderingen hebben ondergaan, onder meer door opneming van een nieuwe vennoot, door een aanzienlijke kapitaalsverhoging en door de vestiging van een nieuwe fabriek met een hoge extra produktiecapaciteit?
b ) Indien vraag a ) bevestigend wordt beantwoord : staat dan aan de erkenning van een dergelijke onderneming als nieuwe producent van stalen buizen en pijpen in de weg, dat de omstandigheden waaraan deze hoedanigheid wordt ontleend, reeds lang voor de inwerkingtreding van de uitvoerbeperkingen bestonden, maar in die periode niet zijn te baat genomen om naar de Verenigde Staten te exporteren?
c ) Indien vraag b ) ontkennend wordt beantwoord : hoe moeten de nationale autoriteiten in het kader van de hun bij artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 60/85 voor de verdeling toegekende beoordelingsmarge dan rekening houden met de situatie van een dergelijke nieuwe producent van stalen buizen en pijpen?
2 ) Kan uit deel II van het door de Raad op 29 december 1984 via de schriftelijke procedure vastgestelde besluit houdende machtiging om op basis van de in deel I vervatte aanwijzingen met de Verenigde Staten onderhandelingen te voeren over een regeling inzake de uitvoer van stalen buizen en pijpen en om de totale hoeveelheid van 7,6% van de Amerikaanse markt overeenkomstig deel II te verdelen ( nr . 17 van het maandelijks overzicht van de via de schriftelijke procedure goedgekeurde teksten, december 1984 ), alleen of in samenhang met artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 60/85 worden afgeleid, dat de Bondsrepubliek Duitsland verplicht of bevoegd was, voor de jaren 1985 en 1986 uit haar nationale uitvoerquotum van 2,82% aan een bepaalde producent vooraf een bijzondere hoeveelheid van 20 000 ton toe te wijzen?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
9 De eerste twee onderdelen van de vraag hebben betrekking op de criteria voor de erkenning van een onderneming als "nieuwe producent van buizen en pijpen", terwijl het derde onderdeel ertoe strekt, uitsluitsel te verkrijgen over de vraag, welke criteria voor de afgifte van uitvoervergunningen moeten worden toegepast, wanneer er een nieuwe producent van buizen en pijpen op de markt verschijnt .
10 Het geschil tussen de betrokkenen over het begrip "nieuwe producent van buizen en pijpen" komt in wezen neer op de vraag, of dit begrip ook omvat het geval, dat een onderneming die voorheen reeds stalen buizen en pijpen vervaardigde, door de vestiging van een nieuwe fabriek haar produktiecapaciteit aanzienlijk verhoogt . Hoesch, het Bundesamt en de Italiaanse regering hebben voorgesteld, deze vraag ontkennend te beantwoorden, daar volgens artikel 5 van verordening nr . 60/85 het in acht nemen van de traditionele uitvoerstromen het basiscriterium voor de verdeling is; dit criterium is ingegeven door het streven om gedurende de periode waarin de uitvoer naar de Verenigde Staten wordt beperkt, de marktaandelen van de verschillende ondernemingen van de Gemeenschap zoveel mogelijk in stand te houden .
11 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt, dat de regeling tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten, tot uitvoering waarvan verordening nr . 60/85 is vastgesteld, in beginsel erop gericht is, de totale uitvoer naar de Verenigde Staten van stalen buizen en pijpen van oorsprong uit de Gemeenschap tot een zeker niveau te beperken . Dat niveau is door de regeling vastgesteld op 7,6% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten; op basis hiervan berekent de Commissie overeenkomstig artikel 2 van verordening nr . 60/85 het communautaire maximum voor de uitvoer, dat zij eventueel aanpast aan de wijzigingen in het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten . Volgens artikel 3 verdeelt de Commissie het kwantitatieve uitvoermaximum over de Lid-Staten overeenkomstig de in bijlage III bij de verordening vastgestelde percentages ( voor Duitsland : 2,82% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten ).
12 Binnen deze grenzen stellen de Lid-Staten voor elk kwartaal de hoeveelheden vast, waarvoor zij vergunningen zullen afgeven . Zij moeten erop toezien, dat bij de afgifte van die vergunningen een voldoende spreiding van de uitvoer over het gehele jaar wordt verzekerd ( artikel 5, lid 1 ). De vergunningen worden door de autoriteiten van de Lid-Staten afgegeven volgens bepaalde criteria, zoals :
- het in acht nemen van de traditionele uitvoerstromen van de ondernemingen, rekening houdende met de bij de verordening vastgestelde beginselen van verlaging, en eventueel met de situatie van nieuwe producenten van buizen en pijpen;
- het in acht nemen van de uitvoerstromen naar de Verenigde Staten en de traditionele spreiding daarvan over het jaar;
- het optimale gebruik en het optimale beheer van de door de verordening geboden uitvoermogelijkheden .
13 De beschrijving van de bij verordening nr . 60/85 ingevoerde regeling laat zien, dat de producenten van stalen buizen en pijpen aan de doelstellingen noch aan de bewoordingen van de bepalingen van de verordening het recht kunnen ontlenen, hun marktaandelen in het kader van het communautaire maximum te behouden . Het in acht nemen van de traditionele handelsstromen, dat tot de door de autoriteiten van de Lid-Staten te hanteren criteria behoort, is immers slechts één van de in de beoordeling te betrekken elementen .
14 Vervolgens zij opgemerkt, dat in de prejudiciële vraag niet wordt gesproken van een verhoging van de produktiecapaciteit zonder meer, doch van de vestiging van een nieuwe fabriek in het kader van een ingrijpende herstructurering van de onderneming, die onder meer bestond in de opneming van een nieuwe vennoot en in een aanzienlijke kapitaalsverhoging . Blijkens het dossier heeft de oprichting van de nieuwe fabriek bovendien geleid tot de vervaardiging van een voorheen door de betrokken onderneming niet vervaardigd produkt, namelijk buizen en pijpen met een grote doorsnede .
15 Gelijk Bergrohr en de Commissie hebben betoogd, zou de weigering om de betrokken onderneming als nieuwe producent van stalen buizen en pijpen te erkennen, er onder deze omstandigheden op neerkomen, dat een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen twee vormen van samenwerking van twee bestaande ondernemingen, die tot hetzelfde economische resultaat leiden : die waarbij de betrokken ondernemingen met het oog op een nieuwe produktie van stalen buizen en pijpen een dochtermaatschappij oprichten, welke hoe dan ook als "nieuwe producent van buizen en pijpen" moet worden gekwalificeerd, en die waarbij een van beide ondernemingen met financiële steun van de andere tot een herstructurering overgaat, welke onder meer de vestiging van een nieuw, met deze nieuwe produktie belast bedrijf omvat . Noch de Euro-Amerikaanse regeling en verordening nr . 60/85 noch de bepalingen en de opzet van het EEG-Verdrag bieden enige rechtvaardiging voor een dergelijk onderscheid .
16 Mitsdien moet op het eerste onderdeel van de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 5 van verordening nr . 60/85 aldus moet worden uitgelegd, dat onder "nieuwe producenten van buizen en pijpen" mede zijn te verstaan ondernemingen die vroeger reeds stalen buizen en pijpen vervaardigden, maar die, met behoud van hun rechtsvorm en firmanaam, een verandering in economisch opzicht hebben ondergaan, die heeft geleid tot de oprichting van een nieuwe fabriek met een grote produktiecapaciteit, met name wanneer die fabriek een nieuw produkt vervaardigt dat tevoren niet door de onderneming werd vervaardigd .
17 Met betrekking tot het tweede onderdeel van de vraag kan worden volstaan met de vaststelling, dat artikel 5 van verordening nr . 60/85 van toepassing is op het geval waarin een nieuwe "producent" op de markt voor stalen buizen en pijpen verschijnt, ongeacht of het een nieuwe onderneming betreft of, onder bepaalde voorwaarden, een nieuwe fabriek van een bestaande onderneming . Deze bepaling doelt niet op de situatie van een onderneming die reeds vóór de inwerkingtreding van verordening nr . 60/85 buizen en pijpen vervaardigde, doch pas later besluit zich te gaan toeleggen op de export naar de Verenigde Staten . Het spreekt evenwel vanzelf, dat elke nieuwe producent over een redelijke overgangsperiode moet beschikken om de export en de verhandeling van zijn produkten op gang te brengen .
18 Het derde onderdeel van de vraag heeft betrekking op de verdelingscriteria die moeten worden toegepast, wanneer een nieuwe producent aanspraak kan maken op vergunningen voor de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten . Deze vraag moet worden beantwoord met inachtneming van de in artikel 5, lid 2, genoemde criteria, aangezien dit de enige criteria zijn die in verordening nr . 60/85 zijn vastgesteld .
19 Volgens de rechtspraak van het Hof ( arrest van 17 maart 1987, zaak 333/85, Mannesmann-Roehrenwerke, Jurispr . 1987, blz . 1381 ) moeten de autoriteiten van de Lid-Staten de uitvoervergunningen over de ondernemingen verdelen en daarbij de in artikel 5, lid 2, vastgestelde criteria in acht nemen, die weliswaar objectief zijn, doch waarvan de uitvoering een zekere beoordelingsmarge inhoudt waarvan de omvang moet worden bepaald rekening houdende met het samenvallen van criteria van verschillende aard .
20 Bij een zorgvuldige bestudering van die criteria blijkt met name, dat de nationale autoriteiten bij het verschijnen van een nieuwe producent van stalen buizen en pijpen rekening moeten houden met diens produktiecapaciteit en uitvoerpotentieel alsmede met de offers die hij, vergeleken met andere ondernemingen, heeft moeten brengen in het kader van de beperkingen van de afzetmogelijkheden voor staalprodukten, en dat zij de nieuwe producent bovendien een reële toegang tot de Amerikaanse markt van buizen en pijpen mogelijk moeten maken . Het is de taak van de nationale autoriteiten, in elk individueel geval een passend evenwicht tussen deze verschillende vereisten tot stand te brengen .
21 Mitsdien moet het antwoord op de eerste vraag aldus worden aangevuld, dat een als "nieuwe producent" in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85 erkende onderneming overeenkomstig de in die bepaling genoemde criteria een passend gedeelte van de beschikbare uitvoervergunningen dient te krijgen . De met het bepalen van het gewicht van elk der criteria belaste autoriteiten van de Lid-Staten, dienen in het bijzonder rekening te houden met de produktiecapaciteit en het uitvoerpotentieel van de nieuwe producent en hem een reële toegang tot de Amerikaanse markt van buizen en pijpen mogelijk te maken .
De tweede vraag
22 De tweede vraag, die betrekking heeft op de door de Duitse autoriteiten vooraf aan Hoesch toegewezen bijzondere hoeveelheid, stelt in feite twee verschillende problemen aan de orde : de vraag, of de Duitse autoriteiten verplicht waren die bijzondere hoeveelheid van het nationale uitvoerquotum af te trekken, en de vraag, of zij daartoe bevoegd waren .
23 Dienaangaande moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat bij de onderhandelingen die tot bovengenoemde regeling tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten hebben geleid, de bevoorrading door Hoesch van haar dochtermaatschappij te Baytown een belangrijke rol speelde . Blijkens een in het dossier opgenomen briefwisseling had de Amerikaanse delegatie aanvankelijk erop aangedrongen, de uitvoer uit de Gemeenschap te beperken tot 5,9% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten, en verklaarde zij zich ten slotte bereid dat quotum te verhogen tot 7,6%, met de uitdrukkelijke bedoeling, de bevoorrading door Hoesch van haar Amerikaanse dochtermaatschappij te garanderen . Volgens de Amerikaanse onderhandelaars zou bij de berekening van die verhoging ervan zijn uitgegaan, dat Hoesch haar Amerikaanse dochtermaatschappij te Baytown 42 000 ton half afgewerkte buizen zou leveren .
24 Voorts staat vast, dat de Raad bij de verdeling van het contingent van 7,6% over de Lid-Staten volgens de in bijlage III bij verordening nr . 60/85 opgenomen verdeelsleutel, ervan is uitgegaan, dat een bijzondere hoeveelheid van 20 000 ton aan Hoesch moest worden voorbehouden voor levering aan haar Amerikaanse dochtermaatschappij . Met het oog hierop werd het voor de Bondsrepubliek Duitsland geldende maximum vastgesteld op 2,82%, nadat de Duitse regering had verklaard, dat zij in het belang van een gemeenschappelijke oplossing van de door de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen ontstane problemen bereid was, de aan Hoesch voorbehouden bijzondere hoeveelheid ten laste te brengen van het quotum dat volgens de door de Commissie vastgestelde verdeelsleutel aan de Duitse ondernemingen toekomt .
25 Ten slotte zij erop gewezen, dat in verordening nr . 60/85 bij de verdeling van het communautaire maximum over de Lid-Staten, geen melding wordt gemaakt van de aan Hoesch voorbehouden bijzondere hoeveelheid . Blijkens de door de Commissie verstrekte inlichtingen en een aantal door de Commissie en Hoesch aan het Hof overgelegde brieven betoonde de Duitse regering zich ontevreden over het feit, dat in het voorstel van de Commissie voor verordening nr . 60/85 niet werd gesproken over die bijzondere hoeveelheid . De Raad heeft het voorstel van de Commissie op dit punt evenwel niet gewijzigd, op grond dat in de voorziene verdeelsleutel reeds rekening was gehouden met een aan Hoesch voorbehouden en in het Duitse quotum opgenomen hoeveelheid van 20 000 ton . Nadat de regeling en verordening nr . 60/85 in werking waren getreden, beklaagden de Amerikaanse autoriteiten zich verschillende malen over het gebrek aan medewerking van de Gemeenschap met betrekking tot het waarborgen van de bevoorrading van de dochtermaatschappij van Hoesch te Baytown .
26 Uit al deze omstandigheden blijkt, dat de Amerikaanse autoriteiten met een maximum van 7,6% instemden, omdat zij ervan uitgingen, dat een bijzondere hoeveelheid aan Hoesch zou worden voorbehouden voor levering aan haar Amerikaanse dochtermaatschappij; de gemeenschapsinstellingen hebben evenwel bij de verdeling van dit contingent geen bijzondere hoeveelheid aan Hoesch toegewezen . Het was veeleer zo, dat zij die bijzondere hoeveelheid bij de vaststelling van de verdeelsleutel in aanmerking namen en van mening waren, dat de Duitse autoriteiten bij de afgifte van de uitvoervergunningen daaruit de consequenties moesten trekken .
27 Verordening nr . 3686/87 tot wijziging van verordening nr . 60/85 met betrekking tot de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika ( PB 1987, L 346, blz . 26 ), introduceerde een nieuw criterium voor de afgifte van uitvoervergunningen . Volgens dit criterium moeten de nationale autoriteiten ook rekening houden met de "situatie ... van ondernemingen die een dochtermaatschappij in de Verenigde Staten hebben welke zij voorzien van half afgewerkte buizen voor de vervaardiging van buizen ". Deze wijziging, die in abstracte bewoordingen is geformuleerd doch is toegesneden op de bijzondere situatie van Hoesch, vond evenwel plaats na de voor het hoofdgeding relevante periode .
28 Volgens de Commissie beoogde verordening nr . 3686/87 geen nieuwe rechtssituatie te creëren, doch een sinds de vaststelling van verordening nr . 60/85 bestaande praktijk te codificeren . Met andere woorden : de inhoud van de eerdere versie van verordening nr . 60/85 wordt door verordening nr . 3686/87 verduidelijkt .
29 Op grond van een en ander moet in de eerste plaats worden geconcludeerd, dat de bepalingen van de destijds geldende versie van verordening nr . 60/85 - de enige regeling waarbij de door de autoriteiten van de Lid-Staten bij de afgifte van uitvoervergunningen voor stalen buizen en pijpen toe te passen criteria werden vastgesteld - met geen woord reppen over de aan Hoesch voorbehouden bijzondere hoeveelheid . Aangezien de verdeling van deze vergunningen ook van belang was voor andere ondernemingen, waarvan de bijzondere situatie tijdens de onderhandelingen tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten niet ter sprake was gekomen, kunnen de betrokken bepalingen niet aldus worden uitgelegd, dat zij voor de Duitse autoriteiten de verplichting meebrachten Hoesch een bepaalde hoeveelheid toe te wijzen .
30 In de tweede plaats moet het rechtskarakter van de Euro-Amerikaanse regeling in aanmerking worden genomen . Deze krachtens artikel 113 EEG-Verdrag gesloten regeling is een akkoord in de zin van artikel 228 EEG-Verdrag . Kenmerkend voor een dergelijk akkoord is, dat zijn bepalingen ingevolge het Verdrag zowel voor de instellingen van de Gemeenschap als voor de Lid-Staten verbindend zijn en volgens de geldende regels van het volkenrecht jegens de andere overeenkomstsluitende partij te goeder trouw moeten worden uitgevoerd . Dit betekent, dat de Duitse autoriteiten verplicht waren, in het kader van de in artikel 5 van verordening nr . 60/85 vastgestelde criteria rekening te houden met de bijzondere situatie van Hoesch, zoals deze ter sprake was gekomen tijdens de onderhandelingen die tot de totstandkoming van het betrokken akkoord hebben geleid .
31 In dit verband moet worden beklemtoond, dat in die "criteria met zoveel woorden wordt gewezen op de noodzaak de door deze verordening geboden uitvoermogelijkheden optimaal te gebruiken en te beheren ." Een dergelijk optimaal gebruik en beheer kan in het bijzonder worden bereikt bij ondernemingen in de Gemeenschap die economische banden met hun dochtermaatschappijen in de Verenigde Staten hebben tot stand gebracht, met name wanneer die dochtermaatschappijen door hun moedermaatschappij van half afgewerkte buizen worden voorzien, zoals het geval is bij de Hoesch-ondernemingen in Texas en Duitsland . Ook de Raad schijnt deze mening te zijn toegedaan . In een van de overwegingen van verordening nr . 3686/87 merkt hij namelijk op, dat bij de verdeling van het communautaire quotum over de Lid-Staten overeenkomstig bijlage III bij verordening nr . 60/85, rekening is gehouden met "de bijzondere situatie van de ondernemingen die een dochtermaatschappij in de Verenigde Staten hebben ".
32 Daaruit valt op te maken, dat de Duitse autoriteiten op grond van verordening nr . 60/85 gerechtigd waren, bij de afgifte van de uitvoervergunningen een bijzondere hoeveelheid aan Hoesch voor te behouden, en dat ook de verplichtingen die de Gemeenschap tegenover de Verenigde Staten van Amerika op zich had genomen, daartoe aanleiding gaven .
33 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat de Duitse autoriteiten op grond van verordening nr . 60/85 gerechtigd waren - zonder daar evenwel toe verplicht te zijn - de vennootschap Hoesch een bijzondere hoeveelheid buizen en pijpen toe te wijzen ten laste van het nationale uitvoerquotum van 2,82% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten .
Beslissing inzake de kostenKosten
34 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het Bundesverwaltungsgericht bij beschikking van 17 maart 1988 gestelde vragen,
verklaart voor recht :
1 ) Artikel 5 van verordening nr . 60/85 van de Raad van 9 januari 1985 met betrekking tot de beperkingen op de uitvoer van stalen buizen en pijpen naar de Verenigde Staten van Amerika, moet aldus worden uitgelegd, dat onder "nieuwe producenten van buizen en pijpen" mede zijn te verstaan ondernemingen die vroeger reeds stalen buizen en pijpen vervaardigden, maar die, met behoud van hun rechtsvorm en firmanaam, een verandering in economisch opzicht hebben ondergaan die heeft geleid tot de oprichting van een nieuwe fabriek met een grote produktiecapaciteit, met name wanneer die fabriek een nieuw produkt vervaardigt dat tevoren niet door de onderneming werd vervaardigd .
2 ) Een als "nieuwe producent" in de zin van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 60/85 erkende onderneming dient overeenkomstig de in die bepaling genoemde criteria een passend gedeelte van de beschikbare uitvoervergunningen te krijgen . De met het bepalen van het gewicht van elk der criteria belaste autoriteiten van de Lid-Staten, dienen in het bijzonder rekening te houden met de produktiecapaciteit en het uitvoerpotentieel van de nieuwe producent en hem een reële toegang tot de Amerikaanse markt van buizen en pijpen mogelijk te maken .
3 ) De Duitse autoriteiten waren op grond van verordening nr . 60/85 gerechtigd - zonder daar evenwel toe verplicht te zijn - de vennootschap Hoesch een bijzondere hoeveelheid buizen en pijpen toe te wijzen ten laste van het nationale uitvoerquotum van 2,82% van het zichtbare verbruik van de Verenigde Staten .
Top