Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 27 SEPTEMBER 1989. - C. C. VAN DE BIJL TEGEN STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - VRIJHEID VAN VESTIGING - VRIJ VERKEER VAN PERSONEN - UITOEFENING VAN HET SCHILDERSBEDRIJF IN EEN LID-STAAT - VOORWAARDEN VOOR ERKENNING IN EEN ANDER LID-STAAT. - ZAAK 130/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 03039
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1 . Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Voorwaarden voor toegang tot anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van be - en verwerkende nijverheid - Erkenning van daadwerkelijke uitoefening van werkzaamheden in andere Lid-Staat - Voorwaarde van daadwerkelijke uitoefening - Door Lid-Staat van herkomst afgegeven verklaring - Bewijskracht tegenover autoriteiten van Lid-Staat van ontvangst - Grenzen
( Richtlijn 64/427 van de Raad, artikelen 3 en 4, lid 2 )
2 . Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Voorwaarden voor toegang tot anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van be - en verwerkende nijverheid - Voorafgaande beroepsopleiding - Begrip
( Richtlijn 64/427 van de Raad, artikel 3, sub b )
Samenvatting1 . Op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid moet artikel 3 van richtlijn 64/427 aldus worden uitgelegd, dat de zinsnede "daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat ... gedurende ( een aantal ) achtereenvolgende jaren ..." uitsluitend doelt op daadwerkelijke uitoefening van die werkzaamheid gedurende een periode die slechts mag worden onderbroken wegens een ( korte ) ziekte of ( gebruikelijke ) vakanties, maar met name niet wegens het uitoefenen van een functie in een andere Lid-Staat, ook al wordt de onderneming in het land van herkomst voortgezet .
Indien de bevoegde instantie van de Lid-Staat van ontvangst wordt verzocht om een vergunning voor bedrijfsuitoefening onder overlegging van een krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn door de bevoegde instantie van de Lid-Staat van herkomst opgestelde verklaring, is zij niet verplicht de gevraagde vergunning zonder meer te verlenen wanneer de overgelegde verklaring in zoverre een kennelijke onjuistheid bevat als erin wordt verklaard, dat de in de richtlijn bedoelde persoon in de Lid-Staat van herkomst gedurende een bepaalde periode werkzaamheden heeft uitgeoefend, terwijl vaststaat dat hij in diezelfde periode werkzaam is geweest op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst .
2 . De in artikel 3, sub b, van richtlijn 64/427 gestelde voorwaarde van een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar, bevestigd door een door de staat erkend getuigschrift of als volwaardig aangemerkt door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie, moet aldus worden begrepen, dat de opleiding kan zijn genoten in een andere Lid-Staat dan die waar de werkzaamheid in de zin van deze bepaling daadwerkelijk is uitgeoefend, en dat in dat geval onder "voorafgaande opleiding" in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een opleiding die in de Lid-Staat waar zij is genoten, toegang tot het beroep geeft .
PartijenIn zaak 130/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
C . C . van de Bijl
en
Staatssecretaris van Economische Zaken,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 64/427/EEG van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC ( Industrie en Ambacht ) ( PB 1964, blz . 1863 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, T . F . O' Higgins, G . F . Mancini, C . N . Kakouris en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door H . J . Heinemann van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, en ter terechtzitting door A . Fierstra als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, voor de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting vertegenwoordigd door J . A . Gensmantel van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, bijgestaan door M . A . Letemendia en S . Richards,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . Lasnet en B . J . Drijber, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 15 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 6 april 1988, ingekomen ten Hove op 5 mei daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 3 en 4 van richtlijn 64/427/EEG van de Raad van 7 juli 1964 betreffende de overgangsmaatregelen op het gebied van de anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot de klassen 23 tot en met 40 van de ISIC ( Industrie en Ambacht ) ( PB 1964, blz . 1863; hierna : de richtlijn ).
2 Die vragen zijn gerezen in het kader van een beroep, door C . C . van de Bijl ingesteld tegen de weigering van de staatssecretaris van Economische Zaken ( hierna : de staatssecretaris ) om hem op grond van de richtlijn ontheffing te verlenen van het verbod om in Nederland het schildersbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het Bedrijfschap voor het Schildersbedrijf .
3 In Nederland gelden voor de uitoefening van het schildersbedrijf algemene eisen van kredietwaardigheid en handelskennis en specifieke eisen van vakbekwaamheid . Wie zelfstandig als schilder werkzaam wil zijn, heeft daarvoor een vergunning nodig van het Bedrijfschap voor het Schildersbedrijf, behoudens ontheffing, die op grond van gemeenschapsrichtlijnen kan worden verleend .
4 Indien - aldus bepaalt artikel 3 van de richtlijn - in een Lid-Staat de toegang tot een anders dan in loondienst verrichte werkzaamheid van de be - en verwerkende nijverheid behorende tot industrie en ambacht, of de uitoefening daarvan afhankelijk is gesteld van het bezit van algemene, handels - of vakkennis en -bekwaamheid, dan beschouwt deze Lid-Staat als voldoende bewijs van die kennis en die bekwaamheid de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat onder meer :
" ...
b ) ... als zelfstandige of met het beheer belaste bedrijfsleider gedurende drie achtereenvolgende jaren, indien de begunstigde kan bewijzen dat hij voor het betrokken beroep een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar heeft ontvangen, die wordt bevestigd door een door de Staat erkend getuigschrift of als volwaardig wordt aangemerkt door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie;
..."
5 Volgens artikel 4, lid 3, van de richtlijn verleent de ontvangende Lid-Staat de vergunning tot uitoefening van de betrokken werkzaamheid op verzoek van de belanghebbende, indien de beschrijving van de werkzaamheid in de door de bevoegde instantie van het land van herkomst krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn afgegeven verklaring overeenstemt met de punten die kenmerkend zijn voor de vooraf door het land van ontvangst medegedeelde beroepsbeschrijving, en de andere eventuele in zijn voorschriften bepaalde voorwaarden zijn vervuld .
6 Verzoeker in het hoofdgeding, Van de Bijl, van Nederlandse nationaliteit, was tot augustus 1980 in Nederland werkzaam als schilder in loondienst . Hij behaalde in juni 1976 het diploma aspirant-gezel schilderen en in oktober 1980 het diploma gezel schilderen . Deze diploma' s worden in Nederland niet erkend als bewijs van de vakbekwaamheid die vereist is om aldaar als zelfstandige het schildersbedrijf uit te oefenen .
7 Vanaf oktober 1980 was verzoeker in het hoofdgeding in het Verenigd Koninkrijk werkzaam als "painter and decorator ". Van 29 december 1981 tot 20 februari 1982 en van 1 maart tot 2 september 1983 werkte hij opnieuw in loondienst in Nederland . In juni 1984 bestond zijn inkomen uit een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet, bestemd voor werkloze werknemers .
8 Blijkens de processtukken werd tussen 1980 en 1984 in het Verenigd Koninkrijk onder verzoekers naam een onderneming opgericht en ingeschreven; een bijkantoor daarvan werd in een handelsregister in Nederland ingeschreven .
9 Met een beroep op de richtlijn verzocht verzoeker voor dat bijkantoor om ontheffing van het verbod om als zelfstandige het schildersbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het Bedrijfschap voor het Schildersbedrijf .
10 Te dien einde verkreeg hij van het Britse Department of Trade and Industry een krachtens de richtlijn afgegeven verklaring, inhoudende dat verzoeker gedurende een totale periode van vier jaar en vijf maanden zelfstandig werkzaam was geweest als schilder, dat hij voordien een beroepsopleiding had genoten die voldeed aan de door de bevoegde Britse beroepsorganisatie gestelde eisen, en dat hij dus voldeed aan de voorwaarden van de richtlijn . Deze verklaring was gebaseerd op het feit dat verzoeker vanaf oktober 1980 directeur van de onderneming C . C . van de Bijl ( UK ) Ltd was geweest en voordien in Nederland in een periode van vijf jaar en elf maanden de eerdergenoemde diploma' s had behaald .
11 De staatssecretaris van Economische Zaken wees het verzoek om ontheffing af op grond dat de verklaring niet geldig was, omdat verzoeker in de periode dat hij in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was, ook in Nederland had gewerkt en de in de Britse verklaring genoemde beroepsopleiding in Nederland was genoten, waar zij evenwel niet als voldoende voor de zelfstandige uitoefening van het schildersbedrijf wordt erkend .
12 Op het beroep van verzoeker tegen deze beschikking overwoog het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, dat het geschil betrekking had op de vraag, of verzoeker voldoet aan de voorwaarden die de richtlijn stelt inzake de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid en de voorafgaande opleiding . De nationale rechter heeft derhalve de behandeling van de zaak geschorst in afwachting van een uitspraak van het Hof over de volgende prejudiciële vragen :
" 1 ) Brengt een juiste uitlegging van de richtlijn 64/427/EEG, in het bijzonder het bepaalde bij artikel 4, derde lid, mee dat de autoriteit van de ontvangende Lid-Staat, indien toegang wordt verzocht tot de bedrijfsuitoefening in zijn land onder overlegging van een verklaring, als bedoeld in het tweede lid, zonder meer die toegang moet verlenen, ook en zelfs indien die verklaring aantoonbare onjuistheden of vergissingen bevat?
2 ) Moet het in artikel 3, aanhef en onder b en d van de richtlijn 64/427/EEG neergelegde vereiste van een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar, 'die wordt bevestigd door een door de Staat erkend getuigschrift of als volwaardig wordt aangemerkt door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie' aldus worden begrepen, dat de opleiding kan zijn genoten in een ander land c.q . een andere Lid-Staat dan die, waarin daadwerkelijk werkzaamheden als bedoeld in die bepaling zijn uitgeoefend?
3 ) Indien de voorafgaande vraag bevestigend wordt beantwoord, moet onder 'voorafgaande opleiding' dan worden verstaan een opleiding, die naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat, waar de evenbedoelde daadwerkelijke werkzaamheden zijn uitgeoefend, als volwaardig voor de bedrijfsuitoefening aldaar wordt aangemerkt?
4 ) Moet artikel 3 van de richtlijn 64/427/EEG aldus worden uitgelegd, dat, waar gesproken wordt van 'de daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheden in een andere Lid-Staat ... gedurende ( een x-aantal ) achtereenvolgende jaren ...' , slechts als zodanig kan worden aangemerkt een niet anders dan wegens ( korte ) ziekte en ( gebruikelijke ) vakanties onderbroken tijdvak en dat daarvan geen sprake meer is bij onderbrekingen gedurende langere perioden, met name indien elders een functie wordt uitgeoefend, ook indien de onderneming in het land van herkomst niet zou zijn opgeheven?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de relevante bepalingen en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
14 Vooraf zij opgemerkt, dat de richtlijn, in afwachting van de cooerdinatie van de nationale regelingen betreffende enerzijds de toegang tot de betrokken werkzaamheden en de uitoefening ervan en anderzijds de wederzijdse erkenning van diploma' s, beoogt te verzekeren dat de Lid-Staten overgangsmaatregelen nemen, die het mogelijk maken dat de daadwerkelijke uitoefening van het betrokken beroep in de Lid-Staat van herkomst gedurende een periode van ten minste drie achtereenvolgende jaren en een voorafgaande opleiding van drie jaar als voldoende worden beschouwd voor de toegang tot dat beroep in de ontvangende staten die de betrokken werkzaamheid aan regels onderwerpen .
De vragen betreffende de werkelijke duur van de beroepservaring in de Lid-Staat van herkomst
15 Allereerst moeten de vierde en de eerste vraag worden onderzocht, die beide betrekking hebben op de werkelijke duur van de beroepservaring in de Lid-Staat van herkomst .
16 De vierde vraag, die als eerste aan de orde moet komen, beoogt in wezen te doen vaststellen, of artikel 3 van de richtlijn, waar het spreekt van "daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat ... gedurende ( een aantal ) achtereenvolgende jaren ...", doelt op een periode die slechts mag worden onderbroken wegens korte ziektes en gebruikelijke vakanties, maar niet wegens het uitoefenen van een functie in een andere Lid-Staat, ook al wordt de onderneming in de Lid-Staat van herkomst voortgezet .
17 De aangehaalde zinsnede bevat een van de voorwaarden waaronder een Lid-Staat die de betrokken werkzaamheid aan regels onderwerpt, de uitoefening ervan in een andere Lid-Staat moet erkennen, waardoor het mogelijk wordt de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten in de door de richtlijn bestreken beroepen te verzekeren . Met het oog op de eenvormige toepassing van de richtlijn moet aan deze zinsnede dus een communautaire uitlegging worden gegeven .
18 Uit de strekking en de opbouw van de richtlijn alsmede uit de bewoordingen van artikel 3 zelf blijkt, dat de richtlijn de erkenning van de uitoefening van de werkzaamheid in een andere Lid-Staat door een Lid-Staat die die werkzaamheid aan regels onderwerpt, afhankelijk heeft willen stellen van de voorwaarde dat het gaat om echte en daadwerkelijke uitoefening gedurende een bepaald aantal achtereenvolgende jaren, dat wil zeggen zonder andere dan de in het dagelijks leven normale onderbrekingen .
19 Mitsdien moet worden geantwoord, dat artikel 3 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat de zinsnede "daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat ... gedurende ( een aantal ) achtereenvolgende jaren ..." uitsluitend doelt op daadwerkelijke uitoefening van die werkzaamheid gedurende een periode die slechts mag worden onderbroken wegens een ( korte ) ziekte of ( gebruikelijke ) vakanties, maar met name niet wegens het uitoefenen van een functie in een andere Lid-Staat, ook al wordt de onderneming in het land van herkomst voortgezet .
20 Vervolgens moet, overeenkomstig de eerste vraag van de verwijzende rechter, worden nagegaan, of de Lid-Staat van ontvangst, wanneer hem om een vergunning voor bedrijfsuitoefening wordt verzocht onder overlegging van een krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn door de Lid-Staat van herkomst afgegeven verklaring, aan deze verklaring is gebonden en verplicht is de vergunning te verlenen, zelfs indien zij aantoonbare onjuistheden of vergissingen bevat met betrekking tot de werkelijke duur van de werkzaamheid in de Lid-Staat van herkomst .
21 Die verklaring, door de Lid-Staat van herkomst opgesteld, rekening houdend met de door de Lid-Staat van ontvangst vooraf meegedeelde beroepsbeschrijving, is het document waardoor de daadwerkelijke vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten kan worden verzekerd in de Lid-Staten die bepaalde eisen van vakbekwaamheid stellen .
22 De Lid-Staat van ontvangst die dergelijke eisen stelt, is dus in beginsel gebonden aan de gegevens van de door de Lid-Staat van herkomst afgegeven verklaring, omdat deze anders haar nuttig effect zou verliezen .
23 In dit verband moet erop worden gewezen, dat de Lid-Staat van ontvangst de juistheid van de door de bevoegde instantie van de Lid-Staat van herkomst verstrekte informatie over de door de betrokkene aldaar verrichte werkzaamheden en de duur ervan, niet in twijfel mag trekken, aangezien de door deze instantie afgegeven vergunning anders ieder nuttig effect zou verliezen .
24 Wanneer de Lid-Staat van ontvangst op objectieve gronden meent, dat de overgelegde verklaring kennelijke onjuistheden bevat, staat het hem vrij de Lid-Staat van herkomst om aanvullende inlichtingen te vragen .
25 Wanneer evenwel vaststaat, dat iemand op wie de richtlijn betrekking heeft, in de Lid-Staat van ontvangst een tijd lang verzekerd is geweest of gewerkt heeft gedurende de periode waarin hij volgens de verklaring in de Lid-Staat van herkomst werkzaamheden heeft uitgeoefend, dan is de Lid-Staat van ontvangst niet gebonden aan de verklaring van de bevoegde instantie van de Lid-Staat van herkomst, voor zover het de duur van de in laatstgenoemde staat uitgeoefende werkzaamheden betreft .
26 In een dergelijk geval kan de Lid-Staat van ontvangst immers niet gedwongen zijn, voorbij te gaan aan feiten die zich op zijn eigen grondgebied hebben voorgedaan en die rechtstreeks van belang zijn voor de vraag, of de belanghebbende in de betrokken periode wel echte en daadwerkelijke werkzaamheden in de Lid-Staat van herkomst heeft uitgeoefend . Evenmin kan men de Lid-Staat van ontvangst het recht ontzeggen, maatregelen te treffen om te verhinderen dat de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten, die de richtlijn beoogt te verzekeren, door de betrokkenen worden gebruikt om zich te onttrekken aan de regels inzake vakkennis die voor de onderdanen van die staat gelden ( zie arresten van 3 december 1974, zaak 33/74, Van Binsbergen, Jurispr . 1974, blz . 1299, en 7 februari 1979, zaak 115/78, Knoors, Jurispr . 1979, blz . 399 ).
27 Mitsdien moet het antwoord luiden, dat indien de bevoegde instantie van de Lid-Staat van ontvangst wordt verzocht om een vergunning voor bedrijfsuitoefening onder overlegging van een krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn door de bevoegde instantie van de Lid-Staat van herkomst opgestelde verklaring, zij niet verplicht is de gevraagde vergunning zonder meer te verlenen wanneer de overgelegde verklaring in zoverre een kennelijke onjuistheid bevat als erin wordt verklaard, dat de in de richtlijn bedoelde persoon in de Lid-Staat van herkomst gedurende een bepaalde periode werkzaamheden heeft uitgeoefend, terwijl vaststaat dat hij in diezelfde periode werkzaam is geweest op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst .
De vragen betreffende de voorafgaande opleiding
28 De tweede en de derde vraag, die te zamen moeten worden onderzocht, zijn in wezen bedoeld om te vernemen, of de in artikel 3, sub b, van de richtlijn voor erkenning gestelde voorwaarde van een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar aldus moet worden begrepen, dat die opleiding kan zijn genoten in een andere Lid-Staat dan die waar de werkzaamheid daadwerkelijk is uitgeoefend, en zo ja, of het noodzakelijk is dat die opleiding toegang geeft tot bedrijfsuitoefening in de Lid-Staat waar zij is genoten, dan wel of het voldoende is dat de opleiding volgens de autoriteiten van de Lid-Staat waar de werkzaamheid daadwerkelijk is uitgeoefend, toegang geeft tot bedrijfsuitoefening aldaar .
29 Enerzijds volgt uit de strekking van de richtlijn, dat men het begrip voorafgaande opleiding in de zin van artikel 3, sub b, niet mag beperken tot de opleiding die genoten is in de Lid-Staat waar de werkzaamheid is uitgeoefend .
30 Anderzijds volgt echter uit het stelsel van de richtlijn, dat de in genoemde bepaling verlangde voorafgaande opleiding van drie jaar door een Lid-Staat van ontvangst die de betrokken werkzaamheid aan regels onderwerpt, slechts kan worden erkend voor zover die opleiding tevoren als volwaardig is erkend door de Lid-Staat waar zij is genoten .
31 Alleen deze Lid-Staat kan immers beoordelen, of het om een voor de betrokken werkzaamheid volwaardige opleiding gaat, en kan dus beslissen of het getuigschrift dat aan het eind ervan - in voorkomend geval door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie - is afgegeven, voor erkenning in aanmerking komt .
32 Mitsdien moet worden geantwoord, dat de in artikel 3, sub b, van de richtlijn gestelde voorwaarde van een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar, bevestigd door een door de staat erkend getuigschrift of als volwaardig aangemerkt door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie, aldus moet worden begrepen, dat de opleiding kan zijn genoten in een andere Lid-Staat dan die waar de werkzaamheid in de zin van deze bepaling daadwerkelijk is uitgeoefend, en dat in dat geval onder voorafgaande opleiding in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een opleiding die in de Lid-Staat waar zij is genoten, toegang tot het beroep geeft .
Beslissing inzake de kostenKosten
33 De kosten door de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
DictumHET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij beschikking van 15 februari 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 3 van richtlijn 64/427 van de Raad van 7 juli 1964 moet aldus worden uitgelegd, dat de zinsnede "daadwerkelijke uitoefening van de betrokken werkzaamheid in een andere Lid-Staat ... gedurende ( een aantal ) achtereenvolgende jaren ..." uitsluitend doelt op daadwerkelijke uitoefening van die werkzaamheid gedurende een periode die slechts mag worden onderbroken wegens een ( korte ) ziekte of ( gebruikelijke ) vakanties, maar met name niet wegens het uitoefenen van een functie in een andere Lid-Staat, ook al wordt de onderneming in het land van herkomst voortgezet .
2 ) Indien de bevoegde instantie van de Lid-Staat van ontvangst wordt verzocht om een vergunning voor bedrijfsuitoefening onder overlegging van een krachtens artikel 4, lid 2, van de richtlijn door de bevoegde instantie van de Lid-Staat van herkomst opgestelde verklaring, is zij niet verplicht de gevraagde vergunning zonder meer te verlenen wanneer de overgelegde verklaring in zoverre een kennelijke onjuistheid bevat als erin wordt verklaard, dat de in de richtlijn bedoelde persoon in de Lid-Staat van herkomst gedurende een bepaalde periode werkzaamheden heeft uitgeoefend, terwijl vaststaat dat hij in diezelfde periode werkzaam is geweest op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst .
3 ) De in artikel 3, sub b, van de richtlijn gestelde voorwaarde van een voorafgaande opleiding van ten minste drie jaar, bevestigd door een door de staat erkend getuigschrift of als volwaardig aangemerkt door een bevoegde beroeps - of bedrijfsorganisatie, moet aldus worden begrepen, dat de opleiding kan zijn genoten in een andere Lid-Staat dan die waar de werkzaamheid in de zin van deze bepaling daadwerkelijk is uitgeoefend, en dat in dat geval onder voorafgaande opleiding in de zin van deze bepaling moet worden verstaan een opleiding die in de Lid-Staat waar zij is genoten, toegang tot het beroep geeft .
Top