Avis juridique important
ARREST VAN HET HOF (ZESDE KAMER) VAN 4 JUNI 1992. - ARBEITERWOHLFAHRT DER STADT BERLIN EV TEGEN MONIKA BOETEL. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: LANDESARBEITSGERICHT BERLIN - DUITSLAND. - GELIJKE BELONING - VERGOEDING VOOR CURSUSSEN WAARAAN WORDT DEELGENOMEN DOOR IN DEELTIJD WERKZAME LEDEN VAN ONDERNEMINGSRAAD. - ZAAK C-360/90.
Jurisprudentie 1992 bladzijde I-03589
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00127
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00171
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
1. Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Gelijke beloning ° Beloning ° Begrip ° Vergoeding voor deelneming aan vormingscursussen waarbij aan leden van ondernemingsraad voor uitoefening van hun mandaat noodzakelijke kennis wordt overgedragen ° Daaronder begrepen
(EEG-Verdrag, art. 119; richtlijn 75/117 van de Raad)
2. Sociale politiek ° Mannelijke en vrouwelijke werknemers ° Gelijke beloning ° Vergoeding voor deelneming aan voor leden van ondernemingsraad bestemde vormingscursussen die tijdens volle werktijd worden georganiseerd ° Nationale regeling die vergoeding aan deelnemende deeltijdwerknemers beperkt tot hun individuele werktijd ° Verschil in behandeling vergeleken met deelnemers die volle werktijd werken ° Aantal in deeltijd werkzame leden van ondernemingsraden voornamelijk bestaande uit vrouwen ° Ontoelaatbaarheid bij gebreke aan objectieve rechtvaardigingen
(EEG-Verdrag, art. 119; richtlijn 75/117 van de Raad)
Samenvatting1. Het begrip "beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag omvat alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden betaald, ongeacht of dit ingevolge een arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt.
Onder dit begrip valt de vergoeding in de vorm van betaald verlof of betaalde overuren die de werkgever aan leden van de ondernemingsraad verschuldigd is voor deelneming aan vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen, en die tot doel heeft, de belanghebbenden een inkomen te bezorgen wanneer dezen tijdens de duur van de vormingscursussen de in hun arbeidsovereenkomst vastgelegde werkzaamheid niet verrichten. Al vloeit een dergelijke vergoeding als zodanig niet voort uit de arbeidsovereenkomst, toch wordt zij door de werkgever betaald op grond van wettelijke bepalingen en uit hoofde van een arbeidsbetrekking.
2. Artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, verzetten zich ertegen, dat een nationale regeling die voor een veel groter aantal vrouwen dan mannen geldt en die de vergoeding die in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad in de vorm van betaald verlof of betaling van overuren van hun werkgever moeten ontvangen bij deelneming aan vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen en die tijdens de volle werktijd van de onderneming worden georganiseerd, maar waarvan de duur de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers overtreft, beperkt tot de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers, terwijl voor de volle tijd werkzame leden van de ondernemingsraad bij deelneming aan dezelfde cursussen een vergoeding overeenkomend met die voor de volle werktijd ontvangen, tenzij de Lid-Staat aantoont dat die wettelijke regeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
PartijenIn zaak C-360/90,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Landesarbeitsgericht Berlin, in het aldaar aanhangig geding tussen
Arbeiterwohlfahrt der Stadt Berlin e.V.
en
M. Boetel,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: F. A. Schockweiler, kamerpresident, G. F. Mancini, C. N. Kakouris, M. Diez de Velasco en J. L. Murray, rechters,
advocaat-generaal: M. Darmon
griffier: H. A. Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
° M. Boetel, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H. Kuster, advocaat te Berlijn,
° de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door E. Roeder en C. D. Quassowski, respectievelijk Regierungsdirektor en Oberregierungsrat bij het Bundesministerium fuer Wirtschaft, als gemachtigden,
° de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. E. Collins, Assistant Treasury Solicitor, als gemachtigde,
° de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door K. Banks en B. Jansen, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van de Arbeiterwohlfahrt, vertegenwoordigd door W. Meyer, advocaat te Berlijn, M. Boetel, de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door C. Vajda, Barrister, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter terechtzitting van 29 november 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 januari 1992,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest1 Bij beschikking van 24 oktober 1990, ingekomen bij het Hof op 10 december daaraanvolgend, heeft het Landesarbeitsgericht Berlin het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19), teneinde de verenigbaarheid met dat beginsel te kunnen beoordelen van een aantal bepalingen van het Betriebsverfassungsgesetz van 15 januari 1972.
2 Deze vraag is gerezen in een geding over de vergoeding die Boetel (hierna: "verzoekster"), een in deeltijd werkzame thuisverpleegster, voor haar deelneming aan vormingscursussen vordert van haar werkgever, de Arbeiterwohlfahrt der Stadt Berlin (hierna: "verweerster"), een vereniging die in het Land Berlin maatschappelijk werk verricht.
3 Verzoekster werkt gemiddeld 29,25 uur per week. Sinds 1985 is zij voorzitster van een districtsondernemingsraad van haar werkgever. In 1989 nam zij deel aan zes vormingscursussen waarin voor het werk van de ondernemingsraad vereiste kennis werd overgedragen in de zin van § 37, lid 6, van het Betriebsverfassungsgesetz (hierna: "BetrVG"), en waarin onder meer arbeids- en ondernemingsrecht werden onderwezen.
4 Volgens lid 2, juncto lid 6, van § 37 BetrVG moeten leden van de ondernemingsraad die aan dergelijke vormingscursussen deelnemen, door hun werkgever worden vrijgesteld van arbeid met behoud van loon.
5 Op grond van deze bepalingen betaalde de werkgever verzoekster de wegens deelneming aan de cursussen niet gewerkte arbeidsuren ten belope van haar individuele werktijd. Verzoekster ontving derhalve geen enkele vergoeding voor de boven haar individuele werktijd aan de cursussen bestede uren.
6 Vaststaat, dat indien verzoekster voltijds had gewerkt, verweerster haar op grond van genoemde nationale bepalingen een vergoeding voor de volle werktijd, dat wil zeggen voor 50,3 uur meer, had moeten betalen.
7 Verzoekster vorderde voor het Arbeitsgericht Berlin een vergoeding voor deze extra uren in de vorm van betaald verlof of betaling van overuren. Bij vonnis van 18 mei 1990 veroordeelde het Arbeitsgericht de werkgever om verzoekster 50,3 uur betaald verlof toe te kennen.
8 De werkgever stelde hoger beroep in bij het Landesarbeitsgericht Berlin, dat besloot de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
"Is het verenigbaar met artikel 119 EEG-Verdrag en met richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, dat een wettelijke regeling de leden van ondernemingsraden weliswaar een vergoeding waarborgt voor werktijd die wegvalt (Lohnausfallprinzip) wegens het deelnemen aan cursussen (die voor het werk van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis verschaffen), maar aan in deeltijd werkzame leden van ondernemingsraden die aan die cursussen tijd moeten besteden boven hun individuele werktijd, een schadeloosstelling in vrije tijd en/of geld voor deze extra tijdbesteding tot de hoogte van de volle werktijd binnen de onderneming weigert, ofschoon het percentage vrouwen dat onder die regeling valt, aanmerkelijk hoger is dan het percentage mannen?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
10 Blijkens de verwijzingsbeschikking wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of het in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 vervatte beginsel van gelijke beloning, gelet op het feit dat in deeltijd werkzame leden van een ondernemingsraad in het algemeen vrouwen zijn, zich verzet tegen de toepassing van een nationale regeling die de vergoeding die in deeltijd werkzame leden van ondernemingsraden van hun werkgever moeten ontvangen bij deelneming aan vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen en die tijdens de volle werktijd van de onderneming worden georganiseerd, maar waarvan de duur de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers overschrijdt, beperkt tot hun individuele werktijd, terwijl voor de volle tijd werkzame leden van de ondernemingsraad bij deelneming aan dezelfde cursussen een vergoeding overeenkomend met die voor de volle werktijd ontvangen.
11 Allereerst moet worden uitgemaakt, of de vergoeding in de vorm van betaald verlof of betaling van overuren voor vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen, onder het begrip "beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 valt.
12 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie de arresten van 13 juli 1989, zaak 171/88, Rinner-Kuehn, Jurispr. 1989, blz. 2743, en 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr. 1990, blz. I-1889) omvat het begrip "beloning" in de zin van artikel 119 EEG-Verdrag alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden betaald, ongeacht of dit ingevolge een arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig gebeurt.
13 Deze definitie omvat een geval als bij de verwijzende rechter aanhangig is.
14 Al vloeit een vergoeding als in het hoofdgeding aan de orde is, als zodanig niet voort uit de arbeidsovereenkomst, toch wordt zij door de werkgever betaald op grond van wettelijke bepalingen en uit hoofde van een arbeidsbetrekking. De leden van de ondernemingsraad hebben immers noodzakelijkerwijs de hoedanigheid van werknemer van de onderneming en zijn belast met de behartiging van de belangen van het personeel; zij zorgen aldus voor harmonieuze arbeidsverhoudingen binnen de onderneming en dienen het algemeen belang van deze laatste.
15 De vergoeding die op grond van wettelijke bepalingen als in het hoofdgeding aan de orde wordt betaald, heeft bovendien tot doel, de leden van ondernemingsraden een inkomen te bezorgen wanneer dezen tijdens de duur van de vormingscursussen de in hun arbeidsovereenkomst vastgelegde werkzaamheid niet verrichten.
16 In de tweede plaats moet worden nagegaan, of in deeltijd werkzame leden van ondernemingsraden door de nationale wettelijke regeling terzake van de vergoeding voor vormingscursussen anders worden behandeld dan leden met een voltijdbaan.
17 Beide categorieën leden van de ondernemingsraad besteden hetzelfde aantal uren aan deelneming aan de bedoelde cursussen. Wanneer de duur van de tijdens de volle werktijd van de onderneming georganiseerde cursussen evenwel de individuele werktijd van de deeltijdwerknemers overschrijdt, ontvangen zij van hun werkgever een lagere vergoeding dan de werknemers met een voltijdbaan en worden zij derhalve anders behandeld.
18 In de derde plaats moet worden opgemerkt, dat indien blijkt dat een aanzienlijk lager percentage vrouwelijke dan mannelijke leden van de ondernemingsraad voltijds werkt, dit verschil in behandeling van in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad in strijd zou zijn met artikel 119 EEG-Verdrag en met richtlijn 75/117 wanneer deze lagere vergoeding, gelet op de problemen die vrouwelijke werknemers ondervinden om voltijds te kunnen werken, niet kan worden verklaard door factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht (zie de arresten van 13 mei 1986, zaak 170/84, Bilka, Jurispr. 1986, blz. 1607, en 13 juli 1989, Rinner-Kuehn, reeds aangehaald).
19 Blijkens de verwijzingsbeschikking zijn de in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad in het algemeen vrouwen. Uit de door de nationale rechter overgelegde stukken blijkt voorts, dat een veel groter aantal vrouwelijke dan mannelijke leden van de ondernemingsraad van de werkgever in deeltijd werken.
20 Terzake van de vergoeding voor deelneming aan vormingscursussen leidt de toepassing van een wettelijke bepaling als die waar het in het hoofdgeding om gaat, derhalve in beginsel tot indirecte discriminatie van vrouwelijke werknemers ten opzichte van mannelijke werknemers op het gebied van de beloning, hetgeen in strijd is met artikel 119 EEG-Verdrag en met richtlijn 75/117.
21 Dit zou slechts anders zijn, indien de verschillende behandeling van de twee categorieën leden van de ondernemingsraad haar rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht (zie inzonderheid het arrest 171/88, reeds aangehaald).
22 Voor het Hof is betoogd, dat het verschil in behandeling uitsluitend te wijten is aan de verschillende werktijden, aangezien naar Duits recht zonder onderscheid slechts de wegens deelneming aan vormingscursussen niet gewerkte arbeidsuren worden vergoed. Derhalve zou slechts van discriminatie kunnen worden gesproken, indien de werkzaamheden in het kader van de ondernemingsraad worden aangemerkt als een bijzondere vorm van de krachtens de arbeidsovereenkomst te verrichten arbeid.
23 Allereerst zij opgemerkt, dat juridische begrippen en kwalificaties uit het nationale recht geen invloed hebben op de uitlegging of de bindende kracht van het gemeenschapsrecht en derhalve evenmin op de draagwijdte van het in artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 vervatte en door de rechtspraak van het Hof verder ontwikkelde beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (zie voor het begrip werknemer het arrest van 19 maart 1964, zaak 75/63, Unger, Jurispr. 1964, blz. 369).
24 Verder doet het argument, dat de naar nationaal recht toegekende vergoeding voor deelneming aan vormingscursussen slechts op basis van de niet gewerkte arbeidsuren wordt berekend, niets af aan het feit, dat in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad een lagere vergoeding ontvangen dan hun collega' s met een volledige baan, terwijl beide categorieën werknemers per slot van rekening hetzelfde aantal uren cursus volgen om ter bevordering van goede arbeidsverhoudingen en van het algemeen belang van de onderneming efficiënt te kunnen opkomen voor de werknemersbelangen.
25 Ten slotte is een dergelijke situatie van dien aard, dat zij deeltijdwerknemers, waarvan ontegenzeglijk de meerderheid vrouwen zijn, ontmoedigt om de functie van lid van de ondernemingsraad te vervullen of om de voor de vervulling van die functie noodzakelijke kennis te verwerven, waardoor het moeilijker wordt deze groep werknemers door vakkundige leden in de ondernemingsraad te laten vertegenwoordigen.
26 Derhalve kan niet worden aangenomen, dat het omstreden verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht, tenzij de betrokken Lid-Staat voor de nationale rechter het tegendeel bewijst.
27 Mitsdien moet op de vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117 van de Raad zich ertegen verzetten, dat een nationale regeling die voor een veel groter aantal vrouwen dan mannen geldt en die de vergoeding die in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad in de vorm van betaald verlof of betaling van overuren van hun werkgever moeten ontvangen bij deelneming aan vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen en die tijdens de volle werktijd van de onderneming worden georganiseerd, maar waarvan de duur de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers overtreft, beperkt tot de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers, terwijl voor de volle tijd werkzame leden van de ondernemingsraad bij deelneming aan dezelfde cursussen een vergoeding overeenkomend met die voor de volle werktijd ontvangen. Het staat de Lid-Staat vrij, aan te tonen dat die regeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
Beslissing inzake de kostenKosten
28 De kosten door de Bondsrepubliek Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Landesarbeitsgericht Berlin bij beschikking van 24 oktober 1990 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 119 EEG-Verdrag en richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, verzetten zich ertegen, dat een nationale regeling die voor een veel groter aantal vrouwen dan mannen geldt en die de vergoeding die in deeltijd werkzame leden van de ondernemingsraad in de vorm van betaald verlof of betaling van overuren van hun werkgever moeten ontvangen bij deelneming aan vormingscursussen waarbij voor de werkzaamheid van de ondernemingsraad noodzakelijke kennis wordt overgedragen en die tijdens de volle werktijd van de onderneming worden georganiseerd, maar waarvan de duur de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers overtreft, beperkt tot de individuele werktijd van deze deeltijdwerknemers, terwijl voor de volle tijd werkzame leden van de ondernemingsraad bij deelneming aan dezelfde cursussen een vergoeding overeenkomend met die voor de volle werktijd ontvangen. Het staat de Lid-Staat vrij, aan te tonen dat die regeling gerechtvaardigd is door objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.
Top