Avis juridique important
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 8 augustus 2002. - VVG International Handelsgesellschaft mbH, VVG (International) Ltd en Metalsivas Metallwarenhandelsgesellschaft mbH tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Procedure in kort geding - Verordening (EG) nº 560/2002 - Ontvankelijkheid. - Zaak T-155/02 R.
Jurisprudentie 2002 bladzijde II-03239
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
1. Kort geding - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Ontvankelijkheid van beroep in hoofdzaak - Irrelevant - Grenzen
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 1)
2. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van invoer van ijzer- en staalproducten - Beroep van importerende ondernemingen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 560/2002 van de Commissie)
3. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Ontvankelijkheid bij gebreke van rechtsmiddel voor nationale rechter waarmee geldigheid van betwiste handeling kan worden aangevochten - Geen
(Art. 230 EG)
4. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Ontvankelijkheid wegens ondoeltreffendheid, gelet op recht op doeltreffende bescherming in rechte, van prejudiciële verwijzing met betrekking tot maatregelen waarvan toepassing in tijd beperkt is - Geen
(Art. 230 EG en 234 EG)
Samenvatting1. De vraag of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, dient in principe niet in het kader van een kort geding te worden onderzocht, teneinde de zaak ten gronde niet te prejudiciëren. Wanneer echter wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die aannemelijk maken dat dat beroep ontvankelijk is.
( cf. punt 18 )
2. Door verordening nr. 560/2002 tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten worden niet individueel geraakt ondernemingen die zich nagenoeg uitsluitend bezighouden met de invoer in de Gemeenschap van de ijzer- en staalproducten waarop deze verordening betrekking heeft. Zelfs indien deze verordening door haar gevolgen de economische situatie van de verzoeker ongunstig beïnvloedt, volstaat dit niet om hem ten opzichte van ieder ander te karakteriseren. Deze verordening raakt hem immers slechts wegens zijn objectieve hoedanigheid van deelnemer aan het economisch verkeer, die zich bezig houdt met de handel in staal tussen derde landen en de Europese Gemeenschap, op dezelfde wijze als iedere andere handelaar in een gelijke situatie.
De omstandigheid dat een normatieve handeling voor de verschillende rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, karakteriseert hen niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers, aangezien de toepassing van die handeling plaatsvindt op grond van een objectief bepaalde situatie.
( cf. punten 30-31 )
3. De ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG kunnen niet aldus worden uitgelegd, dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet worden verklaard, wanneer na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door de gemeenschapsrechter blijkt dat die voorschriften een particulier niet toestaan een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan.
( cf. punt 39 )
4. De omstandigheid dat de toepassing van de maatregelen die zijn ingesteld bij een verordening waartegen door een natuurlijk of rechtspersoon met een beroep tot nietigverklaring wordt opgekomen, in de tijd beperkt is, wat tot gevolg zou hebben dat de beroepsweg van artikel 234 EG geen daadwerkelijke rechtsbescherming biedt aan de verzoeker, bewijst niet dat hij individueel wordt geraakt, aangezien de betrokken maatregelen op alle in die verordening bedoelde marktdeelnemers van toepassing zijn.
( cf. punt 40 )
PartijenIn zaak T-155/02 R,
VVG International Handelsgesellschaft mbH, gevestigd te Salzburg (Oostenrijk),
VVG (International) Ltd, gevestigd te Europort Gibraltar (Gibraltar),
Metalsivas Metallwarenhandelsgesellschaft mbH, gevestigd te Wenen (Oostenrijk),
vertegenwoordigd door W. Schuler, advocaat,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. zur Hausen en B. Eggers als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de uitvoering van verordening (EG) nr. 560/2002 van de Commissie van 27 maart 2002 tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten (PB L 85, blz. 1), dan wel enige andere voorlopige maatregel om verzoeksters in staat te stellen, 95 129 ton warmgewalste platte producten, gelegeerd, van referentie 4 in de zin van genoemde verordening boven het tariefcontingent en met vrijstelling van aanvullende rechten in de Gemeenschap in te voeren,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestDe regeling in geding
1 Op 27 maart 2002 heeft de Commissie verordening (EG) nr. 560/2002 vastgesteld, tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten (PB L 85, blz. 1; hierna bestreden verordening"). De hierbij ingestelde tariefcontingenten voor vijftien groepen ijzer- en staalproducten gelden voor zes maanden en zijn berekend op basis van de gemiddelde jaarlijkse invoer in de Gemeenschap in de jaren 1999, 2000 en 2001, vermeerderd met 10 %. Na uitputting van die contingenten worden de ingevoerde hoeveelheden onderworpen aan het voor elke productengroep vastgestelde aanvullend recht. De bestreden verordening is op 29 maart 2002 in werking getreden.
2 De bestreden verordening is gebaseerd op verordening (EG) nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling en tot intrekking van verordening (EG) nr. 518/94 (PB L 349, blz. 53), waarvan artikel 8 luidt:
1. De bepalingen van deze titel [Communautaire onderzoeksprocedure] doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om op enig ogenblik toezicht in te stellen overeenkomstig de artikelen 11 tot en met 15 of voorlopige vrijwaringsmaatregelen te nemen overeenkomstig de artikelen 16, 17 en 18.
Voorlopige vrijwaringsmaatregelen worden genomen:
- wanneer kritieke omstandigheden een onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maken omdat uitstel tot moeilijk te herstellen schade zou leiden, en
- wanneer voorlopig is vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal is dat een toename van de invoer ernstige schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.
2. De duur van dergelijke maatregelen kan niet meer dan 200 dagen bedragen.
[...]
4. De Commissie neemt onmiddellijk de nog noodzakelijke onderzoeksmaatregelen.
5. Worden de voorlopige vrijwaringsmaatregelen ingetrokken omdat er geen sprake blijkt te zijn van ernstige schade of dreiging van schade, dan worden de douanerechten die als gevolg van deze maatregelen zijn betaald, zo spoedig mogelijk automatisch terugbetaald. De procedure van de artikelen 235 en volgende van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) is van toepassing."
3 Artikel 1 van de bestreden verordening bepaalt:
1. Er wordt een tariefcontingent geopend voor de invoer in de Gemeenschap van elk van de vijftien producten die in bijlage 3 zijn vermeld (geïdentificeerd aan de hand van de daarbij vermelde GN-codes). De geldigheidsduur van deze tariefcontingenten gaat in op de datum van inwerkingtreding van deze verordening en eindigt op de dag voorafgaande aan de overeenkomstige datum van de daarop volgende zesde maand.
2. De in verordening (EG) nr. 2658/97 van de Raad vermelde conventionele rechten voor deze producten en de eventuele preferentiële rechten blijven bestaan.
3. De invoer die de desbetreffende in bijlage 3 vermelde tariefcontingenten overschrijdt of waarvoor geen verzoek tot toekenning van de gunstige regeling is ingediend, blijft onderworpen aan het aanvullende recht dat in bijdrage 3 voor het betrokken product is vermeld. Dit aanvullende recht wordt toegepast op de douanewaarde van het ingevoerde product.
[...]"
4 De tabel in bijlage 2 van de bestreden verordening vermeldt de toeneming van de invoer van warmgewalste platte producten, gelegeerd, (referentie 4) in de jaren 1999, 2000 en 2001. Hieruit blijkt, dat die invoer in genoemde drie jaar van 25 719 ton via 154 916 ton tot 468 000 ton is gestegen.
5 Onder referentie 4 van bijlage 3 van de bestreden verordening wordt gepreciseerd, dat het tariefcontingent voor warmgewalste platte producten, gelegeerd, 23 778 ton bedraagt en dat het aanvullend recht voor die producten op 26 % is gesteld.
6 Artikel 3 van de bestreden verordening luidt:
De tariefcontingenten worden door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 308 bis, 308 ter en 308 quater van verordening (EEG) nr. 2454/93, laatstelijk gewijzigd bij verordening (EG) nr. 993/2001 [...]"
De feiten en het procesverloop
7 Verzoeksters zijn vennootschappen die zich nagenoeg uitsluitend bezighouden met de invoer in de Gemeenschap van de ijzer- en staalproducten waarop de bestreden verordening betrekking heeft, in het bijzonder warmgewalste platte producten, gelegeerd" in de zin van referentie 4 van bijlage 3 bij die verordening. Zij kopen die producten in grote hoeveelheden bij staalbedrijven in derde landen en verkopen ze aan groot- en kleinhandelaars, aan fabrieken en entrepot-exploitanten in de Europese Unie.
8 Bij verzoekschrift, op 14 mei 2002 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben verzoeksters krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep tot nietigverklaring van de bestreden verordening ingesteld.
9 Bij op 19 juni 2002 ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben zij tevens een verzoek ingediend om opschorting van de uitvoering van de bestreden verordening, dan wel enige andere voorlopige maatregel om hen in staat te stellen, 95 129 ton warmgewalste platte producten, gelegeerd, van referentie 4 in de zin van die verordening boven het tariefcontingent en met vrijstelling van aanvullende rechten in de Gemeenschap in te voeren.
10 De Commissie heeft op 3 juli 2002 schriftelijke opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
11 Daartoe uitgenodigd door de kortgedingrechter, hebben verzoeksters op 11 juli 2002 hun reactie op de schriftelijke opmerkingen van de Commissie ter griffie van het Gerecht neergelegd.
12 Op 12 juli 2002 heeft de Commissie krachtens artikel 114 van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het beroep in de hoofdzaak opgeworpen.
13 Gelet op het door de Commissie in deze zaak opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, zijn partijen uitgenodigd hun opmerkingen over het arrest van het Hof van 25 juli 2002, Unión de Pequeños Agricultores/Raad (C-50/00 P, Jurispr. blz. I-6677), uiterlijk op 31 juli 2002 kenbaar te maken.
14 Verzoekster en de Commissie hebben op 30 respectievelijk 31 juli 2002 geantwoord.
15 Gezien de processtukken meent de kortgedingrechter over alle noodzakelijke gegevens te beschikken om op het verzoek om voorlopige maatregelen te kunnen beslissen, zodat het niet nodig is partijen in hun mondelinge toelichtingen te horen.
In rechte
16 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 242 EG en 243 EG, juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden dat vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
17 Ingevolge het bepaalde in artikel 104, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering is een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling slechts ontvankelijk, indien de verzoeker bij het Gerecht beroep tegen die handeling heeft ingesteld. Het gaat bij deze bepaling niet om een simpele formaliteit; zij onderstelt integendeel, dat het beroep ten gronde, waarmee het verzoek in kort geding samenhangt, daadwerkelijk door het Gerecht kan worden onderzocht.
18 Volgens vaste rechtspraak dient de vraag of het beroep in de hoofdzaak ontvankelijk is, in principe niet in het kader van een kort geding te worden onderzocht, ten einde de zaak ten gronde niet te prejudiciëren. Wanneer echter, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak waarmee het verzoek in kort geding verband houdt, kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het noodzakelijk zijn het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen die aannemelijk maken dat dat beroep ontvankelijk is [beschikking president Hof van 12 oktober 2000, Federación de Cofradías de Pescadores de Guipúzcoa e.a./Raad, C-300/00 P(R), Jurispr. blz. I-8797, punt 34; beschikking president Gerecht van 12 september 2001, Comafrica en Dole Fresh Fruit Europe/Commissie, T-139/01 R, Jurispr. blz. II-2415, punt 49].
19 In casu zijn er termen aanwezig om na te gaan, of het beroep tot nietigverklaring daadwerkelijk kennelijk niet-ontvankelijk is.
20 Volgens artikel 230, vierde alinea, EG [kan i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken".
21 Verzoeksters verlangen nietigverklaring van de bestreden verordening waarbij een tariefcontingent is ingesteld voor de invoer in de Gemeenschap van elk van de erin genoemde vijftien groepen van producten, met de bepaling dat de invoer die het tariefcontingent overschrijdt of waarvoor geen verzoek om toepassing van de contingenteringsregeling is ingediend, aan een aanvullend recht wordt onderworpen. De kortgedingrechter stelt vast dat de bepalingen van de bestreden verordening zich in abstracte termen tot onbepaalde categorieën van personen richten en op objectief bepaalde situaties van toepassing zijn (zie, onder meer, arrest Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C-213/91, Jurispr. blz. I-3177, punt 19).
22 De bepalingen van de bestreden verordening zijn naar hun aard dus van algemene strekking. In het kader van artikel 230 EG evenwel kan tegen een verordening als handeling van algemene strekking niet door andere rechtssubjecten dan de instellingen, de Europese Centrale Bank en de lidstaten worden opgekomen (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 35).
23 Een handeling van algemene strekking, zoals een verordening, kan echter in bepaalde omstandigheden bepaalde natuurlijke of rechtspersonen individueel raken en dus ten opzichte van hen het karakter van een beschikking hebben (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 36). Dit is het geval, wanneer de betrokken handeling een natuurlijke of rechtspersoon treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een geadresseerde (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 36).
24 In geen geval kan een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring van een verordening, dat niet aan deze voorwaarde voldoet, ontvankelijk worden verklaard (arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, punt 37).
25 In het licht van het voorgaande moet worden nagegaan of het in casu aannemelijk is dat verzoeksters wegens bepaalde bijzondere hoedanigheden door de bestreden verordening worden geraakt, dan wel of er een feitelijke situatie bestaat die hen in samenhang met die verordening ten opzichte van ieder ander karakteriseert.
26 Om aan te tonen dat zij door de bestreden verordening individueel worden geraakt, voeren verzoeksters in het verzoekschrift in kort geding in wezen zeven argumenten aan.
27 In hun schriftelijke opmerkingen van 11 juli 2002 betwisten zij de analyse van de Commissie met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Jacobs bij eerder genoemd arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad (Jurispr. 2002, blz. I-6677, 6681), en het arrest van het Gerecht van 3 mei 2002, Jégo-Quéré/Commissie (T-177/01, Jurispr. blz. II-2365). Zij beklemtonen dat hoewel de bestreden verordening op alle importeurs van de Gemeenschap van toepassing is, zij er in het bijzonder door worden getroffen. Onder de weinige geheel zelfstandige staalhandelaren zijn zij immers degenen die niet verscheidene typen ijzer- en staalproducten invoeren, maar al enkele jaren lang nagenoeg uitsluitend producten van referentie 4 van bijlage 3 bij de bestreden verordening.
28 In hun op 30 juli 2002 neergelegde opmerkingen betogen verzoeksters, dat de feiten in het arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad, reeds aangehaald, aanzienlijk verschillen van die in de onderhavige zaak. In het bijzonder menen zij, dat de bestreden verordening als een bundel individuele beschikkingen, elk met betrekking tot één productengroep, moet worden beschouwd. Voorts menen zij, dat wanneer de geldigheid van een verordening zoals in casu in de tijd beperkt is, bedacht dient te worden, dat het beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 230 EG het enige rechtsmiddel is dat een daadwerkelijke rechtsbescherming kan verzekeren. Het individueel geraakt zijn van verzoeksters zou dus vooral het gevolg zijn van de onmogelijkheid waarin zij verkeren, om langs andere weg tijdig bescherming van hun rechten te verkrijgen.
29 Met hun eerste argument - dat zij in hun op 11 en 30 juli 2002 neergelegde opmerkingen herhalen - beroepen verzoeksters zich op de uitwerking van de bestreden verordening op hun economische situatie. De doorberekening van het aanvullend recht van 26 % in de verkoopprijzen van de betrokken producten zal tot gevolg hebben dat hun afnemers hun leverings- en koopcontracten opzeggen. In de praktijk komt de bestreden verordening neer op een invoerverbod voor die producten en zal zij de ondergang van verzoeksters betekenen. De laatste jaren hebben zij tot 8 000 ton van de betrokken producten per maand in de Gemeenschap ingevoerd, dat wil zeggen, op halfjaarbasis berekend, het dubbele van het bij de bestreden verordening vastgestelde tariefcontingent (23 778 ton).
30 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat, zelfs indien de bestreden verordening door haar gevolgen de economische situatie van verzoeksters ongunstig beïnvloedt, dit niet volstaat om hen ten opzichte van ieder ander te karakteriseren. De verordening raakt hen immers slechts wegens hun objectieve hoedanigheid van deelnemers aan het economisch verkeer, die zich bezig houden met de handel in staal tussen derde landen en de Europese Gemeenschap, op dezelfde wijze als iedere andere handelaar in een gelijke situatie (arrest Hof van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punt 51; beschikking Gerecht van 25 juni 1998, Sofivo e.a./Raad, T-14/97 en T-15/97, Jurispr. blz. II-2601, punt 37). Dit wordt door verzoeksters zelf uitdrukkelijk bevestigd, waar zij in hun verzoekschrift in kort geding verklaren dat, afgezien van de producenten in de Gemeenschap, de andere marktdeelnemers, waaronder [zijzelf], door de [bestreden] verordening individueel worden geraakt". Een analyse van de bestreden verordening, waarbij wordt onderscheiden naar de gevolgen ervan voor elk van de betrokken productengroepen, maar waardoor het bestaan van een bundel van individuele beschikkingen niet aannemelijk wordt gemaakt, kan geen wijziging in die conclusie brengen.
31 Wat voorts de bijzonder ernstige economische gevolgen van de bestreden verordening voor de activiteiten van verzoeksters betreft, moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat een normatieve handeling voor de verschillende rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, hen niet ten opzichte van alle andere betrokken marktdeelnemers karakteriseert, aangezien de toepassing van die handeling plaatsvindt op grond van een objectief bepaalde situatie (beschikkingen Hof van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37, en 25 april 2002, Galileo en Galileo International/Raad, C-96/01 P, Jurispr. blz. I-4025, punt 41; beschikking Gerecht van 8 december 1998, Sadam Zuccherifici e.a./Raad, T-39/98, Jurispr. blz. II-4207, punt 22).
32 Verzoeksters' tweede argument houdt in dat de bestreden verordening de bron is van ernstige schendingen van individuele en communautaire grondrechten (gelijkheidsbeginsel, discriminatieverbod, vrijheid van economische activiteit en van de handel, vrije mededinging, enz.)"
33 Verzoeksters maken evenwel niet duidelijk, hoe de pretense schending van die rechten hen individualiseert. Dit argument is derhalve niet ter zake dienend.
34 Hetzelfde geldt voor hun vierde argument, dat de instelling van het aanvullend recht van 26 % zonder toereikende overgangsperiode het voor de ondernemingen onmogelijk heeft gemaakt zich aan de nieuwe tariefsituatie aan te passen. Verzoeksters hebben immers niet duidelijk gemaakt, hoe zij door het ontbreken van een toereikende overgangsperiode worden geïndividualiseerd.
35 Volgens verzoeksters' derde argument wordt de wettelijke verplichting om rekening met hun specifieke belangen te houden, door de bestreden verordening in ernstige mate geschonden.
36 Dienaangaande zij erop gewezen dat de Commissie de bijzondere belangen van verzoeksters bij de vaststelling van de bestreden verordening niet in aanmerking behoefde te nemen. Er bestond immers geen hogere rechtsregel die de Commissie verplichtte, met hun situatie meer rekening te houden dan met die van ieder ander die door de handeling werd geraakt (arresten Hof van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punten 16-32, en 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. I-2477, punten 11-13; arresten Gerecht van 14 september 1995, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, T-480/93 en T-483/93, Jurispr. blz. II-2305, punten 67-78, en 17 juni 1998, UAPME/Raad, T-135/96, Jurispr. blz. II-2335, punt 90). In hun schrifturen geven verzoeksters toe, dat er geen verplichting bestond om juist met hun situatie rekening te houden. Volgens hun verzoekschrift in kort geding (punt 3.6) schendt de bestreden verordening de wettelijke verplichting om rekening te houden met de belangen van alle marktdeelnemers en in het bijzonder met de specifieke belangen van verzoeksters", waarbij zij preciseren, dat niet enkel de producenten van de Gemeenschap marktdeelnemers zijn, maar ook de importeurs, de entrepothouders, de groot- en kleinhandelaars, de expediteurs, de transportbedrijven en de eindgebruikers".
37 Maar ook indien de Commissie op grond van een hogere rechtsregel bij de vaststelling van de bestreden verordening rekening had moeten houden met de gevolgen van die handeling voor de situatie van bepaalde particulieren, waaronder verzoeksters, zouden deze toch hebben moeten bewijzen, dat zij door de bestreden verordening worden geraakt wegens een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert (zie in die zin, arrest Antillean Rice Mills/Raad, reeds aangehaald, punten 59-62, en beschikking Hof van 30 januari 2002, La Conqueste/Commissie, C-151/01 P, Jurispr. blz. I-1179, punt 36).
38 Volgens het vijfde argument van verzoeksters is de bescherming van individuele rechten in de praktijk onmogelijk, aangezien de prejudiciële procedure van artikel 234 EG geen daadwerkelijke rechtsbescherming biedt, met name omdat het niet zeker is of de nationale rechter zich wel tot het Hof zal wenden, en het Hof veel tijd nodig heeft om tot een uitspraak te komen over de geldigheid van een verordening als de onderhavige, die een beperkte geldigheidsduur heeft.
39 In het arrest Unión de Pequeños Agricultores/Raad (reeds aangehaald) heeft het Hof beslist dat de ontvankelijkheidsregels van artikel 230 EG niet aldus kunnen worden uitgelegd, dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk moet worden verklaard, wanneer na een concreet onderzoek van de nationale regels van procesrecht door de gemeenschapsrechter blijkt dat die voorschriften een particulier niet toestaan een beroep in te stellen waarmee hij de geldigheid van de betwiste gemeenschapshandeling kan aanvechten. In een dergelijk stelsel zou de communautaire rechter immers in elk concreet geval het nationale procesrecht moeten onderzoeken en uitleggen, hetgeen de grenzen van zijn bevoegdheid in het kader van het toezicht op de wettigheid van gemeenschapshandelingen te buiten zou gaan" (punt 43). Dit is zeker het geval in een zaak als de onderhavige, waarin een mogelijkheid van beroep op de nationale rechter bestaat, waarmee de geldigheid van de bestreden verordening kan worden aangevochten.
40 De omstandigheid dat de toepassing van de bij de bestreden verordening ingestelde maatregelen in de tijd beperkt is, waar verzoeksters in hun opmerkingen van 30 juli 2002 speciaal de aandacht op vestigen en wat tot gevolg zou hebben dat de beroepsweg van artikel 234 EG geen daadwerkelijke rechtsbescherming biedt, bewijst overigens niet dat zij individueel worden geraakt, aangezien de maatregelen in geding op alle in die verordening bedoelde marktdeelnemers van toepassing zijn. Indien dat betoog juist was, zou dat betekenen dat, in het algemeen, elke gemeenschapsverordening waarbij de uitoefeningsmodaliteiten van een economische activiteit tijdelijk worden gewijzigd, elke marktdeelnemer die die activiteit uitoefent, individueel raakt. Een dergelijke vaststelling laat echter niet de conclusie toe, dat voldaan is aan de voorwaarden waaronder iemand individueel door een verordening wordt geraakt (zie punt 23 supra).
41 Voorzover, ten slotte, het zesde en het zevende argument van verzoeksters - de keuze voor contingentering is een verkeerde, excessieve en eenzijdige tijdelijke vrijwaringsmaatregel, en de tariefcontingenten zijn te klein - de wettigheid van de bestreden verordening in het geding brengen, kunnen zij niet in het kader van het ontvankelijkheidsonderzoek op grond van artikel 230 EG worden onderzocht.
42 Uit een en ander volgt, dat het naar het oordeel van de kortgedingrechter voorshands niet aannemelijk is, dat verzoeksters door de bestreden verordening individueel worden geraakt en dat zij overeenkomstig artikel 230, vierde alinea, EG in hun beroep tot nietigverklaring kunnen worden ontvangen. Daar zij niet lijken te voldoen aan een van de in die bepaling gestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden, behoeft niet te worden onderzocht, of zij rechtstreeks door de bestreden verordening worden geraakt. In zoverre verzoeksters met hun achtste argument pogen aan te tonen dat zij door de bestreden verordening rechtstreeks worden geraakt, moet dit van de hand worden gewezen.
43 Gezien al het voorafgaande is het aannemelijk, dat het beroep in de hoofdzaak, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden verordening, kennelijk niet-ontvankelijk is.
44 Mitsdien moet het onderhavige verzoek in kort geding als niet-ontvankelijk worden afgewezen.
DictumDE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Top