Avis juridique important
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 27 februari 2002. - Euroalliages en anderen tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Zaak T-132/01 R.
Jurisprudentie 2002 bladzijde II-00777
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
Kort geding - Opschorting van tenuitvoerlegging - Voorlopige maatregelen - Voorwaarden - Spoedeisendheid - Ernstige en onherstelbare schade - Onherstelbare schade - Financiële schade - Situatie waarin voortbestaan van verzoekende vennootschap is bedreigd - Beoordeling met inachtneming van situatie van groep
(Art. 242 EG en 243 EG; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 104, lid 2)
Samenvatting$$Bij de beoordeling van de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding geldt als maatstaf, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
Financiële schade kan, buitengewone omstandigheden daargelaten, niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar worden beschouwd, daar er later steeds financiële vergoeding voor kan worden verkregen. Die latere financiële vergoeding vloeit voort uit de uitvoering, door de betrokken instelling, van een in de hoofdzaak gewezen nietigverklaringsarrest of, wanneer dit niet of slechts ten dele het geval is, uit schadeherstel via de door de artikelen 235 EG en 288 EG geboden rechtsmiddelen. De enkele mogelijkheid om een beroep tot schadevergoeding in te stellen, volstaat in dat verband om te kunnen zeggen dat een financiële schade in principe herstelbaar is. Om vast te stellen of de financiële schade die de verzoekende partij zal leiden, al dan niet herstelbaar is, dient de ongewisheid omtrent de kans van slagen van het eventuele beroep tot schadevergoeding - dat de verzoekende partij in geval van nietigverklaring van de bestreden handeling zou kunnen instellen - dus buiten beschouwing te blijven.
Financiële schade heeft een onherstelbaar karakter, wanneer blijkt dat de verzoekende partij zonder de gevorderde voorlopige maatregel in een situatie zou komen waarin haar voortbestaan nog vóór de uitspraak van het eindarrest in de hoofdzaak bedreigd was. In het kader van het onderzoek van de financiële levensvatbaarheid van de verzoekende partij kan bij de beoordeling van haar materiële situatie mede rekening worden gehouden met de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouders behoort.
( cf. punten 44, 51-53, 57 )
PartijenIn zaak T-132/01 R,
Euroalliages, gevestigd te Brussel (België),
Péchiney électrométallurgie, gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),
Vargön Alloys AB, gevestigd te Vargön (Zweden),
Ferroatlántica, gevestigd te Madrid (Spanje),
vertegenwoordigd door D. Voillemot en O. Prost, advocaten,
verzoeksters,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door L. Fraguas Gadea als gemachtigde, domicilie gekozen hebben te Luxemburg,
interveniënt,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en S. Meany als gemachtigden, bijgestaan door A. P. Bentley, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster,
ondersteund door
TNC Kazchrome, gevestigd te Almaty (Kazachstan)
en door
Alloy 2000 SA, gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
vertegenwoordigd door J. E. Flynn, barrister, J. Magnin en S. Mills, solicitors,
interveniënten,
betreffende een verzoek, primair, om opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit 2001/230/EG van de Commissie van 21 februari 2001 (PB L 84, blz. 36), voorzover daarbij de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne is beëindigd, met bevel aan de Commissie de vervallen antidumpingrechten weer in te stellen, en, subsidiair, om de Commissie te gelasten van de importeurs van ferrosilicium uit die vier landen te verlangen, dat zij een met de vervallen antidumpingrechten overeenkomende zekerheid stellen en hun importen doen registreren, of, meer subsidiair, om de Commissie te gelasten van die importeurs te verlangen, dat zij hun importen doen registreren,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestDe toepasselijke regeling
1 Artikel 11, leden 1 en 2, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1; hierna: basisverordening"), bepaalt onder het opschrift Duur, nieuw onderzoek en terugbetaling" het volgende:
1. Een antidumpingmaatregel blijft slechts van toepassing zolang en voorzover dit nodig is om de schade veroorzakende invoer met dumping tegen te gaan.
2. Een definitieve antidumpingmaatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden. Een nieuw onderzoek bij het vervallen van een maatregel wordt op initiatief van de Commissie dan wel op verzoek van of namens een bedrijfstak van de Gemeenschap geopend en de maatregel blijft van kracht, totdat de resultaten van dit onderzoek bekend zijn.
[...]"
2 Artikel 21, lid 1, van dezelfde verordening, met het opschrift Belang van de Gemeenschap", bepaalt:
De vaststelling, of het belang van de Gemeenschap ingrijpen noodzakelijk maakt, is gebaseerd op een beoordeling van alle onderscheiden belangen van alle betrokkenen, waaronder de binnenlandse producenten, de gebruikers en de consumenten. Een vaststelling op grond van dit artikel wordt slechts gedaan indien alle partijen de gelegenheid hebben gehad hun standpunt overeenkomstig lid 2 kenbaar te maken. Bij dit onderzoek wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de noodzaak de handel verstorende gevolgen van schade veroorzakende dumping weg te nemen en een daadwerkelijke mededinging te herstellen. Maatregelen die op basis van de geconstateerde dumping en schade zijn vastgesteld, mogen niet worden toegepast indien het de autoriteiten op grond van de overgelegde gegevens tot de duidelijke conclusie kunnen komen, dat toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is."
Antecedenten van het geding
3 Definitieve antidumpingmaatregelen bij de invoer van ferrosilicium uit diverse landen zijn ingesteld bij verordening (EG) nr. 3359/93 van de Raad van 2 december 1993 tot wijziging van de antidumpingmaatregelen op de invoer van ferrosilicium uit Rusland, Kazachstan, Oekraïne, Noorwegen, IJsland, Zweden, Brazilië en Venezuela (PB L 302, blz. 1), en bij verordening (EG) nr. 612/94 van de Raad van 17 maart 1994 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van ferrosilicium uit de Volksrepubliek China en Zuid-Afrika (PB L 77, blz. 48).
4 Op 10 juni 1998 publiceerde de Commissie een mededeling over het nakende verval van bepaalde antidumpingmaatregelen (PB C 177, blz. 4).
5 Na de publicatie van die mededeling diende Euroalliages, Liaison Committee of the Ferro-Alloy Industry, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening een verzoek in om een nieuw onderzoek van de aflopende maatregelen betreffende de invoer uit Brazilië, China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela.
6 Na overleg met het raadgevend comité besloot de Commissie, dat er voldoende aanwijzingen waren die het openen van een nieuw onderzoek als bedoeld in artikel 11, lid 2, van de basisverordening konden rechtvaardigen, en publiceerde zij een mededeling desbetreffend in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1998, C 382, blz. 9). Het nieuwe onderzoek naar de dumpingpraktijken had betrekking op de periode van 1 oktober 1997 tot 30 september 1998, het onderzoek naar de schade besloeg het tijdvak van 1994 tot het einde van de onderzoeksperiode.
7 Op 21 februari 2001 stelde de Commissie besluit 2001/230/EG vast, tot beëindiging van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit Brazilië, de Volksrepubliek China, Kazachstan, Rusland, Oekraïne en Venezuela (PB L 84, blz. 36; hierna bestreden besluit").
Het bestreden besluit
8 In het bestreden besluit zet de Commissie uiteen, dat zij na het nieuwe onderzoek tot de conclusie is gekomen, dat wat de invoer van ferrosilicium uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne betreft, het vervallen van de maatregelen de voortzetting of de herhaling van de dumping en de schade zou bevorderen.
9 Punt 129 van het bestreden besluit luidt als volgt:
Gezien de bevindingen dat, enerzijds, de dumping zich waarschijnlijk zal voortzetten en herhalen en, anderzijds, de invoer met dumping uit China, Kazachstan, Rusland [en Oekraïne] sterk zou kunnen toenemen indien de maatregelen werden ingetrokken, wordt geconcludeerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zal verslechteren. Ook al is het moeilijk om te evalueren hoe ernstig deze achteruitgang zal zijn, rekening houdend met de dalende prijzen en winstgevendheid van deze bedrijfstak, is het toch waarschijnlijk dat opnieuw schade zal optreden. In het geval van Venezuela is het onwaarschijnlijk dat bij intrekking van de maatregelen aanmerkelijke schade zal optreden."
10 Vervolgens onderzocht de Commissie, of het algemeen belang van de Gemeenschap met handhaving van de antidumpingmaatregelen was gediend. Daarbij nam zij verscheidene aspecten in aanmerking, in de eerste plaats dat de bedrijfstak van de Gemeenschap niet voldoende van de sinds 1987 geldende maatregelen had kunnen profiteren, noch marktaandeel had kunnen overnemen dat door het verdwijnen van vroegere producenten in de Gemeenschap vrijgekomen was (punt 151), en in de tweede plaats dat de ijzer- en staalproducenten in de Gemeenschap in de periode waarin de antidumpingmaatregelen van toepassing waren, de met die maatregelen samenhangende extra kosten hadden moeten dragen (punt 152).
11 In de punten 153 en 154 van het bestreden besluit concludeerde de Commissie:
(153) De exacte gevolgen van het vervallen van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kunnen dus moeilijk worden geëvalueerd, maar de ervaring uit het verleden leert, dat het niet zeker is dat de handhaving van de maatregelen de bedrijfstak van de Gemeenschap grote voordelen zal opleveren; het staat evenwel vast, dat de ijzer- en staalindustrie op lange termijn negatieve gevolgen, die bovendien cumuleerden, heeft ondervonden van de maatregelen en dat deze negatieve weerslag onnodig verlengd zou worden indien de maatregelen werden gehandhaafd.
(154) Derhalve concludeert de Commissie na een evaluatie van de gevolgen voor de verschillende belangengroepen van het al dan niet voortzetten van de maatregelen overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening, dat handhaving van de maatregelen tegen het belang van de Gemeenschap zou indruisen. De maatregelen dienen dus te vervallen."
12 Het dispositief van het bestreden besluit luidt dan ook, dat de antidumpingprocedure wordt beëindigd, met als gevolg dat de onderzochte maatregelen met betrekking tot de invoer vervallen.
Het procesverloop
13 Bij verzoekschrift, op 16 juni 2001 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben Euroalliages, Péchiney électrométallurgie, Värgon Alloys AB en Ferroatlántica (hierna: Euroalliages e.a." of verzoeksters") krachtens artikel 230, vierde alinea, EG beroep ingesteld tot nietigverklaring van het enige artikel van het bestreden besluit.
14 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben verzoeksters tevens een verzoek ingediend om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, voorzover daarbij de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ferrosilicium uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne is beëindigd, met bevel aan de Commissie de vervallen antidumpingrechten weer in te stellen; subsidiair, om de Commissie te gelasten van de importeurs van ferrosilicium uit die vier landen te verlangen, dat zij een met de vervallen antidumpingrechten overeenkomende zekerheid stellen en hun importen doen registreren, of, meer subsidiair, om de Commissie te gelasten van die importeurs te verlangen, dat zij hun importen doen registreren.
15 De Commissie heeft op 5 juli 2001 opmerkingen over het verzoek in kort geding ingediend.
16 Op 11 juli 2001 hebben partijen hun standpunt mondeling toegelicht.
17 Bij beschikking van 1 augustus 2001, Euroalliages e.a./Commissie (T-132/01 R, Jurispr. blz. II-2307; hierna: beschikking van 1 augustus 2001"), heeft de president van het Gerecht beschikt, dat de invoer van ferrosilicium uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne wordt onderworpen aan registratie zonder zekerheidsstelling door de importeurs.
18 Bij verscheidene in de loop van augustus 2001 bij de griffie van het Gerecht ingekomen brieven en, ten slotte, formeel bij brief van 30 augustus 2001 hebben verzoeksters op basis van artikel 108 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om wijziging van het dispositief van de beschikking van 1 augustus 2001, teneinde de rechtssituatie die huns inziens op die datum had moeten bestaan, te verduidelijken.
19 Na de Commissie daarover te hebben gehoord, heeft de president van het Gerecht bij beschikking van 12 september 2001, Euroalliages e.a./Commissie (T-132/01 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), het verzoek van 30 augustus 2001 afgewezen, met aanhouding van de beslissing over de kosten.
20 In hogere voorziening is de beschikking van 1 augustus 2001 op vordering van de Commissie nietig verklaard bij beschikking van de president van het Hof van 14 december 2001, Commissie/Euroalliages e.a. [C-404/01 P(R), Jurispr. blz. I-10367; hierna: beschikking van 14 december 2001"]. Bij deze beschikking is de zaak met aanhouding van de beslissing over de kosten naar het Gerecht verwezen.
21 Na de verwijzing naar het Gerecht hebben Euroalliages e.a. verzocht om vertrouwelijke behandeling van bepaalde gegevens in het dossier ten aanzien van de partijen die in de procedure voor de president van het Hof tot interventie waren toegelaten, te weten het Koninkrijk Spanje, TNC Kazchrome (hierna: Kazchrome") en Alloy 2000 SA (hierna: Alloy 2000").
22 Het verzoek om vertrouwelijke behandeling is op 14 januari 2002 ter kennis van de Commissie gebracht.
23 Euroalliages e.a. en de Commissie hebben hun schriftelijke opmerkingen na de verwijzing van de zaak naar het Gerecht op 10 respectievelijk 25 januari 2002 ingediend.
24 Het Koninkrijk Spanje, dat aan de zijde van verzoeksters is geïntervenieerd, heeft op 15 februari 2002 opmerkingen ingediend.
25 Kazchrome en Alloy 2000, die aan de zijde van de Commissie zijn geïntervenieerd, hebben hun opmerkingen op dezelfde dag ingediend.
Conclusies van partijen in de procedure na verwijzing
26 Euroalliages e.a. concluderen dat het de president van het Gerecht behage:
- te gelasten, dat de invoer van ferrosilicium uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne wordt onderworpen aan registratie zonder zekerheidsstelling door de importeurs;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
27 Het Koninkrijk Spanje concludeert dat het de president van het Gerecht behage:
- te gelasten, dat de invoer van ferrosilicium uit China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne wordt onderworpen aan registratie zonder zekerheidsstelling door de importeurs;
- de Commissie in de kosten te verwijzen.
28 De Commissie concludeert dat het de president van het Gerecht behage:
- het verzoek in kort geding af te wijzen;
- verzoeksters te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke op de eerste procedure voor het Gerecht en de procedure in hogere voorziening voor de president van het Hof zijn gevallen.
29 Kazchrome en Alloy 2000 concluderen dat het de president van het Gerecht behage:
- het verzoek in kort geding af te wijzen;
- verzoeksters te verwijzen in de op de interventie van Kazchrome en Alloy 2000 gevallen kosten, daaronder begrepen die van hun interventie in de procedure in hogere voorziening voor de president van het Hof.
In rechte
30 Ingevolge het bepaalde in de artikelen 242 EG en 243 EG juncto artikel 4 van besluit 88/591/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 24 oktober 1988 tot instelling van een Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (PB L 319, blz. 1), zoals gewijzigd bij besluit 93/350/Euratom, EGKS, EEG van de Raad van 8 juni 1993 (PB L 144, blz. 21), kan het Gerecht, indien het van oordeel is dat de omstandigheden dat vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling of de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
31 Volgens artikel 104, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moeten verzoeken tot verkrijging van een voorlopige maatregel een duidelijke omschrijving bevatten van de omstandigheden waaruit het spoedeisend karakter van het verzoek blijkt, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt (fumus boni juris). Deze voorwaarden zijn cumulatief, zodat een verzoek om een dergelijke maatregel moet worden afgewezen, wanneer aan een ervan niet wordt voldaan [beschikking president Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 30; beschikking president Gerecht van 1 februari 2001, Free Trade Foods/Commissie, T-350/00 R, Jurispr. blz. II-493, punt 32].
32 Gelet op het dossier is de kortgedingrechter van oordeel, dat hij over alle gegevens beschikt die hij nodig heeft om op het onderhavige verzoek te kunnen beslissen, en dat partijen daarom niet opnieuw in hun mondelinge opmerkingen behoeven te worden gehoord.
Opmerkingen van partijen na verwijzing
33 Euroalliages e.a. betogen, dat de beschikking van 14 december 2001 geen twijfel doet ontstaan aan hun recht op voorlopige maatregelen in de onderhavige zaak.
34 Zoals uit die beschikking blijkt (punten 68, 71 en 75), heeft de rechtsdwaling die in de beschikking van 1 augustus 2001 is begaan, betrekking op de conclusie inzake het onherstelbare karakter van de schade uitsluitend" wegens de onzekerheid van een eventueel beroep tot schadevergoeding.
35 Volgens verzoeksters zou het onherstelbare karakter van de schade niet uitsluitend op die onzekerheid zijn gebaseerd, maar op drie omstandigheden van de zaak - waaronder die onzekerheid -, die in de punten 71 tot en met 74 van de beschikking van 1 augustus 2001 worden genoemd.
36 In de eerste plaats zou de president van het Hof het gevaar, dat verzoeksters bij afloop van de antidumpingmaatregelen schade zouden lijden door de importen waarop het bestreden besluit betrekking heeft, niet in twijfel hebben getrokken. Daar niet elke aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3 van de basisverordening noodzakelijkerwijs een ernstige schade is (punt 59 van de beschikking van 14 december 2001), zou de erkenning van ernstige schade de situatie van verzoeksters tot een bijzondere situatie maken; het zou betekenen dat de schade zo ernstig is, dat zij moeilijk kan worden hersteld. Ook de erkenning van de ernst van de schade in het bestreden besluit zelf zou uiterst zeldzaam zijn.
37 Onder verwijzing naar punt 72 van de beschikking van 1 augustus 2001, merken verzoeksters vervolgens op, dat het bestreden besluit zich daadwerkelijk onderscheidt van andere op het communautair belang gebaseerde besluiten tot beëindiging van een nieuw onderzoek, doordat er, zoals door de president van het Gerecht is opgemerkt, over voortzetting van de dumping wordt gesproken. De beschikking van 1 augustus 2001 verwijst impliciet naar punt 129 van het bestreden besluit, volgens hetwelk het gevaar van verslechtering de situatie" van de gehele bedrijfstak van de Gemeenschap betreft. In punt 147 van het bestreden besluit houdt de Commissie het bovendien voor waarschijnlijk, dat de prijs van ferrosilicium bij afloop van de maatregelen met 15 % zal dalen. Ook dit draagt bij tot het bijzondere karakter van dit besluit. De verwachting van de Commissie met betrekking tot een aanmerkelijke toename van de invoer en een daling van de prijzen heeft zich bewaarheid. Volgens de gegevens van het Bureau voor de statistiek van de Europese Gemeenschappen (Eurostat) was de invoer uit Kazachstan, Rusland en Oekraïne gestegen van 1 739 ton in het eerste kwartaal van 2001 tot 9 354 ton in het tweede kwartaal van dat jaar en zou zij in het derde kwartaal waarschijnlijk 18 469 ton bedragen. De gemiddelde prijs bij invoer uit die drie landen was in het tweede kwartaal van 2001 28,14 % lager dan de gemiddelde prijs binnen de Gemeenschap en 23,7 % lager dan de gemiddelde prijs bij invoer uit derde landen. De geleden schade was dus bijzonder ernstig en, bijgevolg, moeilijk te herstellen.
38 Ten slotte zou de onzekerheid omtrent de herstelbaarheid van de schade na een beroep tot schadevergoeding door de president van het Hof op zich niet in twijfel zijn getrokken, doch slechts in zoverre als zij de uitsluitende" grond leek te zijn voor de conclusie over het onherstelbare karakter van de schade, waarmee verzoeksters het niet eens waren.
39 Het Koninkrijk Spanje sluit zich goeddeels bij de argumenten van verzoeksters aan. Het meent, dat de beschikking van 14 december 2001 hun recht op voorlopige maatregelen niet ter discussie stelt. In het bijzonder zou het ernstige en onherstelbare karakter van de schade zijn aangetoond, met name gelet op de cijfers die in de fase voorafgaande aan de vaststelling van het bestreden besluit zijn overgelegd, en op de aanzienlijke toename van de invoer van ferrosilicium uit Kazachstan in Spanje sedert de vaststelling van genoemd besluit.
40 De Commissie betwist het betoog van verzoeksters.
41 In de eerste plaats stelt zij, dat verzoeksters niet aangeven waarom schade die voortvloeit uit een besluit tot beëindiging van een nieuw onderzoek, wanneer dat besluit is ingegeven door de overweging dat handhaving van de antidumpingmaatregelen niet in het belang van de Gemeenschap zou zijn, geen gevolg is dat inherent is aan een dergelijk besluit.
42 In de tweede plaats meent zij, dat verzoeksters niet hebben aangetoond, in welk opzicht hun financiële schade onherstelbaar of moeilijk herstelbaar zou zijn op grond van een ander dan het door de president van het Hof gewraakte criterium van onzekerheid omtrent het slagen van een eventueel beroep tot schadevergoeding.
43 Kazchrome en Alloy 2000 sluiten zich bij de analyse van de Commissie aan. Zij merken nog op, dat geen van de verzoeksters een nieuw gegeven of een begin van bewijs van de gestelde schade heeft aangevoerd en dat er dus geen conclusie mogelijk is omtrent het ernstige en onherstelbare karakter ervan. Wat meer in het bijzonder de ernst van die schade betreft, is het niet zo, dat de Commissie die ernst in het bestreden besluit zou hebben erkend. Ten overvloede stellen zij, dat de gevraagde voorlopige maatregel gevolgen zou hebben die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, en niet met een correcte belangenafweging overeen valt te brengen.
Beoordeling door de kortgedingrechter
44 Bij de beoordeling van de spoedeisendheid van een verzoek in kort geding geldt als maatstaf, of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
45 In zijn beschikking van 1 augustus 2001 was de president van het Gerecht van oordeel, dat aan de voorwaarde van spoedeisendheid was voldaan. De motivering van die beschikking op het punt van de spoedeisendheid is goeddeels overgenomen in de punten 26 tot en met 28 van de beschikking van 14 december 2001 en het zijn dus die punten waarnaar hier moet worden verwezen. Beklemtoond zij evenwel dat was vastgesteld, dat de door verzoeksters geleden schade onherstelbaar was gelet op drie voor de onderhavige zaak kenmerkende omstandigheden (punten 70-75 van de beschikking van 1 augustus 2001), en wel, in de eerste plaats, het feit dat de Commissie in het bestreden besluit erkende dat verzoeksters bij verval van de antidumpingmaatregelen ernstige schade dreigde (punt 71 van de beschikking van 1 augustus 2001), in de tweede plaats, de conclusie van de Commissie in het bestreden besluit over de waarschijnlijkheid van nieuwe schade na het vervallen van de maatregelen, tezamen met de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van de dumping (punt 72 van de beschikking van 1 augustus 2001), en, in de derde plaats, de op zijn minste onzekere vergoeding van de schade, die niet eenvoudig zou verdwijnen wanneer de Commissie uitvoering zou geven aan een arrest waarbij het bestreden besluit krachtens de artikelen 235 EG en 288 EG nietig was verklaard (punten 73 en 74 van de beschikking van 1 augustus 2001).
46 De beoordeling met betrekking tot twee (punt 64 van de beschikking van 14 december 2001) van de drie omstandigheden is door de president van het Hof afgekeurd wegens dwaling ten aanzien van het recht.
47 De president van het Hof meent immers, dat indien een besluit tot beëindiging van een nieuw onderzoek van antidumpingmaatregelen wordt vastgesteld met als motivering, dat de handhaving van dergelijke maatregelen niet in het belang van de Gemeenschap is, de daaruit voortkomende schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap een gevolg is dat inherent is aan een dergelijk besluit" (punt 66).
48 Vervolgens oordeelt hij, dat [d]e onzekerheid over de vergoeding van een financiële schade bij een eventueel beroep tot schadevergoeding [...] op zichzelf niet [is] te beschouwen als een omstandigheid waardoor deze schade onherstelbaar wordt in de zin van de rechtspraak van het Hof" (punt 71).
49 Hij komt dan tot de conclusie, dat de beschikking [van 1 augustus 2001] op een rechtsdwaling berust, aangezien de conclusie dat de schade onherstelbaar is en dat daarom voorlopige maatregelen moeten worden toegestaan, uitsluitend gebaseerd is op de slaagkans van een eventueel beroep tot schadevergoeding, gezien de aard van het bestreden besluit" (punt 75).
50 Gelet op de overwegingen van de president van het Hof, moet worden onderzocht, of de door verzoeksters gestelde financiële schade een onherstelbaar karakter heeft.
51 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de president van het Gerecht, alvorens de drie bovengenoemde omstandigheden in aanmerking te nemen, erop heeft gewezen, dat volgens de rechtspraak financiële schade, buitengewone omstandigheden daargelaten, niet als onherstelbaar of zelfs maar moeilijk herstelbaar kan worden beschouwd, daar er later steeds financiële vergoeding voor kan worden verkregen [zie, onder meer, beschikking president Hof van 11 april 2001, Commissie/Cambridge Healthcare Supplies, C-471/00 P(R), Jurispr. blz. I-2865, punt 113]. Die latere financiële vergoeding vloeit voort uit de uitvoering, door de betrokken instelling, van een in de hoofdzaak gewezen nietigverklaringsarrest (beschikking president Hof van 14 oktober 1977, NTN Toyo Bearing/Raad, 113/77 R en 113/77 R-INT, Jurispr. blz. 1721, punt 5) of, wanneer dit niet of slechts ten dele het geval is, uit schadeherstel via de door de artikelen 235 EG en 288 EG geboden rechtsmiddelen (beschikking president Hof van 26 september 1988, Cargill e.a./Commissie, 229/88 R, Jurispr. blz. 5183, punt 18). In casu oordeelde de president van het Gerecht, dat geen van beide alternatieven tot daadwerkelijke vergoeding van de financiële schade kon leiden, en kwam hij op grond van de twee andere bijzondere omstandigheden tot de conclusie, dat het herstel van die schade na het eindarrest in de hoofdzaak ten minste onzeker was.
52 Volgens punt 70 van de beschikking van 14 december 2001 evenwel heeft het Hof in een aantal gevallen weliswaar verklaard, dat geldelijke compensatie in het kader van een door de verzoekende partij ingesteld beroep tot schadevergoeding kon worden verkregen, maar heeft het daarentegen nooit de concrete kans op succes beoordeeld van een eventueel beroep tot schadevergoeding dat bij nietigverklaring van de bestreden handeling kan worden ingesteld". Uit dit punt 70 volgt, dat de enkele mogelijkheid om een beroep tot schadevergoeding in te stellen, volstaat om te kunnen zeggen, dat een financiële schade in principe herstelbaar is. Om vast te stellen of de financiële schade die verzoeksters zullen leiden, al dan niet herstelbaar is, dient de ongewisheid omtrent de kans van slagen van het eventuele beroep tot schadevergoeding - dat verzoeksters in geval van nietigverklaring van de bestreden handeling zouden kunnen instellen - in het kader van dit kort geding dus buiten beschouwing te blijven.
53 Gelet op wat verzoeksters ten bewijze van de spoedeisendheid hebben aangevoerd, heeft die schade derhalve geen onherstelbaar karakter, tenzij blijkt dat verzoeksters zonder de na de verwijzing gevorderde voorlopige maatregel in een situatie zouden komen waarin hun voortbestaan nog vóór de uitspraak van het eindarrest in de hoofdzaak bedreigd was. Terwijl immers de kortgedingprocedure tot doel heeft de volle werking van de toekomstige einduitspraak te garanderen om een lacune in de door [de communautaire rechter] geboden rechtsbescherming te voorkomen" (beschikking van 14 december 2001), is die volle werking als een garantie te beschouwen, wanneer de verzoekende partij in staat is de financiële schade tot de dag van de rechterlijke einduitspraak in de hoofdzaak te dragen.
54 In dit geval moet dus worden nagegaan of verzoeksters hebben aangetoond, dat hun voortbestaan nog voor het arrest in de hoofdzaak in gevaar zou komen, indien het bestreden besluit niet werd opgeschort.
55 Daarbij moet erop worden gewezen, dat verzoeksters niet opkomen tegen de conclusies in de punten 67 en 69 van de beschikking van 1 augustus 2001, ten aanzien waarvan geen rechtsdwaling is geconstateerd.
56 Er moet dus opnieuw worden vastgesteld, dat verzoeksters in casu niet hebben weten aan te tonen, dat hun financiële levensvatbaarheid dermate zou worden aangetast, dat zij hun ferrosiliciumproductie ook niet met behulp van rationalisatiemaatregelen tot de uitspraak van het arrest in de hoofdzaak zouden kunnen volhouden.
57 Voorts is het vaste rechtspraak, dat bij de beoordeling van de materiële situatie van een verzoekende partij mede rekening kan worden gehouden met de kenmerken van de groep waartoe zij via haar aandeelhouders behoort [beschikking president Hof van 15 april 1998, Camar/Commissie en Raad, C-43/98 P(R), Jurispr. blz. I-1815, punt 36; beschikking president Gerecht van 30 juni 1999, Pfizer Animal Health/Raad, T-13/99 R, Jurispr. blz. II-1961, punt 155].
58 Op dit punt hebben verzoeksters ter hoorzitting van 11 juli 2001 niets weten in te brengen tegen de verklaring van de Commissie, dat elk van hen deel uitmaakt van een grote groep van vennootschappen en dat hun omzet uit de verkoop van ferrosilicium minder dan 20 % van de totale omzet van de betrokken groepen bedraagt. De financiële verliezen die verzoeksters door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zouden lijden, kunnen waarschijnlijk binnen de groep door de winsten uit de verkoop van andere producten worden opgevangen [zie, in die zin, beschikking president Hof van 11 april 2001, Commissie/Roussel en Roussel Diamant, C-477/00 P(R), Jurispr. blz. I-3037, punt 105] en zullen hun voortbestaan dus niet in gevaar brengen.
59 Daar niet is voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid, moet het onderhavige verzoek worden afgewezen.
DictumDE PRESIDENT VAN HET GERECHT
beschikt:
1) Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Top