Avis juridique important
Beschikking van de president van het Hof van 23 maart 2001. - Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, City Electrical Factors BV en CEF Holdings Ltd. - Hogere voorziening - Beschikking van president van Gerecht van eerste aanleg in procedure in kort geding - Mededinging - Betaling van geldboete - Bankgarantie. - Zaak C-7/01 P (R).
Jurisprudentie 2001 bladzijde I-02559
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Hogere voorziening Middelen Verkeerde beoordeling van feiten Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
2. Kort geding Opschorting van tenuitvoerlegging Opschorting van tenuitvoerlegging van verplichting om bankgarantie te stellen als voorwaarde voor niet onmiddellijk invorderen van geldboete Voorwaarden Ernstige en onherstelbare schade Inaanmerkingneming van objectief belang van ondernemersvereniging bij haar voortbestaan, los van belang van haar leden Belang van vereniging dat niet losstaat van dat van haar leden Daarvan uitgesloten
(Art. 242 EG)
Samenvatting1. Het oordeel van de rechter in kort geding dat de besluiten van een ondernemersvereniging verbindend waren voor haar leden, kan in het kader van een hogere voorziening niet in het geding worden gebracht. Volgens artikel 225 EG en artikel 51 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie kan een hogere voorziening immers alleen rechtsvragen betreffen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
( cf. punten 38, 45 )
2. Wanneer een geding betrekking heeft op een inbreuk op de mededingingsregels die door middel van een besluit van een ondernemersvereniging is gepleegd, en in dat verband wordt vastgesteld dat de objectieve belangen van de vereniging niet losstaan van die van de ondernemingen die bij haar zijn aangesloten, kan het belang dat de vereniging bij haar voortbestaan heeft, niet los van het belang van die ondernemingen worden beoordeeld door de rechter in kort geding die uitspraak dient te doen op een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van een beschikking van de Commissie waarbij aan deze vereniging een geldboete is opgelegd.
De tegenovergestelde stelling aanvaarden zou in de praktijk neerkomen op het stelselmatig verlenen van opschorting van tenuitvoerlegging aan elke ondernemersvereniging die een beroep instelt tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie waarbij aan die vereniging een geldboete wordt opgelegd die is berekend op basis van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die lid zijn van die vereniging.
Een dergelijke aanpak kan niet worden goedgekeurd, vooral niet in het zeer bijzondere kader van een verzoek om ontheffing van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een door de Commissie opgelegde geldboete, een verzoek dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen.
Een eenvoudige eenzijdige weigering van bijstand van de zijde van de leden van deze ondernemersvereniging vormt overigens geen afdoende grond om de financiële situatie van die leden niet in aanmerking te nemen. De omvang van de gestelde schade kan immers niet afhangen van een eenzijdige wilsuiting van de leden van de vereniging die om opschorting verzoekt, in een situatie waarin de belangen van de vereniging en die van haar leden samenvallen.
( cf. punten 42-44, 46 )
PartijenIn zaak C-7/01 P(R),
Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied, gevestigd te Den Haag (Nederland), vertegenwoordigd door E. H. Pijnacker Hordijk, S. H. de Ranitz en S. B. Noë, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 14 december 2000, FEG/Commissie (T-5/00 R, Jurispr. blz. II-4121), strekkende tot vernietiging van die beschikking, tot verwijzing van de zaak naar het Gerecht en tot aanhouding van de beslissing omtrent de kosten,
andere partijen bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door W. Wils als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
CEF City Electrical Factors BV, gevestigd te Rotterdam (Nederland),
en
CEF Holdings Ltd, gevestigd te Kennilworth (Verenigd Koninkrijk),
vertegenwoordigd door C. M. H. C. Vinken-Geijselaers, J. Stuyck en M. A. Poelman, advocaten, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
advocaat-generaal P. Léger gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij een op 9 januari 2001 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft de Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied (hierna: FEG") overeenkomstig artikel 50, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 14 december 2000, FEG/Commissie (T-5/00 R, Jurispr. blz. II-4121; hierna: bestreden beschikking"), houdende afwijzing van haar verzoek in kort geding strekkende tot gedeeltelijke opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 2000/117/EG van de Commissie van 26 oktober 1999 betreffende een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag [Zaak IV/33.884 Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied en Technische Unie (FEG en TU)] (PB 2000, L 39, blz. 1; hierna: omstreden beschikking").
2 Rekwirante vordert niet alleen de vernietiging van de bestreden beschikking, maar ook enerzijds de verwijzing van de zaak naar het Gerecht voor afdoening en anderzijds de aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.
3 Bij een op 31 januari 2001 ter griffie neergelegde akte heeft de Commissie haar schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend. Bij een op 9 februari 2001 ter griffie neergelegde akte hebben CEF City Electrical Factors BV (hierna: CEF City") en CEF Holdings Ltd (hierna: CEF Holdings") hun schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend.
Het rechtskader, de feiten en de procedure voor het Gerecht
4 Voor het rechtskader, de aan het geding ten grondslag liggende feiten en de procedure voor het Gerecht wordt verwezen naar de punten 1 tot en met 22 van de bestreden beschikking.
5 Uit die punten van de bestreden beschikking blijkt onder meer, dat rekwirante, nadat zij een beroep tot nietigverklaring van de omstreden beschikking had ingesteld, bij een op 25 september 2000 ter griffie van het Gerecht ingediend verzoekschrift heeft verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging van die beschikking tot twee maanden nadat het arrest in de hoofdzaak is gewezen.
6 Verder blijkt daaruit ook dat rekwirante dit aanvankelijke verzoek in kort geding heeft gewijzigd bij een op 25 oktober 2000 ter griffie van het Gerecht ingeschreven brief waarin zij heeft verklaard, dat zij zich zou beijveren een bankgarantie te verkrijgen ten belope van haar eigen vermogen aan het einde van het boekjaar 1999 (hierna: voorgestelde garantie").
De bestreden beschikking
7 Bij de bestreden beschikking heeft de president van het Gerecht, na CEF City en CEF Holdings te hebben toegelaten tot interventie in de procedure in kort geding, het verzoek in kort geding afgewezen.
8 De rechter in kort geding heeft allereerst vastgesteld dat het verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de omstreden beschikking geen ander nuttig doel kon hebben dan het verkrijgen van toestemming om in de plaats van de door de Commissie verlangde garantie (hierna: verlangde garantie") de voorgestelde garantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van de bij die beschikking opgelegde geldboete.
9 De rechter in kort geding heeft er vervolgens aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een dergelijk verzoek slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen [beschikkingen Hof van 6 mei 1982, AEG/Commissie, 107/82 R, Jurispr. blz. 1549, punt 6; 14 december 1999, HFB e.a./Commissie, C-335/99 P(R), Jurispr. blz. I-8705, punt 55, en DSR-Senator Lines/Commissie, C-364/99 P(R), Jurispr. blz. I-8733, punt 48]. De reglementen voor de procesvoering van het Hof en het Gerecht voorzien voor procedures in kort geding immers uitdrukkelijk in de mogelijkheid om zekerheidstelling te eisen, en het eisen van zekerheidstelling is een algemene en redelijke gedragslijn van de Commissie.
10 Derhalve heeft de rechter in kort geding bij het onderzoek van de spoedeisendheid nagegaan, of rekwirante het bewijs had geleverd dat het voor haar onmogelijk was de verlangde bankgarantie te stellen zonder haar voortbestaan in gevaar te brengen.
11 In dat verband heeft de rechter in kort geding eraan herinnerd dat ingeval door middel van een besluit van een ondernemersvereniging inbreuk is gemaakt op artikel 81, lid 1, EG, het maximumbedrag van de geldboete volgens artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, Eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag (PB 1962, 13, blz. 204), 10 % van de omzet in het voorafgaande boekjaar moet worden berekend op basis van de omzet die is behaald door alle ondernemingen die lid zijn van de ondernemersvereniging gezamenlijk, althans wanneer de vereniging op grond van haar interne regels haar leden kan binden [beschikking Gerecht van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie, T-18/96 R, Jurispr. blz. II-407, punt 33, op hogere voorziening bevestigd bij beschikking Hof van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, C-268/96 P(R), Jurispr. blz. I-4971, punt 35]. Deze analyse berust op de gedachte dat de invloed die een ondernemersvereniging op de markt heeft kunnen uitoefenen, niet afhangt van haar eigen omzet", die niets zegt over haar omvang of haar economische macht, maar wel van de omzet van haar leden, die een aanwijzing van haar omvang en haar economische macht vormt (arresten Gerecht van 23 februari 1994, CB en Europay/Commissie, T-39/92 en T-40/92, Jurispr. blz. II-49, punt 137, en 21 februari 1995, SPO e.a./Commissie, T-29/92, Jurispr. blz. II-289, punt 385, alsmede beschikking van 4 juni 1996, SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 33).
12 De rechter in kort geding heeft derhalve onderzocht, of de statuten en het huishoudelijk reglement van FEG bepalingen bevatten die de vereniging de mogelijkheid bieden haar leden te binden.
13 Dienaangaande wordt in de bestreden beschikking vermeld dat FEG volgens artikel 2, lid 1, en lid 3, sub f en g, van haar statuten tot doel heeft, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de voorraadhoudende groothandel in elektrotechnische artikelen, onder andere door het bevorderen van geordende marktverhoudingen [...] in de ruimste zin des woords" en door het sluiten van overeenkomsten tot samenwerking met andere lichamen of organisaties, welke in betrekking staan tot de groothandel in elektrotechnische artikelen. Alle leden zouden, met name volgens artikel 16 van de statuten, verplicht zijn tot het stipt nakomen van de bepalingen van de statuten, het huishoudelijk reglement alsmede de bestuurs- en vergaderbesluiten". Ingevolge artikel 5, lid 1, sub c, en artikel 6 van de statuten zou een lid kunnen worden geroyeerd wanneer het niet meer voldoet aan de in de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging gestelde voorwaarden. Een lid zou ook een berisping, een schorsing of een geldboete van maximaal 10 000 NLG kunnen oplopen wanneer de raad van bestuur oordeelt, dat het in strijd met de statuten, het huishoudelijk reglement of de door de vereniging rechtsgeldig vastgestelde besluiten heeft gehandeld.
14 Verder wordt in de bestreden beschikking overwogen dat met betrekking tot de in de artikelen 1 en 2 van de omstreden beschikking jegens rekwirante vastgestelde inbreuken onder meer in de punten 39, 44, 48, 53, 71, 76, 79, 82, 84, 85, 92, 111 en 122 van de motivering van de omstreden beschikking erop wordt gewezen, dat de gedragslijn van de vereniging die aan de oorsprong ligt van de gestelde mededingingsregelingen, te weten de collectieve exclusief-verkeersregeling en de prijsafspraken tussen de leden, bindend was voor de leden.
15 Volgens de rechter in kort geding, betwist rekwirante weliswaar de gegrondheid van de conclusies die de Commissie in de omstreden beschikking met betrekking tot het bestaan van die inbreuken heeft getrokken, doch bevat het dossier geen enkel element op basis waarvan op het eerste gezicht kan worden betwijfeld, dat de toepassing van de gestelde mededingingsregelingen in het belang van de leden van rekwirante was.
16 Hij heeft uit deze vaststellingen afgeleid dat op het eerste gezicht niet kon worden aangenomen, dat de objectieve belangen van rekwirante losstaan van die van de ondernemingen die bij haar zijn aangesloten.
17 De rechter in kort geding heeft derhalve geoordeeld, dat bij de beoordeling van het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade dat het stellen van de verlangde garantie in het onderhavige geval zou opleveren, de omvang en de economische macht van de bij FEG aangesloten ondernemingen in aanmerking moesten worden genomen.
18 Dienaangaande blijkt uit de bestreden beschikking, dat de Commissie, zonder op dit punt door rekwirante te zijn weersproken, erop heeft gewezen dat de geldboete minder dan 0,5 % van het totale omzetcijfer van de leden van FEG in het boekjaar 1994 bedraagt. Volgens de rechter in kort geding mocht derhalve worden aangenomen, dat de leden van FEG voldoende financiële draagkracht hadden om de opgelegde geldboete te betalen of, a fortiori, om de verlangde garantie te stellen.
19 De rechter in kort geding heeft derhalve geconcludeerd, dat rekwirante niet had aangetoond, dat de tenuitvoerlegging van artikel 5, lid 1, en artikel 6 van de omstreden beschikking alvorens het Gerecht op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist, de gestelde ernstige en onherstelbare schade, bestaande in het eventuele faillissement van rekwirante, kon meebrengen.
20 Ten slotte heeft de rechter in kort geding eraan toegevoegd, dat deze conclusie niet kan worden ontkracht door het betoog van rekwirante betreffende de voorgestelde garantie.
21 Volgens de bestreden beschikking is de omstandigheid dat rekwirante zich bereid verklaart een dergelijke garantie te stellen, ook al komt die garantie overeen met de gestelde waarde van haar vermogen aan het einde van het boekjaar 1999, het jaar waarin de geldboete is opgelegd, op zichzelf niet ter zake dienend. Uit de opmerkingen die rekwirante tijdens de hoorzitting had gemaakt, en uit haar latere brief van 6 november 2000 zou duidelijk blijken, dat de kleine fractie (ongeveer 4 %) van de opgelegde geldboete die door de voorgestelde garantie zou worden gedekt, slechts overeenkomt met het deel dat bepaalde leden van FEG uiteindelijk bereid waren te dragen om de vereniging in staat te stellen het beroep in de hoofdzaak voort te zetten. Rekwirante zou geen enkel bewijs hebben aangedragen voor haar stelling, dat het voor die leden niet mogelijk was de nodige gelden bijeen te brengen om de verlangde garantie te stellen.
22 De rechter in kort geding heeft derhalve geconcludeerd, dat rekwirante niet aannemelijk had weten te maken dat zij zonder toekenning van de gevraagde voorlopige maatregelen ernstige en onherstelbare schade zou lijden.
23 Bijgevolg werd het verzoek in kort geding afgewezen zonder dat is onderzocht, of de andere voorwaarden voor toekenning van de gevraagde opschorting waren vervuld.
De hogere voorziening
24 In haar verzoekschrift in hogere voorziening concludeert rekwirante dat het de president van het Hof behage:
de bestreden beschikking te vernietigen;
de zaak naar het Gerecht te verwijzen, en
de beslissing omtrent de kosten aan te houden.
25 Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante aan dat de bestreden beschikking tot gevolg heeft dat zij, ofschoon zij een beroep heeft ingesteld tegen de omstreden beschikking waarbij haar een administratieve geldboete is opgelegd, zal worden geliquideerd door toedoen van de instantie die haar die boete heeft opgelegd, en zulks nog voordat zij in haar beroep tegen die beschikking door een onafhankelijke rechter is gehoord. Meer specifiek betwist rekwirante, dat op het eerste gezicht moet worden aangenomen dat haar objectieve belangen moeten worden vereenzelvigd met die van haar leden, en dat derhalve de financiële situatie van die leden in aanmerking moet worden genomen om uit te maken, of zij zonder toekenning van de gevraagde opschorting ernstige en onherstelbare schade zou lijden.
26 Dit enige middel bestaat uit vier onderdelen. Ten eerste zou de rechter in kort geding rekwirante vereenzelvigd hebben met haar leden in strijd met het gemeenschapsrecht. Ten tweede zou de bestreden beschikking voorbijgaan aan het recht van rekwirante op een volledige en effectieve rechtsbescherming. Ten derde zou artikel 242 EG juncto artikel 104 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn geschonden wegens een kennelijk onjuiste belangenafweging. Ten vierde zou de rechter in kort geding het gemeenschapsrecht hebben geschonden door de Commissie in staat te stellen, misbruik te maken van het beroepsrecht van FEG.
27 De Commissie alsmede CEF City en CEF Holdings concluderen tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten van de instantie.
Beoordeling
28 Daar de schriftelijke opmerkingen van partijen alle gegevens bevatten die nodig zijn om uitspraak te doen op de hogere voorziening, behoeven partijen niet in hun mondelinge opmerkingen te worden gehoord.
Het eerste onderdeel van het middel
29 In het eerste onderdeel van haar middel stelt rekwirante, dat de rechter in kort geding niet op goede gronden heeft kunnen concluderen, dat haar belangen niet losstonden van die van haar leden om de enkele reden dat op het eerste gezicht de toepassing van de mededingingsregelingen in het belang van die leden was en de gedragslijn van de vereniging die aan de oorsprong ligt van de inbreuken, bindend was voor die leden.
30 Allereerst zou een vereniging in het kader van een procedure op grond van verordening nr. 17 in het algemeen niet kunnen worden vereenzelvigd met haar leden. Verder zou het beginsel dat derden in beginsel niet aansprakelijk zijn voor de schulden van een rechtspersoon, een beginsel dat de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, ook gelden voor de leden van een vereniging die rechtspersoonlijkheid bezit. Ten slotte kan het, zelfs als dit anders was, rechtens niet zo zijn, dat een ondernemersvereniging met eigen rechtspersoonlijkheid wordt vereenzelvigd met haar leden in gevallen waarin die vereniging en haar leden niet een economische eenheid vormen of zodanig nauw met elkaar verweven zijn dat zij in het maatschappelijk verkeer ten volle met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.
31 In het onderhavige geval zou het belang van rekwirante, namelijk het bestrijden van de omstreden beschikking, verschillen van dat van haar leden. In dat verband zou de Commissie aan zes leden van rekwirante een mededeling van punten van bezwaar hebben gericht, maar uiteindelijk hebben besloten haar punten van bezwaar ten aanzien van hen in te trekken. Rekwirante betoogt eveneens, dat zij haar leden niet kan verplichten haar bijstand te verlenen.
32 Verder betoogt rekwirante, dat de rechter in kort geding onjuist heeft geoordeeld dat de vastgestelde inbreuken voortvloeiden uit besluiten van rekwirante die bindend waren voor haar leden.
33 Dienaangaande moet om te beginnen worden opgemerkt, dat uit de bestreden beschikking niet voortvloeit dat rekwirante in het algemeen zou zijn vereenzelvigd met haar leden en evenmin dat deze leden aansprakelijk zouden zijn geacht voor haar schulden.
34 De rechter in kort geding heeft slechts vastgesteld, na alle hem ter kennis gebrachte gegevens te hebben onderzocht, dat rekwirante op grond van haar interne regels haar leden kon binden en dat er geen enkel element was op basis waarvan op het eerste gezicht kon worden betwijfeld, dat de toepassing van de aan rekwirante verweten mededingingsregelingen in het belang van haar leden was. Op grond van die vermenging van belangen tussen FEG en haar leden heeft de rechter in kort geding geconcludeerd dat, bij de beoordeling van het gevaar voor ernstige en onherstelbare schade, de omvang en de economische macht van de bij rekwirante aangesloten ondernemingen in aanmerking moesten worden genomen.
35 Ook al is de telastgelegde inbreuk door middel van een besluit van FEG gepleegd, uit de vaststellingen van de rechter in kort geding volgt, dat er op het eerste gezicht bij het plegen van de inbreuk vermenging van belangen tussen rekwirante en haar leden bestond.
36 De door rekwirante aangedragen argumenten maken niet aannemelijk, dat de rechter in kort geding blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door deze vermenging van belangen in aanmerking te nemen bij de beoordeling, of rekwirante daadwerkelijk ernstige en onherstelbare schade zou lijden.
37 In het bijzonder de omstandigheid dat FEG haar leden niet kan verplichten haar bijstand te verlenen, iets waar de rechter in kort geding zich overigens ten volle van bewust was, is niet ter zake dienend. Gelet op de geconstateerde vermenging van belangen, kon immers worden volstaan met de vaststelling, dat de leden van de vereniging in staat waren de garantie te stellen, zodat de gestelde schade volledig kon worden voorkomen.
38 Het oordeel van de rechter in kort geding dat de besluiten van de vereniging bindend waren voor haar leden, kan in het kader van een hogere voorziening niet in het geding worden gebracht. Volgens artikel 225 EG en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG kan een hogere voorziening immers alleen rechtsvragen betreffen en moet zij zijn gebaseerd op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
Het tweede onderdeel van het middel
39 Rekwirante betoogt dat de bestreden beschikking voorbijgaat aan haar recht op volledige en doeltreffende rechtsbescherming, omdat de weigering van de gevraagde voorlopige maatregelen leidt tot haar faillissement en het haar daardoor onmogelijk wordt gemaakt de procedure in de hoofdzaak voort te zetten.
40 Het causale verband tussen de weigering van de gevraagde maatregelen en het gestelde faillissement zou zijn aangetoond. De leden van rekwirante zouden namelijk weliswaar in staat zijn haar bij te staan om het faillissement te voorkomen, maar zouden daar juridisch niet toe verplicht zijn.
41 Dienaangaande moet allereerst worden opgemerkt dat de rechter in kort geding zich rechtmatig op de vermenging van belangen tussen rekwirante en haar leden heeft kunnen baseren, om uit te maken in welke mate de situatie van rekwirante de toekenning van voorlopige maatregelen rechtvaardigde.
42 Wanneer een geding betrekking heeft op een inbreuk op de mededingingsregels die door middel van een besluit van een ondernemersvereniging is gepleegd en in dat verband wordt vastgesteld, dat de objectieve belangen van de vereniging niet losstaan van die van de ondernemingen die bij haar zijn aangesloten, kan het belang dat de vereniging bij haar voortbestaan heeft, niet los van het belang van die ondernemingen worden beoordeeld.
43 De tegenovergestelde stelling, die door rekwirante wordt ingenomen, zou in de praktijk neerkomen op het stelselmatig verlenen van opschorting van tenuitvoerlegging aan elke ondernemersvereniging die een beroep instelt tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie waarbij aan die vereniging een geldboete wordt opgelegd die is berekend op basis van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die lid zijn van die vereniging.
44 Een dergelijke aanpak kan niet worden goedgekeurd, vooral niet in het zeer bijzondere kader van een verzoek om ontheffing van de verplichting om een bankgarantie te stellen als voorwaarde voor het niet onmiddellijk invorderen van een door de Commissie opgelegde geldboete, een verzoek dat volgens vaste rechtspraak slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan worden toegewezen (beschikking AEG/Commissie, reeds aangehaald, punt 6; beschikkingen van 7 mei 1982, Hasselblad/Commissie, 86/82 R, Jurispr. blz. 1555, punt 3, en 15 maart 1983, Ferriere di Roè Volciano/Commissie, 234/82 R, Jurispr. blz. 725, punten 5 en 6).
45 Verder blijkt uit de bestreden beschikking dat de rechter in kort geding heeft geconcludeerd, dat er geen causaal verband bestaat tussen de weigering van de gevraagde opschorting en de door rekwirante gestelde schade. Dat is een feitelijke vaststelling die om de in punt 38 van deze beschikking genoemde redenen in het kader van de hogere voorziening niet in het geding kan worden gebracht.
46 Ten slotte vormt een eenvoudige eenzijdige weigering van bijstand van de zijde van de leden van FEG geen afdoende grond om de financiële situatie van die leden niet in aanmerking te nemen. De omvang van de gestelde schade kan immers niet afhangen van een eenzijdige wilsuiting van de leden van de vereniging die om opschorting verzoekt, in een situatie waarin de belangen van de vereniging en die van haar leden samenvallen.
Het derde onderdeel van het middel
47 Rekwirante betoogt dat de rechter in kort geding de betrokken belangen kennelijk onjuist heeft afgewogen, aangezien de Commissie geen enkel financieel belang had bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van haar beschikking en haar belang bij de naleving van die beschikking op geen enkele wijze zou worden aangetast door de opschorting van de invordering van de geldboete.
48 Dienaangaande blijkt uit de bestreden beschikking dat het verzoek om voorlopige maatregelen is afgewezen op grond dat rekwirante niet had aangetoond dat zij ernstige en onherstelbare schade dreigde te lijden, zonder dat het belang van de Commissie bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van haar beschikking was afgewogen tegen het belang van rekwirante bij het verkrijgen van opschorting van de verplichting om de verlangde garantie te stellen.
49 Rekwirante kan de rechter in kort geding derhalve geen onjuiste afweging van de betrokken belangen verwijten. Het verzoek kon op goede gronden worden afgewezen aangezien rekwirante niet aannemelijk had weten te maken dat de voorwaarde van spoedeisendheid was vervuld.
50 De voorwaarden voor toekenning van opschorting van de tenuitvoerlegging zijn immers cumulatieve voorwaarden, zodat het verzoek om opschorting moet worden afgewezen wanneer aan een van deze voorwaarden niet wordt voldaan (beschikking van 14 oktober 1996, SCK en FNK/Commissie, reeds aangehaald, punt 30).
Het vierde onderdeel van het middel
51 Volgens rekwirante heeft de rechter in kort geding de Commissie in staat gesteld misbruik te maken van de uitoefening van het recht van beroep door FEG. Op die manier probeert de Commissie volledige betaling te krijgen van de bij de omstreden beschikking opgelegde geldboete, ofschoon vaststaat dat de Commissie die geldboete nooit had kunnen invorderen indien geen beroep was ingesteld.
52 Vaststaat evenwel in dit verband, dat indien rekwirante geen beroep had ingesteld, de Commissie het recht had de omstreden beschikking volledig ten uitvoer te doen leggen.
53 Deze mogelijkheid voor de Commissie kan niet buitenspel worden gezet door de instelling van een beroep, gelet op het feit dat een dergelijk beroep geen schorsende werking heeft, zoals blijkt uit de bepalingen van artikel 242 EG.
54 Dat de Commissie zich na de instelling van het beroep tot nietigverklaring bereid had verklaard geen maatregelen tot invordering van de geldboete te treffen zolang de zaak hangende was, op voorwaarde dat een aanvaardbare bankgarantie zou worden gesteld, levert in die omstandigheden geen misbruik op en de bestreden beschikking is op dit punt niet aangetast door enige onjuiste rechtsopvatting.
55 Gelet op het voorgaande dient de hogere voorziening te worden afgewezen.
Beslissing inzake de kostenKosten
56 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat volgens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie alsmede van CEF City en CEF Holdings in de kosten te worden verwezen.
DictumDE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) De Nederlandse Federatieve Vereniging voor de Groothandel op Elektrotechnisch Gebied wordt in de kosten verwezen.
Top