Avis juridique important
Beschikking van de president van het Hof van 21 februari 2002. - Front National en Jean-Claude Martinez tegen Europees Parlement. - Gevoegde zaken C-486/01 P-R en C-488/01 P-R.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-01843
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum
1. Kort geding - Voorlopige maatregelen - Bevoegdheid van rechter in kort geding - Grenzen - Bevoegdheid van rechter in kort geding van Gerecht om voorlopige maatregelen te gelasten die bedoeld zijn om effect te sorteren tot aan uitspraak van arrest van Hof - Geen
(Art. 242 EG en 243 EG)
2. Hogere voorziening - Middelen - Loutere herhaling van reeds voor Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - Ontbreken van aanwijzing van onjuiste rechtsopvatting - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51, eerste alinea; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 112, lid 1, sub c)
Samenvatting1. Indien de beschikking van de kortgedingrechter niet de dag bepaalt waarop de voorlopige maatregel zijn kracht verliest, verliest deze volgens artikel 107, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn werking terstond na de uitspraak van het eindarrest. Dit betekent, dat de president van het Gerecht bij met redenen omklede beschikking de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling uitsluitend kan gelasten in het kader van het bij hem aanhangige geding, doch de werking van een dergelijke beschikking niet kan uitstrekken tot een eventueel bij het Hof ingestelde hogere voorziening, en dat het Hof bij uitsluiting bevoegd is ten aanzien van een verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging dat in het kader van een hogere voorziening wordt ingediend.
( cf. punt 76 )
2. Artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verlangen dat een hogere voorziening duidelijk aangeeft, tegen welke onderdelen van het voor vernietiging voorgedragen arrest zij is gericht en welke argumenten rechtens de vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten - herhaalt of letterlijk overneemt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is.
( cf. punt 81 )
Partijenin de gevoegde zaken C-486/01 P(R) en C-488/01 P(R),
Front National, gevestigd te Saint-Cloud (Frankrijk),
Jean-Claude Martinez, lid van het Europees Parlement, wonende te Montpellier (Frankrijk),
vertegenwoordigd door F. Wagner en V. de Poulpiquet de Brescanvel, advocaten,
rekwiranten,
betreffende verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer - uitgebreid) van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement (T-222/99, T-327/99 en T-329/99, Jurispr. blz. II-2823),
andere partijen bij de procedure:
Europees Parlement, vertegenwoordigd door G. Garzón Clariana, J. Schoo en H. Krück als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerder in eerste aanleg,
Charles de Gaulle, lid van het Europees Parlement, wonende te Parijs (Frankrijk),
verzoeker in eerste aanleg in zaak T-222/99,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij twee verzoekschriften, op 17 december 2001 neergelegd ter griffie van het Hof, hebben het Front National en Jean-Claude Martinez krachtens artikel 225 EG en artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG ieder voor zich hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 2 oktober 2001, Martinez e.a./Parlement (T-222/99, T-327/99 en T-329/99, Jurispr. blz. II-2823; hierna bestreden arrest"), waarbij hun beroepen tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 14 september 1999 inzake de uitlegging van artikel 29, lid 1, van zijn reglement en houdende ontbinding met terugwerkende kracht van de Technische fractie van onafhankelijke leden (TDI) - Gemengde fractie", (hierna betwiste handeling"), zijn verworpen.
2 Bij op dezelfde dag ter griffie van het Hof neergelegde afzonderlijke akten hebben het Front National en Martinez krachtens artikel 242 EG ieder een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest ingediend.
3 Daar de schriftelijke memories van partijen alle gegevens bevatten die nodig zijn om op het verzoek te kunnen beslissen, behoeven zij niet in hun mondelinge toelichtingen te worden gehoord.
4 Aangezien de twee zaken overeenkomstige vragen opwerpen, dienen zij voor deze beschikking te worden gevoegd.
De toepasselijke regeling en de antecedenten van het geschil
5 Artikel 29 van het reglement van het Europees Parlement, in de versie geldende vanaf 1 mei 1999 (PB 1999, L 202, blz. 1; hierna: reglement"), bepaalt onder het opschrift Oprichting van fracties":
1. De leden kunnen fracties oprichten naar politieke gezindheid.
[...]
3. Een lid kan slechts tot één fractie behoren.
4. De oprichting van een fractie moet in een verklaring aan de voorzitter worden meegedeeld. In deze verklaring moet de naam van de fractie, de namen van haar leden en de samenstelling van haar bureau worden vermeld.
[...]"
6 Artikel 30 van het reglement, betreffende niet-ingeschreven leden, bepaalt:
1. Leden die niet tot een fractie behoren, staat een secretariaat ter beschikking. Nadere bijzonderheden worden door het Bureau, op voorstel van de secretaris-generaal, geregeld.
2. Rechtspositie en parlementaire rechten van deze leden worden door het Bureau geregeld."
7 Artikel 180 van het reglement, inzake de toepassing ervan, bepaalt:
1. Bij twijfel over de toepassing of de interpretatie van het reglement kan de voorzitter, ongeacht reeds hierover genomen besluiten, de zaak voor onderzoek naar de bevoegde commissie verwijzen.
Naar aanleiding van een beroep op het reglement overeenkomstig artikel 142 kan de voorzitter de zaak eveneens naar de bevoegde commissie verwijzen.
2. De bevoegde commissie beslist of het noodzakelijk is een wijziging van het reglement voor te stellen. In dat geval wordt de procedure van artikel 181 gevolgd.
3. Indien de bevoegde commissie beslist dat met een interpretatie van de geldende bepalingen van het reglement kan worden volstaan, doet zij deze interpretatie aan de voorzitter toekomen, die op zijn beurt het Parlement ervan in kennis stelt.
4. Indien de interpretatie van de bevoegde commissie door een fractie of ten minste tweeëndertig leden wordt betwist, wordt de zaak ter beslissing aan het Parlement voorgelegd. Goedkeuring van de tekst geschiedt bij gewone meerderheid, indien ten minste een derde van de leden van het Parlement aanwezig is. Bij verwerping wordt de zaak terugverwezen naar de commissie.
5. Niet-betwiste interpretaties, alsmede door het Parlement goedgekeurde interpretaties worden, samen met de besluiten over de toepassing van het reglement ter zake, cursief gedrukt als toelichting bij het (de) betrokken artikel(en) van het reglement opgenomen.
6. Deze toelichting geldt als precedent bij de latere toepassing en interpretatie van de betrokken artikelen.
[...]"
8 De antecedenten van het geschil dat tot de betwiste handeling heeft geleid, zijn in de punten 6 tot en met 11 van het bestreden arrest samengevat.
9 Naar uit het bestreden arrest blijkt, werd tijdens de plenaire vergadering van het Parlement van 14 september 1999 een interpretatie overeenkomstig artikel 180 van het reglement in stemming gebracht en met meerderheid van stemmen aanvaard. De tekst van die interpretatie is opgenomen in punt 9 van het bestreden arrest en luidt als volgt:
Tijdens haar vergadering van 27 en 28 juli 1999 heeft de commissie constitutionele zaken het verzoek behandeld om uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement, voorgelegd door de Conferentie van voorzitters in hun vergadering van 21 juli 1999.
Na uitgebreide discussie en met 15 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 1 onthouding is de commissie constitutionele zaken gekomen tot de volgende uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement:
De oprichtingsverklaring van de [Technische fractie van onafhankelijke leden (TDI) - Gemengde fractie, hierna ,TDI-fractie] is niet overeenkomstig artikel 29, lid 1, van het reglement van het Europees Parlement.
De verklaring van oprichting van deze fractie, met name bijlage 2 bij de aan de voorzitter van het Europees Parlement gerichte oprichtingsbrief, sluit immers iedere politieke richting uit. Zij geeft aan de verschillende ondertekenende leden een volledige politieke vrijheid.
Ik stel u voor, als interpretatieve toelichting bij artikel 29 van het reglement de volgende tekst in te voegen:
,In de zin van dit artikel kan de oprichting van een fractie niet worden toegestaan als deze ieder politiek karakter en iedere politieke verwantschap tussen de delen waaruit zij is samengesteld, openlijk ontkent.
[...]"
10 Bij verzoekschriften op respectievelijk 5 oktober, 19 november en 22 november 1999 neergelegd ter griffie van het Gerecht, hebben Martinez en de Gaulle (zaak T-222/99), het Front National (zaak T-327/99) en Bonino, Pannella, Cappato, Dell'Alba, Della Vedova, Dupuis, Turco en de Lista Emma Bonino (zaak T-329/99) beroep tot nietigverklaring van de betwiste handeling ingesteld.
11 Bij afzonderlijke akte hebben Martinez en de Gaulle krachtens artikel 242 EG een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de betwiste handeling ingediend. Bij beschikking van 25 november 1999, Martinez en de Gaulle/Parlement (T-222/99 R, Jurispr. blz. II-3397), heeft de president van het Gerecht dit verzoek toegewezen met aanhouding van de beslissing omtrent de kosten.
Het bestreden arrest
12 Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht de in punt 10 supra bedoelde beroepen ontvankelijk verklaard, doch ze als ongegrond verworpen.
13 Het Parlement had betoogd, dat de beroepen niet-ontvankelijk waren, en daartoe drie middelen aangevoerd, respectievelijk ontleend aan non-existentie van de betwiste handeling, aan het feit dat de handeling niet vatbaar is voor toetsing door de gemeenschapsrechter, en aan het feit dat de handeling de verzoekers niet rechtstreeks en individueel raakt in de zin van artikel 230, vierde alinea, EG.
14 Met betrekking tot het middel, dat de betwiste handeling voorzover strekkende tot ontbinding van de TDI-fractie non-existent was, concludeerde het Gerecht in punt 46 van het bestreden arrest, dat het Parlement met die handeling had besloten de door de commissie constitutionele zaken voorgestelde algemene uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement en het standpunt van die commissie omtrent de verenigbaarheid van de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie met dat artikel goed te keuren en de non-existentie ex tunc van die fractie vast te stellen, omdat zij niet aan de voorwaarde van die bepaling voldeed. Het Gerecht wees dit middel van het Parlement derhalve af.
15 Met betrekking tot het tweede niet-ontvankelijkheidsmiddel van het Parlement, inhoudende dat de betwiste handeling niet vatbaar was voor beroep, overwoog het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest, dat een dergelijk handeling niet [kan] worden afgezwakt tot een handeling die strikt de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement betreft", en dat zij vatbaar moet zijn voor wettigheidstoetsing door de gemeenschapsrechter overeenkomstig artikel 230, eerste alinea, EG". Ook dit middel werd dus verworpen.
16 In de punten 65, 66 en 72 van het bestreden arrest ten slotte overwoog het Gerecht, dat de verzoekers rechtstreeks en individueel door de betwiste handeling werden geraakt. In punt 75 oordeelde het bijgevolg, dat de beroepen tot nietigverklaring ontvankelijk moesten worden verklaard.
17 Tot staving van hun vordering tot nietigverklaring ontwikkelden de verzoekers in eerste aanleg een reeks van middelen - deels algemene, deels alleen hun eigen zaak betreffende - die door het Gerecht tot negen middelen werden herleid.
18 Met betrekking tot het eerste middel, inhoudende dat de betwiste handeling op een verkeerde lezing van artikel 29, lid 1, van het reglement berust, oordeelde het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest, dat een dergelijke bepaling in een artikel betreffende de oprichting van fracties [...] niet anders [kan] worden gelezen, dan dat de leden die besluiten in het Parlement een fractie op te richten, dit slechts kunnen doen op basis van politieke gezindheid. Gelet op de bewoordingen zelf van artikel 29, lid 1, van het reglement, gelezen in samenhang met het opschrift boven het betrokken artikel, moet het argument van verzoekers, dat het in die bepaling bedoelde criterium van politieke gezindheid slechts een facultatieve strekking heeft, dus worden afgewezen." In de punten 85 en 92 van het bestreden arrest overwoog het Gerecht voorts, dat het standpunt van het Parlement over de oprichtingsverklaringen van andere fracties en het ontbreken van een reactie zijnerzijds op het uiteenlopende stemgedrag van leden van een zelfde fractie bij stemmingen in de plenaire vergadering niet als aanwijzingen voor het facultatieve karakter van de voorwaarde betreffende politieke gezindheid in artikel 29, lid 1, van het reglement konden worden opgevat.
19 Met betrekking tot het tweede middel - schending van het beginsel van gelijke behandeling en van de bepalingen van het reglement, alsmede ontbreken van een rechtsgrondslag voor de betwiste handeling, doordat het Parlement ten onrechte had nagegaan of de TDI-fractie aan artikel 29, lid 1 van het reglement voldeed, en had geoordeeld dat tussen de leden van die fractie geen politieke verwantschap bestond - merkte het Gerecht in punt 101 van het bestreden arrest op, dat het Parlement ingevolge artikel 180 van het reglement bevoegd is om toe te zien op de juiste toepassing en uitlegging van de bepalingen van zijn reglement, zo nodig door de zaak naar de commissie constitutionele zaken te verwijzen. Uit dien hoofde is het in het bijzonder bevoegd om, zoals het in casu heeft gedaan, te controleren of bij de oprichting van een fractie, die overeenkomstig artikel 29, lid 4, van het reglement aan de voorzitter van het Parlement is meegedeeld, is voldaan aan het vereiste inzake de politieke gezindheid, gesteld in lid 1 van dat artikel. Zou het Parlement een dergelijke toetsingsbevoegdheid worden onthouden, dan zou het uiteindelijk aan deze laatste bepaling elk nuttig effect moeten ontzeggen."
20 Bij zijn onderzoek van de stelling dat de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie niet aan artikel 29, lid 1, van het reglement voldeed, kwam het Gerecht in punt 120 van het bestreden arrest tot de slotsom, dat het Parlement terecht heeft aangenomen dat de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie blijk gaf van een volledige en duidelijke afwezigheid van politieke verwantschap tussen de leden van die fractie. Hiermee heeft het Parlement zich geen oordeel aangematigd omtrent de politieke gezindheid van de leden van deze fractie, zoals verzoekers beweren. Het heeft alleen, gelet op de hierboven bedoelde verklaring, vastgesteld dat zij openlijk iedere gezindheid van deze aard ontkenden [...] In die omstandigheden kon het Parlement slechts concluderen dat de TDI-fractie niet voldeed aan artikel 29, lid 1, van het reglement, wilde het aan die bepaling niet ieder nuttig effect ontnemen."
21 In het kader van het derde middel - schending van het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van de leden van de TDI-fractie - verklaarde het Gerecht de tegen de artikelen 29, lid 1, en 30 van het reglement opgeworpen exceptie van onwettigheid ontvankelijk, doch wees het het aangevoerde middel af.
22 Zo overwoog het Gerecht in punt 149 van het bestreden arrest, dat die bepalingen interne organisatiemaatregelen zijn die door de eigen kenmerken van het Parlement, zijn wijze van werken en de hem door het Verdrag opgedragen verantwoordelijkheden en doelstellingen worden gerechtvaardigd". In punt 152 voegde het daaraan toe, dat het door de artikelen 29, lid 1, en 30 van het reglement gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is, omdat de tot een fractie behorende leden, anders dan die welke onder de door het Bureau van het Parlement gestelde voorwaarden als niet-ingeschrevenen zitting hebben, voldoen aan een door legitieme doelstellingen ingegeven vereiste van het reglement.
23 Voorts overwoog het Gerecht in punt 155 van het bestreden arrest, dat de verschillende behandeling van niet-ingeschrevenen en leden die deel uitmaken van een fractie, niet voortvloeit uit de artikelen 29, lid 1, en 30 van het reglement, maar uit een reeks andere, in punt 156 van het bestreden arrest genoemde, interne bepalingen van het Parlement, waartegen geen exceptie van onwettigheid is opgeworpen.
24 Op het argument, dat de betwiste handeling een ongerechtvaardigde discriminatie inhield, doordat zij de oprichting van de TDI-fractie verbood, ofschoon in eerdere zittingsperioden de oprichting van andere technische fracties was toegestaan, antwoordde het Gerecht in punt 171 van het bestreden arrest, dat nu het Parlement terecht de non-existentie van de TDI-fractie wegens onverenigbaarheid met artikel 29, lid 1, van het reglement had geconstateerd, op grond dat de leden van die fractie openlijk iedere onderlinge politieke verwantschap hadden uitgesloten en het politieke karakter van de fractie hadden ontkend, verzoekers hoe dan ook geen argument konden ontlenen aan het feit dat het Parlement met betrekking tot oprichtingsverklaringen van bepaalde fracties in eerdere zittingsperioden tot een ander oordeel was gekomen. In punt 172 preciseerde het Gerecht, dat verzoekers niet de verklaring van het Parlement hadden weersproken, dat de oprichters van die andere fracties niet, zoals de oprichters van de TDI-fractie, openlijk elke onderlinge politieke verwantschap hadden uitgesloten. In antwoord op de aan het vertrouwensbeginsel ontleende argumenten overwoog het Gerecht ten slotte in punt 184, dat de omstandigheid dat de oprichtingsverklaringen van fracties die niet dezelfde kenmerken vertoonden als de TDI-fractie, in het Parlement niet op bezwaren waren gestuit, niet als een duidelijke toezegging kon worden beschouwd die bij de oprichters van die fractie gegronde verwachtingen had kunnen wekken omtrent de verenigbaarheid van die fractie met artikel 29, lid 1, van het reglement.
25 Wat voorts het argument van verzoekers betreft, dat recente stemmingen over gevoelige politieke kwesties twijfel hadden doen rijzen over het bestaan van politieke verwantschap tussen de leden van bepaalde fracties, terwijl de leden van de TDI-fractie bij die gelegenheid een sterke politieke samenhang aan de dag hadden gelegd, merkte het Gerecht in punt 191 van het bestreden arrest op, dat verzoekers niets hadden aangevoerd waaruit bleek dat die fracties evenals de TDI-fractie elke politieke verwantschap openlijk hadden ontkend, en dat het uiteenlopende stemgedrag van de leden van een zelfde fractie in bijzondere aangelegenheden in zoverre niet als bewijskrachtig kon worden beschouwd.
26 Met betrekking tot het vierde middel - schending van het democratiebeginsel - stelde het Gerecht in punt 200 van het bestreden arrest vast, dat het democratiebeginsel weliswaar tot de grondslagen van de Europese Unie behoort, maar dat het het Parlement niet belet, maatregelen van interne organisatie vast te stellen die, zoals de bepalingen van de artikelen 29, lid 1, en 30 van het reglement, het in staat moeten stellen de hem door de Verdragen toebedeelde institutionele rol en gestelde doelen, met inachtneming van de hem kenmerkende situatie, zo goed mogelijk te vervullen respectievelijk te bereiken.
27 In antwoord op het vijfde middel - schending van het evenredigheidsbeginsel - overwoog het Gerecht in punt 217 van het bestreden arrest, dat de artikelen 29, lid 1, en 30 van het reglement niet zijn te beschouwen als maatregelen die verder gaan dan wat passend en noodzakelijk is om de met die bepalingen beoogde legitieme doelen te bereiken.
28 Wat het zesde middel betreft - schending van het beginsel van vrijheid van vereniging -, merkte het Gerecht in de punten 232 en 233 van het bestreden arrest op, dat dit beginsel, zo het zich al voor toepassing in de sfeer van de interne organisatie van het Parlement leent, geen absolute gelding heeft en zich er niet tegen verzet, dat het Parlement in het kader van zijn interne-organisatiebevoegdheid de oprichting van een fractie afhankelijk stelt van het op de verwezenlijking van legitieme doelstellingen gerichte vereiste, dat er tussen de leden van die fractie politieke verwantschap bestaat, en, zoals uit de betwiste handeling blijkt, de oprichting verbiedt van een fractie als de TDI-fractie, die dat vereiste klaarblijkelijk miskent.
29 Met betrekking tot het zevende middel - miskenning van de parlementaire tradities die aan de lidstaten gemeen zijn - overwoog het Gerecht in punt 240 van het bestreden arrest, dat zelfs indien de rechtspraak, volgens welke de gemeenschapsrechter zich bij het verzekeren van de handhaving van de fundamentele rechten heeft te laten leiden door de constitutionele tradities welke de lidstaten gemeen hebben, bij analogie ook zou gelden voor de gemeenschappelijke parlementaire tradities van de lidstaten, de in geding zijnde handeling, waar deze de oprichting verbiedt van fracties door leden die, zoals in casu, elke onderlinge politieke verwantschap ontkennen, niet kan worden geacht in strijd te zijn met een parlementaire traditie die de lidstaten gemeen hebben. In de punten 241 en 242 preciseerde het Gerecht, dat uit de door verzoekers in hun memories verstrekte gegevens hoogstens blijkt, dat in het ene of het andere nationale parlement de oprichting van technische of gemengde fracties is toegestaan, doch dat die gegevens daarentegen niet uitsluiten, dat er nationale parlementen zijn die, evenals het Europees Parlement, voor de oprichting van een fractie een gedeelde politieke gezindheid vereisen en met betrekking tot de oprichting van een met de TDI-fractie vergelijkbare fractie tot een zelfde uitlegging zouden komen als het Parlement in de betwiste handeling. Evenmin laten die gegevens volgens het Gerecht de conclusie toe, dat de oprichting van een fractie als de TDI-fractie, waarvan de leden uitdrukkelijk verklaren dat zij geen politiek karakter heeft, in de meeste nationale parlementen wel mogelijk zou zijn.
30 Het achtste voor het Gerecht aangevoerde middel was ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften.
31 In het eerste onderdeel van dat middel werd gesteld, dat de betwiste handeling meer is dan een algemene declaratoire interpretatie. Zij zou een besluit zijn met terugwerkende kracht tot de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie, dat de oprichting van een fractie aan een nieuwe voorwaarde bindt.
32 Dienaangaande oordeelde het Gerecht in punt 252 van het bestreden arrest, in het bijzonder dat de interpretatie die het Parlement aan een bepaling van zijn reglement geeft, de betekenis en de draagwijdte van de bepaling toelicht en verduidelijkt, zoals deze vanaf het moment van inwerkingtreding had moeten worden begrepen en toegepast, en dat hieruit volgt, dat de aldus uitgelegde bepaling kan worden toegepast op situaties die reeds vóór de goedkeuring van die interpretatie zijn ontstaan.
33 Met betrekking tot het tweede onderdeel van het achtste middel - onbevoegdheid van de commissie constitutionele zaken om een bijzonder besluit te nemen over de conformiteit van de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie met artikel 29, lid 1, van het reglement - oordeelde het Gerecht, dat genoemde commissie binnen de grenzen van haar bevoegdheden ex punt XV 8 van bijlage VI, juncto artikel 180, van het reglement was gebleven.
34 Betreffende de stelling, dat in de plenaire vergadering niet over het besluit tot ontbinding van de TDI-fractie was gestemd, daar enkel de door de commissie constitutionele zaken voorgestelde algemene interpretatie van artikel 29, lid 1, van het reglement in stemming was gebracht, overwoog het Gerecht in punt 264 van het bestreden arrest, dat de leden van het Parlement, nadat de TDI-fractie bezwaar tegen die algemene interpretatie had gemaakt, begrepen moeten hebben, dat zij zich met een uitspraak over die interpretatie tevens zouden uitspreken over de verenigbaarheid van de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie met artikel 29, lid 1, van het reglement en daarmee over het lot van die fractie, en dat er in die omstandigheden dus geen reden voor een afzonderlijke stemming over dat punt was.
35 Het derde onderdeel van het achtste middel - schending van het tegenspraakbeginsel en de rechten van de verdediging - werd door het Gerecht afgewezen met de overweging (punt 267 van het bestreden arrest), dat de leden van de TDI-fractie hun standpunt ter zake van de kritiek dat deze fractie niet aan artikel 29, lid 1, van het reglement voldeed, meermaals tegenover de andere parlementsleden hebben kunnen uiteenzetten.
36 Met betrekking tot het negende middel, dat gebaseerd was op een vermoeden van misbruik van procedure, doordat in eerdere wijzigingen van het reglement de bedoeling van het Parlement tot uiting kwam de rechten van bepaalde leden systematisch te besnoeien, oordeelde het Gerecht in punt 277 van het bestreden arrest, dat uit de genoemde voorbeelden van die eerdere wijzigingen niet bleek dat de door het Parlement op 14 september 1999 genomen besluiten waren ingegeven door een bewust streven zijnerzijds om de rechten van sommige leden, in het bijzonder die van het Front National, aan te tasten, doch dat het integendeel in een zo flagrant geval van ontbreken van gedeelde politieke gezindheid als in de oprichtingsverklaring van de TDI-fractie niet anders kon doen dan de non-existentie van die fractie vaststellen omdat zij niet aan het vereiste van artikel 29, lid 1, van het reglement voldeed.
37 Bijgevolg verwierp het Gerecht de drie bij hem aanhangige beroepen tot nietigverklaring.
De verzoeken om opschorting van tenuitvoerlegging
Argumenten van partijen
38 Ten bewijze van de fumus boni juris voeren het Front National en Martinez acht middelen aan, waarvan de twee opschortingsverzoeken er vier gemeen hebben.
39 In hun eerste middel betogen het Front National en Martinez, dat de betwiste handeling op een verkeerde lezing van artikel 29, lid 1, van het reglement berust. Blijkens het in die bepaling gebruikte woord kunnen" hebben de leden de mogelijkheid om een groep naar politieke gezindheid op te richten, en mag men daarin geen extra beperking zien, die in de tekst niet voorkomt. Volgens rekwiranten moet de term politieke gezindheid" niet letterlijk worden genomen, maar worden opgevat als een zoeken naar saamhorigheid, in casu tot uiting komend in het streven om ervoor te zorgen dat elk lid recht heeft op een volledige, niet door ongelijkheden bemoeilijkte uitoefening van zijn parlementair mandaat.
40 Het tweede gemeenschappelijke middel van de twee verzoeken in kort geding is ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het toezicht door het Parlement of de TDI-fractie in overeenstemming is met artikel 29, lid 1, van het reglement, en aan schending van het gelijkheidsbeginsel. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht in punt 102 van het bestreden arrest uitdrukkelijk erkend, dat het Parlement bij de oprichting van een fractie niet controleert welke politieke gezindheid de leden van die fractie hebben. Anders dan het Gerecht verklaart, geeft artikel 180 van het reglement het Parlement geen controlebevoegdheid over de correcte toepassing en uitlegging van de bepalingen van het reglement. Vervolgens betogen rekwiranten, dat het innemen van een gemeenschappelijk standpunt en het oprichten van een fractie teneinde ieder lid de volledige uitoefening van zijn mandaat te garanderen, het bestaan van een politieke gezindheid in de zin van artikel 29 van het reglement aantoont. Ten slotte, aldus rekwiranten, hebben de verschillende politieke componenten van de TDI-fractie verscheidene malen gemeenschappelijke teksten ingediend.
41 Het derde gemeenschappelijke middel van de twee verzoeken in kort geding is ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling. Rekwiranten stellen in de eerste plaats, dat het Gerecht in punt 165 van het bestreden arrest het bestaan heeft erkend van ongelijke behandeling tussen de leden van een fractie en de niet-ingeschreven leden, maar daarover slechts opmerkt, dat die verschillende behandeling niet uit de betwiste handeling voortvloeit, maar uit andere bepalingen van het reglement dan artikel 29, lid 1, dan wel uit administratieve regelingen, waarvan de wettigheid niet voor het Gerecht werd betwist. Maar ook al hadden rekwiranten geen exceptie van onwettigheid opgeworpen, het Gerecht had de wettelijke consequenties uit die ongelijke behandeling moeten trekken.
42 In de tweede plaats betogen rekwiranten, dat er bij de oprichting van andere technische fracties nooit een onderzoek is verricht naar de oprichtingsverklaring wanneer deze door het vereiste aantal leden op formeel correcte wijze was afgegeven. Martinez merkt hierbij nog op, dat de TDI-fractie in die omstandigheden een gewettigd vertrouwen kon hebben in de vaste interpretatie van artikel 29, lid 1, van het reglement door het Parlement.
43 Ten slotte betogen het Front National en Martinez, dat het Gerecht de bewijzen inzake het consistente stemgedrag van de leden van de TDI-fractie ten onrechte naast zich neer heeft gelegd op grond dat het om feiten van na de betwiste handeling ging, terwijl zij het Gerecht juist uitsluitsel over de politieke gezindheid van de TDI-fractie hadden kunnen geven.
44 Het Front National in zijn vierde middel en Martinez in zijn zesde middel verwijten het Gerecht miskenning van de gemeenschappelijke parlementaire tradities van de lidstaten. De restrictieve uitlegging van artikel 29, lid 1, van het reglement door het Gerecht wijkt af van de meeste wettelijke regelingen en parlementaire praktijken in de lidstaten.
45 Het vijfde middel van het Front National is ontleend aan schending van wezenlijke vormvoorschriften. In de eerste plaats blijkt bij letterlijke lezing van de artikelen van het reglement, dat er geen bijzondere procedure voor de erkenning van een fractie bestaat; in de tweede plaats is de toepassing met terugwerkende kracht van de betwiste handeling, waardoor de TDI-fractie in feite werd ontbonden, in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, het beginsel van bescherming van verkregen rechten en het verbod van terugwerkende kracht.
46 Het zesde middel van het Front National is gebaseerd op het bestaan van een vermoeden van misbruik van procedure: uit objectieve, ter zake dienende en overeenstemmende aanwijzingen blijkt overduidelijk, dat het Parlement erop uit is, de rechten van bepaalde leden systematisch te besnoeien.
47 Martinez stelt in het kader van zijn vierde middel schending van het democratiebeginsel. Dit beginsel verzet zich ertegen, dat de uitoefening van een parlementair mandaat moeilijker is wanneer het betrokken lid geen deel uitmaakt van een fractie. In dit verband is het zonder belang, dat het verschil in behandeling voortvloeit uit bepalingen waartegen geen exceptie van onwettigheid is opgeworpen.
48 In het kader van zijn vijfde middel - schending van het beginsel van vrijheid van vereniging - stelt Martinez, dat de betwiste handeling een restrictieve uitlegging van die vrijheid bekrachtigt en er daardoor ontegenzeglijk inbreuk op maakt.
49 Rekwiranten betogen, dat zij het met hun verzoeken in kort geding voor de leden van de TDI-fractie mogelijk willen maken om tot de uitspraak van het Hof op de tegen het bestreden arrest ingestelde hogere voorziening bij de uitoefening van hun mandaat alle rechten en voordelen te genieten die aan het lidmaatschap van een fractie zijn verbonden.
50 Indien de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest niet wordt opgeschort, zullen de leden van de TDI-fractie ernstige schade lijden, omdat zij dan de aan de fracties toegekende rechten en voordelen niet kunnen genieten. Er zal stellig sprake zijn van ernstige schade, omdat de tijd die voor een beslissing in de hoofdzaak in hogere voorziening nodig is en gedurende welke rekwiranten mogelijkerwijs onder discriminatie te lijden zullen hebben, wel eens een niet onaanzienlijk gedeelte van de beperkte duur van hun mandaat zou kunnen bestrijken. Die schade zal ook onherstelbaar zijn, want ingeval de procedure in hogere voorziening eindigt met de nietigverklaring van de bestreden handeling, valt er aan die situatie niets meer te veranderen.
51 Bovendien zal opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest de organisatie van de diensten van het Parlement niet schaden, want zij zal tot gevolg hebben, dat de TDI-fractie op dezelfde wijze kan worden behandeld als de sedert 1979 opgerichte technische fracties.
52 Het Parlement concludeert tot afwijzing van de twee verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest.
53 Het betoogt, dat de twee verzoeken in kort geding tot niets kunnen leiden. Opschorting van het bestreden arrest zal niets veranderen aan het feit dat er in de praktijk geen rechterlijke uitspraak over de wettigheid van artikel 29, lid 1, van het reglement is. Opschorting van het bestreden arrest zal ook de gevolgen van de beschikking Martinez en de Gaulle/Parlement (reeds aangehaald) niet doen herleven, want overeenkomstig artikel 107, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verliest een dergelijke beschikking haar werking bij de uitspraak van het arrest dat een einde maakt aan het geding.
54 Het Parlement betwijfelt sterk of het verzoek van het Front National om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest ontvankelijk is, daar naar zijn oordeel het beroep dat het Front National bij het Gerecht had ingesteld, zelf niet-ontvankelijk was. Alleen de parlementsleden van het Front National kunnen immers rechtstreeks door de betwiste handeling worden geraakt en niet de politieke partij zelf, die enkel indirect geraakt kan zijn.
55 Volgens het Parlement zijn ook de hogere voorzieningen in hun geheel niet-ontvankelijk, aangezien rekwiranten louter de reeds in eerste aanleg aangevoerde en onderzochte middelen herhalen. Zij verzuimen aan te geven, tegen welke onderdelen van het bestreden arrest hun kritiek precies is gericht en op welke juridische argumenten hun verzoek specifiek is gebaseerd. Hoe dan ook zijn de aangevoerde middelen onvoldoende serieus om steun te bieden aan de voor een opschortingsbeslissing vereiste fumus boni juris.
56 Het Parlement betoogt dat de situatie waarin de president van het Gerecht de beschikking Martinez en de Gaulle/Parlement (reeds aangehaald) heeft gegeven, niet kan worden vergeleken met de situatie op basis waarvan thans om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest wordt verzocht. Terwijl genoemde beschikking met name berust op een mogelijk willekeurig verschil in behandeling vergeleken met de oprichting van de Fractie voor een Europa van Democratie en Diversiteit (EDD), stelt het bestreden arrest juist de relevante verschillen tussen die fractie en de TDI-fractie in het licht.
57 Met betrekking tot het eerste gemeenschappelijke middel van het Front National en Martinez - verkeerde lezing van artikel 29, lid 1, van het reglement - sluit het Parlement zich aan bij de argumentatie van het Gerecht en merkt het op, dat dit middel van rekwiranten de fumus boni juris mist om die argumentatie te kunnen ontkrachten.
58 Met betrekking tot het tweede gemeenschappelijke middel van het Front National en Martinez betoogt het Parlement, dat rekwiranten punt 102 van het bestreden arrest verkeerd lezen wanneer zij stellen, dat het Gerecht daarin heeft erkend dat het Parlement bij de oprichting van een fractie geen controle uitoefent op de politieke gezindheid van de leden ervan. Ook de restrictieve manier waarop rekwiranten de bevoegdheden van het Parlement krachtens artikel 180 van het reglement uitleggen, is terug te voeren op een oppervlakkige lezing van die bepaling, die er elke nuttige werking aan ontneemt.
59 Wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, meent het Parlement, dat rekwiranten het begrip politieke gezindheid" volledig uithollen door het te beperken tot de loutere mogelijkheid een parlementair mandaat uit te oefenen. Bovendien betwisten rekwiranten in werkelijkheid de feitelijke vaststelling van het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest, dat de verschillende namens de TDI-fractie gepresenteerde initiatieven een bevestiging vormen van de totale afwezigheid van politieke verwantschap tussen de componenten van die fractie. Hogere voorziening is evenwel beperkt tot rechtsvragen en dit middel is derhalve niet-ontvankelijk.
60 Met betrekking tot de beweringen over de verschillende behandeling van de leden van de TDI-fractie enerzijds en de leden van de politieke parlementsfracties anderzijds, die het eerste onderdeel van het derde gemeenschappelijke middel van het Front National en Martinez vormen, betoogt het Parlement, dat de kritiek van rekwiranten niet tegen een bepaald onderdeel van het bestreden arrest is gericht en dat het Gerecht niet het bestaan van discriminaties heeft vastgesteld, doch enkel heeft geconstateerd dat er verschillen in behandeling bestaan, die echter niet uit de betwiste handeling voortvloeien.
61 Ten aanzien van het verschil in behandeling in zoverre de betwiste handeling de oprichting van de TDI-fractie verbiedt, terwijl de oprichting van een aantal technische fracties in eerdere zittingsperioden wel was toegestaan, betoogt het Parlement, dat het, naar uit punt 175 van het bestreden arrest blijkt, nooit eerder te maken heeft gehad met een zo duidelijk geval van ontbrekende politieke gezindheid. Verder kan, in elke zittingsperiode, het dan zittende Parlement soeverein over zijn reglement beslissen, behoudens eventuele toetsing door de gemeenschapsrechter. Bovendien is de in artikel 180 van het reglement geregelde interpretatieprocedure in het verleden nooit toegepast.
62 Met betrekking tot het vierde gemeenschappelijke middel van het Front National en Martinez, betreffende de parlementaire tradities die aan de lidstaten gemeen zijn, betoogt het Parlement, dat het Duitse parlementaire recht niet correct is weergegeven en dat er hoe dan ook zoveel verschillende situaties bestaan, dat er geen conclusie uit valt te trekken die op gemeenschapsniveau dwingend zou kunnen zijn.
63 Ten aanzien van de gestelde schending van wezenlijke vormvoorschriften en misbruik van procedure - respectievelijk het vijfde en het zesde middel van het Front National - betoogt het Parlement, dat het hierbij gaat om algemeen geformuleerde verwijten aan het adres van het Gerecht, zonder dat wordt aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest de kritiek precies is gericht en op welke juridische argumenten de vordering tot nietigverklaring specifiek is gebaseerd.
64 Met betrekking tot het vierde middel van Martinez - schending van het democratiebeginsel - betoogt het Parlement, dat rekwirant niet duidelijk maakt, waarom dit beginsel door het Gerecht zou zijn geschonden.
65 Wat het beginsel van vrijheid van vereniging betreft - het vijfde middel van Martinez -, wijst het Parlement erop dat, anders dan rekwirant stelt en zelfs aangenomen dat dat beginsel in de interne organisatie van de instelling van toepassing zou zijn, het Gerecht in de punten 232 en 233 van het bestreden arrest heeft aangegeven, welk legitiem doel met de betwiste handeling werd nagestreefd.
66 Op het punt van de spoedeisendheid betoogt het Parlement, dat het Front National geen enkele schade aanvoert die het door de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest zou kunnen lijden.
67 Aan de andere kant kunnen de aan de fracties verleende faciliteiten voor een sterkere betrokkenheid bij de parlementaire werkzaamheden volgens het Parlement slechts door groepen met een gemeenschappelijke politieke overtuiging goed worden benut. Die faciliteiten vormen immers geen mogelijkheden tot handelen los van iedere politieke inhoud, maar zijn middelen om een na interne discussie geformuleerde politieke boodschap naar buiten te brengen. De voormalige TDI-fractie zou dus geen nuttig gebruik kunnen maken van de voor politieke fracties in eigenlijke zin bedoelde faciliteiten.
68 Het Parlement stelt het Hof voorts in kennis van zijn besluit de voor de niet-ingeschreven leden bestemde middelen te verhogen. Zo er al discriminaties bij de uitoefening van het parlementair mandaat bestonden, zouden rekwiranten volgens het bestreden arrest op basis van de desbetreffende bepalingen van het reglement tegen concrete besluiten van het Parlement kunnen opkomen.
69 In verband met de belangenafweging betoogt het Parlement, dat opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest zijn functioneren zou bemoeilijken. Niet slechts zouden de door de TDI-fractie opgeëiste begrotingsgelden na het arrest in de hoofdzaak - aangenomen dat dit ten gunste van het Parlement uitvalt - maar moeilijk teruggevorderd kunnen worden, maar de samenstelling en de diensten van het Parlement zouden nogmaals worden ontregeld.
70 In het Parlement hebben op dit moment vertegenwoordigers van 120 verschillende politieke partijen zitting en als het Parlement allerlei fictieve" fracties moest erkennen, zou het verrichten van zijn werkzaamheden nog veel ingewikkelder worden. Het Parlement merkt daarbij op, dat het belang van de Europese politieke partijen, waartoe het Front National niet behoort, in artikel 191 EG als factor van integratie binnen de Unie is erkend. Om te kunnen bijdragen tot de vorming van een Europees bewustzijn en tot het tot uitdrukking komen van de politieke wil van de burgers van de Unie, dienen die Europese politieke partijen een zekere bevoorrechte rol in het Parlement te kunnen spelen. Aan die rol zou echter afbreuk worden gedaan, indien gelijk welke groep zich in het Parlement als fractie kon opwerpen zonder aan de daartoe gestelde materiële voorwaarden te voldoen.
Beoordeling
71 Ingevolge artikel 53 van 's Hofs Statuut-EG heeft een verzoek om hogere voorziening tegen een arrest van het Gerecht in beginsel geen opschortende werking. Krachtens artikel 242 EG kan het Hof evenwel, zo het van oordeel is dat de omstandigheden dat vereisen, opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest gelasten.
72 Voorts volgt uit artikel 83, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat opschorting van tenuitvoerlegging krachtens de zojuist genoemde artikelen slechts mogelijk is, indien er omstandigheden bestaan waaruit blijkt van het spoedeisend karakter van het verzoek, en er middelen feitelijk en rechtens worden aangevoerd, op grond waarvan die maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
73 Ook is schorsing van tenuitvoerlegging in beginsel niet denkbaar in het geval van een negatieve beslissing, aangezien die schorsing niet tot een wijziging van de situatie van de verzoeker kan leiden [zie beschikkingen van 31 juli 1989, S./Commissie, 206/89 R, Jurispr. blz. 2841, punt 14, en 30 april 1997, Moccia Irme/Commissie, C-89/97 P(R), Jurispr. blz. I-2327, punt 45].
74 In casu nu hebben rekwiranten niets aangevoerd waaruit blijkt, dat opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest, dat, waar het de beroepen in hun geheel verwerpt, als een negatieve beslissing moet worden aangemerkt, uitzonderlijkerwijze tot een wijziging van hun situatie zou leiden.
75 Zo zou opschorting van de tenuitvoerlegging op zich de oprichting van de TDI-fractie niet mogelijk maken en, in het bijzonder, de gevolgen van de beschikking Martinez en de Gaulle/Parlement niet doen herleven.
76 Indien de beschikking van de kortgedingrechter niet de dag bepaalt waarop de voorlopige maatregel zijn kracht verliest, verliest deze volgens artikel 107, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht zijn werking terstond na de uitspraak van het eindarrest. Dit betekent, dat de president van het Gerecht bij met redenen omklede beschikking de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling uitsluitend kan gelasten in het kader van het bij hem aanhangige geding, doch de werking van een dergelijke beschikking niet kan uitstrekken tot een eventueel bij het Hof ingestelde hogere voorziening, en dat het Hof bij uitsluiting bevoegd is ten aanzien van een verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging dat in het kader van een hogere voorziening wordt ingediend [beschikking van 15 december 2000, Cho Yang Shipping/Commissie, C-361/00 P(R), Jurispr. blz. I-11567, punt 99].
77 Daar opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest dus geen geschikt middel is om de ernstige en onherstelbare schade te voorkomen waarop rekwiranten zich tot staving van hun verzoeken in kort geding beroepen, kunnen die verzoeken slechts worden afgewezen.
78 Hoe dan ook, zelfs indien de verzoeken van rekwiranten moesten worden opgevat als verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van de betwiste handeling of om voorlopige maatregelen die hen in staat zouden stellen de TDI-fractie opnieuw op te richten, zou de conclusie in het voorgaande punt staande blijven, en wel om de volgende redenen.
79 In de eerste plaats lijkt de ontvankelijkheid van de middelen van de hogere voorziening op het eerste gezicht uiterst twijfelachtig.
80 Enerzijds zijn bijna al die middelen niet meer dan een herhaling van die welke voor het Gerecht zijn aangevoerd, en ontbreekt in de argumentatie elke specifieke kritiek op het bestreden arrest.
81 Volgens vaste rechtspraak verlangen artikel 225 EG, artikel 51, eerste alinea, van 's Hofs Statuut-EG en artikel 112, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat een hogere voorziening duidelijk aangeeft, tegen welke onderdelen van het voor vernietiging voorgedragen arrest zij is gericht en welke argumenten rechtens de vordering specifiek staven. Een hogere voorziening die slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten - met inbegrip van die welke zijn gebaseerd op door het Gerecht verworpen feiten - herhaalt of letterlijk overneemt, en zelfs geen argumenten naar voren brengt waarmee specifiek wordt aangegeven, op welk punt het bestreden arrest op een onjuiste rechtsopvatting zou berusten, voldoet niet aan dit vereiste. Een dergelijke hogere voorziening beoogt immers in werkelijkheid slechts een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingediende verzoek, iets waartoe het Hof niet bevoegd is (zie, onder meer, arresten van 24 oktober 1996, Viho/Commissie, C-73/95 P, Jurispr. blz. I-5457, punten 25 en 26, en 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punten 34 en 35).
82 Anderzijds lijken sommige middelen op het eerste gezicht in wezen bepaalde feitelijke beoordelingen van het Gerecht in het bestreden arrest weer ter discussie te willen stellen, zoals die betreffende het ontbreken van politieke verwantschap tussen de leden van de TDI-fractie, de kenmerken van in het verleden opgerichte andere technische fracties of het bestaan van misbruik van procedure.
83 Ingevolge artikel 225 EG en artikel 51 van 's Hofs Statuut-EG is de hogere voorziening evenwel tot rechtsvragen beperkt. Volgens laatstgenoemde bepaling moet zij gebaseerd zijn op middelen ontleend aan onbevoegdheid van het Gerecht, onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht, waardoor aan de belangen van de verzoekende partij afbreuk is gedaan, dan wel schending van het gemeenschapsrecht door het Gerecht.
84 Enkel het Gerecht is bevoegd de feiten vast te stellen - tenzij uit de overgelegde stukken blijkt, dat zijn bevindingen materieel onjuist zijn - en deze vervolgens te beoordelen. De beoordeling van de feiten levert dus geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een verkeerde interpretatie van de voorgelegde bewijsmiddelen (zie, onder meer, arrest van 11 februari 1999, Antillean Rice Mills e.a./Commissie, C-390/95 P, Jurispr. blz. I-769, punt 29).
85 In de tweede plaats, ook als het ene of het andere middel van de hogere voorziening eventueel als ontvankelijk ware te beschouwen, moet worden vastgesteld dat, terwijl het bestreden arrest omstandig ingaat op alle door rekwiranten in eerste aanleg aangevoerde middelen, de juridische onderbouwing van die middelen in het kader van de hogere voorziening uitermate summier is en, wat de grond van de zaak betreft, op het eerste gezicht zowel aan artikel 29, lid 1, als aan artikel 180 van het reglement iedere materiële betekenis lijkt te ontzeggen.
86 In de derde plaats moet met betrekking tot het Front National ook worden vastgesteld, dat dit niets heeft weten aan te voeren waaruit blijkt, waarom de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest deze partij ernstige en onherstelbare zou berokkenen.
87 In de vierde plaats ten slotte moet erop worden gewezen, dat de rechtspositie van een niet-ingeschreven lid weliswaar verschilt van een tot een fractie behorend lid, doch dat die verschillen voortvloeien uit bepalingen waarvan de wettigheid in eerste aanleg niet is betwist. De argumenten waarmee rekwiranten de spoedeisendheid beogen te rechtvaardigen, lijken dus goeddeels bedoeld om te ontkomen aan de gevolgen van bepalingen van het reglement of andere interne administratieve regelingen waartegen in het kader van dit geding niet is opgekomen. De procedure in kort geding heeft echter uitsluitend tot doel, de volle werking te waarborgen van de eindbeslissing in de hoofdzaak waarmee het kort geding samenhangt.
88 Uit al het voorgaande volgt, dat de verzoeken om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest moeten worden afgewezen.
DictumDE PRESIDENT VAN HET HOF
beschikt:
1) De zaken C-486/01 P(R) en C-488/01 P(R) worden gevoegd voor de beschikking.
2) De verzoeken in kort geding van het Front National en Jean-Claude Martinez worden afgewezen.
3) De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Top