Avis juridique important
BESCHIKKING VAN HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (DERDE KAMER) VAN 26 MAART 1992. - INIGO ASCASIBAR ZUBIZARRETA EN ANDEREN TEGEN ALESSANDRO ALBANI EN ANDEREN EN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - DERDEN VERZET - NIET-ONTVANKELIJKHEID - HOEDANIGHEID VAN DERDE. - ZAAK T-35/89 - TO I.
Jurisprudentie 1992 bladzijde II-01599
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
++++
Procedure - Derdenverzet - Voorwaarden voor ontvankelijkheid - Hoedanigheid van derde - Niet-deelneming van derde-opposant aan hoofdgeding om geldige redenen - Mededeling van voorwerp en conclusies van beroepen in Publikatieblad - Gevolgen
(' s Hofs Statuut-EEG, art. 39; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 16, lid 6, en 97, lid 1; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 24, lid 6, en 123, lid 1)
SamenvattingBlijkens artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG, de artikelen 16, lid 6, en 97, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof en de artikelen 24, lid 6, en 123, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is in de opzet van de gemeenschapswetgever het derdenverzet een buitengewoon rechtsmiddel dat openstaat voor belanghebbenden die om geldige redenen niet in het hoofdgeding hebben kunnen interveniëren. Het buitengewone karakter van het derdenverzet berust op de overweging, dat ter wille van een goede rechtsbedeling en de rechtszekerheid zoveel mogelijk dient te worden vermeden, dat degenen die belang hebben bij de uitkomst van een voor het Hof of het Gerecht aanhangig geding, dit belang eerst laten gelden nadat de gemeenschapsrechter arrest heeft gewezen en daardoor de rechtsstrijd heeft beslist.
Derhalve kan de belanghebbende die in staat was aan het hoofdgeding deel te nemen en die heeft verzuimd te interveniëren, geen derdenverzet instellen. Aangezien de mededeling in het Publikatieblad van het voorwerp en de conclusies van het beroep tot doel heeft, derden op de hoogte te brengen van bij de gemeenschapsrechter aanhangig gemaakte rechtsgedingen, dient de derde aan de hand van deze mededeling te beoordelen, of hij er al dan niet belang bij heeft in het hoofdgeding te interveniëren.
Indien uit deze mededeling duidelijk blijkt, dat uit het voorwerp en de conclusies van het beroep in het hoofdgeding kon worden afgeleid, dat de derde belang had bij een interventie, moet deze derde aantonen dat hij om geldige redenen in de onmogelijkheid verkeerde te interveniëren. Een subjectieve beoordeling van de belanghebbende derde betreffende de uitkomst van het geding vormt geen geldige reden om niet aan het hoofdgeding deel te nemen. De derde kan dus niet met recht betogen dat, gelet op wat rechtens en feitelijk bekend was op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift, een zorgvuldig justitiabele ervan mocht uitgaan, dat het arrest waarmee het geding zou worden afgesloten, zijn rechten niet zou aantasten.
PartijenIn zaak T-35/89 TO 1,
I. Ascasibar Zubizarreta e.a., vertegenwoordigd door D. Waelbroeck, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E. Arendt, advocaat aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
derden-opposanten,
tegen
A. Albani e.a., allen wonende te Brussel, vertegenwoordigd door G. Collin, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
verzoekers in het hoofdgeding,
en
Union Syndicale, vertegenwoordigd door J.-N. Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Fiduciaire Myson SARL, Rue Glesener 1,
interveniënte in het hoofdgeding,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G. Valsesia, juridisch hoofdadviseur, en S. van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster in het hoofdgeding,
betreffende derdenverzet tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 12 juli 1990 (zaak T-35/89, Albani e.a., Jurispr. 1990, blz. II-395),
geeft
HET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer),
samengesteld als volgt: B. Vesterdorf, kamerpresident, A. Saggio en C. Yeraris, rechters,
griffier: H. Jung
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrestDe feiten en de procedure van derdenverzet
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 oktober 1990 hebben I. Ascasibar Zubizarreta en 15 anderen, die allen zijn geslaagd voor het op 12 februari 1987 in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (PB 1987, C 34, blz. 15) aangekondigde algemeen vergelijkend onderzoek COM/A/482, krachtens artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG en artikel 97, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, die van overeenkomstige toepassing zijn op de procedure voor het Gerecht, derdenverzet ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van 12 juli 1990 (zaak T-35/89, Albani e.a., Jurispr. 1990, blz. II-395).
2 Bij het bestreden arrest zijn het besluit van de jury van dit vergelijkend onderzoek betreffende de correctie van de tweede schriftelijke proef, alsmede de in het verdere verloop van het vergelijkend onderzoek genomen besluiten nietig verklaard op grond dat de jury zich niet heeft gehouden aan de regel, dat de tekst van de tot deze proef toegelaten kandidaten niet meer dan 800 woorden mocht tellen, en aldus het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten heeft geschonden.
3 Op 7 augustus 1990 stelde de Commissie tegen dit arrest van het Gerecht hogere voorziening in bij het Hof, waarbij zij concludeerde tot gedeeltelijke nietigverklaring van het bestreden arrest. Meer in het bijzonder legde de Commissie, die erin toestemde dat de nietigverklaring van het besluit betreffende de correctie van de tweede schriftelijke proef kracht van gewijsde kreeg, het arrest van het Gerecht aan het oordeel van het Hof voor, voor zover daarbij alle verdere procedurehandelingen van het vergelijkend onderzoek nietig waren verklaard en de gevolgen van die nietigverklaring niet waren beperkt tot herstel van de rechten van de vier verzoekers in het hoofdgeding.
4 Tevens verzocht de Commissie bij afzonderlijke akte in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van het bestreden arrest, nu haars inziens de nietigverklaring van de tweede schriftelijke proef van vergelijkend onderzoek COM/A/482 voor haar de verplichting meebracht, de uit dit vergelijkend onderzoek voortvloeiende aanstelling van 38 ambtenaren in te trekken.
5 Bij beschikking van het Hof van 15 november 1990 werden de derden-opposanten in de hogere voorziening toegelaten als interveniënten aan de zijde van de Commissie.
6 Bij beschikking van 27 november 1990 wees de president van het Hof het in het kader van de hogere voorziening ingediende verzoek in kort geding af, op grond dat de procedure voor het Gerecht noch het dictum van het arrest van het Gerecht betrekking hadden op de aanstellingen die op het litigieuze vergelijkend onderzoek waren gevolgd, zodat de Commissie niet verplicht was om in afwachting van 's Hofs uitspraak op de hogere voorziening, de aanstellingen in te trekken die vóór de uitspraak van het arrest van het Gerecht hadden plaatsgevonden.
7 Bij brief van 3 december 1990 verzocht de Commissie het Hof overeenkomstig artikel 47, derde alinea, van 's Hofs Statuut-EEG de behandeling van de hogere voorziening te schorsen totdat het Gerecht arrest heeft gewezen over het derdenverzet.
8 Bij beschikking van 6 februari 1991 wees het Hof, ter wille van een goede rechtsbedeling, het verzoek om opschorting van de behandeling van de hogere voorziening tot de uitspraak van het Gerecht toe.
9 De schriftelijke behandeling heeft een normaal verloop gehad. Het Gerecht is van oordeel, dat er ingevolge de artikelen 111 en 113 van zijn Reglement voor de procesvoering termen aanwezig zijn om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het onderhavige derdenverzet.
Conclusies van partijen
10 De derden-opposanten concluderen dat het het Gerecht behage:
- het bestreden arrest aldus te wijzigen, dat niet meer de gehele correctieprocedure van de tweede schriftelijke proef van het vergelijkend onderzoek en de verdere procedurehandelingen nietig worden verklaard, maar alleen het besluit van de jury om de vier verzoekers in het hoofdgeding niet tot de mondelinge proef van het vergelijkend onderzoek toe te laten;
- de wederpartij te verwijzen in de kosten.
11 De Commissie concludeert dat het het Gerecht behage:
- het derdenverzet ontvankelijk te verklaren, en
- het bestreden arrest aldus te wijzigen, dat niet meer de gehele correctieprocedure van de tweede schriftelijke proef van het vergelijkend onderzoek en de verdere procedurehandelingen nietig worden verklaard, maar alleen het besluit van de jury om de vier verzoekers in het hoofdgeding niet tot de mondelinge proef van het vergelijkend onderzoek toe te laten;
- te beslissen over de kosten naar recht.
12 Verzoekers in het hoofdgeding en de Union Syndicale-Brussel, die in het hoofdgeding aan hun zijde heeft geïntervenieerd, concluderen dat het het Gerecht behage:
- het derdenverzet niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren;
- de derden-opposanten te verwijzen in de kosten.
Ontvankelijkheid
13 De derden-opposanten, ondersteund door de Commissie, verweerster in het hoofdgeding, betogen dat hun derdenverzet ontvankelijk is, omdat het voldoet aan de voorwaarden van artikel 97, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
14 Verzoekers in het hoofdgeding en de Union Syndicale-Brussel, die in het hoofdgeding aan hun zijde heeft geïntervenieerd, stellen daarentegen dat het verzoek niet-ontvankelijk is, op grond dat de derden-opposanten niet voldoen aan de voorwaarde dat het bestreden arrest hen in hun rechten heeft benadeeld, noch aan die inzake de geldige redenen waarom zij niet in het hoofdgeding hebben kunnen interveniëren.
Geen deelneming aan het hoofdgeding (hoedanigheid van derde)
a) Argumenten van partijen
15 De derden-opposanten betogen, dat zij niet in het hoofdgeding hebben kunnen interveniëren, omdat geen enkel element in de mededeling in het Publikatieblad betreffende de indiening van het verzoekschrift, of aan het licht gekomen tijdens de schriftelijke behandeling, voor zover hun bekend, hun interventie redelijkerwijze kon rechtvaardigen.
16 In de eerste plaats vorderden verzoekers blijkens de mededeling in het Publikatieblad de nietigverklaring door het Hof van "de bij de correctie van de schriftelijke proeven van het vergelijkend onderzoek gevolgde procedure of althans van het besluit van de jury om verzoekers niet tot de mondelinge proef van het vergelijkend onderzoek toe te laten". Volgens deze mededeling hadden verzoekers' "voornaamste middelen en argumenten" betrekking op de niet-inachtneming van de door de jury aan de kandidaten opgelegde criteria (maximum van 800 woorden). Zo heette het in de mededeling: "De jury heeft de kandidaten immers een tijdslimiet, een maximum aantal woorden en de verplichting om ze zelf te tellen, opgelegd, en vervolgens aan de correctoren andersluidende instructies gegeven." De derden-opposanten hebben zich naar hun zeggen strikt aan het maximum aantal woorden gehouden, en zijn dus van mening dat zij redelijkerwijs mochten verwachten, dat een arrest waarin verzoekers in het gelijk werden gesteld, slechts negatieve gevolgen zou hebben voor die geslaagde kandidaten die zich niet aan de vastgestelde criteria hadden gehouden.
17 In de tweede plaats bleek het belang van de derden-opposanten om in het geding te interveniëren, eerst duidelijk toen tijdens de procedure voor het Gerecht aan het licht kwam, dat de diensten van de Commissie de werkstukken inmiddels hadden vernietigd, zodat niet meer kon worden aangetoond welke kandidaten het maximaal toegestane aantal woorden hadden overschreden. Het verlies van de werkstukken zou bepalend zijn geweest voor de uitspraak van het Gerecht en zou het Gerecht ertoe hebben genoopt, aan zijn arrest een ruimere strekking te geven dan verzoekers aanvankelijk vorderden in hun conclusies, zoals bekendgemaakt in het Publikatieblad.
18 Bovendien sterkten twee factoren de derden-opposanten in hun overtuiging, dat zij geen belang hadden bij een interventie. In de eerste plaats is het vaste rechtspraak van het Hof én van het Gerecht, dat de nietigverklaring in zaken betreffende algemene vergelijkende onderzoeken moet zijn beperkt tot wat werkelijk noodzakelijk is, en dat het jurybesluit enkel moet worden nietig verklaard ten aanzien van de verzoekers; in de tweede plaats had de president van de Tweede kamer van het Hof bij beschikking van 21 juni 1988 het verzoek van de vier verzoekers in het hoofdgeding tot opschorting van de verdere werkzaamheden van vergelijkend onderzoek COM/A/482, inzonderheid van de vaststelling of bekendmaking van de lijst van geschikte kandidaten, afgewezen.
19 In hun conclusie van antwoord op de opmerkingen van de Commissie is het betoog van de derden-opposanten anders opgezet. Zo stellen zij, dat bij de huidige stand van de rechtspraak de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het derdenverzet nog niet definitief zijn vastgesteld. De enige precedenten zijn twee arresten van het Hof van 12 juli 1962 (gevoegde zaken 42/59 D.V. en 49/59 D.V., Breedband, Jurispr. 1962, blz. 293; gevoegde zaken 9/60 D.V. en 12/60 D.V., België/Vloeberghs, Jurispr. 1962, blz. 349). In de zaak Breedband werd het derdenverzet om diverse redenen niet-ontvankelijk verklaard. Uit dit arrest blijkt in het geheel niet, dat de mededeling in het Publikatieblad op zich beslissend is voor de vaststelling van de ontvankelijkheid van een derdenverzet. In de zaak Vloeberghs daarentegen stelde het Hof vast, dat aan de voorwaarde dat de derde-opposant "niet aan het geding had kunnen deelnemen", was voldaan, nu uit de mededeling in het Publikatieblad niet kon worden afgeleid, dat hij er belang bij had te interveniëren. Volgens de derden-opposanten kan uit dit arrest evenwel niet a contrario worden afgeleid, dat de mededeling in het Publikatieblad volstaat om uit te maken, of de derde-opposant "aan het geding had kunnen deelnemen".
20 Overigens kan niet worden verwacht dat een ieder die door een beroep kan worden geraakt, dagelijks serie C van het Publikatieblad leest om zich ervan te vergewissen, of een dergelijk beroep is ingesteld. Wel mag worden aangenomen, dat een partij had kunnen interveniëren in de zin van het Reglement voor de procesvoering, indien het beroep haar "officieel was meegedeeld" of "betekend", wat in casu niet het geval was. Artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG is overigens minder strikt dan het Reglement voor de procesvoering van het Hof, nu het daarin heet, dat elke persoon derdenverzet kan instellen "tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen, waarin zij niet geroepen zijn geweest". Het gaat er dus niet om, te bewijzen, dat de derde-opposant "niet in het hoofdgeding heeft kunnen interveniëren".
21 Volgens de derden-opposanten kan dus voor de beoordeling van de theoretische mogelijkheid voor een derde om in het hoofdgeding te interveniëren, niet worden uitgegaan van de enkele mededeling van het beroep in serie C van het Publikatieblad. Zij zijn in ieder geval van mening, dat zij voldoende hebben aangetoond, dat in casu uit de mededeling geenszins kon worden afgeleid in welk opzicht zij belang zouden hebben bij een interventie. Hiermee erkennen zij evenwel niet, dat zij kennis hadden van de mededeling in het Publikatieblad, maar enkel dat zij, was dit wel het geval geweest, hierin geen reden zouden hebben kunnen vinden om te interveniëren.
22 De Commissie sluit zich aan bij de zienswijze en de argumenten van de derden-opposanten terzake. Zij wil er vooral op wijzen, dat het arrest van het Gerecht van 12 juli 1990 een vernieuwing betekende, waarmee wordt afgeweken van een traditionele en vaste rechtspraak over de gevolgen van de nietigverklaring van een vergelijkend onderzoek, zonder dat deze oplossing tijdens de schriftelijke of de mondelinge behandeling voor het Gerecht is besproken. Zij vraagt zich dus af, of de onmogelijkheid voor verweerster in het hoofdgeding om haar mening omtrent deze omslag in de rechtspraak kenbaar te maken, evenals het feit dat van niemand op de lijst van geschikte kandidaten individueel is nagegaan of zij zich aan het maximum van 800 woorden hebben gehouden, geen schending vormen van het beginsel van hoor en wederhoor. Wat de bewijslast op dit laatste punt betreft, antwoordt de Commissie aan verzoekers in het hoofdgeding, dat zij nimmer het bewijs hebben geleverd, dat ook maar één van de geslaagde kandidaten zich niet aan het maximum van 800 woorden zou hebben gehouden.
23 Verzoekers in het hoofdgeding en de Union Syndicale-Brussel, die in het hoofdgeding aan hun zijde heeft geïntervenieerd, wijzen in de eerste plaats op het uitzonderlijke karakter van de procedure van het derdenverzet. Anders dan de derden-opposanten zijn zij van mening, dat de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het derdenverzet in de rechtspraak duidelijk zijn vastgesteld. Het Hof heeft deze met name in herinnering gebracht in de beschikking op derdenverzet van 22 september 1987 (zaak 292/84 TO, Bolognese/Scharf en Commissie, Jurispr. 1987, blz. 3563). Bovendien is, tegen de bewoordingen in van artikel 97 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat in casu van overeenkomstige toepassing is, het hele betoog van de derden-opposanten gericht op de rechtvaardiging van hun zienswijze dat zij geen belang hadden bij een interventie in het hoofdgeding. Waarom zij aan het hoofdgeding niet hebben kunnen deelnemen, hebben zij evenwel niet uiteengezet.
24 In de tweede plaats stellen verzoekers en interveniënte in het hoofdgeding, dat het aan de derden-opposanten staat om het bewijs te leveren, dat zij niet aan het hoofdgeding konden deelnemen. De derden-opposanten erkennen, dat zij ervan op de hoogte waren, dat het verzoekschrift in het hoofdgeding strekte tot nietigverklaring van "de correctieprocedure met betrekking tot alle schriftelijke proeven, subsidiair van het besluit van de jury om hen niet tot het mondelinge examen toe te laten". Het is dus duidelijk dat zij kennis hadden genomen van de conclusies van het beroep tot nietigverklaring van verzoekers in het hoofdgeding, en zeer goed wisten welke de gevolgen zouden zijn van een toewijzing van het beroep door het Gerecht, zodat zij met kennis van zaken van interventie in het hoofdgeding hebben afgezien.
25 In de derde plaats wijzen zij erop, dat de derden-opposanten naar eigen zeggen het verloop van het door verzoekers in het hoofdgeding aanhangig gemaakte kort geding hebben gevolgd. Daarbij konden zij vaststellen, dat de Commissie weigerde de werkstukken van de tweede schriftelijke proef over te leggen en de raadslieden van de interveniënten toe te staan, de juistheid te onderzoeken van haar bewering dat slechts vijf kandidaten de voor deze proef gestelde grenzen hadden overschreden. Deze onmogelijkheid, waarop de Commissie eerst ter terechtzitting in kort geding nader inging, werd overigens door de president van het Hof in zijn beschikking in kort geding bekritiseerd. De derden-opposanten kunnen dus niet stellen, dat de noodzaak voor de Commissie om het bewijs van haar beweringen te leveren, pas tijdens de mondelinge behandeling in het hoofdgeding was gebleken.
26 Ten slotte stellen verzoekers in het hoofdgeding, dat de derden-opposanten bij de Commissie geen stappen hebben ondernomen om zeker te stellen dat de werkstukken van de tweede schriftelijke proef van het vergelijkend onderzoek werden bewaard en dat de Commissie - en dus ook zijzelf - de gegrondheid van het voornaamste verweermiddel zou kunnen aantonen. Tot staving van hun betoog beroepen zij zich op een hoger rechtsbeginsel, inhoudende dat hij die stelt, moet bewijzen. De derden-opposanten bepalen zich evenwel tot de verklaring, dat zij de voor de tweede schriftelijke proef gestelde grenzen in acht hebben genomen, zonder het bewijs hiervan te leveren.
b) Beoordeling rechtens
27 Artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG, dat ingevolge artikel 46 ervan ook geldt voor de procedure voor het Gerecht, bepaalt dat "de Lid-Staten, de Instellingen van de Gemeenschap en alle andere natuurlijke of rechtspersonen (...), in de gevallen en overeenkomstig de bepalingen vast te stellen in het reglement voor de procesvoering, derdenverzet [kunnen] instellen tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen, waarin zij niet geroepen zijn geweest, indien hun rechten door deze arresten worden geschaad". Een overeenkomstige bepaling komt voor in het Statuut-EGKS (artikel 36) en in het Statuut-EGA (artikel 40).
28 Derdenverzet kan worden ingesteld in de gevallen en onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 97, lid 1, (Zesde hoofdstuk, "Van de buitengewone rechtsmiddelen") van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, waarin voor de ontvankelijkheid van het derdenverzet de voorwaarde wordt gesteld, dat het verzoek bevat: "(...) b) de vermelding van de punten waarop het bestreden arrest de derde-opposant in zijn rechten benadeelt; c) een opgave van de redenen waarom de derde-opposant niet aan het hoofdgeding heeft kunnen deelnemen".
29 Voorts bepaalt artikel 16, lid 6, van dat Reglement: "In het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt een mededeling opgenomen, inhoudende de dag van inschrijving van het inleidend verzoekschrift, de naam en de woonplaats van partijen, het voorwerp van het geding en de conclusies van het verzoekschrift, alsmede aanduiding van de aangevoerde middelen en de voornaamste voorgedragen argumenten."
30 De artikelen 123, lid 1, en 24, lid 6, van het op 1 juli 1991 in werking getreden Reglement voor de procesvoering van het Gerecht bevatten identieke bepalingen.
31 Blijkens deze bepalingen is volgens de gemeenschapswetgever het derdenverzet een buitengewoon rechtsmiddel dat openstaat voor de belanghebbenden die om geldige redenen niet in het hoofdgeding hebben kunnen interveniëren. Het buitengewone en zelfs uitzonderlijke karakter van het derdenverzet berust op de gedachte, dat ter wille van een goede rechtsbedeling en ter wille van de rechtszekerheid zoveel mogelijk moet worden vermeden, dat degenen die belang hebben bij de uitkomst van een voor het Hof of het Gerecht aanhangig geding, dit belang eerst laten gelden nadat de gemeenschapsrechter arrest heeft gewezen en daardoor de rechtsstrijd heeft beslist (arresten Hof van 12 juli 1962, Breedband, reeds aangehaald, blz. 317, en Vloeberghs, reeds aangehaald, blz. 368; beschikkingen Hof van 6 december 1989 in drie verwante zaken, C-147/86 TO 1-3, "Frontistiria", Jurispr. 1989, blz. 4103, r.o. 15).
32 Derhalve kan de belanghebbende die in staat was om aan het hoofdgeding deel te nemen en die heeft verzuimd te interveniëren, geen derdenverzet instellen. Aangezien de mededeling in het Publikatieblad van het voorwerp en de conclusies van het beroep tot doel heeft, derden in kennis te stellen van bij de gemeenschapsrechter aanhangig gemaakte rechtsgedingen, dient de derde aan de hand van deze mededeling te beoordelen, of hij er al dan niet belang bij heeft in het hoofdgeding te interveniëren (zie arrest van 12 juli 1962, Breedband, reeds aangehaald).
33 Indien uit deze mededeling van het voorwerp en de conclusies van het beroep in het hoofdgeding duidelijk blijkt van het belang van de derde bij een interventie, moet deze derde aantonen dat hij om geldige redenen verhinderd was te interveniëren. De subjectieve mening van de belanghebbende derde omtrent de uitkomst van het geding is geen geldige reden om niet aan het hoofdgeding deel te nemen. De derde kan dus niet met recht betogen dat, gelet op wat met betrekking tot het recht en de feiten bekend was op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift, een zorgvuldig justitiabele ervan mocht uitgaan, dat het arrest waarmee het geding zou worden afgesloten, zijn rechten niet zou aantasten.
34 In casu ontkennen de derden-opposanten niet, dat uit de mededeling in het Publikatieblad van 18 juni 1988 (C 159, blz. 5) betreffende het op 25 mei 1988 door A. Albani e.a. tegen de Commissie ingestelde beroep, duidelijk bleek dat de verzoekers opkwamen tegen de gehele correctieprocedure van de schriftelijke proeven van het litigieuze vergelijkend onderzoek. In deze mededeling werden de conclusies van verzoekers immers integraal weergegeven en werd in de samenvatting van de middelen vermeld, dat de jury de kandidaten een maximum aantal woorden had opgelegd en vervolgens, in strijd met het beginsel van gelijke behandeling en het vertrouwensbeginsel, de correctoren andersluidende instructies had gegeven. De derden-opposanten zijn nochtans van mening, dat er twee redenen waren om niet te interveniëren. In de eerste plaats hadden zij zich aan het maximum aantal woorden gehouden, zodat het huns inziens voor de hand lag, dat hun plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten niet zou worden nietig verklaard: dat zij er belang bij hadden te interveniëren, bleek pas toen de Commissie ter terechtzitting verklaarde, dat de werkstukken intussen waren vernietigd. In de tweede plaats achtten de derden-opposanten zich door de vaste rechtspraak van het Hof, dat de nietigverklaring van een algemeen vergelijkend onderzoek uitsluitend gevolgen heeft voor de verzoekers, gesterkt in hun overtuiging dat zij geen belang hadden bij een interventie.
35 Gelet op wat voorafgaat, dient te worden vastgesteld, dat blijkens de tekst van de mededeling in het Publikatieblad de derden-opposanten, die voor het litigieuze vergelijkend onderzoek waren geslaagd, kennelijk belang hadden bij de uitkomst van het hoofdgeding. Hun verklaringen zijn niet van dien aard, dat het bestaan van dit belang in twijfel kan worden getrokken, en evenmin blijkt eruit, dat er geldige redenen waren die hen beletten in het hoofdgeding te interveniëren. Hun betoog is immers gebaseerd op hun eigen verwachting omtrent de uitkomst van het geding, inzonderheid wat de mogelijkheid betreft dat de gemeenschapsrechter hun plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten nietig zou verklaren. Dat de Commissie tijdens de procedure in het hoofdgeding niet het bewijs heeft kunnen leveren van haar stelling, dat de onregelmatigheid die zich in een tussenfase had voorgedaan, het eindresultaat van het vergelijkend onderzoek niet had vervalst, is iets wat zich in elk geding kan voordoen. Dit geldt ook voor de verklaring van de derden-opposanten, dat het arrest van het Gerecht afwijkt van eerdere, vaste rechtspraak van het Hof. Bovendien moet worden opgemerkt, dat de vraag hoever de gevolgen van de nietigverklaring van een algemeen vergelijkend onderzoek zich moeten uitstrekken, door de gemeenschapsrechter in elk concreet geval wordt beoordeeld aan de hand van de aard van de vastgestelde onregelmatigheid.
36 In hun conclusie van antwoord op de opmerkingen van de Commissie stellen de derden-opposanten voorts, dat de mededeling van het beroep in het Publikatieblad op zich niet bepalend kan zijn voor de ontvankelijkheid van het derdenverzet en dat het beroep hun had moeten worden betekend overeenkomstig artikel 39 van 's Hofs Statuut-EEG, waarin het heet, dat alle personen derdenverzet kunnen instellen "tegen de arresten gewezen in rechtsgedingen, waarin zij niet geroepen zijn geweest".
37 Op dit punt heeft het Hof in het kader van de toepassing van het EGKS-Verdrag reeds verklaard - en dit geldt ook voor de toepassing van het EEG-Verdrag -, dat de bewoordingen van artikel 97, paragraaf 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof verenigbaar zijn met het in het Protocol betreffende het Statuut van het Hof vervatte principe inzake derdenverzet, waarvan artikel 97 de uitwerking is (arrest van 12 juli 1962, Breedband, reeds aangehaald). In het Reglement voor de procesvoering, dat slechts de vrijwillige en niet de gedwongen interventie kent (arrest Hof van 10 december 1969, zaak 12/69, Wounerth, Jurispr. 1969, blz. 577, op blz. 584), is niet bepaald, dat het beroep wordt betekend aan elke potentieel belanghebbende derde, maar enkel dat in het Publikatieblad een mededeling wordt opgenomen om derden de gelegenheid te geven zich op de hoogte te stellen van de gedingen die bij de gemeenschapsrechter aanhangig zijn gemaakt. Rekening moet worden gehouden met het specifieke karakter van de communautaire rechtsorde, waarvan de voorschriften zijn gericht tot de nationale autoriteiten, tot natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten, en tot rechtspersonen met hoofdkantoor in de Gemeenschap, en zelfs tot economische subjecten uit een derde land die hun bedrijvigheid uitoefenen in de communautaire ruimte.
38 Uit een en ander volgt, dat het derdenverzet als kennelijk niet-ontvankelijk moet worden afgewezen, zonder dat behoeft te worden nagegaan of het bestreden arrest de derden-opposanten in hun rechten benadeelt.
Beslissing inzake de kostenKosten
39 Volgens het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen. In ambtenarengeschillen evenwel blijven de door de instellingen gemaakte kosten te hunnen laste.
DictumHET GERECHT VAN EERSTE AANLEG (Derde kamer)
beschikt:
1) Het derdenverzet wordt niet-ontvankelijk verklaard.
2) De derden-opposanten zullen hun eigen kosten dragen, alsmede de kosten van verzoekers in het hoofdgeding en van de Union Syndicale-Brussel, interveniënte in het hoofdgeding. De Commissie zal haar eigen kosten dragen.
Luxemburg, 26 maart 1992.
Top