Avis juridique important
Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 30 april 2002. - N tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen. - Hogere voorziening - Ambtenaren - Sociale zekerheid. - Zaak C-181/01 P.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-04075
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Ongeval - Begrip - Fout of aanvaarding van risico - Daarvan uitgesloten
(Ambtenarenstatuut, art. 73; Regeling voor de verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten, art. 2, lid 1)
Samenvatting$$De begrippen aanvaarding van risico of fout komen niet voor in de omschrijving van ongeval in artikel 2, lid 1, van de regeling voor de verzekering van de ambtenaren tegen ongevallen en beroepsziekten. De toepassing ervan op een concreet geval kan dus niet verhinderen dat een van buiten komende gebeurtenis of inwerking als ongeval wordt beschouwd, maar sluit alleen uit dat het gaat om een ongeval in de zin van de verzekeringsregeling bedoeld in artikel 73 van het Statuut.
( cf. punt 21 )
PartijenIn zaak C-181/01 P,
N, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door G. Durazzo, avvocato,
rekwirant,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vijfde kamer) van 13 februari 2001, N/Commissie (T-2/00, Jurambt. blz. I-A-37 en II-135), en strekkende tot vernietiging van dit arrest,
andere partij bij de procedure:
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Currall als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verweerster in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
samengesteld als volgt: F. Macken, kamerpresident, C. Gulmann (rapporteur) en J.-P. Puissochet, rechters,
advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 april 2001, heeft N krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG en de overeenkomstige bepalingen van 's Hofs Statuten-EGKS en -EGA hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 13 februari 2001, N/Commissie (T-2/00, JurAmbt. blz. I-A-37 en II-135; hierna: bestreden arrest"), waarbij het Gerecht in de eerste plaats het door N ingestelde beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende weigering om verzoekers besmetting met het human immunodeficiency virus (hiv) als ongeval in de zin van artikel 73 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen (hierna: Statuut") en artikel 2 van de Regeling voor de verzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen tegen ongevallen en beroepsziekten (hierna: ongevallenregeling") te beschouwen, en in de tweede plaats zijn vordering tot vergoeding van de door hem geleden immateriële schade heeft afgewezen.
Feiten en voorgeschiedenis van het geding
2 De feiten en de voorgeschiedenis van het geding zijn in de punten 10 tot en met 30 van het bestreden arrest uiteengezet als volgt:
10 Verzoeker, ambtenaar bij de Commissie, heeft de administratie bij brief van 9 februari 1996 laten weten, dat recent klinisch onderzoek had aangetoond dat hij was besmet met het human immunodeficiency virus (hiv). Verzoeker heeft als bijlage bij zijn brief een ongevalaangifte van 6 februari 1996 en een medisch attest van dokter Vandercam gevoegd.
11 In die brief vroeg verzoeker, van mening dat zijn besmetting als een ongeval in de zin van artikel 2 van de ongevallenregeling moest worden beschouwd, om toepassing van artikel 73 van het Statuut, alsmede om vergoeding van al zijn ziektekosten op grond van artikel 10 van de ongevallenregeling, of, totdat is vastgesteld dat zijn aandoening is ontstaan door een ongeval, op grond van artikel 72, lid 1, eerste alinea, van het Statuut, inzake bijzonder ernstige ziekten.
[...]
16 Bij beschikking van 4 juni 1996 is aan verzoeker op grond van artikel 72, lid 1, van het Statuut een volledige vergoeding van zijn ziektekosten toegekend.
17 Bij brief van 17 juni 1996 heeft het hoofd van eenheid IX.B.5 [eenheid 5 ,Ziektekosten- en ongevallenverzekering van het directoraat B ,Rechten en verplichtingen, van het directoraat-generaal ,Personeelszaken en Algemeen beheer (DG IX) van de Commissie] verzoeker laten weten diens verzoek om toepassing van artikel 73 van het Statuut niet te kunnen inwilligen.
18 Op 29 augustus 1996 heeft verzoeker een klacht ingediend tegen deze beschikking.
19 Bij brief van 7 november 1996 heeft het tot aanstelling bevoegde gezag verzoeker meegedeeld dat de beschikking van 17 juni 1996 was ingetrokken [...] In die brief werd tevens gemeld dat hem een ontwerp-beschikking zou worden betekend waarin eventueel werd erkend dat de betrokken gebeurtenis was veroorzaakt door een ongeval en dat de door hem ingediende klacht dan geen voorwerp meer zou hebben.
20 Op 18 november 1996 is verzoeker een ontwerpbeschikking gezonden houdende weigering om zijn hiv-besmetting als een ongeval in de zin van artikel 73 van het Statuut en de ongevallenregeling te beschouwen. Deze ontwerpbeschikking was gebaseerd op de bevindingen van dokter Dalem van 18 oktober 1996.
[...]
22 Bij brief van 10 januari 1997 heeft verzoeker verzocht om raadpleging van de medische commissie.
[...]
24 In het rapport van de medische commissie van 4 december 1998 wordt onder meer vastgesteld:
,Aangezien het gaat om vrijwillige seksuele gedragingen tussen meerderjarigen, met het bekende risico van overbrenging van het hiv-virus, zijn twee leden van de medische commissie van mening, dat, ook al is de hiv-besmetting wellicht het gevolg van een gescheurd condoom tijdens passief geslachtsverkeer in februari 1995, deze besmetting medisch gezien om de volgende redenen niet als een ongeval kan worden beschouwd:
- een vrijwillige seksuele handeling kan niet worden aangemerkt als een van buiten komende en plotselinge dan wel gewelddadige of ongewone gebeurtenis of inwerking, waardoor de ambtenaar lichamelijk en/of geestelijk letsel wordt toegebracht". Binnen de problematiek van de seksuele overbrenging van een ziekteverwekker valt alleen verkrachting in deze categorie;
- aangezien [verzoeker] in dezelfde periode ook andere seksuele partners heeft gehad, kan zelfs bij gebruik van een condoom, onmogelijk met zekerheid worden vastgesteld of de huidige aandoening daadwerkelijk (en uitsluitend) het gevolg is van het seksuele contact met de betrokken partner. Een (onopgemerkte of door de patiënt niet gemelde) scheuring van een ander condoom op een ander tijdstip kan immers ook tot de besmetting hebben geleid.
Om de besmetting in verband te kunnen brengen met de gewraakte episode, had in de daaraanvolgende uren een hiv-test moeten worden verricht (die negatief had moeten uitvallen), waarna gedurende minstens drie maanden met regelmatige tussenpozen op seropositiviteit had moeten worden getest. Deze procedure wordt ook gevolgd wanneer iemand per ongeluk met een besmette naald is geïnjecteerd. Aangezien het causaal verband tussen de betrokken gebeurtenis en de hiv-besmetting niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is het a fortiori onmogelijk om deze gebeurtenis als een ongeval" te beschouwen.
25 De medische commissie komt tot de slotsom:
,Na [verzoeker] te hebben gehoord en alle documenten in diens bezit te hebben onderzocht, [...] waaronder de kopieën van verscheidene medische rapporten en brieven aan de behandelend arts, is de medische commissie met een meerderheid van twee van de drie leden (professor N. Clumeck en dokter J. Dalem) van mening dat de aan het hiv te wijten aandoening waaraan [verzoeker] lijdt, niet als een ongeval" kan worden beschouwd. Het betreft een gebeurtenis in de privésfeer als gevolg van vrijwillig geslachtsverkeer tussen volwassenen, evenals de andere seksueel overdraagbare aandoeningen die de patiënt in zijn antecedenten heeft vermeld.
Eén lid van de commissie (Dr. P. Joppart) is van mening dat de hiv-besmetting wel beantwoordt aan de definitie van het begrip ongeval", en het resultaat is van een van buiten komende en plotselinge, of ongewone inwerking waardoor [verzoeker] lichamelijke en geestelijke letsel wordt toegebracht.
[...]
28 Bij brief van 15 maart 1999 deelde het tot aanstelling bevoegd gezag verzoeker mee, de ontwerpbeschikking van 18 november 1996 (hierna: ,bestreden beschikking) als definitief te beschouwen. De conclusies van de medische commissie en haar volledige rapport waren bij deze brief gevoegd.
29 Op 10 juni 1999 heeft verzoeker krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht tegen de bestreden beschikking ingediend. Op 15 juni 1999 dienden verzoekers raadslieden namens hem een klacht in. De Commissie is ervan uitgegaan dat de klacht van 15 juni 1999 een aanvulling vormde op die van 10 juni 1999.
30 Op 22 september 1999 vond een vergadering met ambtenaren van verschillende diensten plaats. Het bezwaar werd verworpen bij op 7 januari 2000 aan verzoeker gezonden besluit."
Het bestreden arrest
3 Bij op 10 januari 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft N het Gerecht verzocht de bestreden beschikking nietig te verklaren en de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de door hem in verband met de bestreden beschikking betaalde artsenhonoraria, alsmede van zijn immateriële schade.
4 In de punten 36 tot en met 70 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring verworpen op onder meer de volgende gronden:
36 Verzoeker voert slechts één middel aan: schending van artikel 2 van de ongevallenregeling. Dit middel valt uiteen in drie onderdelen: in de eerste plaats onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het vereiste causaal verband tussen het schadebrengende feit en de van buiten komende gebeurtenis die tot dit feit heeft geleid, in de tweede plaats onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de omschrijving van de ongevalscriteria en in de derde plaats kennelijk onjuiste beoordeling bij de toepassing van deze criteria. Partijen hebben eveneens opmerkingen ingediend met betrekking tot de uitlegging van het rapport van de medische commissie.
[...]
Het enige middel: schending van artikel 2 van de ongevallenregeling
45 Alvorens nader in te gaan op de verschillende onderdelen van dit middel, moet eerst een uitlegging worden gegeven van het rapport van de medische commissie.
46 Verzoeker stelt in wezen dat het ongeval waarvan hij het slachtoffer is geworden, bestaat in scheuring van een condoom tijdens geslachtsverkeer in februari 1995, waardoor hij in contact is gekomen met door hiv besmet sperma of bloed. In dit verband verklaart hij dat de medische commissie in haar rapport daadwerkelijk heeft aangenomen dat zijn besmetting het gevolg is van scheuring - al dan niet in februari 1995 - van een condoom.
47 Over de omstandigheden van de besmetting van verzoeker zegt de medische commissie in haar rapport:
,Volgens [verzoeker] heeft de hiv-besmetting begin 1995 (waarschijnlijk in februari) plaatsgevonden, toen tijdens passief geslachtsverkeer met een gelegenheidspartner het condoom is gescheurd. De patiënt zegt in hetzelfde tijdvak ook actieve, passieve of orale seksuele contacten te hebben gehad met andere gelegenheidspartners. Bij orale contacten werd niet stelselmatig een condoom gebruikt.
48 Deze informatie werd door de medische commissie ingewonnen tijdens haar vergadering van 11 augustus 1998, toen verzoeker is gehoord inzake de exacte omstandigheden van zijn besmetting. In dit verband is het Gerecht van mening dat er geen aanleiding is tot inwilliging van verzoekers wens om, met name middels getuigen, te mogen bewijzen dat de medische commissie, na zijn verhoor en zijn verklaringen omtrent de omstandigheden van de besmetting, geen rekening heeft gehouden met de onvolledigheid van de aangifte van het ongeval.
49 Tevens vermeldt de medische commissie in haar rapport:
,Aangezien het gaat om vrijwillige seksuele gedragingen tussen meerderjarigen met het bekende risico van overbrenging van het hiv-virus, zijn twee leden van de medische commissie van mening dat, ook al is de hiv-besmetting wellicht het gevolg van een gescheurd condoom tijdens passief geslachtsverkeer in februari 1995, deze besmetting medisch gezien om de volgende redenen niet als een ongeval kan worden beschouwd:
[...]
- aangezien [verzoeker] in dezelfde periode ook andere seksuele partners heeft gehad, kan zelfs bij gebruik van een condoom, onmogelijk met zekerheid worden vastgesteld of de aandoening daadwerkelijk (en uitsluitend) het gevolg is van het seksuele contact met de betrokken partner. De (onopgemerkte of door de patiënt niet gemelde) scheuring van een ander condoom op een ander tijdstip kan immers ook tot de besmetting hebben geleid.
50 Uit deze passages blijkt dat de medische commissie, anders dan verzoeker, niet heeft aangenomen dat slechts een gescheurd condoom de oorzaak van de besmetting zou kunnen zijn, doch dat veeleer ziet als één van de mogelijke oorzaken.
51 In antwoord op verzoekers verslag van de omstandigheden van zijn besmetting, die volgens hem werd veroorzaakt door een in februari 1995 gescheurd condoom, wijst de medische commissie weliswaar op de mogelijkheid van een soortgelijk voorval tijdens een ander seksueel contact, doch dat neemt niet weg dat de exacte omstandigheden van de besmetting tijdens een seksueel contact, volgens de medische commissie, gezien verzoekers seksuele voorgeschiedenis, niet kunnen worden achterhaald.
52 Aangezien de medische commissie niet heeft kunnen vaststellen dat verzoekers besmetting is ontstaan door een oorzaak met het karakter van een ongeval, had de Commissie de juridische beoordeling van deze commissie terecht als volgt bevestigd: ,aangezien het causaal verband tussen de betrokken gebeurtenis en de hiv-besmetting niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is het a fortiori onmogelijk om deze gebeurtenis als een ongeval" aan te merken.
Het eerste onderdeel van het middel: onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het vereiste causaal verband
53 Verzoeker betoogt dat, aangezien de medische commissie heeft aangenomen dat de besmetting het gevolg is van een gescheurd condoom, niet precies behoefde te worden vastgesteld tijdens welk geslachtsverkeer zich iets dergelijks heeft voorgedaan.
54 Hiervoor werd evenwel reeds vastgesteld dat de medische commissie er niet van is uitgegaan dat verzoekers hiv-besmetting noodzakelijkerwijze bij scheuring van een condoom plaatsvond.
55 Aangezien de veronderstelling waarop verzoeker zijn grief baseert onjuist is, slaagt het eerste onderdeel van het middel dus niet.
56 Het eerste onderdeel van het middel moet dan ook worden verworpen.
Het tweede onderdeel van het middel: onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de ongevalscriteria
57 Verzoeker betoogt dat de begrippen aanvaarding van risico en fout in de artikelen 4 en 7 van de ongevallenregeling niets van doen hebben met de omschrijving van ongeval in artikel 2, lid 1, van deze regeling, en dat de medische commissie deze begrippen derhalve in casu niet had mogen hanteren.
58 In haar rapport wijst de medische commissie ook op het feit dat in de onderhavige zaak sprake is van ,vrijwillige seksuele gedragingen tussen meerderjarigen met het bekende risico van overbrenging van het hiv-virus, en verklaart zij dat een ,vrijwillige seksuele handeling niet als een ongeval kan worden beschouwd (zie de relevante passages in punt 24 hierboven).
59 Het is juist dat, zoals verzoeker stelt, de begrippen aanvaarding van risico of fout niet voorkomen in de omschrijving van een ongeval in artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling. Hun toepassing op een concreet geval kan dus niet eraan in de weg staan dat een van buiten komende gebeurtenis of inwerking als ongeval wordt beschouwd, maar sluit enkel uit dat het gaat om een ongeval in de zin van de ongevallenregeling bedoeld in artikel 73 van het Statuut.
60 Nu de medische commissie evenwel heeft vastgesteld dat de exacte omstandigheden van de besmetting niet kunnen worden achterhaald, is bij gebreke van een geïdentificeerd ongeval niet van belang of er sprake is van een risicovolle of opzettelijke gedraging van verzoeker. Verzoekers argument is dus irrelevant.
61 In elk geval vormt het gebruik door de medische commissie van de termen ,aanvaard risico en ,vrijwillige seksuele gedraging een algemene beoordeling, die er enkel toe strekt de door verzoeker aangevoerde vrijwilligheid van het seksueel contact te beklemtonen.
62 Derhalve moet het tweede onderdeel van het middel worden verworpen.
Het derde onderdeel van het middel: kennelijk onjuiste beoordeling bij de toepassing van de ongevalscriteria
63 In zijn memories betoogt verzoeker primair dat het feit dat hij is besmet toen tijdens geslachtsverkeer het condoom is gescheurd, een ongeval in de zin van artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling is. Ter terechtzitting heeft hij evenwel gesteld dat scheuring van een condoom op zichzelf niet kan worden gekwalificeerd als een ongeval in de zin van artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling. Veeleer bestond het ongeval in de combinatie van de scheuring en de besmetting.
64 Zoals reeds werd vermeld, heeft de medische commissie vastgesteld dat onmogelijk kon worden geconcludeerd dat verzoekers hiv-besmetting noodzakelijkerwijze bij scheuring van een condoom plaatsvond.
65 Het argument dat scheuring van een condoom tijdens een seksueel contact voldoet aan de ongevalscriteria in artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling, is dan ook ondeugdelijk."
5 Het Gerecht heeft in de punten 71 tot en met 80 van het bestreden arrest ook verzoekers schadevordering afgewezen.
De hogere voorziening
6 In zijn hogere voorziening, waarin hij vier middelen aanvoert, verzoekt N het Hof om vernietiging van het bestreden arrest en toewijzing van het in eerste aanleg gevorderde.
7 De Commissie concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van N in de kosten van de hogere voorziening.
8 Krachtens artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof een hogere voorziening in geval van niet-ontvankelijkheid of kennelijk ongegrondheid op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
Het eerste middel
9 Het eerste onderdeel van het eerste middel klaagt dat, gelet op de stukken van het dossier, de door het Gerecht in de punten 50 tot en met 52 van het bestreden arrest gegeven uitlegging van het rapport van de medische commissie kennelijk mank gaat aan feitelijk onjuiste conclusies, die de inhoud van dit rapport verdraaien. Anders dan het Gerecht verklaart, blijkt uit het rapport van de medische commissie dat zij elke andere besmettingsoorzaak dan scheuring van een condoom heeft uitgesloten, of het nu gaat om het door N aangegeven geval, dan wel om het door die commissie bedoelde hypothetische geval.
10 In de punten 45 tot en met 52 heeft het Gerecht een uitlegging gegeven van het rapport van de medische commissie, met name om rekwirants stelling te onderzoeken dat de medische commissie daadwerkelijk heeft aangenomen dat zijn besmetting het gevolg is van scheuring - al dan niet in februari 1995 - van een condoom.
11 Het Gerecht heeft dit rapport in die zin uitgelegd dat
- de medische commissie er slechts van uitgaat dat scheuring van een condoom als één van de mogelijke besmettingsoorzaken is te beschouwen, en
- volgens de medische commissie de exacte omstandigheden van de besmetting van rekwirant tijdens seksueel contact, gezien zijn seksuele antecedenten, niet kunnen worden achterhaald.
12 Het verwijt dat het Gerecht met deze uitlegging van de relevante punten van het rapport van de medische commissie, aangehaald in de punten 47 en 49 van het bestreden arrest, de inhoud van het rapport heeft verdraaid, is dan ook zeker niet op zijn plaats.
13 In die omstandigheden moet het eerste onderdeel van het eerste middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
14 In het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt N dat de medische commissie het risico en de waarschijnlijkheid van besmetting bij een oraal contact had moeten vergelijken met het risico en de waarschijnlijkheid van de besmetting bij een contact met penetratie waarbij het condoom scheurt. Het rapport van deze commissie legt geen begrijpelijk verband tussen de medische bevindingen en de eruit getrokken conclusies, zoals volgens de rechtspraak van het Hof vereist is.
15 Voorzover het kritiek bevat op het rapport van de medische commissie, is het middel door rekwirant niet in eerste aanleg opgeworpen en wordt het dus voor het eerst voorgedragen in hogere voorziening.
16 Volgens vaste rechtspraak kunnen nieuwe middelen die niet in eerste aanleg zijn aangevoerd, ingevolge de artikelen 113, lid 2, en 116, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet in hogere voorziening worden voorgedragen (zie met name arrest van 21 juni 2001, Moccia Irme e.a./Commissie (C-280/99 P - C-282/99 P, Jurispr. blz. I-4717, punt 67).
17 Daaruit volgt, dat het tweede onderdeel van het eerste middel niet-ontvankelijk is.
Het tweede middel
18 In het tweede middel betwist rekwirant de juridische juistheid van de door het Gerecht in de punten 57 tot en met 62 van het bestreden arrest gegeven uitlegging van artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling.
19 Volgens rekwirant volgt uit die punten dat het Gerecht wanneer het zou hebben geconstateerd - wat het had behoren te doen - dat het ongeval dat de besmetting veroorzaakte, in het rapport van de medische commissie was geïdentificeerd, dan ook had moeten beslissen dat het feit dat rekwirant vrijwillig een risicovolle seksuele handeling heeft verricht een reden voor uitsluiting van de dekking van de verzekering vormde. Een dergelijke uitlegging kan evenwel niet worden gebaseerd op artikel 4 of artikel 7 van de ongevallenregeling, die beide voorzien in gevallen van uitsluiting van de in artikel 73 van het Statuut bedoelde dekking.
20 Dit middel onderstelt in de eerste plaats dat het eerste middel van de hogere voorziening is geslaagd. Dit is evenwel niet het geval.
21 In de tweede plaats is dit middel gebaseerd op een kennelijk onjuiste lezing van het bestreden arrest. In punt 59 van het bestreden arrest neemt het Gerecht de analyse van rekwirant immers over, door vast te stellen dat de begrippen aanvaarding van risico of fout niet voorkomen in de omschrijving van ongeval in artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling en dat hun toepassing op een concreet geval dus niet kan verhinderen dat een van buiten komende gebeurtenis of inwerking als ongeval wordt beschouwd, maar enkel uitsluit dat het gaat om een ongeval in de zin van de ongevallenregeling bedoeld in artikel 73 van het Statuut.
22 Het Gerecht heeft evenwel, onder verwijzing naar de vaststelling van de medische commissie dat de exacte omstandigheden van de besmetting niet kunnen worden achterhaald, terecht geoordeeld dat het niet van belang was of er sprake was geweest van een risicovolle of opzettelijke gedraging van verzoeker. Ook heeft het Gerecht, anders dan rekwirant stelt, geen antwoord gegeven op de vraag of zijn gedrag een aanleiding vormt voor uitsluiting van de in artikel 73 van het Statuut bedoelde dekking.
23 Het tweede middel moet dus kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het derde middel
24 In zijn derde middel stelt rekwirant dat het Gerecht had moeten antwoorden op de vraag of scheuring van een condoom als een ongeval in de zin van artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling moet worden beschouwd. Onder verwijzing naar het eerste middel, volgens hetwelk het Gerecht de conclusies van de medische commissie heeft verdraaid, betoogt hij dat elke grondslag ontbreekt aan het oordeel in de punten 64 en 65 van het bestreden arrest, dat het argument dat scheuring van een condoom tijdens seksueel contact voldoet aan de ongevalscriteria in artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling ondeugdelijk is.
25 In dit verband volstaat het eraan te herinneren dat, zoals vastgesteld in de punten 11 en 12 van de onderhavige beschikking, het Gerecht het rapport van de medische commissie niet onjuist heeft weergegeven door in punt 51 van het bestreden arrest te oordelen dat de exacte omstandigheden van de besmetting niet meer konden worden achterhaald.
26 Het Gerecht heeft dus terecht geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden, niet behoeft te worden geantwoord op de vraag of scheuring van een condoom tijdens een seksueel contact voldoet aan de in artikel 2, lid 1, van de ongevallenregeling genoemde ongevalscriteria.
27 Het derde middel moet derhalve kennelijk ongegrond worden verklaard.
Het vierde middel
28 Het vierde middel keert zich tegen de afwijzing van de schadevordering door het Gerecht. Rekwirant stelt dat de handelwijze van het tot aanstelling bevoegd gezag en de daarbij begane onregelmatigheden bij hem, al was het alleen maar vanwege de daardoor ontstane vertraging in de afwikkeling van de procedure, meer psychische gevolgen en stress hebben veroorzaakt dan voor een volledig gezond persoon of in een gewoon ambtenarengeschil het geval zou zijn geweest.
29 Uit de rechtspraak van het Hof volgt, dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke argumenten rechtens die vordering specifiek staven (zie beschikking Hof van 11 december 2001, Meyer/Commissie, C-301/00 P, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).
30 Door niet duidelijk te maken waarin de onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht bestond bij de afwijzing van zijn schadevordering, heeft rekwirant niet precies aangegeven tegen welke onderdelen van het bestreden arrest hij zich richt.
31 Derhalve moet het vierde middel kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.
32 Uit het voorgaande volgt dat de hogere voorziening in haar geheel moet worden afgewezen.
Beslissing inzake de kostenKosten
33 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dat reglement op de hogere voorziening van toepassing is, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dat is gevorderd. Aangezien N in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Commissie in de kosten van de onderhavige procedure worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) N wordt verwezen in de kosten.
Top