Avis juridique important
Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 14 oktober 2002. - Catherine Withers tegen Samantha Delaney en Motor Insurers' Bureau of Ireland. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Circuit Court, County of Cork - Ierland. - Zaak C-158/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-08301
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Harmonisatie van wetgevingen - Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen - Richtlijnen 72/166 en 84/5 - Omvang van door verplichte verzekering verleende dekking ten gunste van derden - Verplichte dekking van lichamelijk letsel van inzittende familieleden van verzekeringnemer of bestuurder - Voorwaarden
(Richtlijnen 72/166 en 84/5 van de Raad)
Samenvatting$$Richtlijn 72/166 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, en de Tweede richtlijn (84/5) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen handhaving van een nationale wettelijke regeling volgens welke de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, slechts dekking moet bieden tegen lichamelijk letsel van inzittenden van een voertuig, niet zijnde een groot voertuig voor openbaar vervoer, wanneer het voertuiggedeelte waarin zij worden vervoerd, is ontworpen voor en ingericht met zitplaatsen voor de inzittenden.
( cf. punt 22 en dictum )
PartijenIn zaak C-158/01,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van de Circuit Court, County of Cork (Ierland), in het aldaar aanhangig geding tussen
Catherine Withers
en
Samantha Delaney,
Motor Insurers Bureau of Ireland (MIBI),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103 van blz. 1), en van de Tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet kamerpresident, P. Jann (rapporteur), en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
na de in artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij uitspraak van 9 maart 2001, ingekomen bij het Hof op 17 april daaraanvolgend, heeft de Circuit Court, County of Cork, krachtens artikel 234 EG drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 103, blz. 1; hierna: Eerste richtlijn"), en de Tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: Tweede richtlijn").
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Catherine Withers en Samantha Delaney en de Motor Insurers Bureau of Ireland (hierna: MIBI") over de vergoeding van de schade van Withers als gevolg van het overlijden van haar zoon bij een verkeersongeluk.
De gemeenschapsregeling
3 Artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bepaalt:
Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt. De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld."
4 Blijkens de derde overweging van haar considerans is de Tweede richtlijn vastgesteld teneinde de aanzienlijke verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten betreffende de omvang van deze verzekeringsplicht te verminderen. Daartoe bepaalt artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn dat de in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bedoelde verzekering zowel materiële schade als lichamelijk letsel dekt ten belope van precieze bedragen. Artikel 3 van de Tweede richtlijn bepaalt dat de familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder of van enig ander persoon die bij een ongeval wettelijk aansprakelijk wordt gesteld en daarvoor door de in artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bedoelde verzekering is gedekt, voor wat betreft hun lichamelijk letsel niet op grond van deze verwantschap kunnen worden uitgesloten van het recht op een uitkering.
5 Zoals vermeld in de vijfde overweging van de considerans, is de derde Richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33), vastgesteld ter aanvulling van de in sommige lidstaten bestaande leemten in de dekking van de inzittenden van een motorrijtuig door de verplichte verzekering. Daartoe bepaalt artikel 1 van de Derde richtlijn dat de in artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn bedoelde verzekering de aansprakelijkheid dekt voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer. Volgens artikel 6, lid 2, van de Derde richtlijn diende Ierland uiterlijk 31 december 1995 aan artikel 1 van de richtlijn te voldoen wat betreft andere voertuigen dan motorfietsen.
Het Ierse recht
6 In de verwijzingsuitspraak wordt uitdrukkelijk vermeld dat de in aanmerking te nemen regeling die is welke van kracht was op de datum van het ongeval dat tot het hoofdgeding heeft geleid, namelijk 23 juli 1995.
7 Op die datum bepaalde Section 56 van de Road Traffic Act 1961 (wegenverkeerswet) dat de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, door een verzekering moest worden gedekt.
8 Section 65 van deze Act bepaalde dat voor de wettelijke aansprakelijkheid jegens inzittenden van motorrijtuigen geen verzekering was vereist.
9 Krachtens deze Section kon de bevoegde minister bepaalde voertuigen aanwijzen waarvoor verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid jegens inzittenden wel verplicht is. De minister was echter niet bevoegd om deze verzekeringsplicht uit te breiden tot eender welk deel van een voertuig, uitgezonderd grote voertuigen voor openbaar vervoer, tenzij het betrokken gedeelte is ontworpen voor en ingericht met zitplaatsen voor de inzittenden.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
10 Op 23 juli 1995 kwam Thomas Sheehan, de zoon van mevrouw Withers, om het leven bij een verkeersongeval, toen het door mevrouw Delaney bestuurde voertuig waarin hij zich bevond, van de weg raakte en in een sloot terecht kwam.
11 Dat voertuig was een Citroën C 15 D diesel bestelwagen, die gewoonlijk in Ierland is gestald. Het voertuig had twee zitplaatsen voorin, één voor de bestuurder en één voor de passagier. Thomas Sheehan had plaatsgenomen achter de voorzittingen op een overdekte ruimte zonder zitplaats.
12 Mevrouw Withers heeft namens zichzelf en namens alle rechthebbenden een vordering tot schadevergoeding tegen mevrouw Delaney en MIBI ingesteld. MIBI is een orgaan dat onder bepaalde voorwaarden de schade vergoed van slachtoffers van verkeersongelukken die zijn veroorzaakt door niet of onvoldoende verzekerde of niet-geïdentificeerde bestuurders, voorzover krachtens Section 56 van de Road Traffic Act van 1961 een verzekering verplicht was.
13 Mevrouw Withers heeft gesteld dat de ten tijde van het ongeval geldende Ierse regeling de Eerste en Tweede richtlijn niet juist had omgezet. Van oordeel dat de beslechting van het geschil een vraag van gemeenschapsrecht opwierp, heeft de Circuit Court, County of Cork, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
1) Moeten de bepalingen van de richtlijnen van 24 april 1972 (72/166/EEG) en 30 december 1983 (84/5/EEG) aldus worden uitgelegd dat Ierland op 23 juli 1995 bevoegd was een wettelijke regeling te handhaven [Section 65 van de Road Traffic Act 1961 en de Road Traffic (Compulsory Insurance) Regulations 1962] die niet voorzag in een verzekeringsplicht voor inzittenden die letsel oplopen in een ,deel van een voertuig, uitgezonderd grote voertuigen voor openbaar vervoer, tenzij het betrokken gedeelte is ontworpen voor en ingericht met zitplaatsen voor de inzittenden?
2) Indien het antwoord op de eerste vraag luidt, dat Ierland daartoe niet bevoegd was en dat het op dat punt zijn verplichtingen heeft geschonden, moet Ierland dan schadevergoeding betalen aan eiseres, indien zij van MIBI, het door Ierland krachtens artikel 1, lid 4, van richtlijn 84/5/EEG van de Raad gemachtigde orgaan, geen vergoeding ter zake van de dood van de overledene kan verkrijgen?
3) Indien het antwoord op de eerste vraag luidt, dat Ierland zijn verplichtingen heeft geschonden, kan dan de Cork Circuit Court rechtstreeks een schadevergoeding ten laste van de staat toekennen volgens de Frankovich-rechtspraak, zonder de richtlijn toe te passen op het in gebreke blijvende orgaan van de staat, of is dit uitsluitend mogelijk nadat is vastgesteld dat de richtlijn niet tegen de verwerende partij kan worden ingeroepen (bijvoorbeeld omdat de richtlijn niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking)?"
De prejudiciële vragen
14 Van oordeel dat het antwoord op de eerste prejudiciële vraag duidelijk kan worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof en het onderzoek van de tweede en de derde vraag overbodig maakt, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter in kennis gesteld van zijn voornemen te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 20 van Statuut-EG van het Hof van Justitie verzocht hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen.
15 Mevrouw Withers, MIBI, de Ierse regering en de Commissie hebben binnen de gestelde termijn opmerkingen ingediend. MIBI, de Ierse regering en de Commissie hebben ingestemd met het voornemen van het Hof om bij met redenen omklede beschikking te beslissen. Mevrouw Withers heeft twijfel geuit omtrent de juistheid van deze procedure, gelet op de tweede en de derde vraag die haars inziens moeten worden beantwoord.
De eerste vraag
16 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de Eerste en de Tweede richtlijn aan de lidstaten de bevoegdheid overlaten om de omvang en de voorwaarden van de dekking van inzittenden te regelen.
17 Het Hof heeft in de punten 26 tot en met 32 van het arrest van 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira (C-348/98, Jurispr. blz. I-6711) de verplichtingen gepreciseerd die krachtens deze richtlijnen op de lidstaten rusten.
18 Uit de motivering van dit arrest blijkt dat de lidstaten in het door de Eerste en de Tweede richtlijn vastgestelde kader bevoegd blijven om de omvang van de dekking van passagiers te bepalen, mits zij inzittenden die familieleden zijn van de verzekeringnemer, de bestuurder of enig ander persoon, een bescherming bieden die gelijkwaardig is aan die van andere derden-inzittenden.
19 In punt 32 van het reeds genoemde arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira heeft het Hof dan ook geoordeeld dat artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals gepreciseerd en aangevuld bij de Tweede richtlijn, en artikel 3 van de Tweede richtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat indien het nationale recht van een lidstaat voorziet in de verplichte dekking van het lichamelijke letsel van kosteloos vervoerde derde inzittenden, ongeacht de schuld van de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, het op eendere wijze moet voorzien in de dekking van het lichamelijke letsel van inzittenden die familieleden zijn van de verzekeringnemer of de bestuurder, maar dat indien het nationale recht van een lidstaat daarentegen niet in de dekking van het lichamelijke letsel van derde inzittenden voorziet, die lidstaat volgens artikel 3 van de Tweede richtlijn niet gehouden is die dekking verplicht te stellen voor het lichamelijke letsel van inzittenden die familieleden zijn van de verzekeringnemer of de bestuurder.
20 Ook heeft het Hof erop gewezen dat artikel 1 van de Derde richtlijn de dekking van de door artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn, zoals verduidelijkt en aangevuld bij de Tweede richtlijn, voorgeschreven verplichte verzekering weliswaar heeft uitgebreid tot het lichamelijke letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder (arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, reeds aangehaald, punt 34). Het aan het hoofdgeding ten grondslag liggende ongeval heeft zich evenwel voorgedaan op 23 juli 1995, dus vóór het verstrijken van de omzettingstermijn die in de Derde richtlijn voor Ierland was bepaald, namelijk 31 december 1995. Deze richtlijn kon door particulieren dus niet worden ingeroepen voor de nationale rechter (zie arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira, reeds aangehaald, punt 33).
21 Uit het arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira kan dus duidelijk worden afgeleid, dat de Eerste en de Tweede richtlijn de lidstaten niet dwingen te bepalen dat de dekking van de verplichte verzekering zich uitstrekt tot lichamelijk letsel van inzittenden die worden vervoerd in een gedeelte van een voertuig, dat niet is aangepast voor het vervoer van passagiers op zitplaatsen.
22 In die omstandigheden moet op de eerste vraag worden geantwoord dat de Eerste en de Tweede richtlijn zich niet verzetten tegen handhaving van een nationale wettelijke regeling volgens welke de verplichte verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, slechts dekking moet bieden tegen lichamelijk letsel van inzittenden van een voertuig, niet zijnde een groot voertuig voor openbaar vervoer, wanneer het voertuiggedeelte waarin zij worden vervoerd, is ontworpen voor en ingericht met zitplaatsen voor de inzittenden.
De tweede en de derde vraag
23 Gelet op het antwoord op de eerste vraag, hoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord.
Beslissing inzake de kostenKosten
24 De kosten door de Ierse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer)
beschikt:
Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, en de Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen handhaving van een nationale wettelijke regeling volgens welke de verplichte verzekering van de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, slechts dekking moet bieden tegen lichamelijk letsel van inzittenden van een voertuig, niet zijnde een groot voertuig voor openbaar vervoer, wanneer het voertuiggedeelte waarin zij worden vervoerd, is ontworpen voor en ingericht met zitplaatsen voor de inzittenden.
Top