Ordonnance de la Cour
Zaak C-166/02
Daniel Fernando Messejana Viegas
tegen
Companhia de Seguros Zurich SA en Mitsubishi Motors de Portugal SA
(verzoek van het Tribunal Judicial da Comarca de Alcácer do Sal om een prejudiciële beslissing)
«Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Antwoord dat duidelijk uit rechtspraak kan worden afgeleid – Tweede richtlijn (84/5/EEG) – Verplichte verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Typen wettelijke aansprakelijkheid – Minimumdekkingen»
Beschikking het Hof (Eerste kamer) van 24 juli 2003 I - 0000
Samenvatting van de beschikking
Harmonisatie van wetgevingen – Verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Richtlijn 84/5 – Lidstaat die verschillende typen wettelijke aansprakelijkheid kent – Nationale wettelijke regeling die voor een ervan maximumdekkingen vaststelt die lager liggen dan minimumdekkingen – Ontoelaatbaarheid
(Richtlijn 84/5 van de Raad, art. 1, lid 2)
Artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn (84/5) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, verzet zich tegen een nationale bepaling die voor een van de typen wettelijke aansprakelijkheid waarin het nationale recht voorziet bij ongevallen als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, maximumdekkingen vaststelt die lager liggen dan de in dit artikel voorgeschreven minimumdekkingen.cf. punt 25 en dictum
BESCHIKKING VAN HET HOF (Eerste kamer)
24 juli 2003 (1)
„Artikel 104, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering – Antwoord dat duidelijk uit rechtspraak kan worden afgeleid – Tweede richtlijn 84/5/EEG – Verplichte verzekering wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen – Minimumdekking”
In zaak C-166/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Tribunal Judicial da Comarca de Alcácer do Sal (Portugal), in het aldaar aanhangig geding tussen
D. F. Messejana Viegas
en
Companhia de Seguros Zurich SA, Mitsubishi Motors de Portugal SA, in tegenwoordigheid van: CGU International Insurance plc ─ Agência Geral em Portugal, Instituto de Solidariedade e Segurança Social (ISSS),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann (rapporteur) en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord, de navolgende
Beschikking
1 Bij beschikking van 26 april 2002, ingekomen bij het Hof op 2 mei daaraanvolgend, heeft het Tribunal Judicial da Comarca de Alcácer do Sol krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de Tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17; hierna: Tweede richtlijn).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen Messejana Viegas enerzijds en Companhia Seguros Zurich SA (hierna: Zurich) en Mitsubishi Motors de Portugal SA (hierna: Mitsubishi) anderzijds over de vergoeding van de door hem bij een verkeersongeval geleden schade.
Gemeenschapsrecht
3 Artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB 103, L 1; hierna: Eerste richtlijn) luidt als volgt: Iedere lidstaat treft [...] de nodige maatregelen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt . De dekking van de schade alsmede de voorwaarden van deze verzekering worden in deze maatregelen vastgesteld.
4 Artikel 1, leden 1 en 2, van de Tweede richtlijn bepaalt:
1. De verzekering bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 72/166/EEG dient zowel materiële schade als lichamelijk letsel te dekken.
2. Onverminderd eventueel door de lidstaten voorgeschreven hogere dekkingen, eist iedere lidstaat dat de bedragen waarvoor deze verzekering verplicht is, niet lager zijn dan:
─ voor lichamelijk letsel, 350 000 ECU, ingeval er slechts één slachtoffer is; ingeval er verschillende slachtoffers bij één ongeval zijn betrokken, wordt dit bedrag vermenigvuldigd met hun aantal;
─ voor materiële schade, 100 000 ECU per ongeval, ongeacht het aantal slachtoffers.
In plaats van de bovengenoemde minimumbedragen kunnen de lidstaten een minimumbedrag vaststellen van 500 000 ECU voor lichamelijk letsel ingeval er verschillende slachtoffers zijn bij een zelfde ongeval of een minimumbedrag van 600 000 ECU per ongeval voor lichamelijk letsel en materiële schade tezamen, ongeacht het aantal slachtoffers of de aard van de schade.
5 Artikel 5 van de Tweede richtlijn, zoals gewijzigd bij bijlage I, deel IX, F Verzekeringen, bij de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (PB 1985, L 302, blz. 23, 218; hierna: Toetredingsakte), bepaalt:
1. Uiterlijk 31 december 1987 wijzigen de lidstaten hun nationale bepalingen overeenkomstig deze richtlijn. [...]
2. De aldus gewijzigde bepalingen worden uiterlijk 31 december 1988 toegepast.
3. In afwijking van lid 2:
a) hebben het Koninkrijk Spanje, de Helleense Republiek en de Portugese Republiek tot en met 31 december 1995 de tijd om de dekkingen te verhogen tot de in artikel 1, lid 2, bedoelde bedragen. [...]
De Portugese regeling
6 Krachtens wetsbesluit nr. 522/85 van 31 december 1985 inzake de verplichte aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen ( Diario da República I A nr. 301 van 31 december 1985) moet de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, zijn gedekt door een verzekering die de minimumbedragen van de Tweede richtlijn in acht neemt.
7 Artikel 508, lid 1, van het Portugese Burgerlijk Wetboek bepaalt: De vergoeding bij een verkeersongeval zonder schuld van de aansprakelijke persoon bedraagt ten hoogste: in geval van overlijden of letsel van een enkele persoon, het dubbele van het beloop van de vorderingen waarvoor het Tribunal de Relaçao bevoegd is; in geval van overlijden of letsel van meerdere personen door hetzelfde ongeval, voor elk van hen het dubbele van het beloop van de vorderingen waarvoor het Tribunal de Relaçao bevoegd is, zonder in totaal het zesvoudige te overschrijden van het beloop van de vorderingen waarvoor het Tribunal de Relaçao bevoegd is; in geval van schade aan zaken, ook al behoren zij aan verschillende eigenaren toe, een som gelijk aan het beloop van de vorderingen waarvoor het Tribunal de Relaçao bevoegd is.
8 Het hoofdgeding toepasselijke maximum bedraagt volgens de gegevens van de verwijzende rechter 29 927,88 EUR.
9 Blijkens de bij het Hof ingediende opmerkingen kan het slachtoffer van een verkeersongeval zijn vordering ook baseren op schuldaansprakelijkheid. Het Portugese Burgerlijk Wetboek stelt in dit geval geen beperking aan de vergoeding waarop het slachtoffer aanspraak kan maken.
Het hoofdgeding en de prejudiciële vraag
10 Op 20 maart 2000 liep Messejana Viegas verwondingen op bij een verkeersongeval doordat het voertuig waarin hij zich bevond, slipte.
11 Hij stelt dat hij passagier was en dat de bestuurder van het voertuig een fout heeft gemaakt. Voor het geval dat hij geen fout van de bestuurder kan bewijzen, houdt hij laatstgenoemde aansprakelijk op grond van diens risicoaansprakelijkheid. Op deze grondslag heeft hij Zurich als verzekeraar van de bestuurder gedagvaard voor de verwijzende rechter.
12 Messejana Viegas stelt voorts dat het voertuig een gebrek vertoonde, waarvoor Mitsubishi aansprakelijk is uit hoofde van de aansprakelijkheid voor gebrekkige producten. Op deze basis heeft hij ook Mitsubishi gedagvaard voor de verwijzende rechter.
13 Hij vordert, verweersters te veroordelen tot betaling van schadevergoeding ad 523 737,79 EUR, plus 12 679,44 EUR wegens arbeidsongeschiktheid, schadevergoeding en diverse kosten. Tevens vordert hij vergoeding van alle toekomstige materiële of immateriële schade, en in het bijzonder verstrekking of financiering van alle voor herstel van zijn gezondheid nodige en geschikte hulp, daaronder begrepen de verzorging door derden, alsmede betaling van rente over al deze bedragen.
14 Verweersters betwisten de weergave van de feiten en de vorderingen van Messejana Viegas. Volgens laatstgenoemde is er ondanks de uiteenlopende versies van de omstandigheden van het ongeval op zijn minst sprake van objectieve aansprakelijkheid.
15 Volgens de verwijzende rechter hangt de bepaling van degenen die eventueel aansprakelijk zijn voor de betaling van de door Messejana Viegas gevraagde vergoeding, af van de aan de Tweede richtlijn te geven uitlegging. Hij merkt op dat deze laatste geen onderscheid maakt tussen typen aansprakelijkheden en dat de daarin voorgeschreven minima hoger zijn dan de maximabedragen die artikel 508, lid 1, van het Portugese Burgerlijk Wetboek bepaalt voor de vergoeding van slachtoffers van verkeersongevallen waarin de aansprakelijke persoon geen enkele fout heeft begaan.
De prejudiciële vraag
16 Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, heeft het Hof de verwijzende rechter ervan in kennis gesteld dat het voornemens is overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking, en heeft het de in artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen. Op deze uitnodiging van het Hof hebben alleen de Duitse regering en de Commissie geantwoord. Zij hebben meegedeeld geen opmerkingen te hebben.
17 Blijkens de verwijzingsbeschikking vraagt de verwijzende rechter zich in wezen af of artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn zich verzet tegen een nationale bepaling die voor een van de typen wettelijke aansprakelijkheid waarin het nationale recht voorziet bij ongevallen als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, maximumdekkingen vaststelt die lager liggen dan de in dit artikel voorgeschreven minimumdekkingen.
18 Volgens de Portugese en de Duitse regering beoogt de Tweede richtlijn geen harmonisatie van de wettelijke-aansprakelijkheidsstelsels die in de lidstaten van toepassing zijn op ongevallen die het gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen zijn. De lidstaten zijn alleen gehouden, alle maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de uit een nationaalrechtelijke regeling voortvloeiende wettelijke aansprakelijkheid wordt gedekt door een verzekering die voldoet aan de in de Tweede richtlijn vastgestelde minimumdekkingen. Een lidstaat voldoet aan deze verplichting wanneer hij maatregelen heeft genomen die waarborgen dat de wettelijke aansprakelijkheid bij schuld wordt gedekt door een met de vereisten van de Tweede richtlijn in overeenstemming zijnde verzekering. Indien het slachtoffer zich naar nationaal recht bovendien kan beroepen op een stelsel van risicoaansprakelijkheid, hoeft de daaruit voortvloeiende wettelijke aansprakelijkheid niet noodzakelijkerwijs eveneens te zijn gedekt door een verzekering met dekkingen gelijk aan de bedragen van de Tweede richtlijn.
19 Verzoeker in het hoofdgeding, de Griekse regering en de Commissie menen het tegendeel. Zij erkennen dat de lidstaten bevoegd zijn om het type wettelijke aansprakelijkheid voor ongevallen als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen te kiezen. Zij zijn evenwel op grond van het arrest van 14 september 2000, Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira (C-348/98, Jurispr. blz I-6711), van mening dat wanneer iemand naar nationaal recht voor een dergelijk ongeval wettelijk aansprakelijk kan worden gehouden, deze aansprakelijkheid, ongeacht de aard en grondslag ervan, moet worden gedekt door een verzekering die voldoet aan de vereisten van de Tweede richtlijn.
20 Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in het genoemde arrest Mendes Ferreira en Delgado Correia Ferreira voor recht heeft verklaard dat artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die maximumbedragen vaststelt die lager liggen dan de in die bepaling vastgestelde minimumdekkingen, wanneer de bestuurder van het voertuig die het ongeval heeft veroorzaakt, geen schuld treft en hij enkel op grond van zijn risicoaansprakelijkheid wordt aangesproken.
21 Hieruit volgt dat de gemeenschapswetgever weliswaar niet de keuze van een bepaald type aansprakelijkheid heeft willen voorschrijven, maar zeker wel de dekking van alle wettelijke aansprakelijkheid als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, ongeacht of deze op schuld- of risicoaansprakelijkheid berust. Anders dan de Portugese en de Duitse regering stellen, kunnen de lidstaten die verschillende wettelijke-aansprakelijkheidsstelsels kennen bij verkeersongevallen, de uit de Tweede richtlijn voortvloeiende bescherming dus niet beperken tot een of sommige van deze stelsels, maar deze uitbreiden tot alle stelsels.
22 Elke andere uitlegging ontneemt artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn en artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn hun nuttige werking. Deze werking, die erin bestaat de slachtoffers van verkeersongevallen te beschermen door middel van een verplichte verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid, zou namelijk worden doorkruist wanneer de nationale wetgever de verzekeringsdekking van deze aansprakelijkheid naar eigen goeddunken kon vaststellen.
23 Volgens vaste rechtspraak heeft de verplichting van de nationale rechter om een met een richtlijn strijdige nationale wet buiten toepassing te laten niet tot gevolg, dat hij aan een particulier een door een niet-omgezette richtlijn opgelegde verplichting kan tegenwerpen (zie met name arresten van 14 juli 1994, Faccini Dori, C-91/92, Jurispr. blz. I-3325, punt 20, en 26 september 1996, Arcaro, C-168/95, Jurispr. blz. I-4705, punt 42).
24 Volgens het arrest van 19 november 1991, Francovich e.a (C-6/90 en C-9/90, Jurispr. blz. I-5357, punt 39), zijn de lidstaten krachtens het gemeenschapsrecht gehouden tot vergoeding van de schade die aan particulieren is veroorzaakt doordat een richtlijn niet in nationaal recht is omgezet, mits aan drie voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de richtlijn ertoe strekken, aan particulieren rechten toe te kennen. In de tweede plaats moet de inhoud van die rechten kunnen worden vastgesteld op basis van de bepalingen van de richtlijn. En ten slotte moet er een causaal verband bestaan tussen de schending van de op de staat rustende verplichting en de geleden schade (arrest Faccini Dori, reeds aangehaald, punt 27).
25 Op grond van deze overwegingen dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn zich verzet tegen een nationale bepaling die voor een van de typen wettelijke aansprakelijkheid waarin het nationale recht voorziet bij ongevallen als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, maximumdekkingen vaststelt die lager liggen dan de in dit artikel voorgeschreven minimumdekkingen.
Kosten
26 De kosten door de Portugese, de Duitse en de Griekse regering alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Tribunal Judicial da Comarca de Alcácer do Sal bij beschikking van 26 april 2002 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 1, lid 2, van de Tweede richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, verzet zich tegen een nationale bepaling die voor een van de typen wettelijke aansprakelijkheid waarin het nationale recht voorziet bij ongevallen als gevolg van de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen, maximumdekkingen vaststelt die lager liggen dan de in dit artikel voorgeschreven minimumdekkingen.
Luxemburg, 24 juli 2003.
De griffier
De president van de Eerste kamer
R. Grass
M. Wathelet
1 – Procestaal: Portugees. Top
Full & Egal Universal Law Academy