Avis juridique important
Beschikking van het Hof (Eerste kamer) van 27 februari 2003. - Agence maritime Lalemant NV tegen Malzfabrik Tivoli GmbH, Malteurop GIE en Belgisch Interventie- en Restitutiebureau en Malzfabrik Tivoli GmbH tegen Belgisch Interventie- en Restitutiebureau. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Hof van Cassatie - België. - Artikel104, lid3, van Reglement voor procesvoering - Landbouw - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Begrip verlaten van geografisch grondgebied van Gemeenschap. - Zaak C-82/02.
Jurisprudentie 2003 bladzijde I-02105
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Betalingsvoorwaarden - Goederen die geografisch grondgebied van Gemeenschap verlaten - Begrip
(Verordening nr. 2730/79 van de Commissie, art. 9, lid 1)
Samenvatting$$Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79, dat voor de betaling van de uitvoerrestitutie als voorwaarde stelt dat de goederen in ongewijzigde staat het grondgebied van de Gemeenschap moeten hebben verlaten, moet aldus worden uitgelegd dat de uitdrukking geografisch grondgebied van de Gemeenschap" naar een fysiek begrip verwijst, en dat aan de voorwaarde dat het product waarvoor uitvoerrestituties zijn gevraagd, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moet hebben verlaten, niet wordt voldaan door het product onder douanecontrole of onder de regeling douane-entrepot te plaatsen.
( cf. punt 46 en dictum )
PartijenIn zaak C-82/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Hof van Cassatie (België), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
Agence maritime Lalemant NV
en
Malzfabrik Tivoli GmbH,
Malteurop GIE,
Belgisch Interventie- en Restitutiebureau
en tussen
Malzfabrik Tivoli GmbH
en
Belgisch Interventie- en Restitutiebureau,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 317, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3826/85 van de Commissie van 23 december 1985 (PB L 371, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: M. Wathelet, kamerpresident, P. Jann en A. Rosas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof van plan is overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij een met redenen omklede beschikking,
na de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie te hebben verzocht hun opmerkingen hierover in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 28 februari 2002, binnengekomen bij het Hof op 12 maart daaraanvolgend, heeft het Hof van Cassatie krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten (PB L 317, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3826/85 van de Commissie van 23 december 1985 (PB L 371, blz. 1; hierna: verordening nr. 2730/79").
2 Deze vraag is gerezen in gedingen tussen onder andere de vennootschap Agence maritime Lalemant NV (hierna: Lalemant") en het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau (hierna: BIRB") ter zake van de toekenning van uitvoerrestituties voor in september en oktober 1986 uitgevoerde ladingen mout.
De toepasselijke regeling
De uitvoerrestituties
3 De voor de diverse sectoren van het gemeenschappelijk landbouwbeleid geldende communautaire regeling bepaalt dat, voorzover dit nodig is om de uitvoer van een product mogelijk te maken, het verschil tussen de prijs van dat product op de wereldmarkt en die in de Gemeenschap kan worden gedekt door een restitutie bij uitvoer.
4 Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding was de mogelijkheid van toekenning van een dergelijke restitutie in de graansector voorzien in artikel 16 van verordening (EEG) nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 281, blz. 1).
5 De gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer waren op dat moment te vinden in verordening nr. 2730/79.
6 Volgens de artikelen 3 en 4 van laatstgenoemde verordening moet de exporteur die een uitvoerrestitutie wenst te ontvangen, een aangifte ten uitvoer indienen. De dag van aanvaarding van deze aangifte door de douanedienst wordt aangemerkt als de dag van uitvoer", die beslissend is voor het bepalen van het restitutiebedrag. Voor de toepassing van deze verordening wordt de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer ook aangemerkt als het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer en heeft zij tot gevolg dat de producten onder douanecontrole worden geplaatst tot zij de Gemeenschap verlaten of, eventueel, tot zij hun bestemming hebben bereikt.
De verplichting om de producten buiten het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te brengen
7 De vierde en de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 2730/79 luiden:
Overwegende dat krachtens de door de Raad vastgestelde algemene regels de restitutie wordt uitbetaald wanneer het bewijs is geleverd dat de producten uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd; dat, om een uniforme interpretatie van het begrip ,uitvoer uit de Gemeenschap te verkrijgen, als maatstaf dient te worden genomen het verlaten door het product van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap;
Overwegende dat het, gezien de bijzondere situatie van de gemeente Livigno in Italië, dienstig is mede te beschouwen als het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verlaten hebbende de producten die zijn uitgegaan naar deze gemeente."
8 Artikel 9 van verordening nr. 2730/79 bepaalt:
1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 10, 20 en 26, mag de restitutie slechts worden uitbetaald, wanneer het bewijs wordt geleverd dat het product waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer werden vervuld, uiterlijk binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de dag van vervulling van deze formaliteiten:
- in ongewijzigde staat zijn bestemming heeft bereikt in de in artikel 5 bedoelde gevallen, of
- in ongewijzigde staat het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten in de andere gevallen.
[...]
2. Voor de toepassing van deze verordening:
- worden aangemerkt als het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verlaten hebbende, de producten die uitgegaan zijn naar grondgebieden die, hoewel deel uitmakende van het geografisch grondgebied van een lidstaat, ingedeeld zijn bij het douanegebied van een derde land; worden echter niet beschouwd als het geografisch grondgebied van de Gemeenschap verlaten hebbende, de producten welke verzonden werden naar een grondgebied dat, hoewel deel uitmakend van het geografisch grondgebied van een derde land, ingedeeld is bij het douanegebied van de Gemeenschap,
- wordt het grondgebied van de gemeente Livigno beschouwd als geen deel uitmakende van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap,
- wordt het grondgebied van de Canarische eilanden, Ceuta en Melilla beschouwd als geen deel uitmakende van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap,
- worden leveranties van boordproviand aan platforms als bedoeld in artikel 19 ter, lid 1, sub a, in alle gevallen geacht het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten."
9 Artikel 10 van verordening nr. 2730/79 omschrijft een aantal omstandigheden waarin de exporteur niet alleen moet aantonen dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten, maar ook dat het in een derde land is ingevoerd. Artikel 20 van deze verordening, dat van toepassing is op naar bestemming gedifferentieerde restituties, bepaalt dat het bewijs moet worden geleverd dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik in het derde land zijn vervuld. Artikel 26 van deze verordening, dat betrekking heeft op producten bestemd voor de bevoorrading van zeeschepen en luchtvaartuigen, voorziet in de mogelijkheid dat de lidstaten het netto restitutiebedrag aan de exporteur voorschieten wanneer wordt voldaan aan bepaalde bijzondere voorwaarden, waaronder die dat de producten zijn opgeslagen in onder douanetoezicht staande bevoorradingsdepots.
De vooruitbetaling van uitvoerrestituties
10 Artikel 2 van verordening nr. 2730/79 bepaalt dat de verordening van toepassing is onverminderd de communautaire bepalingen inzake het stelsel van uitbetaling vooraf van de restituties.
11 Ten tijde van de feiten van het hoofdgeding werd deze materie geregeld door verordening (EEG) nr. 565/80 van de Raad van 4 maart 1980 betreffende de vooruitbetaling van de uitvoerrestituties voor landbouwproducten (PB L 62, blz. 5), en verordening (EEG) nr. 798/80 van de Commissie van 31 maart 1980 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de vooruitbetaling van uitvoerrestituties en positieve monetaire compenserende bedragen voor landbouwproducten (PB L 87, blz. 42).
12 Gelijk in de vijfde overweging van de considerans van verordening nr. 565/80 wordt gepreciseerd, laat de betaling van een bedrag dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie, de voorwaarden voor de vaststelling van het recht op een dergelijke restitutie geheel onverlet.
13 Op grond van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 565/80 wordt aan de exporteur, op zijn verzoek, een bedrag betaald dat gelijk is aan de uitvoerrestitutie zodra de producten of goederen onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn.
14 In dat geval moet de exporteur overeenkomstig verordening nr. 798/80 een vooruitbetalingsaangifte indienen en een waarborg stellen om te garanderen dat de in de geldende regeling bepaalde termijnen in acht worden genomen en dat de verschuldigde bedragen worden terugbetaald wanneer het bedrag van de restitutie waarop de exporteur recht heeft, lager is dan het vooraf betaalde bedrag.
15 Volgens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 798/80 bedraagt de termijn gedurende welke de producten of goederen onder het stelsel van douane-entrepot of van vrije zones kunnen blijven, 6 maanden vanaf de datum waarop de vooruitbetalingsaangifte wordt aanvaard. Artikel 11, lid 3, van deze verordening bepaalt onder meer dat de producten of goederen het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moeten verlaten binnen 60 dagen na de dag waarop zij niet langer onderworpen zijn aan het stelsel bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 565/80.
De hoofdgedingen en de prejudiciële vraag
16 Blijkens het verwijzingsarrest heeft de Franse vennootschap Malteurop GIE (hierna: Malteurop") Lalemant gecontacteerd om de nodige formaliteiten te verrichten en de verscheping van ladingen mout bestemd voor Algerije vanuit Antwerpen (België) te verzorgen.
17 Op 23 juni 1986 heeft Malteurop Lalemant gemeld dat 1 000 ton moest worden verscheept. In een in het Frans gestelde brief vroeg zij haar om in naam van de Duitse vennootschap Malzfabrik Tivoli GmbH (hierna: Tivoli") ten laatste op 30 juni 1986 een douane-entrepot te plaatsen" van 1 000 ton mout.
18 Op 27 juni 1986 werden de douaneformaliteiten vervuld door middel van de opstelling van een T5-document voor de uitvoer van 1 000 ton mout.
19 Een aantal ladingen mout heeft het geografisch grondgebied van de Gemeenschap pas op 19 september 1986 (450 ton) en 4 oktober 1986 (150 ton) verlaten, dat wil zeggen meer dan 60 dagen na de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer.
20 Op 20 januari 1987 heeft Lalemant namens Tivoli een aanvraag voor uitvoerrestituties ingediend. Deze restituties zijn betaald.
21 Na een door de Duitse autoriteiten ingesteld onderzoek, waarbij was vastgesteld dat 600 ton mout meer dan 60 dagen na het vervullen van de douaneformaliteiten bij uitvoer het geografisch grondgebied van de Gemeenschap had verlaten, heeft de Belgische Staat, in de persoon van de voor de restituties verantwoordelijke dienst waarvan de BIRB de rechtsopvolger is, tegen Lalemant en Tivoli twee rechtsvorderingen tot terugbetaling van de restituties ingesteld, één voor een bedrag van 1 193 973 BEF en één voor een bedrag van 3 581 919 BEF. Lalemant heeft Malteurop gedagvaard in tussenkomst en vrijwaring, terwijl Tivoli een vordering in vrijwaring tegen Lalemant heeft ingesteld.
22 In het kader van het onderzoek van de hoofdgedingen en, meer in het bijzonder, van het middel van Lalemant dat in een douane-entrepot geplaatste goederen moeten worden geacht het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79, heeft het Hof van Cassatie het nodig geacht het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen:
Moet artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer van landbouwproducten, aldus worden uitgelegd dat goederen die naar derde landen worden uitgevoerd en waarvoor de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, geacht moeten worden het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten bij het daadwerkelijk verlaten van het grondgebied van de Gemeenschap dan wel wanneer zij in een douane-entrepot worden geplaatst?"
De prejudiciële vraag
23 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 aldus kan worden uitgelegd dat de uitdrukking geografisch grondgebied van de Gemeenschap" naar een fysiek begrip verwijst, of dat aan de voorwaarde dat het product waarvoor exportrestituties zijn gevraagd, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moet hebben verlaten, is voldaan wanneer het product in een douane-entrepot is geplaatst.
24 Van oordeel dat het antwoord op deze vraag geen enkele ruimte voor redelijke twijfel overlaat, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechterlijke instantie laten weten dat het van plan is, bij een met redenen omklede beschikking te beslissen en heeft het de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van het Statuut-EG van het Hof van Justitie verzocht hun eventuele opmerkingen daarover in te dienen. Alleen Lalemant en de BIRB, partijen in het hoofdgeding, alsmede de Commissie hebben op dit verzoek van het Hof geantwoord dat zij daarover geen opmerkingen hadden.
Bij het Hof ingediende opmerkingen over de prejudiciële vraag
25 Lalemant stelt dat de prejudiciële vraag aldus moet worden beantwoord dat goederen die onmiddellijk na de vervulling van de douaneformaliteiten in een douane-entrepot zijn geplaatst in afwachting van hun verscheping naar een derde land, moeten worden geacht op het moment van deze plaatsing in een douane-entrepot het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79.
26 Lalemant verwijst naar het arrest van 22 oktober 1987, Ierland/Commissie (337/85, Jurispr. blz. 4237), waarin het Hof zou hebben geoordeeld dat wanneer over zee uitgevoerde goederen in een andere haven van de Gemeenschap dan die van inlading moeten worden overgeslagen, voor de betaling van de uitvoerrestituties de eerste inladingshaven moet worden aangemerkt als de haven waaruit de goederen het geografisch grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten in de zin van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79, en concludeert hieruit dat het product niet alleen bij het fysiek verlaten van het grondgebied, maar eveneens bij het vervullen van de in de artikelen 3 en 4 van de verordening genoemde formaliteiten bij uitvoer moet worden geacht het geografisch grondgebied van de Gemeenschap te hebben verlaten.
27 Dit zou het geval zijn wanneer producten in afwachting van hun verzending naar een derde land onmiddellijk in een douane-entrepot zijn geplaatst. Deze producten verliezen dan immers hun status van gemeenschapsgoederen en bevinden zich niet langer in het vrije verkeer binnen de gemeenschappelijke markt. Zij kunnen met name slechts bepaalde behandelingen ondergaan (arrest van 20 april 1983, Commissie/Nederland, 49/82, Jurispr. blz. 1195), hetgeen het plaatsen in een douane-entrepot onderscheidt van het loutere plaatsen onder douanecontrole in de zin van artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2730/79.
28 Deze uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 zou worden bevestigd door artikel 5 van verordening nr. 565/80, volgens hetwelk een restitutie vooraf kan worden betaald voor producten of goederen die, met het oog op uitvoer binnen een bepaalde termijn, onder het stelsel van douane-entrepots of vrije zones zijn gebracht, alsmede door artikel 11, lid 3, van verordening nr. 798/80, waarin wordt bepaald dat de producten of goederen binnen 60 dagen na de dag waarop zij niet langer onderworpen zijn aan het stelsel bedoeld in artikel 5 van verordening nr. 565/80, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moeten verlaten.
29 De BIRB, de Italiaanse regering en de Commissie zijn daarentegen van mening, dat artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 verlangt dat de producten het geografisch grondgebied van de Gemeenschap daadwerkelijk hebben verlaten.
30 Zij stellen namelijk dat verordening nr. 2730/79 verwijst naar het fysieke begrip geografisch grondgebied, en niet naar het juridische begrip douanegebied. Zij verwijzen hiervoor naar de vierde overweging van de considerans van deze verordening.
31 Zij merken op dat die verordening uitdrukkelijk voorziet in uitzonderingen op de inaanmerkingneming van het geografisch grondgebied, zoals de plaatsing in onder douanecontrole staande entrepots met het oog op de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen, het vertrek van producten naar grondgebieden die, hoewel zij deel uitmaken van het geografisch grondgebied van een lidstaat, zijn ingedeeld bij het douanegebied van een derde land, of het geval van het grondgebied van de gemeente Livigno, die zich in Italië bevindt, maar waarvoor een bijzondere douaneregeling geldt.
32 Huns inziens had de gemeenschapswetgever op dezelfde wijze een specifieke bepaling moeten vaststellen om het begrip geografisch grondgebied te kunnen gelijkstellen met dat van douanegebied. De BIRB wijst er in dit verband op, dat indien die wetgever had gewild dat de plaatsing onder douanecontrole werd gelijkgesteld met het verlaten van het grondgebied, hij de verkrijging van uitvoerrestituties eenvoudigweg afhankelijk had gesteld van de aanvaarding door de douane van de aangifte ten uitvoer.
33 De Commissie preciseert dat de uitlegging dat de producten het geografisch grondgebied van de Gemeenschap fysiek moeten hebben verlaten, wordt bevestigd door de artikelen 10 tot en met 12 van verordening nr. 2730/79 alsmede door het arrest van 12 december 1985, Metelmann (276/84, blz. 4057). Dit arrest betrof een product dat na de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer in een douane-entrepot was geplaatst, aldaar in andere eenheden was omgepakt en daarna het geografisch grondgebied van de Gemeenschap had verlaten. Dit arrest zou er niet de minste twijfel over laten bestaan dat artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 verlangt dat het product het geografisch grondgebied van de Gemeenschap daadwerkelijk heeft verlaten en niet slechts in een douane-entrepot is geplaatst.
34 De BIRB zet voorts uiteen dat voor de verwijzende rechter ten onrechte is gesuggereerd dat de goederen onder de regeling douane-entrepot zijn geplaatst. Er is immers geen aangifte voor opslag gedaan. Voor de goederen is alleen door middel van een uitvoerdocument EX69 een aangifte ten uitvoer gedaan, waarna zij onder douanecontrole zijn geplaatst en, in afwachting van een schip, voorlopig zijn opgeslagen in een graansilo.
Beoordeling door het Hof
35 In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de in artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 gestelde voorwaarde dat de goederen het geografisch grondgebied van de Gemeenschap hebben verlaten, verwijst naar een fysiek begrip, en niet naar het juridische begrip douanegebied.
36 Deze uitlegging wordt bevestigd door de vierde overweging van de considerans van verordening nr. 2730/79, waarin wordt gepreciseerd dat het begrip geografisch grondgebied wordt gebruikt om een uniforme uitlegging van het begrip uitvoer uit de Gemeenschap" te verkrijgen.
37 Dit is overigens de enige uitlegging die zin geeft aan de preciseringen in artikel 9, lid 2, en in de vijfde overweging van de considerans van de verordening, betreffende de verschillende omstandigheden waarin de begrippen geografisch grondgebied en douanegebied elkaar niet dekken.
38 In de tweede plaats moet worden beklemtoond dat de plaatsing van goederen onder douanecontrole niet kan worden gelijkgesteld met het verlaten van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap. Indien dit wel het geval was, zou de voorwaarde van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 geen bestaansreden hebben en zouden de uitvoerrestituties kunnen worden verkregen, zodra de in deze verordening bedoelde formaliteiten bij uitvoer zijn vervuld.
39 Deze uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 wordt bevestigd door artikel 26 van deze verordening, dat betrekking heeft op bevoorradingsproducten en expliciet de bijzondere omstandigheden noemt waarin de plaatsing van dergelijke producten in onder douanetoezicht staande ruimten, de vooruitbetaling van uitvoerrestituties mogelijk maakt.
40 Deze uitlegging is niet in strijd met het reeds aangehaalde arrest Ierland/Commissie. Het geschil dat aanleiding heeft gegeven tot dit arrest, speelde zich namelijk af in de bijzondere context van verscheping, die in bepaalde omstandigheden noodzakelijk is en waaromtrent het Comité communautair douanevervoer in een advies van 1973 het begrip verlaten van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap had gepreciseerd.
41 In de derde plaats zij eraan herinnerd dat, voorzover de vraag van de plaatsing van de goederen onder de regeling douane-entrepot relevant is in het hoofdgeding zoals dit door de verwijzende rechter is beschreven, de bepalingen die ten tijde van de feiten van het hoofdgeding van toepassing waren ter zake van uitvoerrestituties, in twee verschillende regelingen voorzien. De exporteur kan de goederen rechtstreeks uitvoeren, overeenkomstig verordening nr. 2730/79, of hij kan ze uitvoeren na ze eerst onder de regeling douane-entrepot te hebben opgeslagen, overeenkomstig artikel 5 van verordening nr. 565/80.
42 Wanneer de exporteur restituties voor rechtstreekse uitvoer wil verkrijgen, moet hij een aangifte ten uitvoer indienen en de goederen onder douanecontrole plaatsen, waar zij maximaal 60 dagen mogen blijven. Wil de exporteur vooruitbetaling van de restituties verkrijgen voor goederen die, voorafgaande aan de uitvoer, worden opgeslagen, dan moet hij een vooruitbetalingsaangifte indienen en de goederen onder de regeling douane-entrepot brengen, waar zij maximaal 6 maanden mogen blijven, zodat de exporteur binnen deze termijn de formaliteiten bij uitvoer moet vervullen en de goederen binnen 60 dagen daarna moet uitvoeren.
43 Uit het samenstel van deze twee regelingen blijkt dat de exporteur die de douaneformaliteiten bij uitvoer in de zin van verordening nr. 2730/79 heeft vervuld, zich definitief heeft verbonden om de goederen uit te voeren binnen 60 dagen na de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer en nadien niet meer kan kiezen voor de in verordening nr. 565/80 neergelegde regeling van vooruitbetaling van restituties na opslag van de goederen onder de regeling douane-entrepot.
44 Een plaatsing onder de regeling douane-entrepot met het oog op het verkrijgen van vooruitbetaling van de restituties, gelijk in artikel 5 van verordening nr. 565/80 is voorzien, kan dus alleen plaatsvinden in een fase voorafgaand aan de vervulling van de douaneformaliteiten bij uitvoer en voorzover een vooruitbetalingsaangifte is ingediend.
45 Hieruit volgt dat de door Lalemant voorgestelde uitlegging van artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79, volgens welke aan de voorwaarde van het verlaten van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap wordt voldaan door het product onder de regeling douane-entrepot te plaatsen, kennelijk onjuist is.
46 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat artikel 9, lid 1, van verordening nr. 2730/79 aldus moet worden uitgelegd dat de uitdrukking geografisch grondgebied van de Gemeenschap" naar een fysiek begrip verwijst en dat aan de voorwaarde dat het product waarvoor uitvoerrestituties zijn gevraagd, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moet hebben verlaten, niet wordt voldaan door het product onder douanecontrole of onder de regeling douane-entrepot te plaatsen.
Beslissing inzake de kostenKosten
47 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Cassatie bij arrest van 28 februari 2002 gestelde prejudiciële vraag, verklaart voor recht:
Artikel 9, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwproducten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3826/85 van de Commissie van 23 december 1985, moet aldus worden uitgelegd dat de uitdrukking geografisch grondgebied van de Gemeenschap" naar een fysiek begrip verwijst en dat aan de voorwaarde dat het product waarvoor uitvoerrestituties zijn gevraagd, het geografisch grondgebied van de Gemeenschap moet hebben verlaten, niet wordt voldaan door het product onder douanecontrole of onder de regeling douane-entrepot te plaatsen.
Top