Avis juridique important
Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 12 februari 2003. - Office national de l'emploi tegen Mohamed Alami. - Verzoek om een prejudiciële beslissing: Cour de cassation - België. - Artikel 104, lid 3, van Reglement voor de procesvoering - Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - Artikel 41 - Beginsel van non-discriminatie op gebied van sociale zekerheid - Draagwijdte - Werkloosheidsuitkering. - Zaak C-23/02.
Jurisprudentie 2003 bladzijde I-01399
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Internationale overeenkomsten - Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko - Marokkaanse werknemers die werkzaam zijn in lidstaat - Sociale zekerheid - Gelijke behandeling - Weigering, anciënniteitstoeslag op werkloosheidsuitkering toe te kennen aan werkloos Marokkaans onderdaan op grond van ontbreken van internationale overeenkomst die voorziet in inaanmerkingneming van in andere lidstaten vervulde tijdvakken van arbeid - Ontoelaatbaarheid
(Samenwerkingsovereenkomst EEG-Marokko, art 41, lid 1)
Samenvatting$$Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en Marokko, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van ontvangst een op zijn grondgebied wonende werknemer van Marokkaanse nationaliteit een anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering weigert op de enkele grond dat geen internationale overeenkomst voorziet in de inaanmerkingneming van de tijdvakken van arbeid die de betrokkene in een andere lidstaat heeft vervuld, terwijl die voorwaarde niet wordt gesteld aan de werknemers-onderdanen van de lidstaat van ontvangst.
Deze bepaling, die rechtstreekse werking heeft zodat de justitiabelen op wie zij van toepassing is, er zich voor de nationale rechter op kunnen beroepen, formuleert namelijk het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid tussen migrerende Marokkaanse werknemers alsmede de bij hen woonachtige gezinsleden en de eigen onderdanen van de lidstaten waarin zij werkzaam zijn of waren. Dit verbod betekent dat personen die binnen de werkingssfeer van deze bepaling van de Samenwerkingsovereenkomst vallen, aanspraak kunnen maken op socialezekerheidsuitkeringen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat van ontvangst, zonder dat de wetgeving van deze staat hun bijkomende of strengere voorwaarden mag opleggen dan voor de eigen onderdanen gelden. Bijgevolg is niet alleen toepassing van het vereiste van het bezit van de nationaliteit van de betrokken lidstaat op de in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst bedoelde personen onverenigbaar met dit verbod, maar ook de toepassing van iedere andere niet aan de eigen onderdanen opgelegde voorwaarde, zoals de in een nationale regeling inzake de anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering bepaalde voorwaarde dat voor vreemde en staatloze werknemers de in het buitenland verrichte arbeid alleen in aanmerking wordt genomen in het geval van het bestaan van een internationale overeenkomst.
(cf. punten 22, 30-33, 41 en dictum)
PartijenIn zaak C-23/02,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 234 EG van het Hof van Cassatie (België), in het aldaar aanhangig geding tussen
Rijksdienst voor arbeidsvoorziening
en
Mohamed Alami,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: R. Schintgen (rapporteur), kamerpresident, V. Skouris en N. Colneric, rechters,
advocaat-generaal: S. Alber,
griffier: R. Grass,
na de verwijzende rechterlijke instantie ervan in kennis te hebben gesteld dat het Hof voornemens is, overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering te beslissen bij met redenen omklede beschikking,
na de in artikel 20 van het Statuut van het Hof van Justitie bedoelde belanghebbenden te hebben verzocht, hun eventuele opmerkingen dienaangaande in te dienen,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij arrest van 6 november 2000, ingekomen ter griffie van het Hof op 31 januari 2002, heeft het Hof van Cassatie krachtens artikel 234 EG een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1; hierna: Samenwerkingsovereenkomst").
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de Belgische Rijksdienst voor arbeidsvoorziening (hierna: RVA") en Alami, een Marokkaans onderdaan, over de weigering om laatstgenoemde een werkloosheidsuitkering toe te kennen.
Rechtskader
De overeenkomst
3 Artikel 41 van de Samenwerkingsovereenkomst, dat deel uitmaakt van titel III ervan, samenwerking op het gebied van de arbeidskrachten", bepaalt:
1. Behoudens het bepaalde in de onderstaande leden vallen de werknemers van Marokkaanse nationaliteit en de bij hen woonachtige gezinsleden op het gebied van de sociale zekerheid onder een regeling die wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen deze werknemers en de eigen onderdanen van de lidstaten waar zij werkzaam zijn.
2. Deze werknemers komen in aanmerking voor samentelling van de tijdvakken van verzekering, van arbeid of van woonplaats die zij in de verschillende lidstaten vervuld hebben, voor wat betreft de ouderdoms-, invaliditeits- en overlevingspensioenen en -renten alsmede de gezondheidszorg voor de werknemer en zijn binnen de Gemeenschap woonachtig gezin.
3. Deze werknemers komen in aanmerking voor gezinsbijslagen voor de leden van hun gezin die binnen de Gemeenschap woonachtig zijn.
4. Deze werknemers mogen ouderdoms- en overlevingspensioenen en -renten, pensioenen en renten wegens arbeidsongevallen of beroepsziekten en invaliditeitspensioenen en -renten ingevolge arbeidsongevallen of beroepsziekten, vrij overmaken naar Marokko tegen die koers die geldt krachtens de wetgeving van de lidstaat of de lidstaten die de desbetreffende bedragen moeten betalen.
[...]"
De nationale regeling
4 In België wordt krachtens artikel 126 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (Belgisch staatsblad van 31 december 1991, blz. 29888, hierna: Koninklijk Besluit") het basisdagbedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 114 van dit besluit verhoogd met een anciënniteitstoeslag indien de werkloze aan bepaalde voorwaarden voldoet.
5 Aldus moet de betrokkene met name:
- volledig werkloos zijn;
- op de laatste dag van de betrokken maand de leeftijd van 50 jaar hebben bereikt, en
- 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende bewijzen in de zin van artikel 114, § 4, van het Koninklijk Besluit.
6 Artikel 70, § 1, van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering (Belgisch staatsblad van 25 januari 1992, blz. 1593) luidt:
Voor de toepassing van artikel 114, § 4 van het Koninklijk Besluit, wordt verstaan onder beroepsverleden als loontrekkende:
1 de arbeidsdagen bedoeld in artikel 37 van het Koninklijk Besluit [...];
2 de gelijkgestelde dagen bedoeld in artikel 38 van het Koninklijk Besluit, met uitzondering van de dagen van volledige werkloosheid. [...]"
7 Titel II, De werkloosheidsvergoeding", hoofdstuk II, Toelaatbaarheidsvoorwaarden", afdeling 1, Wachttijd", onderafdeling 3 Arbeids- en gelijkgestelde dagen", van het Koninklijk Besluit omvat de artikelen 37 en 38.
8 Artikel 37, § 2, van het Koninklijk Besluit luidt:
De in het buitenland verrichte arbeid komt in aanmerking wanneer hij verricht werd in een dienstbetrekking die in België aanleiding zou geven tot inhoudingen voor de sociale zekerheid, met inbegrip van de sector werkloosheid."
9 Artikel 38, § 2, van het Koninklijk Besluit luidt:
De dagen waarop de werknemer niet in staat is geweest zijn arbeid in het buitenland te verrichten ten gevolge van een situatie bedoeld in § 1, komen in aanmerking voorzover zij in België als gelijkgestelde dagen zouden worden beschouwd."
10 In dezelfde titel II, hoofdstuk II, van het Koninklijk Besluit bepaalt artikel 43 van afdeling 3, Vreemde en staatloze werknemers", met name:
De artikelen [...] 37, § 2 en 38, § 2, zijn slechts toepasselijk binnen de grenzen van een internationale Overeenkomst. [...]"
Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen
11 Blijkens het dossier in het hoofdgeding is Alami een migrerende Marokkaanse werknemer, woonachtig in België waar hij werkloosheidsuitkeringen ontvangt.
12 Na de leeftijd van 50 jaar te hebben bereikt, heeft betrokkene verzocht om de anciënniteitstoeslag krachtens artikel 126 van het Koninklijk Besluit.
13 Bij beslissing van 12 oktober 1993 heeft de RVA dit verzoek afgewezen omdat Alami geen 20 jaar beroepsverleden als loontrekkende in de zin van artikel 114, § 4, van het Koninklijk Besluit had aangetoond, zoals artikel 126 vereist. In België had hij namelijk niet lang genoeg gewerkt en zijn arbeid in Frankrijk - ook in loondienst - kon niet in aanmerking worden genomen omdat er geen internationale overeenkomst terzake was, zoals uitdrukkelijk vereist door artikel 43, § 1, van dit besluit.
14 Alami heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank te Luik (België).
15 De Arbeidsrechtbank, die ambtshalve de vraag van de toepasselijkheid van de Samenwerkingsovereenkomst heeft opgeworpen, heeft dit beroep evenwel verworpen. Blijkens het vonnis van 25 mei 1998 wordt de samentelling van tijdvakken van verzekering of arbeid in geval van werkloosheid, waarin artikel 41, lid 2, van de Samenwerkingsovereenkomst niet voorziet, naar zijn oordeel evenmin vereist door het non-discriminatiebeginsel op het gebied van de sociale zekerheid, neergelegd in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst.
16 Alami heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het Arbeidshof te Luik (België), dat bij arrest van 19 november 1999 het in eerste aanleg gewezen vonnis heeft herzien. Het verklaarde dat de anciënniteitstoelage in een geval zoals dat in het hoofdgeding, waarin de werknemer zich voor verkrijging van de toeslag in België beroept op arbeid verricht in een andere lidstaat, kan worden verleend op de enkele basis van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 31 januari 1991, Kziber (C-18/90, Jurispr. blz. I-199). Artikel 41, lid 2, van de Samenwerkingsovereenkomst betreft weliswaar niet de samentelling van de tijdvakken van verzekering of arbeid in verschillende lidstaten ten behoeve van werkloosheidsuitkeringen, maar het in lid 1 van dit artikel bepaalde discriminatieverbod op het gebied van sociale zekerheid biedt in casu een afdoende grondslag om de arbeid van Alami in een andere lidstaat- ongeacht het bestaan van een internationale overeenkomst terzake - voor de verkrijging van de anciënniteitstoeslag in aanmerking te nemen onder dezelfde voorwaarden als voor de onderdanen van de lidstaat van ontvangst gelden.
17 In het tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep betoogt de RVA in wezen dat de anciënniteitstoeslag volgens artikel 43, § 1, van het Koninklijk Besluit slechts aan een vreemde werknemer kan worden toegekend voorzover een internationale overeenkomst hem een desbetreffende aanspraak toekent. Dat is evenwel niet het geval met de Samenwerkingsovereenkomst, aangezien artikel 41, lid 2, ervan niet voorziet in een regeling van samenstelling van de in verschillende lidstaten vervulde tijdvakken wat werkloosheidsuitkeringen betreft. Aangezien artikel 41, lid 1, behoudens het bepaalde in de onderstaande leden" van toepassing is en dit voorbehoud betekent dat het discriminatieverbod van lid 1 slechts binnen de grenzen van de in de leden 2 en volgende van dit artikel gestelde voorwaarden geldt, vindt het beginsel van non-discriminatie van de in een lidstaat werkzame Marokkaanse werknemers ten opzichte van de werknemers die de nationaliteit van deze lidstaat bezitten, geen toepassing op werkloosheidsuitkeringen. Het arrest van het Arbeidshof van Luik schendt dus artikel 41 van de Overeenkomst.
18 In deze omstandigheden heeft het Hof van Cassatie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
Staat de Samenwerkingsovereenkomst [...] eraan in de weg dat een lidstaat uitsluitend rekening houdt met de op zijn grondgebied door een werknemer van Marokkaanse nationaliteit vervulde tijdvakken van arbeid als loontrekkende, om te bepalen of deze in aanmerking komt voor een anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van zijn werkloosheidsuitkering?"
De prejudiciële vraag
19 Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van ontvangst een op zijn grondgebied wonende werknemer van Marokkaanse nationaliteit een anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering weigert op de enkele grond dat geen internationale overeenkomst voorziet in de inaanmerkingneming van de tijdvakken van arbeid die de betrokkene in een andere lidstaat heeft vervuld, terwijl die voorwaarde niet wordt gesteld aan de werknemers-onderdanen van de lidstaat van ontvangst.
20 Van oordeel dat het antwoord op deze vraag duidelijk kan worden afgeleid uit zijn rechtspraak, heeft het Hof overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement voor de procesvoering de verwijzende rechter ervan in kennis gesteld dat het voornemens is, bij een met redenen omklede beschikking te beslissen, en heeft het de belanghebbenden bedoeld in artikel 20 van het statuut-EG van het Hof van Justitie uitgenodigd hun eventuele opmerkingen hieromtrent te maken.
21 Alleen de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie hebben binnen de gestelde termijn opmerkingen ingediend. Zij verklaarden zich akkoord met het voornemen van het Hof om bij met redenen omklede beschikking te beslissen.
22 Voor de beantwoording van de gestelde vraag dient in de eerste plaats eraan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst rechtstreekse werking heeft, zodat de justitiabelen op wie zij van toepassing is, er zich voor de nationale rechter op mogen beroepen [zie arrest Kziber, reeds aangehaald, punten 15-23, arresten van 20 april 1994, Yousfi, C-58/93, Jurispr. blz. I-1353, punten 16-19, en 3 oktober 1996, Hallouzi-Choho, C-126/95, Jurispr. blz. I-4807, punten 19 en 20, alsook naar analogie arresten van 5 april 1995, Krid, C-103/94, Jurispr. blz. I-719, punten 21-24, en 15 januari 1998, Babahenini, C-113/97, Jurispr. blz. I-183, punten 17 en 18, die zijn gewezen met betrekking tot artikel 39, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Democratische Volksrepubliek Algerije, ondertekend te Algiers op 26 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2210/78 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 263, blz. 1), welk artikel gelijkluidend is aan artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst].
23 Wat in de tweede plaats de draagwijdte van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst betreft, heeft het Hof herhaaldelijk verklaard (reeds aangehaalde arresten Kziber, punt 25, Yousfi, punt 24, en Hallouzi-Choho, punt 25, alsook, naar analogie, de reeds aangehaalde arresten Krid, punt 32, en Babahenini, punt 26), dat het begrip sociale zekerheid in deze bepaling op dezelfde wijze moet worden opgevat als het gelijkluidende begrip in verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB L 230, blz. 6; hierna: verordening nr. 1408/71").
24 In artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 worden tot de takken van sociale zekerheid die onder de werkingssfeer ervan vallen, onder meer de werkloosheidsuitkeringen gerekend, waarvan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde anciënniteitstoeslag niet meer dan een bijkomend bestanddeel is (zie in die zin arrest Kziber, reeds aangehaald, punt 25).
25 Dat artikel 41, lid 2, van de Samenwerkingsovereenkomst in tegenstelling tot verordening nr. 1408/71, de werkloosheidsuitkeringen niet vermeldt bij de stelsels waarvoor de samentelling van de tijdvakken van verzekering en arbeid geldt, kan niet tot gevolg hebben dat de werkloosheidsuitkeringen, die traditioneel als een tak van de sociale zekerheid worden beschouwd, worden uitgesloten van het begrip sociale zekerheid in de zin van de Samenwerkingsovereenkomst (zie in die zin arrest Kziber, reeds aangehaald, punt 26).
26 Bijgevolg vallen uitkeringen als de hier in het geding zijnde toeslag binnen de materiële werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst.
27 Vervolgens heeft het Hof ook verklaard dat het begrip werknemer" in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst zowel de actieve werknemers omvat, als degenen die de arbeidsmarkt hebben verlaten omdat zij de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of omdat zij het slachtoffer zijn geweest van een van de risico's die recht geven op uitkeringen krachtens andere takken van de sociale zekerheid (zie met name arrest Kziber, reeds aangehaald, punt 27).
28 Alami is een Marokkaans onderdaan die laatstelijk in België heeft gewerkt, waar hij thans woont en waar hij, na zijn arbeidsplaats te hebben verloren, werkloosheidsuitkeringen ontvangt.
29 Een dergelijke werknemer valt onder het begrip werknemer van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst.
30 Ten slotte is het ook vaste rechtspraak dat het in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst bepaalde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit op het gebied van de sociale zekerheid tussen migrerende Marokkaanse werknemers alsmede de bij hen woonachtige gezinsleden en de eigen onderdanen van de lidstaten waarin zij werkzaam zijn of waren, betekent dat de in deze bepaling bedoelde personen moeten worden behandeld als waren zij onderdanen van de betrokken lidstaten (zie met name arrest Hallouzi-Choho, reeds aangehaald, punt 35).
31 Dit verbod betekent derhalve, dat zij die onder de werkingssfeer van deze bepaling van de Samenwerkingsovereenkomst vallen, aanspraak kunnen maken op socialezekerheidsuitkeringen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de lidstaat van ontvangst, zonder dat de wetgeving van deze staat hun bijkomende of strengere voorwaarden mag opleggen dan voor de eigen onderdanen gelden (zie met name arrest Hallouzi-Choho, reeds aangehaald, punt 36, en naar analogie arrest Babahenini, reeds aangehaald, punt 29, alsook arrest van 4 mei 1999, Sürül, C- 262/96, Jurispr. blz. I-2685, punt 97).
32 Bijgevolg is niet alleen toepassing van het vereiste van het bezit van de nationaliteit van de betrokken lidstaat op de in artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst bedoelde personen onverenigbaar met dit verbod, maar ook de toepassing van iedere andere niet aan de eigen onderdanen opgelegde voorwaarde (zie het reeds aangehaalde arrest Hallouzi-Choho, punt 37, en, naar analogie, het reeds aangehaalde arrest Babahenini, punt 30).
33 De nationale regeling inzake de hier in het geding zijnde anciënniteitstoeslag stelt de inaanmerkingneming van in het buitenland verrichte arbeid alleen voor vreemde en staatloze werknemers" afhankelijk van het bestaan van een internationale overeenkomst, en niet ook voor werknemers van Belgische nationaliteit die in een andere lidstaat dan België in loondienst hebben gewerkt.
34 Een dergelijke nationale regeling is dus onverenigbaar met het non-discriminatiebeginsel van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst, krachtens hetwelk een lidstaat een uitkering als de anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering, waarin de nationale regeling voorziet voor werklozen van meer dan vijftig jaar die twintig jaar arbeid in loondienst kunnen aantonen, niet mag weigeren aan een Marokkaans onderdaan wanneer deze uitkering kan worden toegekend aan een nationale onderdaan die zich in dezelfde situatie bevindt.
35 De RVA stelt evenwel dat het Hof in punt 18 van het arrest Kziber heeft verklaard dat het feit dat dit discriminatieverbod volgens artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst slechts geldt behoudens het bepaalde in de onderstaande leden, betekent dat, wat betreft de samentelling van tijdvakken van verzekering, arbeid of woonplaats, de toekenning van gezinsbijslagen en de overmaking van pensioenen en renten naar Marokko, dit discriminatieverbod slechts is verzekerd binnen de grenzen van de voorwaarden bepaald in de leden 2, 3 en 4 van artikel 41. De grenzen waarbinnen de samentelling kan plaatsvinden, zijn zijns inziens genoemd in lid 2 van deze bepaling, volgens hetwelk samentelling van de tijdvakken van verzekering, arbeid en woonplaats alleen voor pensioenen, rentes en gezondheidszorg mogelijk is; daarentegen voorziet deze bepaling niet in samentelling wat de werkloosheidsuitkeringen betreft. Volgens de RVA breidt de Overeenkomst het verbod van discriminatie van Marokkaanse werknemers dus niet uit tot werkloosheidsuitkeringen.
36 Deze stelling kan evenwel niet worden aanvaard.
37 Om te beginnen is punt 18 van het arrest Kziber, waarop de RVA zijn betoog baseert, een onderdeel van het gedeelte van het arrest over de rechtstreekse werking van artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst en heeft het Hof in hetzelfde punt er uitdrukkelijk op gewezen, dat het voorbehoud van deze bepaling niet aldus mag worden opgevat dat het het discriminatieverbod zijn onvoorwaardelijk karakter voor elke vraag op het gebied van de sociale zekerheid behalve voor die welke in de leden 2, 3 en 4 van dit artikel zijn geregeld, ontneemt.
38 Zoals blijkt uit de punten 33 en 34 van de onderhavige beschikking, gaat het in het hoofdgeding niet om technische problemen verband houdend met de samentelling van de in de verschillende lidstaten vervulde tijdvakken van arbeid, maar alleen om de toepassing van het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit van artikel 41, lid 1 van de Samenwerkingsovereenkomst teneinde het Alami mogelijk te maken in de lidstaat van ontvangst en overeenkomstig de wetgeving van die staat een socialezekerheidsuitkering te ontvangen onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van deze lidstaat (zie naar analogie arrest Sürül, reeds aangehaald, punt 55). Dit beginsel vereist namelijk slechts dat personen die onder de werkingssfeer van de Overeenkomst vallen, worden gelijkgesteld met de onderdanen van de lidstaat van ontvangst.
39 Voorts is de uitlegging van de RVA niet alleen in strijd met de vaststellingen in de punten 25 en 26 van de onderhavige beschikking, die rechtstreeks uit punt 26 van het arrest Kziber zijn afgeleid, volgens hetwelk werkloosheidsuitkeringen binnen de werkingssfeer van artikel 41, lid 1, van de Overeenkomst vallen, maar ontneemt zij deze bepaling ook een wezenlijk deel van haar nuttige werking.
40 Ten slotte is de zaak die tot het arrest Kziber heeft geleid, in elk opzicht vergelijkbaar met de voor het Hof van Cassatie aanhangige zaak. In beide zaken gaat het om werkloosheidsuitkeringen en bepaalt de toepasselijke Belgische regeling dat vreemde en staatloze werknemers slechts binnen de grenzen van een internationale overeenkomst aanspraak kunnen hebben op deze uitkeringen, terwijl voor de eigen onderdanen een dergelijke voorwaarde niet geldt. De oplossing van het Hof in het arrest Kziber is dus ook op het hoofdgeding van toepassing.
41 Mitsdien moet op de vraag worden geantwoord dat artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst aldus moet worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van ontvangst een op zijn grondgebied wonende werknemer van Marokkaanse nationaliteit een anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering weigert op de enkele grond dat geen internationale overeenkomst voorziet in de inaanmerkingneming van de tijdvakken van arbeid die de betrokkene in een andere lidstaat heeft vervuld, terwijl die voorwaarde niet wordt gesteld aan de werknemers-onderdanen van de lidstaat van ontvangst.
Beslissing inzake de kostenKosten
42 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
uitspraak doende op de door het Hof van Cassatie bij arrest van 6 november 2000 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Artikel 41, lid 1, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en namens de Gemeenschap goedgekeurd bij verordening (EEG) nr. 2211/78 van de Raad van 26 september 1978, moet aldus worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat de lidstaat van ontvangst een op zijn grondgebied wonende werknemer van Marokkaanse nationaliteit een anciënniteitstoeslag op het basisbedrag van de werkloosheidsuitkering weigert op de enkele grond dat geen internationale overeenkomst voorziet in de inaanmerkingneming van de tijdvakken van arbeid die de betrokkene in een andere lidstaat heeft vervuld, terwijl die voorwaarde niet wordt gesteld aan de werknemers-onderdanen van de lidstaat van ontvangst.
Top