BESCHIKKING VAN HET HOF (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen)
16 december 2022 (*)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmodel – Toelating van hogere voorzieningen – Artikel 170 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Verzoek waarin het belang van een vraag voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht niet wordt aangetoond – Niet-toelating van de hogere voorziening”
In zaak C‑419/22 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 22 juni 2022,
Group Nivelles NV, gevestigd te Gingelom (België), vertegenwoordigd door J. A. M. Jonkhout, advocaat,
rekwirante,
andere partijen in de procedure:
Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO),
verweerder in eerste aanleg,
Easy Sanitary Solutions BV, gevestigd te Oldenzaal (Nederland),
interveniënte in eerste aanleg,
geeft
HET HOF (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen),
samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, vicepresident van het Hof, S. Rodin en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,
griffier: A. Calot Escobar,
gelet op het voorstel van de rechter-rapporteur, advocaat-generaal M. Szpunar gehoord,
de navolgende
Beschikking
1 Met haar hogere voorziening vordert Group Nivelles NV vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 27 april 2022, Group Nivelles/EUIPO – Easy Sanitary Solutions (Doucheafvoergoot) (T‑327/20, EU:T:2022:263; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen dat strekte tot vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 maart 2020 (zaak R 2664/2017‑3) inzake een nietigheidsprocedure tussen Group Nivelles en Easy Sanitary Solutions BV.
Verzoek om toelating van de hogere voorziening
2 Krachtens artikel 58 bis, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt een hogere voorziening tegen een uitspraak van het Gerecht over een besluit van een onafhankelijke kamer van beroep van het EUIPO niet behandeld, tenzij het Hof eerst beslist dat het daarvan kennis moet kunnen nemen.
3 Volgens artikel 58 bis, derde alinea, van dat Statuut, wordt de hogere voorziening overeenkomstig de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof geheel of gedeeltelijk toegelaten wanneer daarbij een vraag aan de orde komt die belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht.
4 Luidens artikel 170 bis, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering voegt de rekwirant in de gevallen bedoeld in artikel 58 bis, eerste alinea, van voornoemd Statuut bij zijn verzoekschrift een verzoek om toelating van de hogere voorziening, waarin hij uiteenzet welke vraag die belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht de hogere voorziening doet rijzen en waarin hij alle gegevens verstrekt die het Hof nodig heeft om op dit verzoek uitspraak te doen.
5 Overeenkomstig artikel 170 ter, leden 1 en 3, van het Reglement voor de procesvoering doet het Hof zo spoedig mogelijk uitspraak op het verzoek om toelating van de hogere voorziening bij met redenen omklede beschikking.
Argumenten van rekwirante
6 Ter ondersteuning van haar verzoek om toelating van de hogere voorziening voert rekwirante aan dat deze hogere voorziening vragen aan de orde stelt die belangrijk zijn voor de eenheid, de samenhang en de ontwikkeling van het Unierecht.
7 Om te beginnen zet rekwirante uiteen dat artikel 63, lid 2, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1) het EUIPO een discretionaire bevoegdheid verleent om rekening te houden met feiten en bewijzen die niet tijdig zijn aangevoerd of overgelegd. Het EUIPO heeft een eerste keer van deze bevoegdheid gebruikgemaakt toen de nietigheidsafdeling de beslissing van 23 september 2010 (hierna: „eerste beslissing van het EUIPO”) vaststelde, en een tweede keer toen de derde kamer van beroep (hierna: „kamer van beroep”) deze beslissing bevestigde bij beslissing van 4 oktober 2012 (hierna: „tweede beslissing van het EUIPO”). De nietigheidsafdeling en de kamer van beroep hebben dus uitdrukkelijk uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de documenten die rekwirante en interveniënte hebben overgelegd na de indiening van de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze gemeenschapsmodel respectievelijk na het eerste antwoord op die vordering. Vervolgens hebben noch de betrokken partijen, enerzijds, noch het Gerecht in zijn arrest van 13 mei 2015, Group Nivelles/EUIPO – Easy Sanitary Solutions (Doucheafvoergoot) (T‑15/13, EU:T:2015:281; hierna: „eerste arrest van het Gerecht”), of het Hof in zijn arrest van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles (C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720), anderzijds, respectievelijk de kwestie van de ontvankelijkheid van de bewijzen aan de orde gesteld of onderzocht. Bij beslissing van de kamer van beroep van 17 maart 2020 (hierna: „derde beslissing van het EUIPO”) is het EUIPO na de hervatting van de bij hem aanhangige procedure echter teruggekomen op zijn eerdere beslissing inzake de ontvankelijkheid van bepaalde overgelegde bewijzen.
8 In de eerste plaats stelt rekwirante in het kader van haar eerste middel van de hogere voorziening dat de punten 58 tot en met 65 van het bestreden arrest, gelezen in samenhang met de overwegingen in punt 42 ervan, in strijd zijn met zowel artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 als artikel 28, lid 1, onder b), v), gelezen in samenhang met artikel 30, lid 1, van verordening (EG) nr. 2245/2002 van de Commissie van 21 oktober 2002 tot uitvoering van verordening nr. 6/2002 (PB 2002, L 341, blz. 28), als het vertrouwensbeginsel.
9 Met haar eerste grief verwijt rekwirante het Gerecht met name dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de krachtens artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aan het EUIPO toekomende discretionaire bevoegdheid op grond waarvan het rekening mag houden met feiten en bewijzen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd, alleen van toepassing kan zijn op feiten en bewijzen als bedoeld in artikel 28, lid 1, onder b), vi), van verordening nr. 2245/2002, maar niet op feiten en bewijzen als bedoeld in artikel 28, lid 1, onder b), v), van deze verordening. Volgens rekwirante maakt artikel 63 van verordening nr. 6/2002 namelijk geen dergelijk onderscheid en volgt noch uit de eerste beslissing, noch uit de tweede beslissing van het EUIPO dat een dergelijk onderscheid bestaat of dat het EUIPO dit onderscheid heeft toegepast. Bovendien is niet duidelijk op welke wijze artikel 28, lid 1, onder b), v), van verordening nr. 2245/2002, gelezen in samenhang met artikel 30, lid 1, van deze verordening, een vooraf bepaalde termijn of een vervaltermijn stelt. Ten slotte vinden het in het bestreden arrest ter zake gemaakte onderscheid en de uitlegging van de draagwijdte van deze bepalingen van verordeningen nr. 6/2002 en nr. 2245/2002 geen steun in de rechtspraak.
10 Met haar tweede grief stelt rekwirante dat, los van de vraag of de eerste en de tweede beslissing van het EUIPO al dan niet rechtmatig moeten worden geacht wat de ontvankelijkheid van bepaalde bewijzen betreft, het EUIPO als „instelling” van de Unie niet kan terugkomen op een eerder gegeven beslissing. Het bestreden arrest doet dus de vraag rijzen of en onder welke voorwaarden het EUIPO kan terugkomen op zijn beslissingen over de ontvankelijkheid van bewijzen zonder het vertrouwensbeginsel te schenden of zonder een dergelijke schending te motiveren en te rechtvaardigen.
11 In het kader van haar tweede middel van de hogere voorziening, dat eveneens is ontleend aan schending van artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002, voert rekwirante aan dat het Gerecht in de punten 153 en 154 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat het EUIPO in zijn derde beslissing rekening had gehouden met bijlagen nrs. 4 tot en met 7 bij haar memorie van antwoord op de opmerkingen van interveniënte voor de nietigheidsafdeling. Deze bijlagen, die e‑mails betreffen, dienden echter louter ter verduidelijking en ter identificatie van het oudere model van Blücher, dat is weergegeven in bijlagen nrs. 2 en 3 bij die memorie. Door in het bestreden arrest te oordelen dat laatstgenoemde bijlagen niet ontvankelijk waren in het kader van de discretionaire bevoegdheid van het EUIPO en dus niet in aanmerking konden worden genomen, heeft het Gerecht niet ondubbelzinnig vastgesteld welke bewijzen onder de in artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 bedoelde discretionaire bevoegdheid van het EUIPO vallen, noch wat dan de aard en de inhoud van die bewijzen zijn.
12 In de tweede plaats betoogt rekwirante met name dat de in de twee middelen van haar hogere voorziening aan de orde gestelde vragen belangrijk zijn voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht en nog niet ter beoordeling aan het Hof zijn voorgelegd.
13 Om te beginnen betreffen deze middelen de vraag hoe de bepalingen van verordening nr. 6/2002 zich verhouden tot die van verordening nr. 2245/2002. Meer bepaald moet worden verduidelijkt of en in welke mate het EUIPO, als „instelling” van de Unie, gebruik kan of moet maken van de discretionaire bevoegdheden of de andere (onderzoeks)bevoegdheden die hem bij verordening nr. 6/2002 in het algemeen en bij artikel 63, lid 2, daarvan in het bijzonder zijn toegekend.
14 Verder wordt met die middelen de vraag opgeworpen naar de juridische aard van een beslissing die het EUIPO heeft genomen als „instelling” van de Unie. Meer in het bijzonder rijst ten eerste de vraag of en in hoeverre het EUIPO kan terugkomen op een eerdere beslissing over de ontvankelijkheid van bewijzen, zowel wanneer die krachtens de discretionaire bevoegdheid genomen eerdere beslissing rechtmatig is omdat zij in overeenstemming is met artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002, als wanneer zij onrechtmatig is omdat zij in strijd met artikel 28, lid 1, onder b), v), van verordening nr. 2245/2002 is vastgesteld. Ten tweede is de vraag aan de orde of een dergelijke beslissing waarmee wordt teruggekomen op een eerdere beslissing indruist tegen de beginselen van behoorlijk bestuur, bescherming van het gewettigd vertrouwen, zorgvuldigheid en doeltreffendheid van de procedure. Ten derde is aan de orde of het EUIPO, wanneer het terugkomt op een dergelijke eerdere beslissing, verplicht is daarvoor een motivering te verstrekken.
Beoordeling door het Hof
15 Vooraf moet worden opgemerkt dat het aan de rekwirant staat om aan te tonen dat de vragen die hij met zijn hogere voorziening aan de orde stelt belangrijk zijn voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht (beschikking van 10 december 2021, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2021:1050, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
16 Voorts moet blijkens artikel 58 bis, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie juncto artikel 170 bis, lid 1 en artikel 170 ter, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek om toelating van de hogere voorziening alle gegevens bevatten die het Hof nodig heeft om uitspraak te doen over de toelating van de hogere voorziening en om, indien deze ten dele wordt toegelaten, vast te stellen op welke middelen of onderdelen van de hogere voorziening de memorie van antwoord betrekking dient te hebben. Aangezien de in artikel 58 bis van dit Statuut vervatte regeling voor de voorafgaande toelating van hogere voorzieningen ertoe strekt de toetsing door het Hof te beperken tot vragen die belangrijk zijn voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht, dient het Hof in het kader van de hogere voorziening immers alleen de middelen te behandelen die dergelijke vragen opwerpen en die door de rekwirant zijn bewezen (beschikkingen van 10 december 2021, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2021:1050, punt 21, en 8 november 2022, Mandelay/EUIPO, C‑405/22 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:860, punt 13).
17 Een verzoek om toelating van een hogere voorziening moet dus in ieder geval duidelijk en nauwkeurig aangeven op welke middelen de hogere voorziening is gebaseerd, met dezelfde nauwkeurigheid en duidelijkheid de door elk middel opgeworpen rechtsvraag vermelden, preciseren of die vraag belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht, en specifiek aangeven waarom voornoemde vraag belangrijk is in het licht van het aangevoerde criterium. Wat in het bijzonder de middelen van de hogere voorziening betreft, moet het verzoek om toelating van de hogere voorziening preciseren welke bepaling van Unierecht of welke rechtspraak door het arrest of de beschikking waartegen de hogere voorziening is gericht, zou zijn geschonden, een beknopte uiteenzetting geven van de onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven, en aangeven in hoeverre deze onjuiste opvatting van invloed is geweest op de uitkomst van het arrest of de beschikking waartegen de hogere voorziening is gericht (beschikking van 10 december 2021, EUIPO/The KaiKai Company Jaeger Wichmann, C‑382/21 P, EU:C:2021:1050, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Uit de voorgeschiedenis van het geding zoals uiteengezet in het verzoek om toelating van de hogere voorziening blijkt dat de vordering tot nietigverklaring reeds het voorwerp was geweest van eerdere tussen dezelfde partijen gevoerde procedures, die hebben geleid tot het eerste arrest van het Gerecht en tot het arrest van het Hof van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles (C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720). Dienaangaande blijkt uit de punten 62 en 63 van het bestreden arrest, die door rekwirante worden bekritiseerd, dat rekwirante ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van 3 september 2009 een kopie van model DM/059828 had bijgevoegd en dat zij samen met haar op 2 april 2010 ingediende antwoord op de opmerkingen van interveniënte het in de Blücher-catalogi weergegeven model heeft overgelegd, dat niet identiek is aan het oorspronkelijk in de vordering tot nietigverklaring aangevoerde model en evenmin was weergegeven in die vordering. Bovendien blijkt uit punt 64 van het bestreden arrest, dat eveneens door rekwirante wordt bekritiseerd, dat het EUIPO – met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 – in zijn derde beslissing heeft geoordeeld dat een eventuele inaanmerkingneming van bewijzen die zijn overgelegd nadat de vordering tot nietigverklaring was ingesteld, krachtens deze bepaling slechts kon worden toegelaten voor zover deze bewijzen dienden om een reeds aangevoerd betoog met betrekking tot het in de vordering tot nietigverklaring geïdentificeerde oudere model aan te vullen. Deze beslissing is door het Gerecht bevestigd in punt 64 van het bestreden arrest.
19 Voorts heeft het Gerecht in de punten 58 tot en met 61 en 65 van het bestreden arrest, die door rekwirante worden bekritiseerd, in wezen geoordeeld dat weliswaar rekening kan worden gehouden met „aanvullende” bewijzen die ertoe strekken een betoog inzake een reeds in de vordering tot nietigverklaring aangevoerd model aan te vullen, maar dat het niet toegelaten is om een nieuw ouder model toe te voegen aan de in die vordering aangevoerde modellen. Gelet op het in artikel 28, lid 1, onder b), van verordening nr. 2245/2002 gemaakte onderscheid tussen de bewijzen inzake „de vermelding en de reproductie van de eerdere modellen” (punt v) en de andere „feiten” en het andere „bewijsmateriaal” (punt vi), kan volgens het Gerecht de bij artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 aan het EUIPO verleende beoordelingsbevoegdheid om „rekening te houden met feiten en bewijsmiddelen die de partijen niet tijdig hebben aangevoerd”, immers alleen van toepassing zijn op „de feiten en het bewijsmateriaal” bedoeld in artikel 28, lid 1, onder b), vi), van verordening nr. 2245/2002. In het bijzonder is artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 niet van toepassing op de kwestie van de identificatie van het oudere model, en staat deze bepaling dus niet toe dat de juridische grenzen van de vordering tot nietigverklaring worden verruimd door de overlegging van „nieuwe” bewijzen na de instelling van de vordering tot nietigverklaring, zoals de overlegging van de Blücher-catalogi, aangezien een dergelijke werkwijze het voorwerp van het geding zou wijzigen en ook de duur van de procedure zou verlengen.
20 Wat de vraag betreft of het EUIPO kon terugkomen op een eerdere beslissing, heeft het Gerecht in het door rekwirante bekritiseerde punt 42 van het bestreden arrest opgemerkt dat de tweede beslissing van het EUIPO, waarin niet uitdrukkelijk uitspraak was gedaan over de ontvankelijkheid van de documenten die rekwirante na het instellen van haar vordering tot nietigverklaring had overgelegd, was vernietigd bij het eerste arrest van het Gerecht, zodat zij overeenkomstig de rechtspraak uit de rechtsorde van de Unie was verdwenen en geenszins definitief was geworden.
21 Ten slotte heeft het Gerecht in de door rekwirante bekritiseerde punten 153 en 154 van het bestreden arrest vastgesteld dat de kamer van beroep geen bewijswaarde heeft willen ontzeggen aan de verklaringen die rekwirante in bijlagen nrs. 4 tot en met 7 bij haar memorie van antwoord op de opmerkingen van interveniënte voor de nietigheidsafdeling had overgelegd, maar dat zij aldus gebruik had gemaakt van de haar bij artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 verleende beoordelingsbevoegdheid, aangezien die bijlagen geen betrekking hadden op de identificatie van de oudere modellen.
22 In casu dient te worden opgemerkt dat rekwirante weliswaar nauwkeurig en duidelijk haar twee middelen uiteenzet en dus ook de onjuiste rechtsopvattingen waarvan het Gerecht blijk zou hebben gegeven, alsmede de rechtsvragen die zij belangrijk acht voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het Unierecht en die door haar hogere voorziening worden opgeworpen, maar dat zij niet rechtens genoegzaam uitlegt op welke wijze deze gestelde onjuiste opvattingen van invloed zijn geweest op de uitkomst van het bestreden arrest. Dat rekwirante in dit verband in essentie benadrukt, ten eerste, dat het EUIPO in de derde beslissing rekening heeft gehouden met bijlagen nrs. 4 tot en met 7 bij haar memorie van antwoord op de opmerkingen van interveniënte voor de nietigheidsafdeling, ten tweede, dat deze bijlagen, die e-mails betreffen, evenwel louter dienden ter verduidelijking en ter identificatie van het oudere model van Blücher, dat is weergegeven in bijlagen nrs. 2 en 3 van deze memorie, en ten derde, dat het Gerecht artikel 63, lid 2, van verordening nr. 6/2002 heeft geschonden door in het bestreden arrest te oordelen dat laatstgenoemde bijlagen niet ontvankelijk waren in het kader van de discretionaire bevoegdheid van het EUIPO en dus niet in aanmerking konden worden genomen, toont niet duidelijk aan dat de gestelde onjuiste uitlegging van deze bepaling daadwerkelijk van invloed is geweest op de uitkomst van het bestreden arrest.
23 Hieruit volgt dat rekwirante niet aan alle in punt 17 van de onderhavige beschikking genoemde voorwaarden heeft voldaan.
24 Gelet op voorgaande overwegingen dient de hogere voorziening niet te worden toegelaten.
Kosten
25 Volgens artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement op de procedure in hogere voorziening van toepassing is, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.
26 Aangezien de onderhavige beschikking is vastgesteld voordat de hogere voorziening aan de andere partijen in de procedure is betekend en dus voordat deze partijen kosten hebben kunnen maken, moet worden geoordeeld dat rekwirante haar eigen kosten zal dragen.
Het Hof (Kamer voor toelating van hogere voorzieningen) beschikt:
1) De hogere voorziening wordt niet toegelaten.
2) Group Nivelles NV draagt haar eigen kosten.
Luxemburg, 16 december 2022.
De griffier
De president van de Kamer voor toelating van hogere voorzieningen
A. Calot Escobar
L. Bay Larsen
* Procestaal: Nederlands.
Top