Avis juridique important
Beschikking van het Hof van 17 mei 2002. - Bondsrepubliek Duitsland tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie. - Beroep tot nietigverklaring - Kennelijke niet-ontvankelijkheid - Tardiviteit. - Zaak C-406/01.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-04561
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Beroep tot nietigverklaring - Termijnen - Aanvang - Datum van bekendmaking van betrokken handeling - Berekening
(Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 80, lid 1, sub a)
Samenvatting1. Volgens artikel 80, lid 1, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof is de dag van de handeling die de procestermijnen doet ingaan, van de berekening daarvan uitgesloten. Een dergelijke regeling beoogt te verzekeren dat elke partij de termijn ten volle kan benutten. Ingeval van een handeling kennis moet worden gegeven, gaat de termijn pas in aan het einde van de dag van de kennisgeving, ongeacht het uur waarop deze kennisgeving heeft plaatsgevonden. Wanneer de beroepstermijn in maanden is uitgedrukt, verstrijkt hij dus aan het einde van de dag die in de door de termijn aangegeven maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die de termijn heeft doen ingaan, te weten de dag van de kennisgeving.
Deze redenering geldt mutatis mutandis voor het in artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde geval waarin de beroepstermijn loopt vanaf de bekendmaking van de betrokken handeling. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat die beroepstermijn in de zin van artikel 80, lid 1, sub a, van het Reglement wordt berekend vanaf het einde van de veertiende dag volgend op die waarop de handeling [...] is bekendgemaakt". Artikel 81, lid 1, van het Reglement verleent de verzoeker derhalve veertien volle dagen bovenop de normale beroepstermijn van twee maanden, zodat de dies a quo van deze laatste termijn wordt verlegd naar de veertiende dag volgend op de datum van bekendmaking van de betrokken handeling.
( cf. punten 14-15 )
2. Het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming wordt geenszins aangetast door de strikte toepassing van de gemeenschapsrechtelijke voorschriften inzake de procestermijnen, die beantwoordt aan het vereiste van rechtszekerheid en aan de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden. De krachtens de artikelen 80, lid 1, sub a en b, en 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof toepasselijke regeling inzake de termijnen doet geen bijzonder probleem van uitlegging rijzen zodat hier geen sprake is van verschoonbare dwaling van de verzoekende partij, die een afwijking van de toepassing van die regeling zou rechtvaardigen.
( cf. punten 20-21 )
PartijenIn zaak C-406/01,
Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door W.-D. Plessing en M. Lumma als gemachtigden, bijgestaan door J. Sedemund, Rechtsanwalt,
verzoekster,
tegen
Europees Parlement, vertegenwoordigd door C. Pennera en E. Waldherr als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door E. Karlsson en J.-P. Hix als gemachtigden,
verweerders,
betreffende nietigverklaring van artikel 3, lid 1, juncto lid 2, van richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB L 194, blz. 26), voorzover deze bepalingen de productie verbieden van sigaretten die bestemd zijn voor uitvoer vanuit de Europese Gemeenschap naar derde landen,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: G. C. Rodríguez Iglesias, president, P. Jann, F. Macken, N. Colneric en S. von Bahr, kamerpresidenten, C. Gulmann, D. A. O. Edward, A. La Pergola (rapporteur), J.-P. Puissochet, M. Wathelet, R. Schintgen, V. Skouris, J. N. Cunha Rodrigues, C. W. A. Timmermans en A. Rosas, rechters,
advocaat-generaal: C. Stix-Hackl,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 12 oktober 2001, heeft de Bondsrepubliek Duitsland krachtens artikel 230 EG nietigverklaring gevorderd van artikel 3, lid 1, juncto lid 2, van richtlijn 2001/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2001 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (PB L 194, blz. 26), voorzover deze bepalingen de productie verbieden van sigaretten die bestemd zijn voor uitvoer vanuit de Europese Gemeenschap naar derde landen.
2 Bij afzonderlijke akten, respectievelijk neergelegd ter griffie van het Hof op 12 en 26 november 2001, hebben het Parlement en de Raad krachtens artikel 91, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen het verzoekschrift opgeworpen.
3 Het Parlement en de Raad concluderen dat het het Hof behage:
- het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren en
- de Bondsrepubliek Duitsland in de kosten te verwijzen.
4 Bij memorie neergelegd ter griffie van het Hof op 29 januari 2002, heeft de Bondsrepubliek Duitsland overeenkomstig artikel 91, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering opmerkingen ingediend over de exceptie van niet-ontvankelijkheid. Zij concludeert dat het het Hof behage deze exceptie te verwerpen.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
5 Het Parlement en de Raad betogen dat het beroep laattijdig is ingesteld. Aangezien immers geen vertraging is vastgesteld bij de verspreiding van het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 2001, waarin richtlijn 2001/37 is bekendgemaakt, heeft de Bondsrepubliek Duitsland de termijn voor het instellen van beroep zoals bepaald in artikel 230, vijfde alinea, EG juncto de artikelen 80, lid 1, sub a en b, en 81 van het Reglement voor de procesvoering niet nageleefd, door haar verzoekschrift op 12 oktober 2001 neer te leggen bij het Hof. Het Parlement en de Raad zijn van mening dat volgens deze bepalingen het verzoekschrift ten laatste op 11 oktober 2001 om 24.00 uur had moeten worden neergelegd.
6 Het Parlement en de Raad voegen hieraan toe dat hun berekening van de termijn strookt met de beginselen die het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen heeft vastgesteld in zijn beschikking van 19 januari 2001, Confindustria e.a./Commissie (T-126/00, Jurispr. blz. II-85), aangaande de toepassing van bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht die analoog zijn aan de thans aan de orde zijnde bepalingen van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
7 Verzoekster is daarentegen van mening dat de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde termijn van twee maanden, krachtens artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering niet is ingegaan bij het einde van de veertiende dag volgend op de bekendmaking van richtlijn 2001/37 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen, te weten op 1 augustus 2001 om 24.00 uur, zoals het Parlement en de Raad aanvoeren, maar veeleer bij het begin van de vijftiende dag na deze bekendmaking, te weten op 2 augustus 2001 om 0.00 uur. Volgens verzoekster is eerst dan de veertiende dag van de termijn volledig verstreken. Deze uitlegging strookt bovendien met de geest van artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, hetwelk de aanvang en niet het einde van een beroepstermijn vaststelt. Daarom is het geenszins gerechtvaardigd de aanvang van een dergelijke termijn vast te stellen op 24.00 uur van een verstreken dag in plaats van om 0.00 uur van een beginnende dag.
8 Verzoekster voert aan dat gelet op deze uitlegging, de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde beroepstermijn van twee maanden in casu moest aflopen op 2 oktober 2001 om 24.00 uur. Na toevoeging van de in artikel 81, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bepaalde termijn wegens afstand van tien dagen, verstreek de beroepstermijn derhalve pas op 12 oktober 2001 om 24.00 uur. Bijgevolg is verzoekster van mening dat zij haar beroep binnen de gestelde termijn heeft ingesteld.
9 Verzoekster betoogt voorts dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid tevens moet worden verworpen overeenkomstig het algemeen beginsel van gemeenschapsrecht van daadwerkelijke rechtsbescherming (zie met name arrest van 26 april 1994, Roquette Frères, C-228/92, Jurispr. blz. I-1445, punt 27).
10 Zij voert dienaangaande aan dat de betrokken autoriteiten van de Bondsrepubliek Duitsland en de vertegenwoordigers van deze laatste in de onderhavige zaak tot de conclusie zijn gekomen dat, in het kader van de uitlegging van de artikelen 80 en 81 van het Reglement voor de procesvoering, de in artikel 230, vijfde alinea, EG gestelde beroepstermijn van twee maanden op 2 augustus 2001 begon te lopen en derhalve, na toepassing van de termijn wegens afstand, op 12 oktober 2001 om 24.00 uur afliep. Zo de door het Parlement en de Raad verdedigde stelling mocht worden aanvaard, zou dit erop wijzen dat de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering kennelijk dubbelzinnig zijn, hetgeen geen afbreuk mag doen aan het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming.
Beoordeling door het Hof
11 Overeenkomstig artikel 92, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het kennelijk onbevoegd is kennis te nemen van een beroep, of wanneer dit kennelijk niet-ontvankelijk is, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten beslissen bij met redenen omklede beschikking. In casu is het Hof van mening dat het op basis van de processtukken voldoende is ingelicht om uitspraak te doen over de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep zonder de behandeling voort te zetten.
12 Aangezien het in casu gaat om een beroep tegen een in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 2001 bekendgemaakte handeling, zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat volgens artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, [w]anneer de termijn voor het instellen van beroep tegen een handeling van een van de instellingen begint te lopen bij de bekendmaking van de handeling, [hij] wordt [...] berekend, in de zin van artikel 80, lid 1, sub a, vanaf het einde van de veertiende dag volgend op die waarop de handeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt".
13 In de tweede plaats worden blijkens artikel 80, lid 1, sub a en b, van voormeld Reglement de met name in het EG-Verdrag en voormeld Reglement vastgelegde termijnen berekend met uitsluiting van de dag waarop de gebeurtenis plaatsvindt die de termijnen doet ingaan, en lopen zij af bij het einde van de dag die in de laatste maand, wanneer de betrokken termijn in maanden is omschreven, dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden die de termijn doet ingaan.
14 Een dergelijke regeling, die de dag waarop de handeling plaatsvindt die de procestermijnen doet ingaan, van de berekening daarvan uitsluit, beoogt volgens het arrest van het Hof van 15 januari 1987, Misset/Raad (152/85, Jurispr. blz. 223, punt 7), te verzekeren, dat elke partij de termijn ten volle kan benutten. Het Hof heeft daaruit afgeleid dat in geval van een handeling kennis moet worden gegeven, de termijn pas ingaat bij het einde van de dag van kennisgeving, ongeacht het uur waarop deze kennisgeving heeft plaatsgevonden. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat wanneer de beroepstermijn in maanden is uitgedrukt, hij dus verstrijkt bij het einde van de dag die in de door de termijn aangegeven maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag die de termijn heeft doen ingaan, te weten de dag van de kennisgeving (arrest Misset/Raad, reeds aangehaald, punt 8).
15 Deze redenering gaat ook op voor het in artikel 81, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde geval waarin de beroepstermijn loopt vanaf de bekendmaking van de betrokken handeling. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat voormelde beroepstermijn in de zin van artikel 80, lid 1, sub a, van het Reglement wordt berekend vanaf het einde van de veertiende dag volgend op die waarop de handeling in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt". Artikel 81, lid 1, van het Reglement verleent de verzoeker derhalve veertien volle dagen bovenop de normale beroepstermijn van twee maanden, zodat de dies a quo van deze laatste termijn wordt verlegd naar de veertiende dag volgend op de datum van bekendmaking van de betrokken handeling.
16 In casu is de dies a quo van de in artikel 230, vijfde alinea, EG bepaalde beroepstermijn van twee maanden dus verlegd van 18 juli 2001 naar 1 augustus 2001, hetgeen verzoekster een bijkomende termijn van veertien volle dagen verschafte, met inbegrip van 1 augustus 2001 tot 24.00 uur.
17 Krachtens artikel 80, lid 1, sub b, van het Reglement voor de procesvoering, volgens hetwelk een in maanden omschreven termijn afloopt bij het einde van de dag die in de laatste maand dezelfde cijferaanduiding heeft als de dies a quo, is deze beroepstermijn afgelopen bij het verstrijken van 1 oktober 2001.
18 Gelet op de termijn wegens afstand van tien dagen, die krachtens artikel 81, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bij de procestermijn moet worden gevoegd, is in casu de totale termijn voor het instellen van beroep verstreken op donderdag 11 oktober 2001 om 24.00 uur, aangezien deze dag niet is opgenomen op de lijst van wettelijke feestdagen in artikel 1 van de bijlage bij het Reglement voor de procesvoering.
19 Hieruit volgt dat het onderhavige beroep, dat is ingesteld op 12 oktober 2001, tardief is.
20 Voorzover verzoekster zich beroept op het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming, zij opgemerkt dat dit recht geenszins wordt aangetast door de strikte toepassing van de gemeenschapsrechtelijke voorschriften inzake de procestermijnen, die volgens vaste rechtspraak beantwoorden aan het vereiste van rechtszekerheid en de noodzaak om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arrest Misset/Raad, reeds aangehaald, punt 11).
21 Voorzover verzoekster door te verwijzen naar de dubbelzinnigheid van de in casu toepasselijke bepalingen van het Reglement voor de procesvoering zich heeft willen beroepen op de omstandigheid dat haar verkeerde uitlegging van die bepalingen een verschoonbare dwaling zou zijn, zij opgemerkt dat de in casu toepasselijke regeling inzake de termijnen geen bijzonder probleem van uitlegging doet rijzen zodat hier geen sprake is van verschoonbare dwaling van verzoekster, die een afwijking van de toepassing van die regeling zou rechtvaardigen.
22 Voor het overige heeft verzoekster niet aangetoond of zelfs maar aangevoerd, dat sprake zou zijn van toeval of overmacht, waardoor het Hof van de betrokken termijn had kunnen afwijken op basis van artikel 42, tweede alinea, van 's Hofs Statuut-EG.
23 Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
24 Mitsdien is het niet meer nodig uitspraak te doen over de op basis van artikel 93, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering door de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Finland, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland alsmede de Commissie ingediende verzoeken tot tussenkomst.
Beslissing inzake de kostenKosten
25 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien de Bondsrepubliek Duitsland in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het Parlement en de Raad in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE
beschikt:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen.
Top