Avis juridique important
Beschikking van het Hof (Vierde kamer) van 25 april 2002. - The Galileo Company en Galileo International LLC tegen Raad van de Europese Unie. - Zaak C-96/01 P.
Jurisprudentie 2002 bladzijde I-04025
Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
1. Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening die voorwaarden bepaalt waaronder door geautomatiseerde boekingssystemen verschafte informatie mag worden verstrekt - Beroep ingesteld door verkopers van geautomatiseerde boekingssystemen - Niet-ontvankelijkheid
(Art. 230, vierde alinea, EG; verordening nr. 2299/89 van de Raad, art. 6, lid 1, sub b-v, zoals gewijzigd bij verordening nr. 323/1999)
Samenvatting1. Het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar is, betekent nog geenszins dat deze subjecten als door die maatregel individueel geraakt moeten worden beschouwd, wanneer vaststaat dat die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven. Artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen, zoals ingevoegd bij verordening nr. 323/1999, dat de voorwaarden vastlegt waaronder een systeemverkoper statistische en andere informatie mag verschaffen die uit zijn geautomatiseerde boekingssysteem afkomstig is, raakt rekwiranten in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkopers" op dezelfde wijze als de huidige of toekomstige systeemverkopers in dezelfde situatie en de andere marktdeelnemers op de betrokken markt, zoals de luchtvaartmaatschappijen of de abonnees, die deze bepaling eveneens in hun objectieve hoedanigheid raakt. Die bepaling gebruikt daartoe termen die in verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 323/1999, op algemene en abstracte wijze zijn gedefinieerd, te weten de definities van de categorieën marktdeelnemers waarop deze van toepassing is, zonder enige verwijzing naar de specifieke situatie van bepaalde marktdeelnemers.
Bovendien doet de omstandigheid dat een handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet af aan het regelgevende karakter van dat voorschrift, zolang sprake is van een objectief bepaalde situatie.
( cf. punten 38-39, 41 )
2. De beoordeling door het Gerecht van de aan hem voorgelegde feiten - zoals die betreffende de vraag of verzoeksters door de omstreden bepaling worden geraakt op grond van een aantal hoedanigheden die hen karakteriseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer waarop genoemde bepaling van toepassing is, dan wel of de toepassing van genoemde bepaling ernstige gevolgen voor hen meebracht die hen onderscheidden van iedere andere marktdeelnemer op wie genoemde bepaling van toepassing is, is in het kader van een hogere voorziening, behoudens bij een onjuiste weergave van deze elementen, geen rechtsvraag die als zodanig voor toetsing door het Hof in aanmerking komt.
( cf. punten 46-47, 55-56 )
PartijenIn zaak C-96/01 P,
The Galileo Company, gevestigd te Swindon (Verenigd Koninkrijk),
Galileo International LLC, gevestigd te Rosemont (Verenigde Staten),
vertegenwoordigd door R. Plender, QC, geïnstrueerd door K. Holmes alsmede door D. Austin en R. Butler, solicitors, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwiranten,
betreffende hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Tweede kamer) van 15 december 2000, Galileo en Galileo International/Raad (T-113/99, Jurispr. blz. II-4141), en strekkende tot vernietiging van die beschikking,
andere partijen bij de procedure:
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lopes Sabino en M. Bishop als gemachtigden,
verweerder in eerste aanleg,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door F. Benyon en M. Huttunen als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
en
Amadeus Global Travel Distribution SA, gevestigd te Madrid (Spanje),
interveniënten in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: S. von Bahr, kamerpresident, D. A. O. Edward en C. W. A. Timmermans (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: P. Léger,
griffier: R. Grass,
de advocaat-generaal gehoord,
de navolgende
Beschikking
Overwegingen van het arrest1 Bij verzoekschrift, ingediend ter griffie van het Hof op 27 februari 2001, hebben The Galileo Company (hierna: Galileo") en Galileo International LLC (hierna: GILLC") krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 15 december 2000, Galileo en Galileo International/Raad (T-113/99, Jurispr. blz. II-4141, hierna: bestreden beschikking"), waarbij hun beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van artikel 1, lid 7, sub b, van verordening (EG) nr. 323/1999 van de Raad van 8 februari 1999 tot wijziging van verordening (EEG) nr. 2299/89 betreffende gedragsregels voor geautomatiseerde boekingssystemen (CRS) (PB L 40, blz. 1, hierna omstreden bepaling"), voorzover deze aan artikel 6, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 2299/89 van de Raad van 24 juli 1989 (PB L 220, blz. 1) een bepaling toevoegt die luchtvaartmaatschappijen, ongeacht hun aantal, toestaat om groepen te vormen ten einde gezamenlijk gegevens te kopen van CRS-exploitanten, niet-ontvankelijk is verklaard.
Het rechtskader en de feiten die aan het geschil ten grondslag liggen
2 De feiten die aan het geschil ten grondslag liggen, zoals deze blijken uit het bij het Gerecht ingediende dossier en in de punten 1 tot en met 12 van de bestreden beschikking zijn uiteengezet, kunnen als volgt worden samengevat.
3 GILLC is eigendom van onder meer de luchtvaartmaatschappijen United Airlines, British Airways, SAir Group, KLM Royal Dutch Airlines, US Airways en Alitalia. Galileo is een 99 %-dochteronderneming van GILLC.
4 GILLC exploiteert een CRS waarmee abonnees, met name reisbureaus, geautomatiseerde boekingen kunnen verrichten bij een groot aantal dienstverrichters in de reissector, zoals luchtvaartmaatschappijen, autoverhuurders en hotels. Galileo verricht voor GILLC ondersteunende diensten in de Europese Unie, het Midden-Oosten, Afrika, Azië, de Stille Oceaan en Latijns-Amerika.
5 Volgens verzoeksters zijn er slechts vier CRS. Naast die van GILLC zijn dit Amadeus, Sabre en Worldspan; deze CRS zijn eigendom van andere luchtvaartmaatschappijen. In de in casu relevante periode waren deze vier CRS de enige die de luchtvervoerproducten verkochten die in de Gemeenschap werden aangeboden of gebruikt, en bovendien waren zij de enige wereldwijd opererende CRS.
6 In de CRS-databank zijn twee soorten informatie opgeslagen: de gegevens uit de boekingsverzoeken van de reisbureaus en de gegevens die door de luchtvaartmaatschappijen worden verstrekt.
7 Deze informatie, gewoonlijk aangeduid als Marketing Information Data Transfer (overdracht van marketinggegevens; hierna: MIDT"), kan als afzonderlijk product worden verkocht. Verzoeksters bieden vier MIDT-producten aan.
8 Op 24 juli 1989 heeft de Raad verordening nr. 2299/89 vastgesteld, waarvan met name artikel 6 is gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 3089/93 van de Raad van 29 oktober 1993 (PB L 278, blz. 1).
9 Op 9 juli 1997 heeft de Commissie een voorstel voor een verordening tot wijziging van verordening nr. 2299/89 goedgekeurd.
10 Op 8 februari 1999, na een tweede lezing door het Parlement, heeft de Raad verordening (EG) nr. 323/1999 vastgesteld, die met name voorziet in toevoeging van een punt v aan artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89.
11 Deze toevoeging, die door het Parlement als amendement is voorgesteld bij de goedkeuring van het eerste verordeningsvoorstel van de Commissie, genoemd in punt 9 van onderhavige beschikking, was door de Commissie opgenomen in haar nieuwe voorstel en was vervolgens overgenomen en goedgekeurd door de Raad in zijn gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 55/98 van 24 september 1998 (PB C 360, blz. 69).
12 Sinds die wijziging luidt artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 2299/89 als volgt:
1. Voor de beschikbaarstelling van statistische of andere door het geautomatiseerde boekingssysteem van een systeemverkoper verschafte informatie gelden de volgende bepalingen:
[...]
b) gegevens over de markt, boekingen en verkopen worden verstrekt op de volgende basis:
[...]
v) een groep luchtvaartmaatschappijen en/of abonnees moet het recht hebben gegevens ter gemeenschappelijke verwerking aan te kopen."
13 Volgens verzoeksters was het doel van die bepaling, te zorgen dat de reisbureaus, voor het merendeel kleine en middelgrote ondernemingen, in staat zijn om door het vormen van groepen toegang te krijgen tot de informatie in de databanken.
Procesverloop voor het Gerecht
14 Van mening dat hun belangen als CRS-exploitanten die MIDT leveren, werden geschaad door de bestreden bepaling, hebben verzoeksters op 7 mei 1999 bij het Gerecht beroep tot nietigverklaring ervan ingesteld.
15 Bij een afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 26 juli 1999, heeft de Raad overeenkomstig artikel 114, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep opgeworpen. Stellende dat verordening nr. 323/1999 een normatieve handeling van algemene strekking is en dat voorts verzoeksters rechtstreeks noch individueel door die handeling zijn geraakt, heeft de Raad het Gerecht verzocht het beroep kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren en verzoeksters te verwijzen in de kosten.
16 Verzoeksters hebben hun opmerkingen over genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend op 2 oktober 1999. Zij betoogden in wezen dat zij rechtstreeks en individueel werden geraakt door verordening nr. 323/1999, en met name door de omstreden bepaling. Ook al kon de verordening in dit geval als normatieve handeling worden aangemerkt, werden zij er niettemin om twee in de rechtspraak van het Hof erkende redenen individueel door geraakt.
17 In de eerste plaats moest de Raad ten tijde van de vaststelling van verordening nr. 323/1999 hebben geweten dat alleen de vier ondernemingen die binnen de Gemeenschap een wereldwijd opererende CRS exploiteerden, individueel door de verordening zouden worden geraakt. Deze exploitanten vormden een gesloten groep, onderscheiden van elke andere marktdeelnemer die in de toekomst binnen de Gemeenschap een wereldwijde CRS zou gaan exploiteren. Aangezien verzoeksters vóór de vaststelling van de verordening 36 contracten voor de aankoop van MIDT hadden afgesloten met luchtvaartmaatschappijen, had bovendien de onmiddellijke inwerkingtreding van de verplichting die in de omstreden bepaling was vastgelegd, de waarde van deze contracten aanzienlijk verminderd; het betrof dan ook een verordening die voor verzoeksters specifieke rechtsgevolgen beoogde teweeg te brengen of daadwerkelijk teweegbracht in de zin van de rechtspraak.
18 In de tweede plaats betoogden verzoeksters dat de omstandigheid dat slechts vier marktdeelnemers wereldwijde CRS exploiteerden en dat het onwaarschijnlijk was dat er een nieuw systeem kon worden opgezet, hen karakteriseerde ten opzichte van alle andere marktdeelnemers. Bovendien werden zij eveneens gekarakteriseerd ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer doordat de Raad op grond van de artikelen 75 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 71 EG) en 78 EG-Verdrag (thans artikel 74 EG) bij de vaststelling van verordening nr. 323/1999, rekening had moeten houden met hun bijzondere situatie en met die van de andere exploitanten van wereldwijde CRS.
19 Amadeus Global Travel Distribution SA (hierna: Amadeus") en de Commissie zijn bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 10 februari 2000 toegelaten tot interventie in eerste aanleg ter ondersteuning van de conclusies van respectievelijk verzoeksters en de Raad, en hebben hun opmerkingen over genoemde exceptie van niet-ontvankelijkheid ingediend.
20 In haar memorie in interventie betoogde Amadeus dat de omstreden bepaling als een beschikking in de zin van artikel 230 EG en niet als een regel van algemene strekking was te beschouwen.
21 De Commissie van haar kant betoogde in haar memorie in interventie dat verzoeksters niet hadden aangetoond waarom verordening nr. 323/1999 als een in de vorm van een verordening gegeven beschikking moest worden beschouwd en dat zij ook niet hadden aangegeven hoe zij er individueel door werden geraakt.
De bestreden beschikking
22 Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de volgende gronden:
44 Ingevolge artikel 230, vierde alinea, EG, kan iedere natuurlijke of rechtspersoon een beroep tot nietigverklaring instellen tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, hem rechtstreeks en individueel raken.
45 Volgens vaste rechtspraak moet het criterium voor het onderscheid tussen een verordening en een beschikking worden gezocht in de al dan niet algemene strekking van de betrokken handeling. Een handeling heeft een algemene strekking indien zij van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor abstract aangewezen categorieën van personen (arrest Gerecht van 22 februari 2000, ACAV e.a./Raad, T-138/98, Jurispr. blz. II-341, punt 49).
46 Bovendien verliest een handeling haar normatieve karakter niet door het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie zij van toepassing is, min of meer nauwkeurig kan worden bepaald (beschikkingen Hof van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C-10/95 P, Jurispr. blz. I-4149, punt 30, en 24 april 1996, CNPAAP/Raad, C-87/95 P, Jurispr. blz. I-2003, punt 34).
47 In de onderhavige zaak is artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals dat is ingevoegd bij verordening nr. 323/1999, in algemene en abstracte termen gesteld. Net zoals in de punten i tot en met iv van dit artikel, worden in punt v de voorwaarden bepaald waaronder een systeemverkoper statistische of andere informatie uit zijn CRS mag verstrekken. Het heeft in dit verband enkel het oog op objectief bepaalde situaties en bevat hiertoe onder meer termen die in artikel 2 op algemene en abstracte wijze zijn gedefinieerd. Alleen onder die voorwaarden heeft het dus rechtsgevolgen voor categorieën ondernemingen. Zelfs indien was aangetoond dat de rechtssubjecten op wie de betrokken bepaling - zoals overigens elke andere bepaling van verordening nr. 2299/89 die gevolgen heeft voor de systeemverkopers - van toepassing is, identificeerbaar waren op het moment waarop de bepaling werd vastgesteld, zou dit niet afdoen aan het normatieve karakter van die bepaling, gelet op het feit dat zij enkel het oog heeft op objectieve situaties rechtens of feitelijk (beschikking CNPAAP/Raad, reeds aangehaald, punt 35).
48 Niettemin heeft het Hof geoordeeld dat een bepaling van een handeling van algemene strekking onder omstandigheden bepaalde marktdeelnemers individueel kan raken (arresten [van 16 mei 1991,] Extramet Industrie/Raad [C-358/89, Jurispr. blz. I-2501], punt 13, en [van 18 mei 1994,] Codorníu/Raad [C-309/89, Jurispr. blz. I-1853,] punt 19). Dit is het geval indien de betrokken bepaling een natuurlijk of rechtspersoon treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert, en hem daardoor individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van een beschikking (arrest Codorníu/Raad, reeds aangehaald, punt 20).
49 Verzoeksters stellen dat zij behoren tot een beperkte kring van marktdeelnemers waarop de omstreden bepaling betrekking heeft.
50 Opgemerkt zij evenwel dat, anders dan verzoeksters stellen, de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, meer of minder nauwkeurig kan worden bepaald, geenszins betekent dat deze rechtssubjecten moeten worden geacht door die maatregel individueel te worden geraakt, zolang vaststaat dat deze toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (arresten Hof van 15 juni 1993, Abertal e.a./Commissie, C-213/91, Jurispr. blz. I-3177, punt 17, en 15 februari 1996, Buralux e.a./Raad, C-209/94 P, Jurispr. blz. I-615, punt 24). In de onderhavige zaak worden verzoeksters door de omstreden bepaling in hun objectieve hoedanigheid van ,systeemverkoper geraakt, op dezelfde wijze als iedere andere systeemverkoper in de zin van artikel 2 van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 3089/93. In werkelijkheid worden alle in artikel 6, lid 1, sub b-v, van verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd, bedoelde marktdeelnemers door deze bepaling geraakt in hun objectieve hoedanigheid van op de betrokken markt werkzame ondernemers, ongeacht of zij systeemverkoper, luchtvaartmaatschappij of abonnee zijn.
51 Bovendien beroepen verzoeksters zich op uitzonderlijke economische omstandigheden. In de twee door hen aangehaalde arresten van het Hof, waarin werd geoordeeld dat een rechtspersoon individueel werd geraakt door de verordeningsbepaling waartegen hij opkwam, lagen de omstandigheden evenwel anders dan in het onderhavige geval.
52 Zo heeft het Hof in het reeds aangehaalde arrest Extramet Industrie/Raad, betreffende de antidumpingregeling, beklemtoond dat verzoeker zowel de belangrijkste importeur van het product waarop de antidumpingmaatregel betrekking had, als de eindgebruiker van het product was, en dat hij moeilijkheden ondervond om zich te bevoorraden bij de enige producent in de Gemeenschap, die bovendien zijn concurrent op de markt van het verwerkte product was.
53 In het reeds aangehaalde arrest Codorníu/Raad heeft het Hof geoordeeld dat een verzoeker die sinds 1924 een exclusief recht heeft op een merk dat hij van oudsher heeft gebruikt, en dat hij niet meer mag gebruiken ten gevolge van een bepaling van een verordening, door die bepaling individueel wordt geraakt.
54 Uit deze arresten blijkt dat het feit alleen dat een verordeningsbepaling de economische activiteit van een onderneming aantast, niet betekent dat die onderneming door die bepaling wordt geraakt. De situaties die het Hof in deze arresten voor ogen had, waren het resultaat van een samenloop van bijzondere omstandigheden die zich in het onderhavige geval niet voordoen. Zo hebben verzoeksters niet aangetoond dat zij werden belet, gebruik te maken van een exclusief recht, zoals het geval was in de zaak die tot het reeds aangehaalde arrest Codorníu/Raad heeft geleid. En ook al wordt de activiteit betreffende de MIDT - die slechts een afgeleide activiteit van de primaire functie van CRS, namelijk de geautomatiseerde reservering van diensten, is - door de bestreden bepaling ongunstig beïnvloed, verzoeksters hebben niet aangetoond dat zij zich bevinden in een situatie die vergelijkbaar is met die van Extramet Industrie SA op de markt van calciummetaal. In werkelijkheid worden verzoeksters door de betrokken verordening slechts geraakt in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper, net als de andere ondernemers. In de onderhavige zaak zijn geen elementen voorhanden die vergelijkbaar zijn met de specifieke elementen op basis waarvan is aangenomen dat Extramet Industrie SA en Codorníu SA individueel werden geraakt door de handelingen waartegen zij opkwamen.
55 Derhalve moet worden geconcludeerd dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat zij individueel zijn geraakt door de verordeningsbepaling waarvan zij de nietigverklaring vorderen."
De hogere voorziening
23 Ter ondersteuning van hun hogere voorziening, strekkende tot nietigverklaring van de bestreden beschikking en tot ontvankelijkverklaring van hun beroep tegen artikel 6, lid 1, sub b-v van verordening nr. 2299/89, zoals ingevoegd bij verordening nr. 323/1999, voeren rekwiranten twee middelen aan, die ieder een rechtsklacht behelzen.
24 Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het Gerecht in de punten 47 en 50 van de bestreden beschikking, dat rekwiranten door de omstreden bepaling slechts in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper worden geraakt op dezelfde wijze als iedere andere systeemverkoper.
25 Rekwiranten stellen ter zake dat zij door de omstreden bepaling individueel worden geraakt in de zin van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht, omdat zij deel uitmaakten van een groep marktdeelnemers waarvan het aantal en de identiteit vaststond en verifieerbaar was op de dag waarop verordening nr. 323/1999 werd vastgesteld (zie met name arresten van 23 november 1971, Bock/Commissie, 62/70, Jurispr. blz. 897, punt 10; van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, Jurispr. blz. 207, punt 17, en van 26 juni 1990, Sofrimport/Commissie, C-152/88, Jurispr. blz. 2477, punt 11), en omdat zij bepaalde bijzondere hoedanigheden bezaten dan wel zich een feitelijke situatie voordeed die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseerde (zie onder meer arresten Gerecht van 13 december 1995, Exporteurs in Levende Varkens e.a./Commissie, T-484/93 en T-484/93, Jurispr. blz. II-2941, punt 50, en van 10 februari 2000, Nederlandse Antillen/Commissie, T-32/98 en T-41/98, Jurispr. blz. II-201, punten 48-50).
26 Het tweede middel is gericht tegen het oordeel van het Gerecht in de punten 51 tot en met 54 van de bestreden beschikking, dat de door rekwiranten aangevoerde uitzonderlijke economische omstandigheden niet betekenen dat zij door de omstreden bepaling individueel worden geraakt.
27 Volgens rekwiranten heeft het Gerecht het recht geschonden, aangezien het aldus de beginselen heeft miskend die zijn vastgelegd in de reeds aangehaalde arresten Extramet Industrie/Raad en Codorníu/Raad en in de latere rechtspraak van het Hof en het Gerecht (zie onder meer beschikking Hof CNPAAP/Raad, reeds aangehaald, punt 36, en beschikkingen Gerecht van 10 december 1996, Atlanta en Internationale Fruchtimport Gesellschaft Weichert/Commissie, T-18/95, Jurispr. blz. II-1669, punt 47; van 3 juni 1997, Merck e.a./Commissie, T-60/96, Jurispr. blz. II-849, punten 40 en 41, alsmede van 30 september 1997, Federolio/Commissie, T-122/96, Jurispr. blz. II-1559, punten 58 en 59).
28 In zijn memorie van antwoord stelt de Raad dat het Gerecht de door rekwiranten gestelde rechtsschendingen niet heeft begaan en dat de hogere voorziening daarom moet worden afgewezen. Bovendien betoogt de Raad dat rekwiranten de mogelijkheid hebben om de geldigheid van de omstreden bepaling aan te vechten voor een nationale rechter, met name door middel van een beroep tegen een uitvoeringsmaatregel van die bepaling. De Raad voegt hieraan toe dat vragen over de uitlegging van de omstreden bepaling door middel van een prejudiciële verwijzing aan het Hof kunnen worden voorgelegd.
29 Ook de Commissie is van mening dat het Gerecht niet het recht heeft geschonden. Wat het eerste middel betreft, heeft het Gerecht haars inziens de rechtspraak van het Hof en het Gerecht correct toegepast met betrekking tot de mogelijkheid dat een normatieve handeling, zelfs indien deze op alle belanghebbende marktdeelnemers van toepassing is, sommigen van hen rechtstreeks en individueel kan betreffen. Ten aanzien van het tweede middel betoogt zij dat het Gerecht de reeds aangehaalde arresten Extramet Industrie/Raad en Codorníu/Raad correct heeft toegepast.
Beoordeling door het Hof
30 Ingevolge artikel 119 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof een hogere voorziening, wanneer deze kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, op ieder moment bij met redenen omklede beschikking afwijzen.
31 Vooraf moet erop worden gewezen dat het Gerecht de ontvankelijkheid van het bij hem ingestelde beroep tot nietigverklaring in twee fasen heeft beoordeeld. In de eerste plaats heeft het in de punten 44 tot en met 47 van de bestreden beschikking onderzocht of de omstreden bepaling naar aard en strekking een normatief karakter heeft. In de tweede plaats heeft het, na te hebben geoordeeld dat de bepaling een normatief karakter heeft, in de punten 48 tot en met 54 van zijn beschikking onderzocht of verzoeksters niettemin konden stellen dat zij door verordening nr. 323/1999 individueel werden geraakt omdat deze hen betrof uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert in de zin van de rechtspraak van het Hof en het Gerecht.
Het eerste middel
32 Het eerste middel van rekwiranten, dat inhoudt dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zij slechts in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkoper worden geraakt, op dezelfde wijze als iedere andere systeemverkoper, is gericht tegen zowel punt 47 als punt 50 van de bestreden beschikking en betreft derhalve de eerste en de tweede fase van de beoordeling door het Gerecht.
33 Ten aanzien van punt 47, betreffende het deel van de bestreden beschikking over de normatieve aard van de omstreden bepaling, is het enige argument dat wordt aangevoerd ter ondersteuning van het eerste middel, waarmee de normatieve aard van die bepaling wordt aangevochten, ontleend aan de rechtspraak die met name is vastgelegd in het arrest van 3 mei 1978, Töpfer/Commissie (112/77, Jurispr. blz. 1019, punt 9), waarop rekwiranten zich beroepen. Zij betogen met name dat wegens hun reeds bestaande contractuele verplichtingen, die door de bepaling kunnen worden aangetast, deze bepaling hen individueel raakt alsof zij bestaat uit een bundel persoonlijk tot hen gerichte beschikkingen.
34 Het reeds aangehaalde arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, dat rekwiranten ter ondersteuning van hun stelling inroepen, kan hun conclusie dat verordening nr. 323/1999 in werkelijkheid een bundel beschikkingen is, niet dragen. In de zaak waarin genoemd arrest is gewezen, was de vraag aan de orde of niettegenstaande het ontegenzeglijk normatieve karakter van de bestreden handeling de verzoekende ondernemer door die handeling toch individueel werd geraakt op grond van een feitelijke situatie die hem ten opzichte van iedere andere ondernemer karakteriseerde. Bovendien valt in de analyse van het Gerecht, dat het normatieve karakter van de omstreden bepaling heeft afgeleid uit de algemene en abstracte formulering van de bepaling, geen enkele rechtsschending te ontdekken.
35 De andere argumenten die rekwiranten ter ondersteuning van hun eerste middel hebben aangevoerd, betreffen meer in het bijzonder het tweede deel van de bestreden beschikking, namelijk de vraag of de omstreden bepaling ondanks haar normatieve karakter de rekwiranten individueel raakt uit hoofde van bijzondere hoedanigheden of een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking (zie onder meer de reeds aangehaalde arresten Extramet Industrie/Raad, punt 13, en Codorníu/Raad, punten 19 en 20; beschikking van 28 juni 2001, Eridania e.a./Raad, C-351/99 P, Jurispr. blz. I-5007, punt 45, en arrest van 22 november 2001, Antillean Rice Mills/Raad, C-451/98, Jurispr. blz. I-8949, punten 46 en 49).
36 Anders dan rekwiranten beweren, heeft het Gerecht in de punten 48 tot en met 54 van de bestreden beschikking wel degelijk onderzocht of zij volgens de beginselen van met name de arresten Extramet Industrie/Raad en Codorníu/Raad individueel konden zijn geraakt.
37 In de tweede plaats is het argument van rekwiranten dat zij behoren tot een beperkte kring van marktdeelnemers waarop de omstreden bepaling betrekking heeft, en dat hun beroep tot nietigverklaring daarom ontvankelijk is, terecht door het Gerecht verworpen in punt 50 van de bestreden beschikking.
38 Zelfs indien zou vaststaan, zoals rekwiranten stellen, dat alleen de huidige vier CRS-verkopers de concrete adressaten van de bestreden bepaling waren omdat zij als enigen door die bepaling werden geraakt, betekent het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten waarop een maatregel van toepassing is, min of meer nauwkeurig bepaalbaar is, nog geenszins dat deze subjecten als door die maatregel individueel geraakt moeten worden beschouwd wanneer vaststaat dat, zoals in casu, die toepassing voortvloeit uit een objectieve feitelijke of rechtssituatie die in de betrokken handeling wordt omschreven (zie onder meer arrest Antillean Rice Mills/Raad, reeds aangehaald, punten 51 en 52).
39 De omstreden bepaling raakt rekwiranten in hun objectieve hoedanigheid van systeemverkopers, op dezelfde wijze als de huidige of toekomstige systeemverkopers in dezelfde situatie en de andere marktdeelnemers op de betrokken markt, zoals de luchtvaartmaatschappijen of de abonnees, die deze bepaling eveneens in hun objectieve hoedanigheid raakt. Zoals het Gerecht opmerkt in punt 47 van de bestreden beschikking, gebruikt de omstreden bepaling daartoe termen die in verordening nr. 2299/89, zoals gewijzigd bij verordening nr. 323/1999, op algemene en abstracte wijze zijn gedefinieerd; het betreft de definities van de categorieën marktdeelnemers waarop deze van toepassing is, zonder enige verwijzing naar de specifieke situatie van bepaalde marktdeelnemers (zie onder meer beschikking van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C-409/96 P, Jurispr. blz. I-7531, punt 37).
40 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van rekwiranten dat de concrete gevolgen van de omstreden bepaling verschillen voor de diverse rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, aangezien alleen de vier verkopers van wereldwijde CRS ernstige financiële schade lijden door de vaststelling van genoemde bepaling, met name door de consequenties voor hun verkoop van MIDT aan luchtvaartmaatschappijen. Door dit verschil in de concrete gevolgen van de omstreden bepaling, die geen enkele overgangsmaatregel inhoudt, buiten beschouwing te laten heeft het Gerecht volgens rekwiranten hun situatie ten onrechte gelijkgesteld met die van alle andere partijen op de betrokken markt, zoals andere CRS-verkopers, luchtvaartmaatschappijen of abonnees.
41 In dit verband hoeft er slechts aan te worden herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de omstandigheid dat een handeling voor de verschillende rechtssubjecten waarop zij van toepassing is, in concreto tot uiteenlopende gevolgen kan leiden, niet afdoet aan het regelgevende karakter van dat voorschrift, zolang van een objectief bepaalde situatie sprake is (zie onder meer de reeds aangehaalde beschikkingen Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, punt 37, en Eridania e.a./Raad, punt 58).
42 Bovendien betogen rekwiranten dat zij zich in een feitelijke situatie bevinden die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen daardoor op soortgelijke wijze individualiseert als de adressaat van een beschikking. Daartoe voeren zij in wezen twee argumenten aan.
43 Het eerste argument, ontleend aan hun betrokkenheid bij de voorbereiding van de omstreden bepaling en de kennis die de Raad van hun bijzondere situatie had, is volstrekt niet aan de orde geweest voor het Gerecht en is volgens vaste rechtspraak dan ook kennelijk niet-ontvankelijk in het stadium van de hogere voorziening (zie onder meer arrest van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. blz. I-8147, punt 74, en de daarin aangehaalde rechtspraak).
44 Het tweede argument, dat in wezen is ontleend aan 's Hofs rechtspraak en met name aan het reeds aangehaalde arrest Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, op grond waarvan een door een particulier ingesteld beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is voorzover deze particulier aantoont, in de eerste plaats dat de instelling die de betwiste handeling heeft verricht, op grond van specifieke bepalingen verplicht is rekening te houden met de gevolgen die de handeling die zij voornemens is vast te stellen, heeft voor de situatie van bepaalde particulieren, waaronder de verzoeker, en in de tweede plaats dat hij reeds overeenkomsten heeft gesloten waarvan de nakoming tijdens de toepassingsduur van de bestreden bepaling geheel of gedeeltelijk was verhinderd door die maatregel (zie onder meer arrest Antillean Rice Mills e.a./Raad, reeds aangehaald, punten 57 en 61, en beschikking van 30 januari 2002, La Conqueste/Commissie, C-151/01 P, Jurispr. blz. I-1179, punt 36).
45 De feitelijke situatie die rekwiranten naar hun mening ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert, vloeit voort uit het feit dat huns inziens de leveringsovereenkomsten voor MIDT die zij vóór de vaststelling van verordening nr. 323/1999 hadden gesloten, waarschijnlijk niet door de luchtvaartmaatschappijen zouden worden vernieuwd. Toch is een dergelijke situatie, zelfs indien deze zou vaststaan, niet vergelijkbaar met die in het reeds aangehaalde arrest Piraiki-Patraiki/Commissie. In dit arrest wordt de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring afhankelijk gesteld van de vraag of er reeds overeenkomsten zijn gesloten waarvan de nakoming geheel of ten dele wordt verhinderd door de betwiste maatregel. Op de door rekwiranten gestelde situatie kan de in genoemd arrest vastgelegde rechtspraak derhalve niet worden toegepast.
46 Bovendien heeft het Gerecht in punt 54 van de bestreden beschikking geoordeeld dat verzoeksters niet hebben aangetoond dat de omstreden bepaling hen raakt op grond van een aantal hoedanigheden die hen karakteriseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer waarop genoemde bepaling van toepassing is, onder meer de andere CRS-verkopers. Het heeft zich daarbij in het bijzonder op de constatering gebaseerd dat indien verzoeksters door de omstreden bepaling worden geraakt, dit het gevolg is van hun activiteit betreffende de MIDT, die slechts een afgeleide activiteit van de primaire functie van CRS is, namelijk de geautomatiseerde reservering van diensten.
47 Deze beoordeling door het Gerecht van de aan hem voorgelegde feiten is - behoudens bij een onjuiste weergave ervan - geen rechtsvraag die als zodanig voor toetsing door het Hof in aanmerking komt (zie onder meer arresten van 15 juni 2000, TEAM/Commissie, C-13/99 P, Jurispr.blz. I-4671, punt 63, en van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie, C-352/98 P, Jurispr. blz. I-5291, punt 49).
48 Dit argument moet dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard aangezien het, zonder dat het enig bewijs van een onjuiste weergave van de aan het Gerecht voorgelegde feiten bevat, in werkelijkheid tot doel heeft, het Hof een feitelijke vraag te laten onderzoeken die reeds in eerste aanleg is beslist, namelijk of de situatie van rekwiranten, met name wat de gedane investeringen betreft, als voldoende specifiek kon worden beschouwd om hen ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer te karakteriseren.
49 Aangezien het eerste middel deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond is, moet het worden afgewezen.
Het tweede middel
50 Het tweede middel houdt in dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de aangevoerde uitzonderlijke economische omstandigheden niet betekenen dat rekwiranten door de omstreden bepaling individueel worden geraakt. Opgemerkt moet worden dat de Gerecht in de punten 51 tot en 54 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat het feit alleen dat een verordeningsbepaling de economische activiteit van een onderneming aantast, niet betekent dat die onderneming door die bepaling wordt geraakt, en bovendien dat er in het onderhavige geval geen sprake is van de specifieke omstandigheden die hebben geleid tot de eerder aangehaalde arresten Extramet Industrie/Raad en Codorníu/Raad, waarin de verzoekende ondernemingen als individueel geraakt werden beschouwd.
51 Met betrekking tot het reeds aangehaalde arrest Codorníu/Raad heeft het Gerecht terecht geoordeeld dat rekwiranten niet hebben aangetoond dat zij werden belet gebruik te maken van een exclusief recht, zoals het geval was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid (zie onder meer beschikking Eridania e.a./Raad, reeds aangehaald, punten 62 en 63).
52 Bovendien heeft het Gerecht, wat het reeds aangehaalde arrest Extramet Industrie/Raad betreft, in de punten 52 en 54 van de bestreden beschikking eveneens terecht geoordeeld dat de betrokken marktdeelnemer in de zaak die tot dit arrest heeft geleid, zich van iedere andere marktdeelnemer onderscheidde door een aantal elementen die kenmerkend voor hem waren en op grond waarvan hij als door de betwiste handeling individueel geraakt moest worden beschouwd. Rekwiranten in de onderhavige zaak hebben niet aangetoond dat de omstreden bepaling hen raakt op grond van een aantal hoedanigheden die hen karakteriseren ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer waarop de omstreden bepaling van toepassing is.
53 Hoewel rekwiranten zich beroepen op het aangehaalde arrest Extramet Industrie/Raad, steunen zij de ontvankelijkheid van hun beroep uitsluitend op de economische moeilijkheden waartoe de omstreden bepaling volgens hen heeft geleid, en leveren zij niet het bewijs van het bestaan van een aantal andere omstandigheden waardoor zij zich in een bijzondere positie bevonden welke hen met betrekking tot de betrokken handeling ten opzichte van iedere andere marktdeelnemer karakteriseert (zie onder meer arrest Industrie des poudres sphériques/Raad, reeds aangehaald, punt 57).
54 Bovendien moet, wat de economische moeilijkheden als zodanig betreft, die door rekwiranten ter ondersteuning van de ontvankelijkheid van hun beroep zijn ingeroepen, worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 54 van de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat deze slechts betrekking hebben op een afgeleide activiteit van de primaire functie van CRS, namelijk de activiteit betreffende de MIDT, waaruit het heeft geconcludeerd dat rekwiranten niet hebben aangetoond dat de omstreden bepaling hen anders raakte dan in hun hoedanigheid van CRS-verkoper, net als de andere deelnemers op de betrokken markt.
55 Rekwiranten hebben onder deze omstandigheden inderdaad niet aangetoond dat de uitvoering van genoemde bepaling ernstige gevolgen voor hen meebracht, die hen onderscheidden van iedere andere marktdeelnemer op wie deze van toepassing was (zie in deze zin onder meer arrest Antillean Rice Mills/Raad, reeds aangehaald, punten 53 en 54).
56 De beoordeling door het Gerecht van de ernst van de gestelde consequenties van de bestreden bepaling betreft overigens de aan hem voorgelegde feiten en niet - behoudens bij een onjuiste weergave ervan - een rechtsvraag die als zodanig voor toetsing door het Hof in aanmerking komt.
57 Bijgevolg moet het tweede middel kennelijk ongegrond worden verklaard.
58 Gelet op het voorgaande moet de hogere voorziening met toepassing van artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering als ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Beslissing inzake de kostenKosten
59 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 118 van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwiranten in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Raad en de Commissie in de kosten te worden verwezen.
DictumHET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) The Galileo Company en Galileo International LLC worden in de kosten verwezen.
Top