Ordonnance de la Cour
Zaak C-150/02 P
Streamserve Inc.
tegen
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen – Merken die uitsluitend bestaan uit beschrijvende tekens of aanduidingen – Woord ‚Streamserve’”
Samenvatting van de beschikking
1. Gemeenschapsmerk – Definitie en verkrijging van gemeenschapsmerk – Absolute weigeringsgronden – Merken uitsluitend bestaande uit tekens of aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van kenmerken van waar of dienst – Doel – Vrijhoudingsbehoefte
(Verordening nr. 40/94 van de Raad, art. 7, lid 1, sub c)
2. Hogere voorziening – Middelen – Toetsing door Hof van beoordeling van aan Gerecht voorgelegde feiten – Uitgesloten – Teken aangevraagd als gemeenschapsmerk
(Art. 225 EG; Statuut-EG van het Hof van Justitie, art. 51)
1. Met het verbod op inschrijving als gemeenschapsmerk van tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, streeft artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk die tekens of aanduidingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve dat die tekens of aanduidingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden.
(cf. punten 24-25)
2. De beoordeling van de feiten die het Gerecht verricht in het kader van een beroep tot nietigverklaring dat is ingesteld tegen een beslissing van een kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), en op grond waarvan het aanneemt dat een teken waarvan de inschrijving is aangevraagd, „bij de betrokken consumenten geen ongewone indruk achterlaat”, levert geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening.
(cf. punten 29-30)
BESCHIKKING VAN HET HOF (Vierde kamer)
5 februari 2004(1)
„Hogere voorziening – Gemeenschapsmerk – Verordening (EG) nr. 40/94 – Inschrijving – Absolute weigeringsgrond – Onderscheidend vermogen – Merken die uitsluitend bestaan uit beschrijvende tekens of aanduidingen – Woord ‚Streamserve’”
In zaak C-150/02 P,
Streamserve Inc., vertegenwoordigd door J. Kääriäinen, advokat, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
rekwirante,
betreffende hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Vierde kamer) van 27 februari 2002, Streamserve/BHIM (Streamserve) (T-106/00, Jurispr. blz. II-723), strekkende tot vernietiging van dat arrest voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) in haar beslissing van 28 februari 2000 houdende weigering van de inschrijving van het woord „Streamserve” als gemeenschapsmerk, behalve voor waren van andere categorieën dan „handboeken” en „publicaties”, (zaak R 423/1999-2), niet in strijd had gehandeld met artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1),
andere partij bij de procedure:
Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), vertegenwoordigd door E. Joly als gemachtigde,
verweerder in eerste aanleg,
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: J. N. Cunha Rodrigues, kamerpresident, J.-P. Puissochet (rapporteur) en F. Macken, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs,
griffier: R. Grass,
geeft
Beschikking
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 april 2002, heeft Streamserve Inc. (hierna: „rekwirante”) krachtens artikel 49 van 's Hofs Statuut-EG hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 27 februari 2002, Streamserve/BHIM (Streamserve) (T‑106/00, Jurispr. blz. II‑723; hierna: „bestreden arrest”), strekkende tot vernietiging van dat arrest voorzover het Gerecht heeft geoordeeld dat de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (hierna: „BHIM”) in haar beslissing van 28 februari 2000 houdende weigering van de inschrijving van het woord „Streamserve” als gemeenschapsmerk (zaak R 423/1999‑2) (hierna: „litigieuze beslissing”), voor waren van andere categorieën dan „handboeken” en „publicaties”, niet in strijd had gehandeld met artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 4 van verordening nr. 40/94 luidt:
„Gemeenschapsmerken kunnen worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, met name woorden, met inbegrip van namen van personen, tekeningen, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen.”
3 Artikel 7, lid 1, van die verordening bepaalt:
„1. Geweigerd wordt inschrijving van:
a) tekens die niet in overeenstemming zijn met artikel 4;
b) merken die elk onderscheidend vermogen missen;
c) merken die uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[…]”
4 In artikel 12 van verordening nr. 40/94 is bepaald:
„Het aan het Gemeenschapsmerk verbonden recht staat de houder niet toe een derde te verbieden om in het economisch verkeer gebruik te maken:
[…]
b) van aanduidingen inzake soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten;
[…]
voorzover er sprake is van gebruik volgens de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel.”
Feiten van het geding
5 Op 22 augustus 1997 heeft Intelligent Document Systems Scandinavia AB bij het BHIM de inschrijving van het woord „Streamserve” als gemeenschapsmerk aangevraagd voor waren van de klassen 9 en 16 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd.
6 Tot de waren van klasse 9 waarvoor de inschrijving was aangevraagd, behoorden de volgende waren: „Apparaten voor het opnemen, het overbrengen en het weergeven van geluid of beeld; gegevensverwerkende installaties, bestaande uit computers, computergeheugens, beeldschermen, toetsenborden, processors, printers en scanners; computerprogramma's op banden, schijven, diskettes en andere machinaal leesbare media.”
7 In de inschrijvingsaanvraag waren de volgende waren van klasse 16 bedoeld: „geregistreerde computerprogramma's; handboeken; dagbladen en publicaties; leermiddelen en onderwijsmateriaal.”
8 Op 18 februari 1999 is de gemeenschapsmerkaanvraag op rekwirante overgegaan.
9 De onderzoeker van het BHIM heeft die aanvraag afgewezen bij beslissing van 21 mei 1999 waartegen rekwirante beroep heeft ingesteld.
10 De tweede kamer van beroep van het BHIM heeft bij de litigieuze beslissing dit beroep verworpen op grond dat het woord „Streamserve”, dat is ontstaan uit een combinatie van twee Engelse woorden zonder dat een ongebruikelijk of inventief element is toegevoegd, beschrijvend was voor de bestemming van de betrokken waren, in casu het gebruik van een techniek voor het overbrengen van numerieke gegevens via een server, waardoor deze in een regelmatige en continue stroom („streaming”-techniek) kunnen worden verwerkt, en dat in die omstandigheden de onderzoeker op goede gronden had geoordeeld dat artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94 in de weg stond aan de inschrijving van dat woord als gemeenschapsmerk.
Het bestreden arrest
11 Bij op 27 april 2000 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft rekwirante beroep ingesteld tot vernietiging van de litigieuze beslissing. Het Gerecht heeft bij het bestreden arrest het beroep slechts gedeeltelijk toegewezen.
12 In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 36 van het bestreden arrest overwogen dat artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang nastreefde, volgens hetwelk de daarin bedoelde tekens of aanduidingen als gevolg van hun inschrijving als merk niet voorbehouden blijven aan één enkele onderneming, maar door eenieder ongestoord kunnen worden gebruikt.
13 In de tweede plaats heeft het Gerecht eerst erop gewezen dat het voor verzoeksters waren in aanmerking komende publiek bestond uit de gemiddelde Engelstalige consument die gebruikmaakt van internet en geïnteresseerd is in de audiovisuele aspecten daarvan, en in de punten 40 tot en met 49 van het bestreden arrest beslist, dat in casu aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 was voldaan, te weten dat er voor het in aanmerking komende publiek een voldoende rechtstreeks en concreet verband bestond tussen het teken en de waren waarvoor de inschrijving is gevraagd.
14 Volgens het Gerecht was het woord Streamserve samengesteld uit een basiswerkwoord („serve”) en een zelfstandig naamwoord („stream”) en liet het bij de betrokken consumenten dus geen ongewone indruk achter. Het was verder van oordeel dat het woord Streamserve betrekking had op een techniek voor het overbrengen van numerieke gegevens via een server, waardoor deze in een regelmatige en continue stroom kunnen worden verwerkt en dat die overbrengingstechniek een van de functies van de betrokken waren was en niet alleen een van de toepassingsgebieden daarvan.
15 In punt 49 van het bestreden arrest heeft het Gerecht daaruit afgeleid dat dit woord kon dienen ter aanduiding van een kenmerk van het merendeel van de in de inschrijvingsaanvraag bedoelde waren, zodat voor de inschrijving van dit woord voor die waren de absolute weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 moest gelden.
16 In de derde plaats heeft het Gerecht voor dezelfde waren vastgesteld dat de litigieuze beslissing wettig enkel op grond van artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 had kunnen worden genomen, zodat verzoeksters middel volgens hetwelk die beslissing artikel 7, lid 1, sub b, van die verordening had geschonden, faalde en dus moest worden afgewezen.
17 Daarentegen was het Gerecht van oordeel dat het BHIM niet had aangetoond dat dit woord een beschrijvend karakter kon hebben, en evenmin dat het onderscheidend vermogen miste voor de waren van de categorieën „handboeken” en „publicaties”. Het heeft daarop de litigieuze beschikking vernietigd, voorzover daarbij de aanvraag tot inschrijving van dit woord voor de waren van die twee categorieën is afgewezen.
De hogere voorziening
18 Rekwirante concludeert dat het het Hof behage het bestreden arrest te vernietigen, voorzover daarbij de litigieuze beslissing is bevestigd voor de waren die niet vallen onder de categorieën „handboeken” en „publicaties”, en verder de litigieuze beslissing te vernietigen. Zij vordert tevens de verwijzing van het BHIM in de kosten.
19 Het BHIM concludeert tot afwijzing van de hogere voorziening en tot verwijzing van rekwirante in de kosten.
20 Krachtens artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer de hogere voorziening kennelijk ongegrond is, op ieder moment, op rapport van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, bij met redenen omklede beschikking de hogere voorziening geheel of gedeeltelijk afwijzen.
Het eerste middel
21 Met dit middel stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ervan uit te gaan dat artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang nastreeft, volgens hetwelk de in dat artikel bedoelde tekens of aanduidingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Die opvatting van het Gerecht is niet helemaal te verzoenen met de zienswijze van advocaat-generaal Jacobs in zijn conclusie in de zaak Baby‑dry, die door het Hof is bevestigd (arrest van 20 september 2001, Procter & Gamble/BHIM, C‑383/99 P, Jurispr. blz. I‑6251), en volgens welke artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 „niet […] bedoeld [was] om iedere monopolisering van algemene beschrijvende termen tegen te gaan, maar om inschrijving te voorkomen van beschrijvende merknamen die niet voor bescherming vatbaar kunnen zijn” (zie punt 78 van de conclusie). Het Gerecht heeft in die omstandigheden bij de toepassing van die bepalingen op de feiten van de onderhavige zaak een te streng criterium gehanteerd.
22 Volgens artikel 4 van verordening nr. 40/94 kunnen gemeenschapsmerken worden gevormd door alle tekens die vatbaar zijn voor grafische voorstelling, mits deze de waren of diensten van een onderneming kunnen onderscheiden van die van andere ondernemingen.
23 Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 bepaalt, dat de inschrijving wordt geweigerd van merken die „uitsluitend bestaan uit tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, kwaliteit, hoeveelheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst, tijdstip van vervaardiging van de waren of verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten”.
24 Tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, worden dus door verordening nr. 40/94 als naar hun aard ongeschikt beschouwd om de herkomstfunctie van een merk te vervullen, onverminderd de in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94 bedoelde mogelijkheid van verkrijging van onderscheidend vermogen door het gebruik.
25 Met het verbod op inschrijving als gemeenschapsmerk van tekens of aanduidingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van de waren of diensten waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, streeft artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang na, volgens hetwelk die tekens of aanduidingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt. Deze bepaling belet derhalve, dat die tekens of benamingen op grond van hun inschrijving als merk aan een enkele onderneming worden voorbehouden [zie met name, met betrekking tot de identieke bepalingen van artikel 3, lid 1, sub c, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1), arresten van 4 mei 1999, Windsurfing Chiemsee, C‑108/97 en C‑109/97, Jurispr. blz. I‑2779, punt 25, en 8 april 2003, Linde e.a., C‑53/01–C‑55/01, Jurispr. blz. I‑3161, punt 73, en, wat artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 betreft, arrest van 23 oktober 2003, BHIM/Wrigley, C‑191/01 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie].
26 Door in punt 36 van het bestreden arrest aan te nemen dat artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 een doel van algemeen belang nastreefde, volgens hetwelk de voorgestelde tekens of aanduidingen door eenieder ongestoord moeten kunnen worden gebruikt, heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting over de doelstellingen van die bepalingen, zodat het die bepalingen juist heeft uitgelegd.
27 Derhalve berusten die rechtsoverwegingen niet op een onjuiste rechtsopvatting.
28 Het eerste middel moet dus worden afgewezen.
Het tweede middel
29 Met dit middel voert rekwirante aan dat het Gerecht door een onjuiste uitlegging van de feiten van de onderhavige zaak heeft aangenomen dat het woord „Streamserve” bij de betrokken consumenten geen ongewone indruk achterliet. Volgens haar bestaat dit uit het werkwoord „serve” en het zelfstandig naamwoord „stream” samengestelde woord niet uitsluitend uit tekens of aanduidingen die een van de kenmerken van de betrokken waren aanduiden, maar heeft het een inventief karakter, voorzover het in de specifieke taal van informatica en internet niet wordt gebruikt om de in de inschrijvingsaanvraag bedoelde waren dan wel een van hun kenmerken aan te duiden.
30 Met de stelling dat het Gerecht door een onjuiste uitlegging van de feiten van de zaak heeft aangenomen dat het woord „Streamserve” gebruikelijk is voor het betrokken publiek en niet kan worden gebruikt ter aanduiding van de kenmerken van de waren waarop de inschrijvingsaanvraag betrekking heeft, beperkt rekwirante zich in feite tot een betwisting van de beoordeling van de feiten door het Gerecht, waarbij zij zich overigens niet beroept op een onjuiste voorstelling van de aan het Gerecht voorgelegde elementen van het dossier. Die beoordeling levert evenwel geen rechtsvraag op die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof in het kader van een hogere voorziening (arrest van 19 september 2002, DKV/BHIM, C‑104/00 P, Jurispr. blz. I‑7561, punt 22).
31 Door uit alle vaststellingen in de punten 44 tot en met 48 van het bestreden arrest af te leiden dat het woord „Streamserve” in de handel kon dienen tot aanduiding van een kenmerk van het merendeel van de in de inschrijvingsaanvraag bedoelde waren, heeft het Gerecht artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 juist toegepast (arrest BHIM/Wrigley, reeds aangehaald, punt 32).
32 In die omstandigheden moet het tweede middel van de hogere voorziening worden afgewezen.
33 Uit een en ander volgt dat de hogere voorziening kennelijk ongegrond is, en dus moet worden afgewezen.
Kosten
34 Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 118 van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voorzover dit is gevorderd. Aangezien rekwirante in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van het BHIM in de kosten te worden verwezen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer)
beschikt:
1) De hogere voorziening wordt afgewezen.
2) Rekwirante wordt verwezen in de kosten.
Luxemburg, 5 februari 2004.
De griffier
De president van de Vierde kamer
R. Grass
J. N. Cunha Rodrigues
1 – Procestaal: Engels. Top
Full & Egal Universal Law Academy