Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 10 oktober 1989. - STRAFZAAK TEGEN GUY BLANGUERNON. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE POLICE D'AIX-LES-BAINS - FRANKRIJK. - VENNOOTSCHAPSRECHT - UITVOERING VAN RICHTLIJNEN - WEDERKERIGHEIDSVOORWAARDE. - ZAAK C-38/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00083
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters
I - De ontvankelijkheid
1 . Ter terechtzitting van heden heeft de vertegenwoordiger van de verdachte in het hoofdgeding meegedeeld, dat de strafzaak tegen zijn mandant wegens een amnestie is beëindigd . Voor zover hij wist, is het verzoek om een prejudiciële beslissing echter niet ingetrokken . Volgens de rechtspraak van het Hof blijft een verzoek om een prejudiciële beslissing aanhangig zolang het niet uitdrukkelijk is ingetrokken . Behoudens een andersluidende beslissing van het Hof moeten de voorgelegde vragen derhalve worden beantwoord .
II - Ten gronde
2 . Ten gronde gaat het de verwijzende rechter om de vraag, of nationale regelingen die de Lid-Staten ingevolge een krachtens artikel 54, lid 3, sub g, vastgestelde richtlijn moeten treffen, van kracht kunnen worden zolang niet alle Lid-Staten overeenkomstige regelingen hebben vastgesteld .
3 . Om te beginnen herinner ik eraan, dat een Lid-Staat volgens vaste rechtspraak van het Hof de nakoming van zijn gemeenschapsrechtelijke verplichtingen niet afhankelijk kan stellen van de voorwaarde, dat ook de andere Lid-Staten dezelfde verplichtingen nakomen . ( 1 ) Anders gezegd, in het gemeenschapsrecht geldt voor de nakoming van verdragsverplichtingen het wederkerigheidsbeginsel niet . Tegen de niet-nakoming van die verplichtingen door individuele Lid-Staten kunnen de Commissie en de Lid-Staten dus niet opkomen door eenzijdig handelen, doch uitsluitend via de formele procedures van de artikelen 169 en 170 EEG-Verdrag .
4 . Wanneer dus een Lid-Staat ingevolge artikel 189 EEG-Verdrag niet enkel het recht heeft een richtlijn binnen de gestelde termijn uit te voeren, maar daartoe zelfs dan verplicht is wanneer andere Lid-Staten die verplichting nog niet nagekomen zijn, staat vast dat de particulier zich aan het met de richtlijn overeenkomende nationale recht heeft te houden en zich niet kan beroepen op het feit dat de richtlijn in andere Lid-Staten nog niet is uitgevoerd .
5 . Dit geldt ook voor de hier in geding zijnde Vierde richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 inzake de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen . ( 2 ) Deze richtlijn is vastgesteld op basis van artikel 54, lid 3, sub g, EEG-Verdrag, dat voorziet in de cooerdinatie van de waarborgen die in de Lid-Staten worden verlangd ter bescherming van de belangen van aandeelhouders en derden, ten einde die waarborgen gelijkwaardig te maken .
6 . Artikel 54, lid 3, sub g, spreekt van de gelijkwaardigheid van die waarborgen en ook in de considerans van de richtlijn wordt de noodzaak van gelijktijdige cooerdinatie op dat gebied beklemtoond, omdat de betrokken vennootschappen vaak over de nationale grenzen heen actief zijn . Maar juist aan die gelijkwaardigheid en gelijktijdige cooerdinatie wordt afbreuk gedaan wanneer die nationale regelingen ter uitvoering van de richtlijn op een verschillend moment in werking treden . Dat is tenminste de opvatting van de verdachte in het hoofdgeding .
7 . Hierbij valt op te merken, dat het vereiste van gelijkwaardigheid van de waarborgen de inhoudelijke mate van harmonisatie tot uitdrukking brengt, waaraan de op basis van artikel 54, lid 3, sub g, vastgestelde richtlijnen moeten beantwoorden . Die bepaling verlangt dus geen volledige eenvormigheid; het volstaat, dat de nationale waarborgen tot een gelijkwaardig resultaat leiden . Uit artikel 54, lid 3, sub g, kan echter geen verplichting van de gemeenschapswetgever en de Lid-Staten worden afgeleid, de interne toepasselijkheid van de nationale uitvoeringsregeling te doen afhangen van de vaststelling van die uitvoeringsregelingen in alle Lid-Staten . De Gemeenschap kan alleen bestaan dank zij de eerbiediging van het recht door de Lid-Staten, en men moet er dus van kunnen uitgaan, dat de Lid-Staten hun nationale recht op het in de richtlijn bepaalde tijdstip aan de in de richtlijn omschreven rechtssituatie hebben aangepast .
8 . Wanneer richtlijnen dan toch op verschillende tijdstippen in het nationale recht van de diverse Lid-Staten worden omgezet, waardoor het tot ongelijke behandeling van de particulieren in die Lid-Staten kan komen, dan is deze ongelijke behandeling een gevolg van de legislatieve techniek van de richtlijn . Een richtlijn is weliswaar verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat, maar zeker wanneer zij de particulieren verplichtingen oplegt, is haar werking afhankelijk van haar omzetting in nationaal recht door de nationale wetgever . Daardoor kan het niet enkel komen tot een andere keuze van vorm en middelen, maar ook tot een andere keuze van het tijdstip . Daar richtlijnen in het algemeen voorzien in een bepaalde termijn waarbinnen zij in nationaal recht moeten worden omgezet, en die omzetting en het van kracht worden ervan zowel aan het begin als aan het einde van die termijn kan vallen, is het niet enkel uitgesloten, dat de nationale regelingen op verschillende tijdstippen van kracht worden, maar ligt dat zo te zeggen in de aard van een richtlijn . In zoverre onderscheidt een richtlijn zich duidelijk van een verordening, die vanaf het moment van inwerkingtreding rechtstreeks in alle Lid-Staten geldt .
9 . Daarbij komt, dat de Lid-Staten juist bij vennootschapsrichtlijnen de gemeenschappelijke regels in uiteenlopende vennootschapsrechtelijke stelsels moeten inpassen, wat op grote problemen kan stuiten . ( 3 ) In verband daarmee is de termijn die voor de toepassing van afzonderlijke bepalingen van deze richtlijn is bepaald, langer dan anders in dezelfde gevallen gebruikelijk is . Om die reden is de omzettingstermijn in casu twee jaar . ( 4 )
10 . Het valt niet mee, de particulieren uit de ene Lid-Staat te doen begrijpen, dat zij bij een harmonisatie van rechtsregels nadelen zullen moeten accepteren die ontstaan doordat een andere Lid-Staat zijn communautaire verplichtingen niet tijdig nakomt . Het zijn in de eerste plaats de Lid-Staten en de politieke gemeenschapsinstellingen die hieruit de nodige conclusies moeten trekken . In het onderhavige geval is een oplossing moeilijk te vinden in het kader van een gerechtelijke procedure .
11 . Concluderend geef ik daarom in overweging, de gestelde vraag te beantwoorden als volgt :
"Nationale regelingen die op grond van richtlijnen ( bij voorbeeld op basis van artikel 54, lid 3, sub g zijn vastgesteld, moeten uiterlijk op het in de richtlijn genoemde tijdstip in werking treden . Dit geldt ook, wanneer nog niet alle Lid-Staten hun verplichting om de richtlijn in nationaal recht om te zetten, zijn nagekomen ."
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Zie de arresten van 22.3.1977, zaak 78/76, Steinike en Weinlig, Jurispr . 1977, blz . 595, 613; 25.9.1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1979, blz . 2729; 14 februari 1984, zaak 325/82, Commissie/Duitsland, Jurispr . 1984, blz . 777, 793 . Zie ook artikel 55 van de grondwet van de Franse Republiek van 4 oktober 1958 .
( 2 ) PB 1978, L 222, blz . 11 .
( 3 ) Zie het vijfde jaarverslag van de Commissie aan het Europees Parlement over het toezicht op de toepassing van het gemeenschaprecht, blz . 2 en volgende van de gehectografeerde versie, en het vierde verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van het Witboek van de Commissie inzake de voltooiing van de interne markt, blz . 4, nr . 14 en volgende .
( 4 ) Laatste overweging en artikel 55, lid 1, van de richtlijn .
Top