Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 7 maart 1990. - SOCIETE NATIONALE INTERPROFESSIONNELLE DE LA TOMATE (SONITO) EN ANDEREN TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - LANDBOUW - STEUN VOOR DE VERWERKING VAN TOMATEN - KLACHT WEGENS FRAUDE - BEROEP TOT NIETIGVERKLARING EN BEROEP TOT SCHADEVERGOEDING. - ZAAK C-87/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01981
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Feiten
1 . De onderhavige procedure betreft een beroep tot nietigverklaring en een beroep tot schadevergoeding ingesteld door een vereniging van Franse ondernemingen in de tomatensector ( Sonito ) en enkele van haar leden tegen de Commissie .
2 . Verzoeksters vorderen krachtens artikel 173 EEG-Verdrag de nietigverklaring van de door de Commissie bij brief van 17 januari 1989 aan verzoeksters' vertegenwoordigers meegedeelde seponering van de klacht waarbij Sonito de Commissie erop had gewezen, dat haar leden ten gevolge van bedrieglijke aangiften van Italiaanse en Griekse tomatenverwerkers over de kwaliteit en vooral de omvang van hun produktie in de verkoopseizoenen 1983/1984 tot en met 1985/1986 schade hadden geleden . Deze bedrieglijke praktijken, inzonderheid de mededeling van te hoge verwerkingsgegevens, zouden namelijk tot gevolg hebben gehad, dat voor de verkoopseizoenen 1984/1985 tot en met 1987/1988 ( 1 ) de in verordening ( EEG ) nr . 426/86 ( 2 ) bedoelde produktiesteun ingevolge verordening ( EEG ) nr . 989/84 ( 3 ) aanzienlijk werd verminderd - zulks ten nadele van de bij Sonito aangesloten tomatenverwerkende ondernemingen -, omdat de in laatstgenoemde verordening vastgestelde garantiedrempel daardoor was overschreden . Bovendien zouden deze ondernemingen het slachtoffer van mededingingsvervalsing zijn geworden, doordat de Italiaanse en de Griekse verwerkers ten onrechte steun hebben ontvangen ( brieven van 17 oktober 1986 en 19 september 1988 van Sonito aan de Commissie ). De Commissie zou in voorkomend geval verplicht zijn een onderzoek in te stellen, niet-nakomingsprocedures in te leiden tegen de Lid-Staten die hun verplichtingen krachtens de gemeenschappelijke controlebepalingen niet hebben nageleefd, en de onjuiste aangiften te corrigeren met alle gevolgen van dien voor de steunmaatregelen ( brief van 17 oktober 1986 van Sonito aan de Commissie ). In een brief van 5 mei 1987 verwees Sonito naar een antwoord van de Commissie op een parlementaire vraag, waarin de Commissie het had over fraude ten bedrage van 6,5 miljoen ecu . Zij verzocht de Commissie om mededeling van nadere gegevens over de voor elk verkoopseizoen in de betrokken Lid-Staten vastgestelde gevallen, ten einde haar aanspraken voor de nationale rechterlijke instanties geldend te kunnen maken; de Commissie ging hier evenwel niet op in .
3 . Na vruchteloze discussies zond de Commissie Sonito de litigieuze brief van 17 januari 1989, die als volgt eindigde :
"Onder deze omstandigheden heeft de Commissie besloten de klachten ( 4 ) te seponeren, aangezien niets erop wijst, dat de betrokken Lid-Staten een verzuim kan worden verweten ."
4 . Verzoeksters vorderen nietigverklaring ( 5 ) "van het hun bij brief van de Commissie van 17 januari 1989 meegedeelde besluit tot seponering van hun klacht", op grond dat dit besluit om verschillende redenen onwettig is .
5 . Verzoeksters' beroep tot schadevergoeding is erop gericht de Commissie te doen veroordelen om aan de bij Sonito aangesloten verzoekende ondernemingen te betalen de hierna volgende bedragen, te vermeerderen met de wettelijke interessen :
- het verschil tussen de produktiesteun die zij tijdens de verkoopseizoenen 1984/1985 tot en met 1987/1988 werkelijk hebben ontvangen, en de steun die zij zonder de vermindering zouden hebben ontvangen;
- een extra bedrag ter vergoeding van de door hen geleden commerciële schade, waarvan de hoogte met de medewerking van een deskundige moet worden vastgesteld .
6 . Verder vorderen verzoeksters de Commissie te veroordelen om aan Sonito de proceskosten te vergoeden die deze in Italië ter verdediging van haar rechten heeft moeten maken .
7 . Verzoeksters zijn van mening, dat het besluit tot seponering van de klacht en daarenboven de wijze waarop de Commissie zich jegens hen heeft gedragen, een dienstfout opleveren waarvoor de Commissie ingevolge artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag aansprakelijk moet worden gesteld .
8 . De Commissie verzoekt, het beroep niet-ontvankelijk en, subsidiair, ongegrond te verklaren en verzoeksters in de kosten te verwijzen : verder voert zij verweer tegen verzoeksters' middelen .
9 . Wat de feiten betreft, is in geding in welke mate de door Italië en Griekenland meegedeelde produktiegegevens betrouwbaar dan wel door bedrog vervalst waren . Details over de - voor het overige onbetwiste - feiten en over de middelen en argumenten van partijen zal ik, voor zoveel nodig, in het kader van mijn standpuntbepaling ter sprake brengen . Voor het overige verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting .
B - Standpuntbepaling
I - Het beroep tot nietigverklaring
10 . 1 . Vooraleer ik op de ontvankelijkheid respectievelijk de gegrondheid van dit beroep kan ingaan, dien ik eerst bij wege van uitlegging het voorwerp van het beroep te bepalen, dat wil zeggen datgene wat verzoeksters in hun verzoekschrift vorderen .
Ik zie mij hiertoe genoopt, omdat de onenigheid tussen partijen over dit punt vóór de mondelinge behandeling niet kon worden weggenomen, een omstandigheid waarover ik het verder nog zal hebben .
11 . Ik heb het hier welbewust over de in het verzoekschrift geformuleerde vordering . Het is immers vaste rechtspraak van het Hof, dat volgens artikel 38, paragraaf 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering de verzoeker zijn vordering achteraf niet meer kan wijzigen; dit geldt voor het stadium van de repliek en in ieder geval voor dat van de mondelinge behandeling . ( 6 ) Het betoog van partijen over de inhoud van de vordering, inzonderheid dat van verzoeksters buiten hun verzoekschrift, kan dus alleen als argumentatie betreffende de aan de orde gestelde uitleggingsvraag in aanmerking worden genomen .
12 . Zoals bovenvermeld ( 7 ), betreft de vordering uitdrukkelijk de litigieuze brief van de Commissie van 17 januari 1989 . Uit de aangehaalde passages van deze brief blijkt reeds zeer duidelijk waarover het daarin gaat, namelijk over het tevoren tussen partijen besproken punt, of de Commissie tegen Italië en Griekenland een niet-nakomingsprocedure dient in te leiden . De brief bevatte de door Sonito en een andere organisatie "krachtens artikel 169 EEG-Verdrag ingediende klachten ". Voorts wordt daarin uitdrukkelijk gezegd, dat de Commissie niet beschikt over informatie waaruit blijkt dat Italië of Griekenland hun verificatie - en controleplicht niet zijn nagekomen . De door de verwijzing naar deze brief op zich duidelijk geformuleerde vordering laat geen andere gevolgtrekking toe dan dat het voorwerp van het beroep is gelegen in de weigering van de Commissie om tegen Italië en Griekenland niet-nakomingsprocedures in te leiden .
13 . Een andere conclusie zou eventueel mogelijk zijn wanneer uit het verzoekschrift zou blijken, dat - naast of eventueel in de plaats van de weigering om de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in te leiden - als voorwerp van het beroep is te beschouwen de gestelde weigering van de Commissie om de omstreden gegevens te corrigeren of verzoeksters in de nationale strafzaken te ondersteunen . Gezien de duidelijke formulering van de vordering ware dan een minstens even duidelijke precisering noodzakelijk geweest om aannemelijk te maken dat het beroep uiteindelijk toch een ander of ruimer voorwerp had . Een dergelijke precisering ontbreekt evenwel . Integendeel, op bladzijde 2 van het verzoekschrift wordt verklaard : "Het onderhavige beroep tot nietigverklaring krachtens artikel 173 EEG-Verdrag betreft het bij brief van 17 januari 1989 ( bijlage 1 ) meegedeelde besluit om ( de klacht ) te seponeren ." Waar sprake is van het verzoek van Sonito aan de Commissie om de litigieuze cijfers te corrigeren of verzoeksters in de genoemde strafzaken te ondersteunen, blijkt uit het verzoekschrift nergens voldoende duidelijk, welk verband deze handelwijze van de Commissie heeft met genoemde brief en dus met het beroep tot nietigverklaring . Daar wordt integendeel gezegd, dat de Commissie in haar brief niet is ingegaan op het probleem dat de Franse verwerkers als gevolg van de garantiedrempel schade hebben geleden ( eigen cursivering ). In repliek wordt daaraan toegevoegd, dat het verzoek van Sonito aan de Commissie om aan het gestelde bedrog de consequenties voor de toepassing van de garantiedrempel en dus ook voor de vaststelling van de hoogte van de steun te verbinden, zonder gevolg is gebleven . Dit bevestigt de ook uit andere elementen duidelijk geworden beperkte strekking van het beroep .
14 . Onder deze omstandigheden moet mijns inziens worden aangenomen, dat het beroep tot nietigverklaring uitsluitend betrekking heeft op de weigering van de Commissie om tegen Italië en Griekenland een procedure wegens niet-nakoming in te leiden . Verzoeksters hebben deze ook door verweerster gedeelde opvatting, met name tijdens de mondelinge behandeling, als onjuist aangemerkt, doch hebben hun beroep niet ingetrokken . Het argument ontleend aan het nalaten van de Commissie omdat deze de klacht van Sonito gedeeltelijk niet heeft beantwoord, kan in het kader van het beroep tot nietigverklaring uiteraard niet in aanmerking worden genomen . Aangezien geen beroep wegens nalaten in de zin van artikel 175 EEG-Verdrag is ingesteld, behoef ik op dit argument niet in te gaan .
15 2 . Voor zover het beroep tot nietigverklaring betrekking heeft op het uitblijven van niet-nakomingsprocedures, voldoet het niet aan de ontvankelijkheidsvereisten van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, en wel om twee redenen . Enerzijds heeft het Hof geoordeeld, dat dergelijke beroepen tot nietigverklaring in beginsel niet-ontvankelijk zijn, omdat het instellen van de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag behoort tot de aan het eigenlijke geding voorafgaande administratieve fase, tijdens welke de Commissie geen maatregel met bindende kracht nemen kan . ( 8 ) Het voorwerp van het beroep is dus geen beschikking in de zin van artikel 173, tweede alinea .
16 . Verder stelt dit artikel als voorwaarde, dat de bestreden maatregel de verzoeker niet alleen rechtstreeks doch ook individueel raakt . Zoals het Hof onlangs nog heeft verklaard ( 9 ), is dit niet het geval wanneer beroep tot nietigverklaring wordt ingesteld tegen de weigering om een niet-nakomingsprocedure in te leiden .
17 . Een andere conclusie valt evenmin te trekken uit de door verzoeksters tijdens de mondelinge behandeling genoemde arresten van het Hof . ( 10 ) Daar ging het hoofdzakelijk om gevallen waarin het Hof de procesbevoegdheid van derden die niet adressaat van de gewraakte maatregel waren, heeft erkend omdat de betrokkenen tijdens de administratieve procedure feitelijk en rechtens in een specifiek omschreven, rechtens beschermde situatie verkeerden, zodat de maatregelen hun rechtmatige individuele belangen konden aantasten . In die gevallen is het Hof ervan uitgegaan, dat de betrokken maatregelen de verzoekers individueel raakten .
18 . Wat dit procedurele aspect betreft, volgt uit de in de artikelen 169 en 170 EEG-Verdrag vervatte regeling, dat alleen de Commissie en de Lid-Staten bevoegd zijn om in rechte op te komen tegen met het Verdrag strijdige handelingen . Hiermee valt moeilijk te verenigen, dat aan particulieren in de precontentieuze procedure van artikel 169 een soortgelijke beschermde positie zou worden toegekend . De tekst van het Verdrag biedt hiervoor overigens geen houvast . Dit is in overeenstemming met de materieelrechtelijke positie van dergelijke particulieren, waaromtrent het Hof eerder reeds verklaarde ( 11 ) :
"Uit de structuur van artikel 169 EEG-Verdrag vloeit evenwel voort, dat de Commissie niet verplicht is om een procedure in de zin van dit artikel in te leiden, doch op dit punt juist beschikt over een discretionaire bevoegdheid, waardoor het is uitgesloten, dat particulieren het recht zouden hebben om van die instelling te eisen, dat zij een bepaald standpunt inneemt ."
19 . Het beroep tot nietigverklaring met de boven beschreven inhoud, moet dus niet-ontvankelijk worden verklaard, waarbij in het midden kan worden gelaten, of in het tegenovergestelde geval niet alleen de bij Sonito aangesloten ondernemingen, doch ook Sonito zelf procesbevoegdheid heeft . ( 12 )
20 . 3 . Ook een eventueel beroep tot nietigverklaring van de weigering van de Commissie om de produktiesteun in de betrokken verkoopseizoenen op grond van gewijzigde produktiegegevens aan te passen, ware niet-ontvankelijk . Dienaangaande moet allereerst worden gewezen op de duidelijke regeling van enerzijds de artikelen 5, lid 5, en 22 van verordening ( EEG ) nr . 426/86 en 3, sub c, van verordening ( EEG ) nr . 516/77 ( 13 ), en anderzijds artikel 11 en volgende van verordening ( EEG ) nr . 1599/84 ( 14 ) en artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 729/70 . ( 15 ) Volgens deze regeling staat het aan de Commissie, de voor alle handelaren geldende steunbedragen vast te stellen, terwijl de Lid-Staten bevoegd zijn voor de feitelijke uitkering van de steun aan de individuele aanvragers . ( 16 ) Verzoeksters hebben kritiek op de wijze waarop de Commissie haar bevoegdheid heeft uitgeoefend, en zijn van mening, dat de Commissie verplicht is de steun te verhogen . Een dergelijke maatregel zou moeten worden getroffen in de vorm van een verordening tot wijziging van de verordeningen waarbij de steun voor de verkoopseizoenen 1984/1985 tot en met 1987/1988 is vastgesteld . ( 17 ) Deze wijzigingsverordeningen zouden, overeenkomstig het genoemde doel van de rechtshandelingen van de Commissie tot vaststelling van de steun, een algemene strekking hebben in de zin van artikel 189, tweede alinea, EEG-Verdrag . ( 18 ) Zoals de Commissie terecht opmerkt, zouden verzoeksters door deze rechtshandelingen niet individueel worden geraakt, doch slechts in hun objectieve hoedanigheid van producenten van op basis van tomaten verwerkte produkten, net als alle andere producenten uit deze sector in de Gemeenschap . Mijns inziens worden zij binnen deze groep in geen enkel opzicht als adressaat geïndividualiseerd . ( 19 ) In het midden kan blijven, of verzoeksters, zoals zij stellen, door de wijzigingen rechtstreeks zouden worden geraakt .
21 . Ook bij deze uitlegging van de vordering is het beroep tot nietigverklaring dus niet-ontvankelijk .
II - De schadevordering
22 . 1 . a ) Zoals ik in mijn uiteenzetting van de feiten heb gezegd, vorderen verzoeksters vergoeding voor drie soorten schade; daartoe voeren zij in eerste instantie drie middelen aan . Zij betogen :
- dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten een niet-nakomingsprocedure in te leiden;
- dat zij de steun niet heeft verhoogd, ofschoon dit wegens de gewijzigde cijfers - minstens voor de Franse verwerkers - aangewezen was;
- dat zij verzoeksters in de procedures voor de nationale rechterlijke instanties niet heeft ondersteund en hen met name geen inlichtingen heeft verstrekt over bedrieglijke praktijken waarvan zij kennis had gekregen .
23 . In principe moeten dus de ontvankelijkheid en de gegrondheid van elk van deze vorderingen met inachtneming van de respectieve middelen en argumenten worden onderzocht .
24 . b ) In deze context dient het middel, dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten een niet-nakomingsprocedure in te leiden, evenwel zonder meer buiten beschouwing te blijven . Zoals ook in het kader van het beroep tot nietigverklaring hebben verzoeksters tot staving van hun schadevordering onder meer aangevoerd, dat de seponering van de klacht door de Commissie onwettig was . Daarmee kwamen zij, zoals gezegd, op tegen het besluit om geen niet-nakomingsprocedures in te leiden .
25 . Uit het verzoekschrift blijkt in ieder geval niet, welk verband er bestaat tussen deze grief en de gestelde schade waarvoor verzoeksters vergoeding vorderen . In repliek hebben verzoeksters dan op het in het verweerschrift gevoerde betoog geantwoord, dat niet uit het oog mag worden verloren dat de klacht die volgens hen door de Commissie ten onrechte is geseponeerd, verschillende aspecten vertoonde . Hun vordering zou niet zijn gebaseerd op de omstandigheid dat geen niet-nakomingsprocedure is ingeleid . Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoeksters een gelijkaardige opvatting verdedigd .
26 . Het komt mij dan ook voor, dat verzoeksters dit middel - voor zover het verzoekschrift op dat punt aan de vereisten van artikel 38, paragraaf 1, sub c, voldoet - in ieder geval in de loop van het geding hebben laten vallen . Ik zie geen enkele reden om deze door een partij in het kader van haar discretionaire bevoegdheid genomen beslissing niet te aanvaarden . Dit middel behoeft dus niet te worden onderzocht .
27 . Wat de kans op slagen van dit middel betreft, verwijs ik overigens naar mijn uiteenzetting over de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring, waar ik reeds heb aangegeven, dat volgens de rechtspraak van het Hof particulieren niet kunnen eisen dat een niet-nakomingsprocedure wordt ingeleid .
28 . 2 . Verzoeksters' aanspraak op het verschil tussen de steun die zij werkelijk hebben ontvangen en die welke zij zonder de vermindering op basis van de garantiedrempel zouden hebben ontvangen ( het verschil is op 82 749 312,72 FF becijferd ), is in de eerste plaats gebaseerd op een dienstfout die de Commissie bij de vaststelling van de verordeningen over het bedrag van de produktiesteun zou hebben begaan . Volgens verzoeksters had de Commissie 1 ) de cijfers waarvan de juistheid in twijfel werd getrokken, moeten corrigeren en de hoogte van de steunbedragen voor alle betrokkenen dienovereenkomstig moeten aanpassen, dan wel 2 ) de steun aldus moeten berekenen dat verzoeksters geen nadeel ondervonden van de bedrieglijke overschrijding van de garantiedrempels in Italië en Griekenland . Dit alles blijkt evenwel slechts zeer vaag uit het verzoekschrift . Toch komt het mij voor, dat men dit betoog slechts in deze zin kan begrijpen .
29 . a ) De ontvankelijkheid van deze vordering valt evenwel reeds in zoverre te betwijfelen, dat volgens artikel 178 EEG-Verdrag het Hof van Justitie slechts bevoegd is kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door de gemeenschapsinstellingen of hun personeelsleden .
30 . De Commissie heeft terecht gewezen op de in verordening ( EEG ) nr . 1599/84 neergelegde verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de producenten, de Lid-Staten en de Commissie . Volgens deze taakverdeling moeten de producenten de Lid-Staten desgevraagd alle gegevens meedelen die voor het beheer van en voor een behoorlijke controle op de steunregeling nodig zijn . Artikel 12 van die verordening geeft nauwkeurig aan, welke vermeldingen in de aanvragen moeten voorkomen, met name vermeldingen betreffende het gewicht van de basisprodukten en van de eindprodukten, en bepaalt welke stukken bij de aanvragen moeten worden gevoegd . Bovendien zijn de producenten ingevolge artikel 4, sub e, van de verordening ( 20 ) verplicht - ongeacht de vermeldingen in hun aanvragen - de Lid-Staten jaarlijks bepaalde gegevens mee te delen, die volgens artikel 8 van verordening ( EEG ) nr . 2223/85 ( 21 ) nog omvangrijker zijn wanneer de quotaregeling van verordening ( EEG ) nr . 1320/85 ( 22 ) van toepassing is . Voorts bepaalt artikel 8 van verordening ( EEG ) nr . 1599/84, dat de verwerkers binnen een bepaalde termijn een afschrift van elk verwerkingscontract aan de nationale instanties moeten toezenden . Ingevolge titel VII van verordening ( EEG ) nr . 1599/84 zijn de verwerkers verplicht, registers bij te houden waarin de voor de steunverlening relevante gegevens worden vermeld, en de desbetreffende bewijsstukken te bewaren . De Lid-Staten kunnen steekproefcontroles uitvoeren en zijn verplicht, elk jaar de registers te onderzoeken . Zij "treffen de nodige maatregelen om de juiste toepassing van de produktiesteunregeling te waarborgen en om fraude in het kader van die regeling te voorkomen en te bestraffen" ( artikel 14, lid 4, van verordening ( EEG ) nr . 1599/84 ). Artikel 19 van verordening ( EEG ) nr . 1599/84 bepaalt, dat de Lid-Staten de Commissie de gegevens meedelen die deze nodig heeft, in feite een samenvatting van de bij de verwerkers verzamelde gegevens .
31 . De Commissie spoort de beslissende gegevens dus niet zelf op, doch neemt ze alleen in ontvangst . Wel heeft zij ingevolge artikel 9, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 729/70 de bevoegdheid om zelf ter plaatse verificaties te verrichten; zij kan, wanneer zij van mening is dat er in een Lid-Staat onregelmatigheden of nalatigheden hebben plaatsgevonden, overeenkomstig artikel 6 van verordening ( EEG ) nr . 283/72 ( 23 ), de betrokken Lid-Staten daarvan op de hoogte stellen en deze verplichten zelf een onderzoek in te stellen .
32 . In deze juridische context rijst de vraag, of de gestelde onrechtmatigheid het werk is van de Commissie dan wel van nationale instanties . Alleen in het eerste geval is het Hof van Justitie krachtens artikel 178 EEG-Verdrag bevoegd om over de vordering uitspraak te doen . ( 24 ) Waar het in feite om gaat, is dat in het kort moet worden nagegaan in hoeverre de gewraakte handelwijze van de Commissie op enigerlei wijze de oorzaak van de gestelde schade kan zijn .
33 . De Commissie kan de relevante gegevens slechts corrigeren en de hoogte van de steun slechts dienovereenkomstig aanpassen wanneer daadwerkelijk afwijkingen worden vastgesteld . Het volstaat niet dat zij, bij voorbeeld wanneer de overgelegde cijfers niet aannemelijk lijken, alleen maar de indruk krijgt dat zich onregelmatigheden hebben voorgedaan . Zoals gezegd, zijn zowel de betrokken Lid-Staten als de Commissie bevoegd om de desbetreffende controles te verrichten . De controles van de Commissie brachten geen onregelmatigheden aan het licht, ( 25 ) wat verzoeksters niet ontkennen . Daarentegen is bij controles door de Lid-Staten gebleken, dat bepaalde, qua hoogte en verkoopseizoen nog niet nauwkeurig bepaalde steunbedragen door bedrog ten onrechte zijn betaald . ( 26 )
34 . Beide partijen gaan er kennelijk van uit, dat de hieruit voortvloeiende wijzigingen zonder gevolg zijn gebleven voor de voor 1983/1984 tot en met 1987/1988 vastgestelde steun . Anders dan in de zaak Francesconi ( 27 ), waarin het ging over de informatie - en controleplicht van de Commissie en niet over haar regelgevende bevoegdheden, volgt uit de zoëven uiteengezette taakverdeling, dat het aan de Commissie en niet aan de Lid-Staten stond om op grond van deze kennis de hoogte van de steun te herzien . Logischerwijze is het dus niet uitgesloten, dat de gestelde schade minstens voor een deel op een onrechtmatige handelwijze van de Commissie is terug te voeren . Mijns inziens moet dit volstaan om deze vordering ontvankelijk te verklaren . Of er werkelijk sprake is van een dienstfout, schade en het vereiste oorzakelijk verband tussen beide, is een vraag die de grond van de zaak betreft .
35 . Ik kan de Commissie niet volgen waar deze voor de niet-ontvankelijkheid van het beroep naar de arresten Krohn ( 28 ) en Plaumann ( 29 ) verwijst . Uit het arrest-Plaumann volgt, dat een beroep tot schadevergoeding bij gebreke van een dienstfout ongegrond is, wanneer de bestuurshandeling waardoor de verzoeker zich geschaad acht, niet nietig is verklaard . In het arrest-Krohn heeft het Hof dan gepreciseerd, dat deze overwegingen slechts voor een welbepaald uitzonderingsgeval gelden . Een dergelijk uitzonderingsgeval is volgens dit arrest slechts voorhanden, wanneer de verzoeker opkomt tegen een individueel besluit . Zoals ik in mijn opmerkingen over de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring heb aangetoond, gaat het in casu evenwel om rechtshandelingen met algemene strekking . Bovendien bevestigde het Hof in het arrest-Krohn met betrekking tot de ontvankelijkheid van een beroep tot schadevergoeding in zijn verhouding tot een beroep tot nietigverklaring, de vaste rechtspraak sedert het arrest-Schoeppenstedt . ( 30 ) Het Hof overwoog namelijk :
"Zoals hiervoor reeds opgemerkt, is het beroep tot schadevergoeding krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld als een zelfstandig rechtsmiddel met een eigen functie . Het verschilt in het bijzonder van het beroep tot nietigverklaring, doordat het niet gericht is op vernietiging van een bepaalde maatregel, doch op vergoeding van door een gemeenschapsinstelling veroorzaakte schade ." ( 31 )
36 . De vordering tot betaling van het verschil tussen de steunbedragen is dus ontvankelijk voor zover zij is gebaseerd op de niet-aanpassing van de steunbedragen .
37 . b ) Wat de gegrondheid van de vordering betreft, kan volgens de in artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag bedoelde algemene rechtsbeginselen een vordering krachtens dat artikel slechts met succes worden ingesteld wanneer de gelaakte handelwijze van de gemeenschapsinstelling - in casu de Commissie - onrechtmatig is . Voor zover verzoeksters betogen, dat de Commissie de steun aldus had moeten berekenen, dat de uit de overschrijding van de garantiedrempel ten gevolge van bedrog voortvloeiende nadelen alleen de Italiaanse en Griekse verwerkers troffen, kan niet van meet af aan worden gesteld, dat de handelwijze van de Commissie in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag . Zoals de Commissie terecht stelt, zou een dergelijke regeling de producenten in Italië en Griekenland die juiste verwerkingsgegevens hebben meegedeeld, ten onrechte discrimineren . Het gelijkheidsbeginsel waarop verzoeksters zich beroepen, zou daardoor in het tegendeel verkeren .
38 . Het argument, dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten de steun in het kader van genoemde verordeningen voor de verkoopseizoenen 1984/1985 tot en met 1987/1988, gelet op het vastgestelde bedrog, voor alle verwerkers in de Gemeenschap te verhogen, stelt de vraag van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor normatieve handelingen aan de orde . Wanneer dergelijke handelingen economische beleidskeuzen impliceren, is een bijzondere vorm van onrechtmatigheid vereist : zo kan de Gemeenschap slechts aansprakelijk worden gesteld wanneer sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een ter bescherming van particulieren gegeven hogere rechtsregel . ( 32 ) Blijkens artikel 5, leden 1 en 3, van verordening ( EEG ) nr . 426/86 en artikel 2 van verordening ( EEG ) nr . 1277/84 ( 33 ) moeten bij de vaststelling van de produktiesteun weliswaar bepaalde regels in acht worden genomen, doch beschikt de Gemeenschap binnen de grenzen van die regels over een discretionaire bevoegdheid voor het vaststellen van de bijzonderheden . Zo bepaalt artikel 5, lid 1, dat "met name" rekening wordt gehouden met de aldaar genoemde factoren . Een soortgelijke formulering is terug te vinden in artikel 2, leden 2 en 3, van verordening ( EEG ) nr . 1277/84 . Artikel 5, lid 1, eerste zin, van verordening ( EEG ) nr . 426/86 stelt een absolute grens aan de discretionaire bevoegdheid : "Het bedrag van de steun wordt zodanig vastgesteld dat de communautaire produktie kan worden afgezet ."
39 . Een bijzonderheid van de onderhavige zaak is bovendien, dat de discussie draait om aan genoemde verordeningen aan te brengen wijzigingen . Niet gesteld is, dat de Commissie bij de vaststelling van de verordeningen geen rekening heeft gehouden met concreet vastgestelde verschillen tussen de feitelijke produktiecijfers en de door de verwerkers meegedeelde cijfers . Ingevolge artikel 5, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 426/86 dient het steunbedrag evenwel vóór het begin van elk verkoopseizoen te worden vastgesteld . Toch denk ik niet, dat het principieel uitgesloten is de steun na deze uiterste datum vast te stellen, althans niet wanneer de steun ( in geval van wijziging ) moet worden verhoogd; deze bepaling is ongetwijfeld alleen bedoeld om er voor te zorgen, dat de ondernemers zich tijdig op de situatie in het nieuwe verkoopseizoen kunnen instellen . Uit deze rechtstoestand volgt evenwel, dat de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie beschikt, kennelijk ook geldt voor de vraag of zij met achteraf meegedeelde wijzigingen rekening wenst te houden .
40 . Onderzocht dient dus te worden of de Commissie, door een dergelijke wijziging niet te verrichten, zich schuldig heeft gemaakt aan een gekwalificeerde schending in bovenbedoelde zin . In dat verband kan niet worden volstaan met de vaststelling dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag neergelegde verbod van discriminatie, in casu discriminatie tussen de "eerlijke" verwerkers en andere verwerkers die in de loop van het voorafgaande verkoopseizoen te hoge verwerkingscijfers hebben meegedeeld . De betrokken instelling moet bovendien de grenzen van haar bevoegdheden klaarblijkelijk en ernstig hebben overschreden . ( 34 )
41 . Mijns inziens is in casu alvast geen sprake van een "ernstige" overschrijding . Voor zover er ueberhaupt sprake is van achteraf aan het licht gekomen en dus niet van meet af aan in aanmerking genomen gevallen van bedrog, gaat het enerzijds om een bedrag van 6,5 miljoen ecu over vier verkoopseizoenen, en anderzijds om een bedrag van ongeveer 9 miljoen ecu, waarvan de toerekening niet vaststaat . De door verzoeksters - voor een deel overigens slechts vaag - geformuleerde en door de Commissie bestreden opvatting, dat alle overschrijdingen van de garantiedrempel op bedrog van Italiaanse en Griekse verwerkers zijn terug te voeren, wordt door niets gestaafd en is uiteindelijk ook niet van belang, aangezien de Commissie, zoals gezegd, alleen rekening kan houden met afwijkingen waaromtrent volledige zekerheid bestaat . Verzoeksters hebben hun opvatting ook niet met bewijzen gestaafd, hetgeen, gelet op de in procent uitgedrukte omvang van de door de overschrijding veroorzaakte vermindering zoals deze uit de in bijlage 9 bij het verzoekschrift gevoegde tabel blijkt ( ongeveer 19% gedurende de betrokken verkoopseizoenen ), mijns inziens ook nagenoeg onmogelijk is . Bijgevolg moet worden uitgegaan van de hierboven genoemde, niet bestreden cijfers .
42 . Gezien de feiten aldus liggen, dient te worden gewezen op de arresten van het Hof van 4 oktober 1979 ( 35 ), waarin het ging over de aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor een regeling in de maissector . Het Hof oordeelde, dat er in die zaken sprake was van een ernstige en klaarblijkelijke schending van het recht . Mijns inziens is het duidelijk, dat de schending van het recht als "ernstig" werd aangemerkt omdat enerzijds een beperkte, maar duidelijk afgebakende groep van ondernemingen werd getroffen en anderzijds de schade de grenzen te buiten ging van de economische risico' s welke aan de ondernemersactiviteiten in de betrokken sector inherent waren . ( 36 )
43 . In het onderhavige geval valt precies het tegenovergestelde vast te stellen . Voor zover kan worden gezien, is de aantasting van de rechtssfeer van de betrokkenen, absoluut beschouwd, te verwaarlozen . Verzoeksters, die het bewijs hadden moeten leveren dat aan de vereisten voor een ernstige miskenning in bedoelde zin was voldaan, hebben hiervoor geen enkel concreet element aangedragen . Integendeel, men mag zelfs aannemen, dat de steunbedragen waarvan niet wordt betwist dat zij op grond van bedrog werden verkregen ( 6,5 + 9 miljoen ecu ) weinig voorstellen in vergelijking met de bedragen waarop de verwerkers in de Gemeenschap zonder overschrijdingen van de garantiedrempel in de betrokken verkoopseizoenen aanspraak hadden . ( 37 ) Het economisch risico van de verwerkers, dat de steunregeling beoogt te beperken, wordt daardoor niet veel groter, en met name wordt de concurrentiepositie er niet aanmerkelijk door gewijzigd .
44 . Ten slotte worden, zoals de Commissie terecht stelt, alle verwerkers uit deze sector en niet een duidelijk afgebakende groep door deze maatregel getroffen . Ook al zijn de Lid-Staten ingevolge de regels betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid gehouden ten onrechte uitgekeerde steunbedragen terug te vorderen, en al worden dergelijke bedragen bij de goedkeuring van de EOGFL-rekeningen niet ten laste van de Gemeenschap gelegd, toch behoort het tot de essentie van de steunregeling - waarvan verzoeksters overigens ook zelf gebruik hebben gemaakt -, dat de correct handelende steungerechtigden in zekere mate voor het bedrog van anderen opdraaien, al was het maar omdat de feiten niet aan het licht komen .
45 . Uit een en ander volgt, dat niet is voldaan aan de bijzondere vereisten voor een schending van het recht die kan leiden tot aansprakelijkheid van de Gemeenschap voor normatieve handelingen . Het beroep is derhalve ongegrond voor zover verzoeksters betaling vorderen van een bedrag gelijk aan het wegens overschrijding van de garantiedrempel in mindering gebrachte steunbedrag .
46 . 3 . Verzoeksters vorderen bovendien ook vergoeding van hun commerciële schade en baseren zich hiervoor enerzijds op de gelaakte handelwijze van de Commissie in verband met de uitgebleven verhoging van de steunbedragen en anderzijds op het verwijt, dat de Commissie Sonito niet heeft ondersteund in de strafzaken waarin deze zich burgerlijke partij had gesteld of had willen stellen .
47 . a ) De ontvankelijkheidsvraag moet alleen reeds omdat verzoeksters deze vordering tot op heden niet hebben becijferd, ontkennend worden beantwoord . Bij dergelijke beroepen tot schadevergoeding heeft het Hof, voor zover ik kan inzien, aangenomen, dat aan de door artikel 38, paragraaf 1, sub c en d, van het Reglement voor de procesvoering aan de inhoud van het verzoekschrift gestelde eisen is voldaan wanneer verzoeker vaststelling van de aansprakelijkheid heeft gevorderd . ( 38 ) Blijkens genoemde arresten is minstens vereist, dat verzoeker een aanvankelijk onbecijferde vordering tot betaling later preciseert in de vorm van een vordering tot vaststelling van aansprakelijkheid; een vordering tot aanwijzing van een deskundige kan in dit geval dan worden ingesteld met betrekking tot de procedure na de uitspraak ten gronde over de schadevordering . Mijns inziens mag dit vereiste niet verder worden afgezwakt . De vordering tot vergoeding van de commerciële schade alsmede het daaraan gekoppelde verzoek tot aanwijzing van een deskundige ( punt 3 van de vordering ) is dus op deze grond reeds niet-ontvankelijk .
48 . b ) Voor het geval het Hof deze zienswijze niet zou delen, stel ik voor, deze vordering in ieder geval ongegrond te verklaren . Aangezien het middel, dat de Commissie de steunregeling ten onrechte niet heeft gewijzigd, om de genoemde redenen niet kan slagen, komt immers alleen nog het tweede middel in aanmerking, namelijk dat de Commissie ten onrechte heeft nagelaten verzoeksters in de procedures voor nationale rechterlijke instanties te ondersteunen . Ik zie evenwel niet in, in welk opzicht laatstgenoemde gedraging van de Commissie de door verzoeksters gestelde schade kan hebben veroorzaakt . Verzoeksters hebben niet aangetoond, hoe de verlangde inlichtingen het verschil hadden kunnen maken tussen slagen en mislukken van hun burgerlijke vorderingen . Zij hebben zelf erkend, dat zij in de strafzaken waarin zij zich burgerlijke partij hadden gesteld, niet het gewenste resultaat hebben bereikt . Het is niet duidelijk, in hoeverre de mededeling van inlichtingen door de Commissie - ongeacht de aard van deze inlichtingen - hierin verandering had kunnen brengen . Hetzelfde geldt met betrekking tot de strafzaken waarvan verzoeksters door het stilzwijgen van de Commissie geen weet hebben gekregen .
49 . Onduidelijk blijft ten slotte ook, wat verzoeksters van het ontvangen van de informatie verwachtten met betrekking tot de omvang van de door hen gevorderde volledige vergoeding van de commerciële schade veroorzaakt door de overschrijding van de garantiedrempel . Een vergoeding van die omvang, dus met inbegrip van de schade ten gevolge van de stillegging van verschillende bedrijven, lijkt mij volstrekt uitgesloten . Een vordering die beperkt blijft tot de schade die juist door de weigering van de Commissie is veroorzaakt, hebben verzoeksters niet ingesteld .
50 . De onderhavige vordering is dus in ieder geval ongegrond .
51 . 4 . Wat ten slotte de vordering tot vergoeding van de aan Sonito opgekomen proceskosten betreft, deze is mijns inziens, om de redenen die ik in verband met de hiervoor behandelde vordering heb genoemd, niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van becijfering . Dit klemt te meer omdat dit bedrag in ieder geval achteraf zonder problemen kon worden berekend, aangezien het ging om kosten die, zoals tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, betrekking hadden op beëindigde procedures .
52 . Voor het overige acht ik deze vordering ook ongegrond, omdat Sonito deze kosten uit vrije wil heeft gemaakt en niet is gebleken, wat de Commissie had moeten doen of laten om haar deze kosten te besparen . Met name valt ook niet in te zien, welk verband er bestaat tussen de door verzoeksters aan de Commissie verweten schending van de informatieplicht en deze kosten .
53 . De vordering dient dus in ieder geval te worden afgewezen .
III - Kosten
54 . Over de kosten moet worden beslist overeenkomstig artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering .
C - Conclusie
55 . Concluderend geef ik het Hof in overweging :
- het beroep tot nietigverklaring ( punt 1 van verzoeksters' conclusies ) niet-ontvankelijk te verklaren;
- het beroep tot schadevergoeding ( punten 2 en 3 van verzoeksters' conclusies ):
- ongegrond te verklaren voor zover het betrekking heeft op het verschil tussen de daadwerkelijk verleende steun en de steun die verzoeksters zonder de vermindering zouden hebben ontvangen;
- voor het overige niet-ontvankelijk, subsidiair ongegrond te verklaren;
- verzoeksters hoofdelijk in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Duits .
( 1 ) Deze steun werd door de Commissie vastgesteld :
- voor het verkoopseizoen 1984/1985, bij verordening ( EEG ) nr . 1925/84 van 5 juli 1984, PB 1984, L 179, blz . 15;
- voor het verkoopseizoen 1985/1986, bij verordening ( EEG ) nr . 2222/85 van 31 juli 1985, PB 1985, L 205, blz . 16;
- voor het verkoopseizoen 1986/1987, bij verordening ( EEG ) nr . 2077/86 van 30 juni 1986, PB 1986, L 179, blz . 11;
- voor het verkoopseizoen 1987/1988, bij verordening ( EEG ) nr . 2160/87 van 22 juli 1987, PB 1987, L 202, blz . 32 .
( 2 ) Verordening ( EEG ) nr . 426/86 van de Raad van 24 februari 1986 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, PB 1986, L 49, blz . 1 .
( 3 ) Verordening ( EEG ) nr . 989/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot invoering van een systeem van garantiedrempels voor bepaalde op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, PB 1984, L 103, blz . 19 .
( 4 ) De brief bevatte ook nog een andere klacht, betreffende de perzikensector, die niets met het onderhavige geding te maken heeft .
( 5 ) Eigen cursivering .
( 6 ) Arresten van 25 september 1979, zaak 232/78, Commissie/Frankrijk, Jurispr . 1979, blz . 2729 en van 18 oktober 1979, zaak 125/78, GEMA, Jurispr . 1979, blz . 3173 .
( 7 ) Sub A .
( 8 ) Samenvatting van het arrest van 1 maart 1966, zaak 48/65, Luetticke, Jurispr . 1966, blz . 27 .
( 9 ) Arrest van 14 februari 1989, zaak 247/87, Star Fruit, Jurispr . 1989, blz . 291, r.o . 13 .
( 10 ) Arresten van 25 oktober 1977, zaak 26/76, Metro, Jurispr . 1977, blz . 1875; 4 oktober 1983, zaak 191/82, Fediol, Jurispr . 1983, blz . 2913; 11 oktober 1983, zaak 210/81, Demo-Studio Schmidt, Jurispr . 1983, blz . 3045; 20 maart 1985, zaak 264/82, Timex, Jurispr . 1985, blz . 849; 28 januari 1986, zaak 169/84, Cofaz, Jurispr . 1986, blz . 391 .
( 11 ) Arrest van 14 februari 1989, reeds aangehaald in voetnoot 9, r.o . 11; deze idee kwam reeds voor in de conclusie van advocaat-generaal Gand in zaak 48/65 ( reeds aangehaald in voetnoot 8 ), Jurispr . 1966, blz . 41, inzonderheid blz . 45 .
( 12 ) Zie in dat verband het arrest van het Hof van 14 december 1962, gevoegde zaken 16/62 en 17/62, Confédération nationale des producteurs de fruits et légumes, Jurispr . 1962, blz . 941; beschikking van 5 november 1986, zaak 117/86, UFADE, Jurispr . 1986, blz . 3255; en de beschikking van 18 januari 1989, gevoegde zaken 167/87 en 168/87 en 28/88 en 123/88, OPAGAC, Jurispr . 1989, blz . 55, r.o . 7 .
( 13 ) Verordening van de Raad van 14 maart 1977 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten, PB 1977, L 73, blz . 1 .
( 14 ) Verordening van de Commissie van 5 juni 1984 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen inzake de produktiesteunregeling voor verwerkte produkten op basis van groenten en fruit, PB 1984, L 152, blz . 16 .
( 15 ) Verordening van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, PB 1970, L 94, blz . 13 .
( 16 ) Zie in dit verband ook het arrest van 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82, 206/82, 207/82, 208/82, 209/82, 210/82, 211/82 , 212/82, 213/82, 214/82 en 215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr . 1983, blz . 2633, naar luid waarvan overeenkomstig het institutionele stelsel van de Gemeenschap en de voorschriften die de betrekkingen tussen de Gemeenschap en de Lid-Staten beheersen, de Lid-Staten bij gebreke van andersluidende bepaling in het gemeenschapsrecht tot taak hebben, op hun grondgebied zorg te dragen voor de uitvoering van de gemeenschapsregelingen inzonderheid in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( zie ook de arresten van 6 juni 1972, zaak 94/71, Schlueter, Jurispr . 1972, blz . 307 en van 7 juli 1987, gevoegde zaken 89/86 en 91/86, L' Étoile commerciale, Jurispr . 1987, blz . 3005 .
( 17 ) Zie hierboven voetnoot 2 .
( 18 ) Zie de slotzin van de in voetnoot 2 genoemde verordeningen .
( 19 ) Zoals dat volgens vaste rechtspraak van het Hof is vereist; zie recentelijk het arrest van 29 juni 1989, gevoegde zaken 250/86 en 11/87, RAR, Jurispr . 1989, blz . 2045, r.o . 9; zie ook het arrest van 21 november 1989, zaak C-244/88, Les Usines coopératives de déshydratation du Vexin e.a ., Jurispr . 1989, blz . 3811 ).
( 20 ) Zoals gewijzigd bij verordening nr . 1455/85, PB 1985, L 144, blz . 69 .
( 21 ) Verordening van de Commissie van 31 juli 1985 houdende uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van tijdelijke maatregelen inzake de produktiesteun voor verwerkte produkten op basis van tomaten, PB 1985, L 205, blz . 19 .
( 22 ) Verordening van de Raad van 23 mei 1985 houdende tijdelijke maatregelen inzake de produktiesteun voor op basis van tomaten verwerkte produkten, PB 1985, L 137, blz . 41 .
( 23 ) Verordening van de Raad van 7 februari 1972 betreffende onregelmatigheden in het kader van de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en terugvordering van bedragen die in dat kader onverschuldigd zijn betaald, alsmede de organisatie van een informatiesysteem op dit gebied, PB 1972, L 36, blz . 1 .
( 24 ) Vaste rechtspraak : zie de arresten van 26 februari 1986, zaak 175/84, Krohn, Jurispr . 1986, blz . 753, en 7 juli 1987, gevoegde zaken 89/86 en 91/86, L' Étoile commerciale, Jurispr . 1987, blz . 3005 .
( 25 ) Zie het antwoord van de Commissie van 30 januari 1987 op de parlementaire vraag van M . Debatisse, lid van het Europees Parlement, PB 1987, C 149, blz . 22 .
( 26 ) Zie voetnoot 23 alsmede het door verzoeksters aangehaalde antwoord van de Commissie op speciaal verslag nr . 2/89 van de Rekenkamer, PB 1989, C 128, blz . 44, paragraaf 7.6 .
( 27 ) Arrest van 4 juli 1989, gevoegde zaken 326/86 en 66/88, Francesconi e.a ., Jurispr . 1989, blz . 2087 .
( 28 ) Reeds aangehaald ( voetnoot 24 ).
( 29 ) Arrest van 15 juli 1963, zaak 25/62, Plaumann, Jurispr . 1963, blz . 205 .
( 30 ) Arrest van 2 december 1971, zaak 5/71, Schoeppenstedt, Jurispr . 1971, blz . 975 .
( 31 ) Arrest Krohn, reeds aangehaald, r.o . 32 .
( 32 ) Vaste rechtspraak : zie het basisarrest van 2 december 1971, zaak 5/71, reeds aangehaald; laatstelijk bevestigd bij arrest van 28 november 1989, zaak 122/86, Epicheiriseon e.a ., Jurispr . 1989, blz . 3959 .
( 33 ) Verordening van de Raad van 8 mei 1984 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de produktiesteunregeling in de sector verwerkte groenten en fruit, PB 1984, L 123, blz . 25 .
( 34 ) Arrest van 25 mei 1978, gevoegde zaken 83/76 en 94/76, 4/77, 15/77 en 40/77, HNL, Jurispr . 1978, blz . 1209 .
( 35 ) Zaak 238/78, Ireks-Arkady, Jurispr . 1979, blz . 2955; gevoegde zaken 241/78, 242/78, 245/78, 246/78, 247/78, 248/78, 249/78 en 250/78, DGV, Jurispr . 1979, blz . 3017; gevoegde zaken 261/78 en 262/78, Interquell, Jurispr . 1979, blz . 3045 .
( 36 ) Waar het Hof overwoog, dat de gelijke behandeling in de betrokken sector zonder goede gronden was doorbroken, wees het vermoedelijk op het klaarblijkelijke karakter van de schending van het recht; zie voor deze interpretatie van de rechtspraak ook de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 10 maart 1989 in zaak 20/88, Jurispr . 1989, blz . 1553, 1561, nr . 52 .
( 37 ) Volledigheidshalve geef ik hier de navolgende raming : in bijlage 9 bij het verzoekschrift berekenen verzoeksters, dat zij in de litigieuze verkoopseizoenen zonder de overschrijding een steunbedrag van ongeveer 64 miljoen ecu zouden hebben ontvangen . Aangezien de Franse verwerkers volgens de door de Commissie overgelegde tabellen, die verzoeksters, in ieder geval wat de globale cijfers betreft, niet hebben bestreden, ongeveer 5% van de gemeenschapsproduktie voor hun rekening namen, zou het bedrag van 15,5 miljoen ecu, het enige steunbedrag waarvan met zekerheid kan worden aangenomen dat het door bedrog is verkregen, nauwelijks meer dan 1,2% vertegenwoordigen van het totale steunbedrag dat de verwerkers van de Gemeenschap ( zonder de overschrijding ) toekwam .
( 38 ) Zie de arresten van 14 mei 1975, zaak 74/74, CNTA, Jurispr . 1975, blz . 533, r.o . 1, en 2 juni 1976, gevoegde zaken 56/74, 57/74, 58/74, 59/74 en 60/74, Kampffmeyer, Jurispr . 1976, blz . 711, r.o . 1 .
Top