Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 8 maart 1990. - HAUPTZOLLAMT GIESSEN TEGEN DEUTSCHE FERNSPRECHER GMBH MARBURG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BUNDESFINANZHOF - DUITSLAND. - NAVORDERING VAN DOUANERECHTEN - VERGISSING VAN DE ADMINISTRATIE. - ZAAK C-64/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-02535
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Voor de bevoegde Duitse rechterlijke instanties vecht Deutsche Fernsprecher GmbH de juistheid van een navordering van invoerrechten ten belope van 27 114,70 DM aan betreffende bepaalde onderdelen voor telefooninstallaties, die een passieve veredeling hadden ondergaan .
2 . Artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( PB 1979, L 197, blz . 1 ), bepaalt :
"De bevoegde autoriteiten behoeven niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en voldaan heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte ."
3 . Verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 ( PB 1979, L 161, blz . 1 ) bevat onder meer de volgende twee bepalingen :
"Artikel 2
Wanneer de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing die tot een onvolledige heffing heeft geleid, is begaan, zich er met eigen middelen van kan verzekeren dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening wordt voldaan, neemt de autoriteit zelf het besluit niet tot navordering van de niet-geheven rechten over te gaan, voor zover het bedrag van de betrokken rechten kleiner is dan 2 000 ecu . ( 1 )
Artikel 4
Wanneer de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing werd begaan zich er niet met eigen middelen van kan verzekeren dat aan alle in lid 2 van artikel 5 van de basisverordening gestelde voorwaarden is voldaan, of wanneer het bedrag van de betrokken rechten gelijk is aan of groter is dan 2 000 ecu, verzoekt zij de Commissie zich hierover uit te spreken en verstrekt haar alle gegevens die nodig zijn om de situatie te beoordelen ."
4 . In verband met deze bepalingen heeft het Bundesfinanzhof aan het Hof twee prejudiciële vragen gesteld, die ik hier achtereenvolgens zal behandelen .
I - De eerste vraag
5 . De eerste vraag luidt als volgt :
"Moet het ter zake geldende gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 4 van verordening ( EEG ) nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 ( PB 1980, L 161, blz . 1 ), aldus worden uitgelegd, dat bij een navordering van douanerechten ten bedrage van 2 000 ecu of meer de Commissie niet om een uitspraak behoeft te worden verzocht omtrent de vraag of daarvan kan worden afgezien, wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar de vergissing werd begaan, waardoor geen rechten zijn geheven, van mening zijn dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 ( PB 1979, L 197, blz . 1 ) is voldaan ?"
6 . Gelet op de bewoordingen van de betrokken bepalingen was mijn eerste impuls, het Hof in overweging te geven deze vraag ontkennend te beantwoorden, dus in die zin dat de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat zich ook in het hier bedoelde geval tot de Commissie dient te wenden .
7 . Artikel 4 wekt namelijk onmiskenbaar de indruk, dat daarin twee gevallen tegenover elkaar worden gesteld, namelijk enerzijds het geval dat de bevoegde autoriteit zich er niet van kan vergewissen dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening is voldaan, en anderzijds het geval dat het betrokken bedrag hoger is dan 2 000 ecu, waarbij het oordeel van de bevoegde autoriteit omtrent het al of niet vervuld zijn van de voorwaarden van artikel 5, lid 2 niet van belang is .
8 . Deze indruk wordt nog versterkt door de formulering van de derde overweging van de considerans van de verordening van de Commissie, die als volgt luidt :
"Overwegende dat wanneer de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten niet in staat zijn zich met eigen middelen ervan te verzekeren of het betrokken geval aan alle in artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 genoemde voorwaarden voldoet en, in elk geval, wanneer het bedrag van de rechten dat niet is geheven gelijk is aan of meer is dan 2 000 ecu, moet elke beslissing van genoemde bevoegde autoriteiten afhankelijk worden gesteld van een beschikking van de Commissie, welke wordt gegeven na overleg met een groep van deskundigen bestaande uit vertegenwoordigers van alle Lid-Staten ."
9 . Nu verschilt de Duitse tekst van deze overweging weliswaar in zoverre van de andere taalversies, dat daarin het tweede gedeelte niet wordt voorafgegaan door woorden als "und in allen Faellen, wenn der Betrag ... 2 000 ecu oder mehr betraegt ". Ware dit wel gebeurd, dan zou zij meer in overeenstemming zijn geweest met de in de andere taalversies gebruikte formuleringen, zoals "og under alle omstaendigheder hvis", "and in any event where", "et, dans tous les cas, lorsque", "' in tutti casi qualora", "en, in elk geval, wanneer ". ( 2 )
10 . Maar wijzen de tegenstelling die - ook in de Duitse tekst - te signaleren valt tussen het eerste en het tweede gedeelte van deze tekst en het gebruik van de woorden "moet elke beslissing van genoemde bevoegde autoriteiten afhankelijk worden gesteld van een beschikking van de Commissie" er niet op, dat de Commissie telkens wanneer het betrokken bedrag de 2 000 ecu te boven gaat, moet worden ingeschakeld ? Wanneer de wetgever in de tweede zinsnede alleen het geval op het oog zou hebben gehad, dat de bevoegde autoriteiten zich wel met eigen middelen ervan konden verzekeren dat aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, wordt voldaan, had hij zonder problemen in plaats van "en, in elk geval" de woorden "en wanneer zij dat wel kunnen, maar het bedrag gelijk is aan of groter is dan 2 000 ecu" kunnen gebruiken .
11 . De Commissie, die van het standpunt uitgaat dat zij niet hoeft te worden geraadpleegd wanneer de bevoegde autoriteit ervan overtuigd is, dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan, welke praktijk, naar zij zegt ook door de nationale douaneautoriteiten wordt gevolgd, beaamt trouwens in haar schriftelijke opmerkingen, dat de door haar voorgestane lezing
"niet dwingend uit de tekst van verordening nr . 1573/80 volgt ".
Zij voegt daaraan toe :
"Zo lijkt de derde overweging van de considerans van die verordening eerder tegen de algemeen gevolgde praktijk te pleiten ."
12 . Als argument tegen deze praktijk kan men ook de eerste overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2380/89 ( 3 ) van 2 augustus 1989 citeren, die in de plaats is gekomen van verordening nr . 1573/80 . Daarin wordt namelijk de strekking van verordening nr . 1573/80 als volgt samengevat :
"Overwegende dat in verordening nr . 1573/80 van de Commissie, gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 946/83, de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 zijn vastgesteld; dat deze uitvoeringsbepalingen voornamelijk bestaan in procedureregels waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zelf kunnen besluiten of zij al dan niet tot navordering zullen overgaan, alsmede de voorwaarden waaronder hiervoor een beschikking van de Commissie vereist is; dat een beschikking van de Commissie altijd vereist is wanneer het bedrag van de betrokken rechten gelijk is aan of groter is dan 2 000 ecu ."
13 . Het laatste gedeelte van deze overweging geeft eveneens de indruk dat de Commissie bij de vaststelling van de oude, hier in geding zijnde verordening, een harmonisatie van de in de Lid-Staten gevolgde praktijken nastreefde, wanneer het om bedragen van enig belang ging .
14 . Maar voor het standpunt van de Commissie, dat - althans ter terechtzitting - ook door de Spaanse regering werd verdedigd, zijn even solide argumenten aan te voeren .
15 . In de eerste plaats bepaalt artikel 2, lid 1, eerste alinea, van de basisverordening ( verordening nr . 1697/79 van de Raad, reeds aangehaald ):
"Wanneer de bevoegde autoriteiten constateren dat het gehele of gedeeltelijke bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat wettelijk verschuldigd is voor een goed dat is aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide, niet van de belastingschuldige is opgeëist, leiden zij een procedure in tot navordering van de niet-geheven rechten ."
16 . In het arrest van 21 september 1989 ( zaak 68/88, Commissie/Griekenland, Jurispr . 1989, blz . 0000 ) heeft het Hof onlangs nog onder de aandacht gebracht, dat de Lid-Staten verplicht zijn rechten na te vorderen .
17 . Verordening nr . 1573/80 van de Commissie daarentegen strekt enkel tot vaststelling van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 5, lid 2, van de basisverordening, dus van de bepaling die het in bepaalde gevallen mogelijk maakt, niet over te gaan tot navordering ( in de eerste twee overwegingen van de considerans van die verordening leest men tot drie maal toe de woorden "niet over te gaan tot navordering ").
18 . Men kan dus stellen dat artikel 4 van de verordening van de Commissie en de daarop betrekking hebbende overweging in de considerans juist niet zien op het geval dat de nationale autoriteiten ervan overtuigd zijn dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan : in zo' n geval zou raadpleging van de Commissie niet eens aan de orde komen, ongeacht de hoogte van het betrokken bedrag .
19 . Wanneer men het zo bekijkt, zou de bedoeling van de woorden "in elk geval" in de derde overweging van de considerans van verordening nr . 1573/80 ( behalve in de Duitse versie ) niet zijn artikel 4 uit te breiden tot het geval waarin de nationale autoriteit meent tot navordering te moeten overgaan, maar zou daarmee enkel worden aangegeven, dat wanneer er zwaarwegende argumenten zijn om van navordering van een bedrag van ten minste 2 000 ecu af te zien, de vraag in elk geval aan de Commissie moet worden voorgelegd, dus ook wanneer de nationale autoriteit er niet aan twijfelt dat aan alle voorwaarden voor niet-navordering is voldaan .
20 . Dit is in ieder geval de regeling van verordening nr . 2380/89, welke voor verordening nr . 1573/80 in de plaats is gekomen . Artikel 2 b van die verordening is in wezen gelijk aan het oude artikel 2 : de bevoegde autoriteit hoeft de Commissie niet om een uitspraak te vragen, wanneer zij meent dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening is voldaan, voorzover het betrokken bedrag althans lager is dan 2 000 ecu . Het nieuwe artikel 4 luidt als volgt :
"Wanneer in de andere gevallen dan die bedoeld in artikel 2, de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de vergissing is begaan, van mening is dat aan alle voorwaarden van artikel 5, lid 2, van de basisverordening is voldaan, of twijfel heeft omtrent de juiste draagwijdte van de criteria van deze bepaling ten aanzien van het betrokken geval, draagt deze autoriteit het geval over aan de Commissie ..."
21 . Er is stellig iets voor te zeggen, dat wanneer een nieuwe, anders geformuleerde tekst in de plaats komt van een vroegere tekst waarin precies dezelfde materie werd geregeld, een a contrario redenering moet worden toegepast en moet worden geconcludeerd dat de tekst is gewijzigd omdat men een ander idee heeft willen uitdrukken .
22 . In onderhavig geval kan mijns inziens evenwel als argument worden aanvaard, dat met de nieuwe tekst juist de dubbelzinnigheden van de oude tekst dienden te worden opgeheven .
23 . De Commissie heeft ons namelijk meegedeeld, dat de praktijk van de Duitse douaneautoriteiten om de Commissie niet in te schakelen wanneer zij ervan overtuigd zijn dat de voorwaarden van artikel 5, lid 2, niet zijn vervuld, overeenstemt met de door de andere Lid-Staten gevolgde praktijk en met de opvatting van de Commissie ter zake .
24 . Aangezien verordening nr . 1573/80 is vastgesteld na eensluidend advies van het Comité douanevrijstelling waarin in beginsel alle Lid-Staten zijn vertegenwoordigd, mag men ervan uitgaan, dat de door hen gevolgde, identieke praktijk in overeenstemming is met hetgeen de Commissie en de Lid-Staten bij het vaststellen van deze verordening voor ogen heeft gestaan . Overigens kan ik de argumenten die de Commissie aan de doelstelling van de betrokken bepalingen ontleent, grotendeels onderschrijven .
25 . In de eerste plaats betoogt de Commissie dat een eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht ook afdoende verzekerd blijft, wanneer de nationale autoriteiten niet verplicht zouden zijn om haar steeds te raadplegen wanneer het om een bedrag van 2 000 ecu of meer gaat . Naast de argumenten die door de Commissie zijn aangevoerd en die in het rapport ter terechtzitting zijn opgenomen, wil ik nog erop wijzen, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 3 van verordening nr . 1573/80 aan de Commissie een lijst moeten doen toekomen met een beknopte uiteenzetting van de gevallen waarin zij met betrekking tot bedragen beneden 2 000 ecu hebben gemeend dat zij zich met eigen middelen ervan hebben kunnen verzekeren, dat navordering niet nodig was ( artikel 2 van dezelfde verordening ). Ook al bepaalt de verordening dat niet uitdrukkelijk, de Commissie kan, in gevallen waarin zij het afzien van navordering niet gerechtvaardigd acht, zeker haar opmerkingen aan de Lid-Staten kenbaar maken, bij voorbeeld in het kader van het Comité douanevrijstellingen .
26 . Anderzijds kunnen zij daarentegen door de discussies binnen het Comité douanevrijstellingen van twijfelgevallen en gevallen waarin de Lid-Staten niet-navordering van douanerechten voor een bedrag dat gelijk is aan of hoger is dan 2 000 ecu, gerechtvaardigd achten, gaandeweg criteria ontwikkelen aan de hand waarvan de Lid-Staten die gevallen kunnen identificeren waarin zij zelf legitiem kunnen beslissen dat niet aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, is voldaan .
27 . Daarentegen vind ik het argument van de Commissie dat het niet nodig is dat aan haarzelf een beslissingsbevoegdheid wordt toegekend, wanneer de nationale autoriteiten wel de navordering bevelen, omdat in dat geval de navordering van eigen middelen is veiliggesteld, veel minder overtuigend . Dat zou uiteindelijk betekenen dat zodra het geld binnen is, al het andere bijzaak is, en zelfs een voor de burger te ongunstige uitlegging van het bepaalde in artikel 5, lid 2, dan maar voor lief zou moeten worden genomen .
28 . Naar mijn oordeel is het volgende het belangrijkste argument voor een bevestigend antwoord op de eerste vraag : wanneer een instelling, die een bepaalde regeling na raadpleging van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten heeft vastgesteld, die regeling in een bepaalde zin uitlegt ( waardoor haar overigens niet zoveel mogelijk bevoegdheden worden toegekend ) en deze uitlegging haar bevestiging vindt in de praktijk van de Lid-Staten, die als leden van de Raad de basisverordening tot stand hebben gebracht, en die uitlegging ook nog in een nieuwe verordening wordt bekrachtigd, dan is het niet juist om op grond van onduidelijke passages in de oude tekst toch vast te houden aan een uitlegging die indruist tegen die welke de betrokken instelling zelf daaraan geeft .
29 . Om al deze redenen geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag te beantwoorden in de door de Commissie en de Spaanse regering voorgestelde zin .
II - De tweede vraag
30 . De tweede vraag luidt als volgt :
"Moet artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 aldus worden uitgelegd, dat aan de hand van een objectief criterium moet worden uitgemaakt of de belastingschuldige de vergissing van de autoriteiten had kunnen ontdekken, en dat bijgevolg moet worden aangenomen dat hij de vergissing had kunnen ontdekken, wanneer hij deze met behulp van de relevante - openbaar gemaakte -, niet onduidelijke of onvolledige voorschriften had kunnen vaststellen, of dient ook te worden aangenomen dat de vergissing niet kon worden ontdekt, wanneer de douaneautoriteiten de betrokkene tot tweemaal toe de - juridisch niet bindende - foutieve opvatting meedeelden waarop zij hun tariefbehandeling baseerden ?"
31 . Ik wil hier meteen opmerken, dat het Bundesfinanzhof ons niet vraagt, in welke gevallen een belastingplichtige te goeder trouw moet worden geacht, maar alleen een nadere verduidelijking vraagt over het begrip "voor de belastingplichtige niet te ontdekken vergissing ".
32 . De verwijzende rechter vermeldt immers uitdrukkelijk in zijn verwijzingsbeschikking, dat de goede trouw van verzoekster niet wordt betwist, en dat verzoekster de voorschriften inzake de douaneaangifte heeft nageleefd .
33 . Men kan immers ook moeilijk kwade trouw aannemen, wanneer een belastingschuldige, vóórdat hij de eerste partij goederen invoerde, bij de douaneautoriteiten navraag heeft gedaan naar de toepasselijke regelingen en, toen bij deze eerste douaneafhandeling geen douanerechten werden geheven, de vraag nogmaals heeft laten onderzoeken .
34 . Hieruit blijkt dat de goede trouw en de omstandigheid dat betrokkene de vergissing van de douane niet heeft kunnen ontdekken, niet altijd kunnen worden beschouwd als integrerende elementen van één en dezelfde voorwaarde, anders dus dan het Hof overwoog in het arrest van 22 oktober 1987, ( zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr . 1987, blz . 4225, r.o . 25 ).
35 . Wat de vraag betreft of aan de hand van een objectief dan wel van een subjectief criterium moet worden beoordeeld of de belastingschuldige de vergissing van de administratie wel of niet had kunnen ontdekken, wil ik meteen zeggen dat ik de mening van de Commissie deel, namelijk dat zowel met de objectieve als de met subjectieve elementen die in het betrokken geval een rol spelen, rekening moet worden gehouden . Zou artikel 5, lid 2, alleen toepassing vinden in gevallen waarin de - openbaar gemaakte - voorschriften verwarrend en onvolledig zijn, dan zou het toepassingsgebied zodanig worden beperkt, dat het zijn rol van "billijkheidsclausule" niet meer zou kunnen vervullen .
36 . In de tweede plaats is het, zoals ook het Hessische Finanzgericht, de rechter in eerste instantie, opmerkte, juist het wezen van een vergissing dat zij kan worden ontdekt, dat wil zeggen dat uiteindelijk met de nodige kennis van zaken en moeite iedere door een instantie gemaakte vergissing door de betrokkenen kan worden ontdekt .
37 . Ten slotte blijkt ook uit een woord, dat in de Duitse versie van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 ontbreekt, maar in onder meer de Franse en Engelse tekst wél te vinden is, namelijk "raisonnablement" respectievelijk "reasonably" ( een vergissing die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken ), dat ook subjectieve factoren in aanmerking moeten worden genomen .
38 . Ik kom zo bij het tweede gedeelte van de vraag, namelijk of moet worden aangenomen dat de vergissing niet kon worden ontdekt wanneer de douaneautoriteiten de betrokkene tot tweemaal toe een onjuiste inlichting hadden verstrekt, die de douane evenwel niet bond .
39 . Moet hierop bevestigend worden geantwoord, op grond van het beginsel dat van een importeur niet mag worden verwacht dat hij over meer kennis van zaken beschikt dan de douaneambtenaren zelf?
40 . Ik erken, en in zoverre ben ik het eens met het Bundesfinanzhof en met de Commissie, dat wanneer men onder alle omstandigheden aan deze stelling zou vasthouden,
"het praktisch onmogelijk zou zijn om tot navordering over te gaan, omdat de vergissing noodzakelijkerwijze altijd is begaan door een bevoegd ambtenaar die een bepaalde feitelijke of juridische situatie niet vanuit alle gezichtshoeken heeft bekeken" ( opmerkingen van de Commissie ).
41 . Ik ben nochtans van mening dat in bepaalde feitelijke omstandigheden een vergissing, meermaals herhaald, en ook nog afkomstig van een douaneautoriteit van een hoger rang, ook al heeft deze niet de vorm van een voor die autoriteit bindend advies, de conclusie toelaat dat de vergissing voor de importeur niet te ontdekken was . Zo heb ik ook in paragraaf 50 van mijn conclusie van 2 maart 1989 in zaak 378/87 ( Top Hit Holzvertrieb GmbH/Commissie, Jurispr . 1989, blz . 1369 ) gezegd :
"De begane vergissing was niet 'redelijkerwijs te ontdekken' door de belastingschuldige, aangezien zelfs een met de verificatie van de werkzaamheden van inklaringskantoren belaste douaneautoriteit haar niet heeft ontdekt . Men kan immers zelfs niet van een onderneming die in de handel van een bepaald soort produkten is gespecialiseerd, een groter inzicht verwachten dan van de beter geïnformeerde douaneambtenaren, vooral wanneer die ambtenaren de goederen talloze malen daadwerkelijk hebben onderzocht ." ( 4 )
42 . Zou men nog verder kunnen gaan en kunnen zeggen dat wanneer een autoriteit ten aanzien van eenzelfde probleem meermaals een onjuiste opvatting kenbaar maakt, dit voldoende grond is om aan te nemen dat de vergissing voor de importeurs niet meer te ontdekken was ? Vergeten we niet dat het Bundesfinanzhof in zijn vraag uitdrukkelijk doelt op het geval dat tweemaal een onjuiste inlichting is gegeven .
43 . Een dergelijke algemene regel kan volgens mij niet worden opgesteld . Op die manier zou trouwens toch weer een "objectief" criterium worden ingevoerd, dat tot een nagenoeg automatische toepassing zou kunnen leiden . Ik meen dat telkens moet worden gekeken naar de precieze aard van de begane vergissing, waarbij moet worden nagegaan of het om een ingewikkelde regeling ging, zoals bij voorbeeld die voor "passieve veredeling", of, zoals in de zaak Binder ( 5 ) , om een bij vergelijking van het Duitse Gebrauchszolltariff met het gemeenschappelijke douanetarief eenvoudig vast te stellen vergissing . Wanneer de administratie zich meermaals vergist, duidt dit er kennelijk op dat het op te lossen probleem ingewikkeld was . Overigens moet ook worden onderzocht of de betrokken belastingschuldige geregeld een bepaald soort produkt invoert of dat het om een eerste transactie gaat of om een transactie die hij slechts incidenteel verricht . ( 6 )
44 . Ik stel derhalve voor, op de tweede vraag te antwoorden, dat het feit, dat de douaneautoriteit aan de belastingschuldige tot tweemaal toe de door haar aangehangen onjuiste opvatting heeft meegedeeld, waarop zij de tariefbehandeling baseerde, op zichzelf niet de conclusie kan rechtvaardigen dat de vergissing door de belastingschuldige niet kon worden ontdekt .
45 . Het is de taak van de nationale rechter om te onderzoeken of de dubbele vergissing van de douaneautoriteit, bezien in samenhang met alle andere omstandigheden van het geval, wellicht de conclusie rechtvaardigt dat de vergissing niet kon worden ontdekt .
46 . De zeer genuanceerde beschouwing die de Commissie in haar opmerkingen ten beste geeft, kan in dit verband een aantal zeer bruikbare aanknopingspunten leveren . De Commissie erkent dat er hier van een grensgeval sprake is en dat
"de in casu toepasselijke bepalingen over het algemeen bepaald niet gemakkelijk te lezen zijn . Een niet-jurist, of een niet in douane-aangelegenheden gespecialiseerd jurist moet die bepalingen toch wel aandachtig bestuderen om de concreet toepasselijke regels te weten te komen ".
47 . Zij komt evenwel tot de conclusie, dat ofschoon de douaneadministratie bij haar onjuiste standpunt bleef toen de Deutsche Fernsprecher haar twijfels dienaangaande kenbaar maakte, deze laatste zich niettemin had moeten realiseren dat het advies van de douaneautoriteiten niet werkelijk, dat wil zeggen redelijkerwijze in de ogen van een zakenman, juist kon zijn ( opmerkingen van de Commissie ). Met andere woorden, de Deutsche Fernsprecher had niet zonder meer mogen afgaan op het feit dat de wet economisch zo irrationeel kon zijn als de administratie hem wilde doen geloven . Hiertegen kan men echter weer inbrengen, dat artikel 2 van richtlijn 76/119/EEG van 18 december 1975 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de regeling "passieve veredeling" ( PB 1976, L 24, blz . 58 ) op de eerste blik de indruk wekt dat invoer met algehele vrijstelling van rechten ter zake niets ongewoons is . Volgens dit artikel wordt namelijk,
"onder regeling 'passieve veredeling' verstaan : de douaneregeling krachtens welke goederen van elke soort en elke oorsprong tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap mogen worden uitgevoerd ten einde met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer, in de vorm van de in artikel 3 omschreven veredelingsprodukten te worden wederingevoerd, nadat zij buiten het douanegebied van de Gemeenschap één of meer van de artikel 3 omschreven veredelingshandelingen hebben ondergaan ".
48 . Men kan de betrokken firma trouwens niet verwijten dat zij de bevoegde autoriteiten niet heeft gevraagd om een voor deze laatste, bindende inlichting ( artikel 5, lid 1, van verordening nr . 1697/79 van de Raad, reeds aangehaald ) want zulke inlichtingen kunnen volgens paragraaf 23 van het "Zollgesetz" slechts worden verstrekt met betrekking tot de tariefpost waaronder goederen moeten worden ingedeeld . In onderhavig geval deed zich niet een dergelijk probleem voor .
49 . Naar mijn mening hangt veel ten slotte af van de vraag of de Deutsche Fernsprecher, evenals Binder,
"een professionele marktdeelnemer is met als voornaamste werkgebied de in - en uitvoer" ( r.o . 22 van het reeds aangehaalde arrest Binder ),
dan wel of zij tenminste al een zekere ervaring had in het passieve veredelingsverkeer, dat wil zeggen of zij in het verleden al zulke transacties had uitgevoerd, waarbij de douanerechten wél correct werden berekend . Is dat niet het geval, dan mag mijns inziens worden aangenomen, dat de vergissing door de Deutsche Fernsprecher niet had kunnen worden ontdekt .
Conclusie
50 . Ik geef het Hof in overweging de twee vragen van het Bundesfinanzhof als volgt te beantwoorden :
"1 ) De artikelen 2 en 4 van verordening nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 moeten aldus worden uitgelegd, dat de nationale autoriteiten de Commissie niet om een uitspraak behoeven te verzoeken omtrent de vraag of van navordering van douanerechten kan worden afgezien - hoewel het om een bedrag van 2 000 ecu of meer aan niet-geïnde rechten gaat - wanneer de nationale autoriteiten van oordeel zijn dat aan de in artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 voorziene voorwaarden voor de bescherming van het gewettigd vertrouwen, niet is voldaan en dientengevolge de navordering gelasten .
2 ) Artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 moet aldus worden uitgelegd, dat aan de hand van zowel objectieve als subjectieve criteria moet worden uitgemaakt dat de belastingschuldige de vergissing niet kon ontdekken . Het feit, dat de douaneautoriteiten de betrokkene tot tweemaal toe de foutieve opvatting toelichtten waarop zij hun tariefbehandeling baseerden, is op zichzelf niet voldoende grond voor de conclusie dat de vergissing door de belastingschuldige niet had kunnen worden ontdekt ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Alle cursiveringen in deze conclusie zijn van mij .
( 2 ) Ik heb mij bewust beperkt tot een vergelijking van de officiële talen van de Gemeenschap ten tijde van het vaststellen van de verordening .
( 3 ) Verordening ( EEG ) nr . 2380/89 van de Commissie van 2 augustus 1989 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( PB 1989, L 225 blz . 30 ).
( 4 ) In het arrest van 23 mei 1989 ( Jurispr . 1989, blz . 1379 ) werd de zaak beslist op grond van andere, in artikel 5, lid 2, van de basisverordening genoemde criteria .
( 5 ) Arrest van 12 juli 1989 ( zaak 161/88, Jurispr . 1989, blz . 2433 ).
( 6 ) Zie ter zake de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 6 mei 1989 in zaak 161/88, Binder, paragraaf 35 ( Jurispr . 1989, blz . 2424 ).
Top