Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 3 mei 1990. - BELGISCHE STAAT TEGEN PHILIPP BROTHERS SA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE PARIS - FRANKRIJK. - LANDBOUW - VOORSCHOTTEN OP RESTITUTIES BIJ UITVOER - BIJ VERGISSING VRIJGEGEVEN WAARBORG - NIET-EERBIEDIGING VAN TERMIJNEN VOOR INDIENEN VAN STUKKEN - TOEKENNING VAN AANVULLENDE TERMIJNEN - VERVAL VAN RECHT - GEVOLGEN - EVENREDIGHEID. - ZAAK C-155/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03265
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Artikel 25, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie van 29 november 1979 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1979, L 317, blz . 1 ) bepaalt : "Zodra de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, kunnen de Lid-Staten het restitutiebedrag geheel of gedeeltelijk aan de exporteur uitkeren als voorschot op de voorwaarde dat een waarborg wordt gesteld die gelijk is aan het bedrag van het voorschot, verhoogd met 15 %."
2 . Op 18 maart 1981 ontving Philipp Brothers SA, een handelsonderneming die zich toelegt op de internationale handel in agrarische grondstoffen en landbouwprodukten, van het Belgische interventiebureau, de Centrale Dienst voor contingenten en vergunningen ( hierna : "CDCV "), vooruitbetaling van de restituties voor twee exporttransacties betreffende zachte tarwe, één met Finland en één met Noorwegen, waarvoor zij de uitvoercertificaten had ontvangen op 23 respectievelijk 28 januari 1981 . De uitvoer schijnt op 26 en 29 januari 1981 te hebben plaatsgehad . Als zekerheid voor deze voorschotten stelde Philipp Brothers twee waarborgen .
3 . Op 24 april 1981 gaf de CDCV de waarborg voor de uitvoer naar Noorwegen vrij . Die voor de uitvoer naar Finland werd op 3 februari 1982 vrijgegeven . De CDCV beweert, dat de vrijgave van de twee waarborgen een gevolg was aan een misverstand omtrent de soort waarborg . De CDCV had gemeend dat het om globale waarborgen ging, die door een en dezelfde exporteur voor meerdere transacties waren gesteld, en niet om specifieke waarborgen voor een bepaalde transactie . Daardoor zou de CDCV niet eerst hebben geverifieerd of de dossiers met betrekking tot de twee genoemde transacties in orde waren, doch de waarborgen hebben vrijgegeven zodra het saldo van de door Philipp Brothers verschafte waarborgen hoog genoeg was om de lopende transacties te garanderen .
4 . Hoe dit ook zij, waar het naar bestemming gedifferentieerde restituties als bedoeld in artikel 20 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 betrof, diende Philipp Brothers aan te tonen dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik van de tarwe in Finland respectievelijk Noorwegen waren vervuld .
5 . Dat bewijs had moeten worden geleverd door overlegging van de documenten genoemd in artikel 20, lid 3, ( hierna : de "douanedocumenten ") of eventueel in lid 4 (" vervangende documenten "), te zamen met het in lid 5 genoemde vervoerdocument . Ingevolge artikel 31, lid 1, hadden deze documenten, behalve in geval van overmacht, moeten worden ingediend "binnen zes maanden na de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld, op straffe van verval van rechten ". Op grond van artikel 31, lid 2, kan evenwel een aanvullende termijn worden toegestaan, maar alleen voor het overleggen van de douanedocumenten of de vervangende documenten, op voorwaarde dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten binnen de voorgeschreven termijn te verkrijgen .
6 . Op 10 augustus 1981 vroeg de CDCV Philipp Brothers, haar de betrokken documenten te doen toekomen . Volgens de CDCV kwam op dit verzoek geen reactie . Op 27 augustus 1982 vorderde zij dan ook terugbetaling van de betaalde voorschotten, verhoogd met 15 %. Pas toen zond Philipp Brothers via haar transito-expediteur SGS van Bree aan de CDCV :
- op 17 september 1982, de douanedocumenten met betrekking tot de beide uitvoertransacties : met betrekking tot één transactie - Noorwegen - werd een voor eensluidend gewaarmerkte kopie als voorgeschreven in artikel 20, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, toegezonden, voor de andere transactie evenwel slechts een gewone kopie;
- op 24 december 1982, een kopie van de vervoerdocumenten, met de aantekening dat de originelen op 19 augustus 1981 waren verzonden . De CDCV beweert deze laatste stukken nooit te hebben ontvangen . Van dit document is een kopie voldoende, maar voor indiening ervan is geen verlenging van de termijn mogelijk ( ik wil hier nog bij aantekenen, dat kennelijk niet wordt bestreden dat het bij de zending van 19 augustus 1981 slechts om de vervoerdocumenten ging en niet om de douanedocumenten of de vervangende documenten ).
7 . In deze juridische en feitelijke omstandigheden heeft de cour d' appel te Parijs een aantal vragen aan het Hof voorgelegd, die in wezen betrekking hebben op de consequenties van het bij vergissing vrijgeven van de ingevolge artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 gestelde waarborg ( de eerste twee vragen ), op de voorwaarden waaronder aanvullende termijnen, als bedoeld in artikel 31, kunnen worden toegestaan ( derde en vierde vraag ), en op de toepasselijkheid van die bepaling op de vervoerdocumenten ( vijfde en zesde vraag ), alsmede op de geldigheid van de artikelen 25 en 31 in het licht van het evenredigheidsbeginsel, voor zover deze de exporteur verplichten tot terugbetaling van ontvangen voorschotten op de restitutie, wanneer de vereiste bewijsstukken niet binnen de voorgeschreven termijn worden ingediend, ook al heeft de uitvoer daadwerkelijk plaatsgevonden ( zevende vraag ).
8 . Voor de precieze formulering van de verschillende vragen en de details van de bij het Hof ingediende opmerkingen, die ik alleen zal herhalen wanneer dat nodig is voor mijn betoog, verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . Wel wil ik ter vergemakkelijking van de discussie en ter voorkoming van herhalingen enkele prealabele algemene opmerkingen maken over de aard van de in artikel 25 bedoelde waarborg en de verplichtingen waarvan zij de nakoming moet verzekeren .
9 . Van belang is in de eerste plaats, dat behalve de waarborg waar het hier om gaat, een exporteur nog een andere waarborg moet stellen, die verband houdt met de afgifte van het exportcertificaat . Deze strekt tot
"garantie dat zal worden voldaan aan de verplichting tot in-en uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat",
en zij wordt
"geheel of gedeeltelijk verbeurd indien deze transactie niet of slechts ten dele binnen deze termijn plaatsvindt ". ( 1 )
10 . Dit systeem is ingevoerd, omdat
"de bevoegde instanties in staat moeten worden gesteld de ontwikkeling van het handelsverkeer permanent te volgen ten einde de ontwikkeling van de markt te kunnen beoordelen en eventueel de bij deze verordening vastgestelde maatregelen toe te passen die de ontwikkeling vereist ". ( 2 )
11 . Wat is daarentegen het doel van de waarborg waar het in deze zaak om gaat? Hierbij dient men voor ogen te houden, dat de restituties in de regel pas worden uitbetaald nadat het bewijs is geleverd dat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten ( artikel 9 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 ), of, bij een naar bestemming gedifferentieerde restitutie, nadat het bewijs is geleverd dat het produkt in het derde land is ingevoerd ( artikel 20 ). De exporteur die zich daarbij niet aan de termijn voor indiening van het dossier houdt, ontvangt geen enkele restitutie . Let wel, artikel 31 maakt deel uit van titel 4 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, "procedure voor de uitbetaling van de restitutie", en geldt niet alleen wanneer de restitutie als voorschot is uitbetaald, maar in alle gevallen waarin enigerlei uitbetaling is aangevraagd .
12 . Slechts wanneer een Lid-Staat gebruik maakt van de in artikel 25 geboden mogelijkheid van voorfinanciering, kunnen de restituties als voorschot worden uitbetaald, dat wil zeggen voordat het produkt het geografisch grondgebied van de Gemeenschap heeft verlaten of in het derde land is ingevoerd . Maar ook in dat geval ontstaat het recht op restitutie eerst wanneer is bewezen, in de voorgeschreven vorm en binnen de gestelde termijn, dat de uitvoer daadwerkelijk heeft plaatsgevonden . ( 3 )
13 . Zo gezien is de reden waarom artikel 25 van de exporteur een waarborg verlangt wanneer deze de restitutie wil ontvangen zodra de douaneformaliteiten zijn vervuld, dat aldus zekerheid wordt verkregen "dat dit voorschot zal worden terugbetaald ingeval later mocht blijken dat de restitutie niet had mogen worden betaald" ( 19e overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 ). Het is dus niet zo, dat deze waarborg de uitvoer zelf dient te waarborgen ( de aanvraag van een voorschot brengt dus hoogstens de wil of het voornemen van de exporteur tot uitdrukking om de betrokken goederen uit te voeren ). Blijkens het arrest van het Hof van 18 november 1987 ( zaak 137/85, Maïzena, Jurispr . 1987, blz . 4587 ) is dit een allesbehalve kunstmatig onderscheid en is de cumulatie van twee waarborgen voor één uitvoertransactie, één om de verbintenis tot uitvoer zeker te stellen en één om terugbetaling van de vooruitbetaalde restitutie bij uitvoer te verzekeren, volkomen wettig ( zie met name r.o . 22 en 23 ).
14 . De bewoordingen van de leden 2 en 3 van artikel 25 bevestigen trouwens, dat de verbeurte van de waarborg niet de sanctie vormt voor het niet-naleven van een veronderstelde verplichting tot uitvoer . Immers, pas "wanneer het betrokken bedrag ondanks daartoe strekkend verzoek niet door de exporteur wordt terugbetaald" ( lid 3 ), wordt de waarborg verbeurd "naar evenredigheid van de hoeveelheid produkten waarvoor de bewijzen waarvan deze verordening de betaling van de restitutie afhankelijk stelt, niet binnen de in artikel 31 bedoelde termijn worden geleverd" ( lid 2 ). Het verlies van de waarborg vormt dus de sanctie voor het niet-naleven van de verplichting tot terugbetaling van het voorschot, die op de exporteur rust die niet aan de voorwaarden voldoet om voor de restitutie in aanmerking te komen .
15 . Aan deze conclusie doet niet af, dat het bedrag van de te stellen waarborg hoger is dan de vooruitbetaalde restitutie . Het Hof heeft immers reeds eerder uitgemaakt dat een verhoging, van dezelfde orde als de in artikel 25, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2370/79 vastgestelde 15%, slechts dient om te voorkomen dat de exporteur een ongerechtvaardigd voordeel geniet, doordat "in de gevallen waarin van de voorfinancieringsregeling gebruik wordt gemaakt ..., de marktdeelnemers ten onrechte kosteloos krediet ( zouden ) genieten wanneer later zou blijken dat geen aanspraak op restitutie bestond ." ( 4 ) Dit motief is trouwens ook uitdrukkelijk genoemd in de eenentwintigste overweging van de considerans van verordening nr . 2730/79 .
16 . Zoals ik verderop in deze conclusie nog zal laten zien, zijn deze overwegingen van grote invloed op de antwoorden die met name zullen moeten worden gegeven op de vraag omtrent de consequenties van de vrijgifte van de waarborg en op de vraag betreffende de verbeurte van de waarborg in het geval dat de voorgeschreven bewijzen niet tijdig zijn ingediend .
1 . De gevolgen van de vrijgifte van de waarborg ( eerste en tweede vraag )
17 . Uit de vaststelling dat de waarborg niet is bedoeld ter verzekering van de uitvoer, volgt a contrario, dat de vrijgifte ervan niet kan worden gezien als het bewijs dat die uitvoer daadwerkelijk heeft plaatsgehad . Aangezien het recht op restitutie trouwens pas ontstaat wanneer de bewijzen van de uitvoer in de voorgeschreven vorm en binnen de geldende termijn zijn overgelegd, kan de vrijgifte van de waarborg de exporteur evenmin ontslaan van zijn verplichting die bewijzen over te leggen wanneer hij definitief recht op de restitutie wil verkrijgen .
18 . Nu de waarborg strekt tot garantie van de terugbetaling van de vooruitbetaalde restitutie, kan, indien de exporteur later niet aan de voorwaarden voor de restitutie blijkt te voldoen, de vrijgifte ervan geen ander effect hebben dan dat het orgaan dat het voorschot heeft betaald, de garantie verliest dat dat voorschot dan wordt terugbetaald .
19 . Een bevestiging voor deze zienswijze is te vinden in het arrest van het Hof van 5 februari 1987 ( zaak 288/85, Plange Kraftfutterwerke, Jurispr . 1987, blz . 611 ), waarin het Hof in verband met een soortgelijke regeling als de onderhavige uitdrukkelijk verklaarde : "Het feit dat de bevoegde diensten de waarborg reeds hebben vrijgegeven, heeft dus geen invloed op de verplichting tot terugbetaling van de restitutie" ( r.o . 10 ). Na te hebben aangestipt dat "de verplichting tot terugbetaling ontstaat wanneer bepaalde bewijzen niet zijn geleverd", en dat "de toekenning van de restitutie ... de handelaar een voordeel verschaft dat gerechtvaardigd is indien aan bepaalde voorwaarden ... is voldaan", vervolgde het Hof : "Wanneer dit ... niet het geval blijkt te zijn geweest, heeft de exporteur geen recht op de restitutie en moet hij haar, indien zij reeds was betaald, bij voorbeeld bij wege van voorfinanciering, terugbetalen" ( r.o . 11 ). Wanneer de exporteur dus eerst van de verplichting de restitutie terug te betalen, kan worden ontslagen wanneer hij, zelfs na de vrijgifte van de waarborg, aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet en over de benodigde bewijzen beschikt, dan kan die vrijgifte van de waarborg dus niet tot effect hebben gehad dat "de exporteur geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn verplichtingen, inzonderheid met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen de voor toekenning van de restitutie verlangde bewijsstukken moeten worden overgelegd" ( zie de formulering van de eerste vraag ).
20 . Voorts volgt uit het arrest van het Hof van 5 december 1985 ( zaak 124/83, Corman, Jurispr . 1985, blz . 3777 ), en met name uit het daarin gegeven antwoord op de zesde vraag, dat de op de exporteur rustende verplichting tot terugbetaling, die ook na vrijgifte van de waarborg blijft bestaan, als keerzijde heeft dat de Lid-Staat die de waarborg ten onrechte heeft vrijgegeven, verplicht is, de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen ( zie r.o . 34 en 35 ). Deze verplichting vloeit uitdrukkelijk voort uit artikel 8, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( PB 1970, L 94, blz . 13 ), waarin is bepaald : "De Lid-Staten treffen, overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, de nodige maatregelen om de ingevolge onregelmatigheden of nalatigheden verloren gegane bedragen terug te vorderen ." In hetzelfde arrest Corman verklaarde het Hof overigens, dat bij vrijgifte van de waarborg zelfs het rechtszekerheidsbeginsel niet in de weg staat aan een rechtsvordering tegen de inschrijver wegens niet-nakoming van zijn verplichtingen ( r.o . 43 en 44 ).
21 . Aangaande het argument ten slotte, dat de exporteur mocht aannemen dat alles in orde was nu de administratie de waarborgen had vrijgegeven, of dat, deze omstandigheid in aanmerking genomen, de administratie zich jegens de exporteur door een beroep op de termijnoverschrijding te weinig flexibel heeft betoond, zou ik willen herinneren aan de onverbiddelijke gestrengheid die het Hof vanouds jegens professionele ondernemers aan de dag legt . Ter zake zou ik willen verwijzen naar het arrest van 13 november 1984 ( gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Van Gend & Loos, Jurispr . 1984, blz . 3763, r.o . 16 ), waarin het Hof het volgende verklaarde :
"Bij bedrijven met grote ervaring, zoals verzoeksters, is het feit dat hun ongeldige certificaten van oorsprong worden aangeboden, niet te beschouwen als iets wat - ondanks alle betrachte diligentie - onvoorzienbaar en onvermijdelijk is ."
In die zaak waren de ongeldige certificaten van oorsprong afgegeven door de douaneautoriteiten van de daarop vermelde landen .
22 . Wanneer tegenover de professionele kringen een dergelijke gestrengheid aan de dag moet worden gelegd, kan men stellen dat Philipp Brothers de tekst van de verordening had moeten kennen en had moeten weten dat zij als exporteur in alle gevallen de bewijzen van de invoer tot verbruik van de goederen in het land van invoer in de voorgeschreven vorm en binnen de gestelde termijn had moeten indienen .
23 . Concluderend geef ik het Hof in overweging op de eerste twee vragen te antwoorden :
"De vrijgifte van de in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 bedoelde waarborg brengt niet mee, dat de exporteur geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn verplichtingen, inzonderheid met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen de voor toekenning van de restitutie verlangde bewijsstukken moeten worden overgelegd . Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan om voor restitutie in aanmerking te komen, is de vrijgifte van de waarborg niet van invloed op de verplichting van de exporteur om het eventueel verhoogde bedrag van de betaalde restitutie terug te betalen, noch op de verplichting van de Lid-Staat om het bedrag terug te vorderen ."
2 . De voorwaarden voor het toestaan van aanvullende termijnen ( derde en vierde vraag )
24 . Artikel 31, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 bepaalt, dat het dossier voor de betaling van de restitutie, behalve in geval van overmacht, op straffe van verval van rechten moet worden ingediend binnen zes maanden na de dag waarop de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld . Zoals de Commissie al aanstipte, is die termijn inmiddels van zes op twaalf maanden gebracht bij verordening ( EEG ) nr . 1663/81 van 23 juni 1981 ( 5 ) en wel voor alle transacties, met inbegrip van die transacties waarvan de termijn van zes maanden, zoals in onderhavig geval, op 1 juli 1981, de datum waarop de wijzigingsverordening in werking trad, nog niet was verstreken .
25 . Blijkens de 23e overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 is die termijn opgenomen "met het oog op een goed administratief beheer ". In het arrest van 22 januari 1986 ( zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr . 1986, blz . 149 ) overwoog het Hof in een overwegend gelijke casuspositie, dat gelet op dit doel, te weten een administratieve afhandeling zonder onnodige vertraging, "de vaststelling van een dwingende termijn voor de indiening van het verzoek een noodzakelijke maatregel is" ( r.o . 20 ), en dat een termijn van zes maanden daarbij niet onredelijk is . "Verval van het recht door te late indiening van het dossier", zo vervolgde het Hof, "is veelal het normale gevolg van het overschrijden van een dwingende termijn ..." ( r.o . 21 ). Nu is een dergelijke dwingende termijn geen vervaltermijn meer indien verzoeken om verlenging ervan ook nog na het verstrijken van de termijn kunnen worden ingediend .
26 . Tegen deze conclusie kan men weliswaar inbrengen, dat artikel 31, lid 2, van toepassing is wanneer de vereiste documenten "niet binnen de voorgeschreven termijn konden worden overgelegd ". (**) Had er gestaan "niet ... kunnen worden overgelegd", dan zou men kunnen denken, dat die bepaling ook van toepassing is wanneer de termijn reeds is verstreken . Maar in artikel 33, lid 5, tweede alinea, van verordening ( EEG ) nr . 3183/80 van de Commissie van 3 december 1980 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer -, uitvoer - en voorfixatiecertificaten voor landbouwprodukten ( PB 1980, L 338, blz . 1 ), wordt bepaald :
"Wanneer evenwel op grond van artikel 20 van Verordening ( EEG ) nr . 2730/79 vereiste documenten niet binnen de voorgeschreven termijn kunnen worden overgelegd, kan de exporteur, wanneer hij zich de nodige moeite heeft gegeven om ze binnen die termijn te verkrijgen, een aanvullende termijn worden toegestaan om deze documenten over te leggen ."
27 . Daar staat tegenover, dat artikel 47, lid 5, van de voor verordening ( EEG ) nr . 2730/79 in de plaats gekomen verordening ( EEG ) nr . 3665/87 van 27 november 1987 ( PB 1987, L 351, blz . 1 ), die de bewoordingen "niet kunnen worden overgelegd" overneemt, uitdrukkelijk bepaalt :
"... het in lid 4 bedoelde verzoek om bijkomende termijnen ( moet ) binnen de in lid 2 bedoelde termijn worden ingediend",
waarmee is bedoeld de termijn van twaalf maanden na de dag waarop de aangifte ten uitvoer is aanvaard . Dit vormt een sterke aanwijzing, dat dat eveneens de strekking moet zijn geweest van het oude artikel 31, lid 2 .
28 . Ik ben derhalve van mening, dat het antwoord op de derde vraag bevestigend moet luiden en dat elk verzoek om een aanvullende termijn, als bedoeld in artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, vóór afloop van de in lid 1 van genoemd artikel genoemde vervaltermijn moet worden ingediend .
29 . De door Philipp Brothers aangehaalde arresten Kampffmeyer en Pfuetzenreuter kunnen mijns inziens aan bovenstaande conclusie niet afdoen . In de eerstgenoemde zaak ( 7 ) was in de betrokken bepaling van de verordening uitdrukkelijk vastgesteld, dat "verlenging ( van de geldigheidsduur van een invoer -, uitvoer - of voorfixatiecertificaat ) ook na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat kan plaatsvinden ". In het arrest heeft het Hof deze mogelijkheid "bij het stilzwijgen van de tekst" uitgebreid tot het verzoek tot annulering van het certificaat . In het onderhavige geval ligt de situatie geheel anders : artikel 31 bepaalt uitdrukkelijk, dat de voorgeschreven termijn een fatale termijn is, dat wil zeggen dat een verzoek tot verlenging moet worden gedaan vóórdat die termijn verstrijkt .
30 . Dit onderscheidt de onderhavige zaak ook van de zaak Pfuetzenreuter ( 8 ), waarin het eveneens ging om een bepaling die niet voorzag in een bepaalde termijn voor het indienen van een verzoek om verlenging van de termijn waarbinnen aan de verplichting tot in - en uitvoer moest worden voldaan . In die zaak werd bovendien gevraagd om omstandigheden in aanmerking te nemen die een geval van overmacht opleverden . In het kader van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 wordt de exporteur door dergelijke omstandigheden automatisch van de verplichte termijn bevrijd en dus geheel gevrijwaard voor verval van recht .
31 . In casu blijft, evenals in de zaak Denkavit France, overschrijding van de termijn in geval van overmacht altijd mogelijk op grond van artikel 31, lid 1 . Overmacht vormt dus een automatische uitzondering op het in lid 1 bedoelde verval van recht; in zulk een geval vindt lid 2 dus geen toepassing en kan een eventueel verzoek om verlenging krachtens lid 2 ook in behandeling worden genomen wanneer dat na afloop van de termijn wordt gedaan . Hierdoor, alsmede door het feit dat de eerbiediging van de normale termijn reeds wordt vergemakkelijkt door de bij artikel 20, lid 4, aan de exporteur geboden mogelijkheid om een aantal vervangende documenten in te dienen, wanneer de in lid 3 bedoelde douanedocumenten door omstandigheden buiten zijn toedoen niet kunnen worden overgelegd, lijkt mij de striktheid ten aanzien zowel van de termijn zelf als van het dwingende karakter daarvan voldoende afgezwakt, zodat het mij niet noodzakelijk lijkt om, zoals de Belgische Staat subsidiair voorstelt, te bepalen dat een verzoek om een aanvullende termijn na afloop van de normale termijnen kan worden ingediend wanneer de exporteur door overmacht dat verzoek niet tijdig kon indienen .
32 . Gelet op het bovenstaande, geef ik in overweging de derde vraag bevestigend te beantwoorden :
"Het verzoek om een aanvullende termijn, als bedoeld in artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, moet worden ingediend vóór het verstrijken van de in artikel 31, lid 1, bedoelde gewone vervaltermijn ."
33 . Wat de vierde vraag betreft, volstaat de vaststelling, dat - zoals ook alle partijen die schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, opmerken -, uit de bewoordingen van lid 2 van artikel 31 duidelijk blijkt dat voor het toestaan van een aanvullende termijn niet is vereist dat tijdige overlegging van de douanedocumenten of van de vervangende documenten door overmacht onmogelijk is geworden . Voldoende is, dat "de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten binnen de termijn te verkrijgen ". De vierde vraag moet dus in die zin worden beantwoord :
"Artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 stelt overmacht niet als voorwaarde voor het toestaan van een aanvullende termijn voor indiening van de vereiste documenten, met dien verstande evenwel dat de exporteur zich de nodige moeite moet hebben gegeven om die documenten binnen de voorgeschreven termijn te verkrijgen ."
3 . De mogelijkheid van aanvullende termijnen voor de indiening van het vervoerdocument ( vijfde en zesde vraag )
34 . Artikel 31, lid 2, beperkt de mogelijkheid van aanvullende termijnen voor het indienen van documenten uitdrukkelijk tot de douanedocumenten en de vervangende documenten, zodat een overeenkomstige toepassing van deze bepaling op het vervoerdocument mij moeilijk lijkt . Moet deze bepaling daarom als ongeldig worden beschouwd?
35 . Op dat punt deel ik volledig het standpunt van de Belgische Staat en de Commissie, namelijk dat het in artikel 31, lid 2, gemaakte onderscheid tussen douanedocumenten en vervangende documenten enerzijds en het vervoerdocument anderzijds wordt gerechtvaardigd door alleszins valabele objectieve redenen, verband houdende met de omstandigheid dat het verzamelen van de eerstbedoelde documenten, waarvoor men vaak op officiële instanties van derde landen is aangewezen, moeilijker en tijdrovender is dan van de andere, die de exporteur bij verkoop cif zelf in zijn bezit heeft of, bij verkoop fob, gemakkelijk van de koper kan verkrijgen .
36 . De twee gevallen die Philipp Brothers noemt om de absurditeit van een letterlijke uitlegging van artikel 31, lid 2, aan te tonen, zijn volgens mij niet overtuigend en zijn trouwens ook op een innerlijk tegenstrijdige redenering gebaseerd . Enerzijds komt het argument, dat wanneer alleen het vervoerdocument nog ontbreekt, verbeurte van de waarborg in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, erop neer, dat gewoonweg de noodzaak van het indienen van de vervoerdocumenten in twijfel wordt getrokken, en dus ook het feit dat artikel 20 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 de overlegging van de douanedocumenten of vervangende documenten en het vervoerdocument vereist . Deze redenering miskent dus de premisse waarop Philipp Brothers juist haar betoog heeft gebaseerd, namelijk dat de waarborg eerst kan worden vrijgegeven nadat het volledige dossier inzake de betaling van de restitutie is ingediend . Maar anderzijds beweert Philipp Brothers, dat het toestaan van aanvullende termijnen voor het overleggen van de douanedocumenten of vervangende documenten automatisch zou moeten worden uitgebreid tot de vervoerdocumenten, juist omdat voor de vrijgifte van de waarborg het volledige dossier moet zijn ingediend, en het dus geen zin zou hebben om geen aanvullende termijn toe te staan voor de indiening van de vervoerdocumenten .
37 . Men kan dus niet spreken van discriminatie, noch van inbreuk op het evenredigheidsbeginsel, zeker niet nu ook voor de vervoerdocumenten de uitzondering van artikel 31, lid 1, ( overmacht ) mogelijk is en de aanvullende termijnen voor het indienen van de andere documenten ingevolge artikel 31, lid 2, ook geenszins automatisch worden toegestaan, doch onder de voorwaarde, dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om die documenten in zijn bezit te krijgen; of dit laatste het geval is, zou bij de gemakkelijker toegankelijke vervoerdocumenten hoe dan ook volgens strengere criteria moeten worden beoordeeld .
38 . Zo artikel 31, lid 2, in zijn originele versie dus niet discriminerend of onevenredig is, kan ook het feit, dat artikel 1, sub 14, van verordening ( EEG ) nr . 568/85 ( 9 ) alsmede artikel 47, lid 4, van verordening nr . 3665/87 ( 10 ), die in de plaats is gekomen van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, de mogelijkheid kennen dat ook voor het indienen van de vervoerdocumenten aanvullende termijnen worden toegestaan, niet worden uitgelegd als een bewijs achteraf van het tegendeel . Vooral de door de Commissie als motief voor deze wijziging aangevoerde redenen, namelijk de noodzaak om te komen tot een samenhangend administratief beheer van de dossiers, tonen - hoe valabel en overtuigend zij ook zijn -, hoogstens dat de vroegere regeling het werk van de nationale instanties compliceerde, niet echter dat de redenen waarom de Commissie de vervoerdocumenten voorheen anders behandelde, onwettig waren en de strengere eisen voor het overleggen van de vervoerdocumenten niet konden rechtvaardigen .
39 . Ik geef het Hof derhalve in overweging, de vijfde en de zesde vraag te beantwoorden als volgt :
"Ingevolge artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 is het uitgesloten om aanvullende termijnen toe te staan voor het indienen van het in artikel 20, lid 5, bedoelde vervoerdocument . Dit laat evenwel de geldigheid van artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 onverlet ."
4 . De geldigheid van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 in het licht van het evenredigheidsbeginsel ( zevende vraag )
40 . Met deze vraag wil de verwijzende rechter in wezen vernemen, of de verplichting tot terugbetaling van de als voorschot betaalde restitutie, verhoogd met 15%, dan wel, indien geen terugbetaling plaatsvindt, de verbeurte van de waarborg, wanneer de in artikel 25, lid 2, verlangde bewijsstukken niet binnen de in artikel 31 genoemde termijn zijn ingediend, ook al heeft de transactie daadwerkelijk plaatsgevonden, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel .
41 . Dienaangaande zij in de eerste plaats eraan herinnerd dat, wil het evenredigheidsbeginsel in geval van termijnoverschrijding eventueel een rol kunnen spelen, niet kan worden volstaan met de verklaring dat de uitvoer heeft plaatsgevonden, maar dat de uitvoer werkelijk met behulp van de daartoe voorgeschreven documenten wordt aangetoond . Een andere oplossing zou erop neerkomen, dat de verplichting zelf om de vereiste bewijzen in te dienen, wordt betwist . Dat is nu juist wat Philipp Brothers doet; in het door haar voorgestelde antwoord op de eerste twee vragen verklaart zij, dat "wanneer vaststaat dat de landbouwprodukten daadwerkelijk zijn uitgevoerd en in het derde land op de markt zijn gebracht" ( vastgesteld door wie en hoe ?), "de vrijgifte van de waarborg" ( zelfs per abuis vrijgegeven ) "tot gevolg heeft dat de exporteur wordt ontslagen van zijn verplichting om het dossier voor de betaling van de restitutie in te dienen in de vorm en binnen de termijn, vastgesteld in verordening ( EEG ) nr . 2370/79 ". Met andere woorden, wanneer de administratie geen directe greep meer heeft op de ondernemer, middels de gestelde waarborg, zou deze het feit van de uitvoer kunnen bewijzen in de vorm en binnen de termijn die hem goeddunken . Uit het dossier blijkt trouwens dat voor de uitvoer naar Finland geen van de voorgeschreven bewijsstukken door Philipp Brothers is ingediend .
42 . Maar laat ik terugkeren tot de kwestie van de termijnoverschrijding . Blijkens het verwijzingsarrest spruiten de twijfels van de nationale rechter omtrent de wettigheid van de betrokken bepaling voort uit de overweging, dat "de hoofdverplichting die bij toekenning van een voorschot op de restitutie door de waarborg moet worden gegarandeerd, de feitelijke totstandkoming van de uitvoer is en het in het verkeer brengen van de landbouwprodukten in het land van bestemming ". Ook Philipp Brothers betoogt op basis van dit onderscheid tussen de hoofdverplichting, dat wil zeggen die om uit te voeren, en de secundaire verplichting, dat wil zeggen het indienen van de vereiste bewijsstukken binnen de voorgeschreven termijnen, dat volgens de rechtspraak van het Hof de gemeenschapsregeling in een dergelijk geval "niet zonder miskenning van het evenredigheidsbeginsel een even strenge sanctie kan stellen op niet-nakoming van de bijkomende verplichting als op niet-nakoming van de hoofdverplichting ". ( 11 )
43 . Ik geloof evenwel niet, dat deze rechtspraak in het kader van de onderhavige regeling toepasselijk is .
44 . De premisse die aan de redenering van Philipp Brothers ten grondslag ligt, namelijk dat uit de bewoordingen van artikel 25, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 duidelijk zou blijken dat die bepaling is bedoeld als sanctie op de niet-nakoming van twee aparte verplichtingen, en in verband daarmee haar verwijzing naar het bovengenoemd arrest gaan naar mijn mening niet op . Artikel 25, lid 2, maakt geen onderscheid tussen de verplichting om uit te voeren, en de verplichting om de bewijsstukken van die uitvoer binnen de voorgeschreven termijnen in te dienen . Volgens de bewoordingen van die bepaling, evenals die van andere bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 ( zie met name de artikelen 9, 10, 11 en 20 ), wordt slechts diegene geacht te hebben uitgevoerd of in het derde land in het verkeer te hebben gebracht, die daarvan het bewijs door middel van de voorgeschreven documenten heeft geleverd . Dit geldt eveneens voor artikel 25, lid 2, tweede streepje : om voor toepassing hiervan in aanmerking te komen, moet de exporteur uiteraard binnen de gestelde termijnen het bewijs leveren dat het produkt een andere bestemming heeft bereikt dan waarvoor het voorschot was berekend . Aan de hand van dat bewijs kan het onverschuldigd betaalde gedeelte worden vastgesteld en dus terugbetaald .
45 . Het is dan ook niet meer dan logisch, dat de exporteur in het voorbeeld van Philipp Brothers, die de produkten waarvoor hij een voorschot heeft ontvangen, slechts voor de helft uitvoert en het bewijs van de gedeeltelijke vervulling van zijn verplichting levert, slechts de helft van het verkregen voorschot, verhoogd met 15%, hoeft terug te betalen, terwijl degene die alle produkten heeft uitgevoerd waarvoor hij een voorschot heeft ontvangen, maar de bewijzen daarvan eerst na afloop van de in artikel 31 genoemde termijn indient, het gehele voorschot, verhoogd met 15%, moet terugbetalen : eerstgenoemde heeft immers in tegenstelling tot de ander tijdig de vereiste bewijsstukken ingediend om definitief in het genot te blijven van de helft van de vooruitbetaalde restitutie . Het systeem draagt dus reeds een zekere evenredigheid in zich, omdat de restitutie slechts in evenredigheid met de hoeveelheden waarvoor geen bewijsstukken zijn ingediend, moet worden terugbetaald .
46 . Ten slotte heeft, zoals ik aan het begin van deze conclusie reeds te kennen gaf, de ingevolge artikel 25, lid 1, gestelde waarborg in elk geval niet tot doel, de daadwerkelijke nakoming van de verbintenis tot uitvoer te verzekeren . Dat is weer het doel van een andere waarborg, die is vereist ingevolge verordening ( EEG ) nr . 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen . Ik herinner eraan, dat "de toekenning van de restitutie de handelaar een voordeel verschaft dat gerechtvaardigd is, indien aan bepaalde voorwaarden betreffende zowel de eigenschappen van het uitgevoerde produkt als de uitvoermodaliteiten is voldaan" en dat "wanneer dit ... niet het geval blijkt te zijn geweest, de exporteur geen recht heeft op restitutie en hij haar, indien zij reeds was betaald, bij voorbeeld bij wege van voorfinanciering, moet terugbetalen ." ( 12 ) Niet de toekenning van een voorschot op de restitutie verplicht de ondernemers dus tot uitvoer : het bewijs van de uitvoer is niet meer dan de voorwaarde waaraan de ondernemer moet voldoen om definitief recht op de restitutie te hebben . Wanneer de uitvoer achterwege blijft of het bewijs niet wordt geleverd, wordt de ondernemer dan ook geen sanctie opgelegd : hij moet enkel het als voorschot ontvangen voordeel terugbetalen, verhoogd met 15%, als tegenprestatie voor het ongerechtvaardigd gebleken voordeel van het gratis krediet dat het voorschot hem opleverde .
47 . Blijkens de verordeningen, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten voor de verschillende landbouwprodukten, en inzonderheid artikel 16 van verordening ( EEG ) nr . 2727/75 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, wordt de restitutie trouwens toegekend "in de mate nodig om de uitvoer ... mogelijk te maken ". Met betrekking tot de voorschotten vermeldt de negentiende overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, dat daarmee enkel wordt beoogd "voor de exporteurs de financiering van hun uitvoertransacties te vergemakkelijken ".
48 . Al deze omstandigheden maken dat de onderhavige zaak verschilt van de door Philipp Brothers aangehaalde zaken Buitoni, Man ( Sugar ) en Maas, maar, het betoog van Phlipp Brothers ten spijt, meer verwantschap vertoont met de zaak Denkavit France .
49 . In de zaak Buitoni ( 13 ) diende de waarborgregeling "als garantie dat aan de vrijwillig aangegane verplichting tot in - of uitvoer zal worden voldaan tijdens de geldigheidsduur van de daartoe afgegeven certificaten ". De verbeurte van de waarborg was daar een echte sanctie op niet-nakoming van de verplichting tot in - of uitvoer of de verplichting tot het binnen de gestelde termijnen overleggen van de bewijzen van de uitvoering van de eerstgenoemde verplichting . Er was dus geen financieel voordeel voor de ondernemer in het spel, dat slechts behoefde te worden teruggevorderd, en daarom bleek een zwaardere sanctie op het niet in acht nemen van de termijn dan op de niet-nakoming van de verplichting tot in - of uitvoer, "welke laatste verplichting de waarborg zelf ( diende ) te garanderen", en waarvan de niet-nakoming met een in wezen evenredige sanctie werd bestraft, onredelijk .
50 . Een vrijwel identieke situatie deed zich voor in de zaak Man ( Sugar ). ( 14 ) In die zaak had de betrokken ondernemer in het kader van een permanente inschrijving voor de vaststelling van restituties bij uitvoer van suiker naar derde landen zeven offertes ingediend, waarvan er vijf waren aanvaard . Man was daarop verplicht om binnen een bepaalde termijn de uitvoercertificaten aan te vragen . De bevoegde instantie nu ontving deze aanvragen vier uur te laat . De gestelde waarborg diende als garantie zowel voor de verplichting tot uitvoer van de toegewezen hoeveelheid suiker als voor de verplichting om binnen een korte termijn het uitvoercertificaat aan te vragen . Eerst na te hebben vastgesteld dat de waarborgregeling
"vooral ten doel heeft te garanderen dat de verplichting die de handelaar vrijwillig op zich heeft genomen, om de hoeveelheden suiker waarop de toewijzing betrekking heeft uit te voeren, wordt nagekomen" ( r.o . 21 ),
veroordeelde het Hof
"de automatische verbeurte van de gehele waarborg bij een verzuim dat duidelijk minder ernstig is dan de niet-nakoming van de hoofdverplichting, die de waarborg zelf moet garanderen" ( r.o . 29 ),
als in strijd met het evenredigheidsbeginsel .
51 . In de zaak Atalanta ( 15 ) ( door de Commissie aangehaald ) ging het om een bepaling volgens welke een ondernemer slechts uitdrukkelijk van opslagsteun werd uitgesloten, indien hij niet volledig aan de door hem aangegane hoofdverplichtingen had voldaan .
52 . De casuspositie in de zaak Maas ten slotte was zo bijzonder en verschilt zo sterk van de onderhavige casus, dat dat arrest ( 16 ) hier niet zonder meer als precedent kan dienen . In de zaak Maas heeft het Hof zich trouwens niet uitgesproken over de "evenredigheid" van de verbeurte van de waarborg ingeval van overschrijding van de betrokken termijn, namelijk de termijn waarbinnen de goederen hadden moeten worden verscheept, maar heeft het vastgesteld : "Bij zeetransport kan een vertraging van enige dagen bij de verscheping van de goederen en bij het vertrek van het schip echter niet als een schending van die verplichting worden beschouwd", dat wil zeggen de verplichting om de goederen binnen een bepaalde termijn te verschepen ( r.o . 17 ). Nu er van inbreuk op die verplichting geen sprake was, kwam ook de verbeurte van de waarborg niet aan de orde .
53 . Daarentegen vertoont de onderhavige zaak wel zeer sterke overeenkomsten met de zaak Denkavit France, hoewel het Hof zich in het arrest in die zaak van 22 januari 1986 ( 17 ) slechts heeft uitgesproken over de verenigbaarheid met het evenredigheidsbeginsel van het op termijnoverschrijding gestelde verval van recht, en niet over de verenigbaarheid met dat beginsel van de consequenties die aan een verval van recht kunnen zijn verbonden .
54 . Wij zagen reeds, dat het Hof in dat arrest een onverbiddelijke gestrengheid aan de dag legde, en in een nagenoeg identieke casuspositie als in onderhavige zaak, tot de slotsom kwam, dat "niet kan worden gesteld dat het (( betrokken )) verval van recht onevenredig is met het door de communautaire wetgever beoogde doel" ( r.o . 22 ). Daarbij moeten wij voor ogen houden, dat in die zaak, evenals in onderhavige zaak, voor het indienen van de stukken uitdrukkelijk een vervaltermijn gold, dat deze termijn was ingevoerd "om redenen van goed administratief beheer", dat hij aanvankelijk was vastgesteld op zes maanden en later verlengd tot twaalf maanden ( 18 ) en dat een voorbehoud voor overmacht was opgenomen . In de andere regeling ontbrak evenwel de mogelijkheid om aanvullende termijnen toe te staan . Aan de andere kant is het niet juist om te stellen, zoals Philipp Brothers doet, dat het vaststellen van een dwingende termijn voor het indienen van de dossiers in de zaak Denkavit France niet alleen was gerechtvaardigd om redenen van goed administratief beheer, maar ook, indirect, om distorsies van de mededinging te vermijden . Uit rechtsoverweging 19 van het arrest van het Hof blijkt duidelijk, dat de termijn voor de uitbetaling van de mcb' s en niet de termijn voor de indiening van de aanvragen was vastgesteld "om distorsies van de mededinging tussen de marktdeelnemers van de Lid-Staten te vermijden ". ( 19 ) Blijkens de zevende overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2746/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende algemene regels voor de toekenning van restituties bij uitvoer en criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag in de sector granen ( PB 1975, L 281, blz . 78 ), ligt dit streven om concurrentiedistorsies tussen de handelaren van de Gemeenschap te voorkomen, juist ten grondslag aan alle activiteiten van de instellingen, gericht op het geven van "administratieve voorschriften" die "in de gehele Gemeenschap dezelfde zijn ". Deze overweging geeft in het bijzonder een motivering voor artikel 8 van die verordening, waarin in de leden 1 en 2, eerste alinea, het beginsel wordt neergelegd dat de restitutie eerst wordt betaald wanneer is bewezen, dat de produkten zijn uitgevoerd en, in het geval van een naar bestemming gedifferentieerde restitutie, te bestemder plaatse zijn aangekomen, en in de leden 2, tweede alinea, en 3, de mogelijkheid wordt geboden om afwijkende of aanvullende bepalingen vast te stellen . Juist op deze laatste twee leden en op de overeenkomstige bepalingen in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen voor de andere landbouwprodukten is verordening ( EEG ) nr . 2730/79 gebaseerd ( zie derde "visum ").
55 . Evenals de Belgische Staat meen ik dan ook, dat wanneer het Hof zich in de zaak Denkavit France zo strikt heeft betoond en geen enkele overschrijding van de gestelde termijn heeft geduld, behalve in geval van overmacht, dit gebeurde omdat het aanzienlijke financiële voordelen voor de ondernemers, in de vorm van mcb' s, betrof .
56 . Dat is ook in de onderhavige zaak het geval, waarin het financiële voordeel bestaat in de restitutie bij uitvoer, en waarin de restitutie eveneens eerst wordt betaald wanneer de vereiste bewijsstukken binnen een voorgeschreven vervaltermijn zijn ingediend . Gestrengheid lijkt mij hier te meer aanvaardbaar, omdat in dit geval ook nog aanvullende termijnen kunnen worden toegestaan . De logische consequentie hiervan is, dat degene die, buiten geval van overmacht of wanneer een extra termijn is toegestaan, zich niet aan die termijn houdt, geen recht heeft op restitutie .
57 . Is deze redenering juist, dan moet uiteraard hetzelfde gelden wanneer de restitutie als voorschot is betaald, zodat de eenvoudige verplichting om het voorschot ( verhoogd met 15% als vergoeding voor het gratis krediet dat het voorschot was ) terug te betalen of, wanneer dit niet wordt terugbetaald, de verbeurte van de waarborg die is gesteld om de terugbetaling te garanderen, evenmin als het verval van recht zelf, niet als onevenredig met het nagestreefde doel kan worden beschouwd . De middelen waarmee de litigieuze bepaling het daarin beoogde doel probeert te verwezenlijken, zijn in overeenstemming met het belang daarvan en zij zijn noodzakelijk om dit doel te bereiken . ( 20 )
58 . Aan deze conclusie wordt ook niet afgedaan door de verwijzing van Philipp Brothers naar artikel 48, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 3665/87, dat thans in een gedifferentieerde, aan de hand van verschillende criteria te bemeten sanctie op overschrijding van de voor het inleveren van de bewijsstukken vastgestelde termijn voorziet en derhalve achteraf een erkenning zou inhouden dat artikel 25, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 niet strookte met het evenredigheidsbeginsel .
59 . Deze inmiddels aangebrachte versoepeling behelst niet meer dan dat, wanneer de vereiste bewijsstukken na afloop van de termijn van een jaar, doch voor afloop van de termijn van achttien maanden worden ingediend, het terug te betalen bedrag gelijk is aan 85% van het normale bedrag . Er is dus niet zo' n groot verschil ( overigens heeft Philipp Brothers ook de termijn van achttien maanden overschreden ). In ieder geval is het enkele feit dat de bestaande verordening inmiddels is gewijzigd, niet voldoende om aan te tonen dat de vroegere regeling onwettig was . Volgens de laatste overweging op bladzijde 3 van het desbetreffende Publikatieblad ( PB 1987, L 351, blz . 3 ) leek het in casu overigens niet meer dan "wenselijk" dat de gemeenschapswetgever de regeling op het punt van de niet-inachtneming van de voorgeschreven termijnen versoepelde .
60 . Inderdaad zou men zich theoretisch een systeem kunnen voorstellen waarbij het door de ondernemer terug te betalen bedrag strikt evenredig is aan de mate van termijnoverschrijding . Te denken valt bij voorbeeld aan 5% voor elke week waarmee de termijn wordt overschreden ( volledige terugbetaling na twintig weken ), of 5% voor elke dag ( volledige terugbetaling na twintig dagen ) of 1% per dag ( volledige terugbetaling na honderd dagen ). Maar al die oplossingen zouden alleen maar een zekere nonchalance van de ondernemers in de hand werken en de nationale instanties van de Lid-Staten tot een hoop rekenarij verplichten, die de misschien te bureaucratische logheid van de talloze exportregelingen van de Gemeenschap alleen maar zou versterken .
61 . Ten slotte mag niet uit het oog worden verloren, dat artikel 20 van de betrokken verordening een grote soepelheid vertoont ten aanzien van de wijze waarop kan worden bewezen dat de douaneformaliteiten voor invoer tot verbruik zijn vervuld . Dat bewijs kan worden geleverd :
- door overlegging van het douanedocument;
- door overlegging van een kopie of een voor eensluidend gewaarmerkte fotokopie daarvan;
- door overlegging van het "certificaat van inklaring" op een formulier van het in een bijlage bij de verordening opgenomen model .
62 . Indien door omstandigheden buiten toedoen van de exporteur geen van deze documenten kan worden overgelegd, kunnen nog één of meer van de volgende documenten worden overgelegd :
- een kopie van het lossingsdocument, afgegeven of geviseerd in het derde land;
- een verklaring van de lossing, afgegeven door de in het land van bestemming gevestigde officiële instanties van een van de Lid-Staten ( 21 );
- een verklaring van de lossing, opgesteld door een op internationaal niveau in controle en toezicht gespecialiseerde firma die is erkend door de Lid-Staat waar de douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld;
- een bankdocument, afgegeven door een in de Gemeenschap gevestigd erkend agentschap, waaruit blijkt dat de betaling voor de betrokken uitvoer is overgemaakt op de rekening die de exporteur bij dit agentschap heeft lopen, voor zover het de in bijlage III genoemde derde landen betreft waar de overmaking eerst na invoer van het produkt mag plaatsvinden;
- een door een officiële instantie van het betrokken derde land afgegeven verklaring van overname, wanneer het gaat om een aankoop door dat land of door een officiële instantie van dat land of een voedselhulptransactie;
- een door een internationale instantie afgegeven verklaring van overname wanneer het gaat om een voedselhulptransactie .
63 . Het is moeilijk te begrijpen dat een handelsfirma, die is gespecialiseerd in de internationale handel in agrarische grondstoffen en landbouwprodukten, niet één van die documenten zou weten te verkrijgen, eventueel na een aanvullende termijn te hebben aangevraagd, en dat Philipp Brothers meer dan achttien maanden nodig had ( van 29 januari 1981 tot 17 september 1982 ) om in het ene geval een voor eensluidend gewaarmerkte fotokopie van het douanedocument en in het andere geval een niet-gewaarmerkte fotokopie over te leggen .
64 . Samenvattend meen ik, dat een bepaling als hier in geding, volgens welke :
- meerdere alternatieve bewijsstukken kunnen worden verstrekt,
- de termijn voor het inleveren van die bewijsstukken een jaar bedraagt,
- verlenging van die termijn kan worden verkregen op de enkele voorwaarde dat de exporteur zich de nodige moeite heeft gegeven om ze binnen die termijn in zijn bezit te krijgen,
- het bewijs van overmacht is toegelaten,
niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel .
65 . Derhalve geef ik in overweging, de verwijzende rechter te antwoorden, dat bij onderzoek van de zevende vraag niet gebleken is van feiten of omstandigheden, die de geldigheid kunnen aantasten van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 .
Conclusie
66 . De reeks door mij in overweging gegeven antwoorden ziet er dus als volgt uit :
"1 ) De vrijgifte van de in artikel 25 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 van de Commissie bedoelde waarborg brengt niet mee, dat de exporteur geheel of gedeeltelijk wordt ontslagen van zijn verplichtingen, inzonderheid met betrekking tot de vorm waarin en de termijn waarbinnen de voor toekenning van de restitutie verlangde bewijsstukken moeten worden overgelegd . Wanneer niet aan de voorwaarden is voldaan om voor restitutie in aanmerking te komen, is de vrijgifte van de waarborg niet van invloed op de verplichting van de exporteur om het eventueel verhoogde bedrag van de betaalde restitutie terug te betalen, noch op de verplichting van de Lid-Staat om het bedrag terug te vorderen .
2 ) Het verzoek om een aanvullende termijn, als bedoeld in artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, moet worden ingediend vóór het verstrijken van de in artikel 31, lid 1, bedoelde gewone vervaltermijn .
3 ) Artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 stelt overmacht niet als voorwaarde voor het toestaan van een aanvullende termijn voor indiening van de vereiste documenten, met dien verstande evenwel dat de exporteur zich de nodige moeite moet hebben gegeven om die documenten binnen de voorgeschreven termijn te verkrijgen .
4 ) Ingevolge artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 is het uitgesloten om aanvullende termijnen toe te staan voor het indienen van het in artikel 20, lid 5, bedoelde vervoerdocument . Dit laat evenwel de geldigheid van artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 onverlet .
5 ) Bij onderzoek van de zevende vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden, die de geldigheid kunnen aantasten van de artikelen 25 en 31 van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen ( PB 1975, L 281, blz . 1 ).
( 2 ) Twaalfde overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 2727/75 .
( 3 ) Gemakshalve gebruik ik in deze conclusie het woord "uitvoer" verder in die zin, dat het zowel slaat op het verlaten van het geografisch grondgebied van de Gemeenschap ( artikel 9 ) als op de invoer tot verbruik in het derde land ( artikel 20 ).
( 4 ) Arrest van 5 februari 1987 ( zaak 288/85, Plange Kraftfutterwerke, Jurispr . 1987, blz . 611, r.o . 14 ). Zie ook het arrest van 18 november 1987 ( zaak 137/85, Maïzena, Jurispr . 1987, blz . 4587, r.o . 24 ). In het arrest van 30 juni 1987 ( zaak 47/86, Roquette Frères, Jurispr . 1987, blz . 2889 ) verklaarde het Hof weliswaar een artikel in een verordening ongeldig, op grond waarvan het met een soortgelijke verhoging overeenstemmende gedeelte van de waarborg werd verbeurd, maar dat was omdat het ging om een integrale, niet naar evenredigheid met de terug te betalen restitutie berekende verbeurte ( het ging hier om restituties bij de produktie ). In de onderhavige zaak ligt de situatie anders; artikel 25, leden 2 en 3, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 voorziet in de verbeurte van een evenredig gedeelte van de totale waarborgsom, met inbegrip van de verhoging .
( 5 ) Verordening ( EEG ) nr . 1663/81 van de Commissie van 23 juni 1981 houdende vijfde wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, houdende tweede wijziging van verordening ( EEG ) nr . 798/80 en tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 52/81 inzonderheid ten aanzien van de termijn voor de indiening van de voor bepaalde betalingen vereiste documenten ( PB 1981, L 166, blz . 9 ).
(*) * NvdV : Dit betoog geldt voor de Franse tekst van artikel 31, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 2730/79, waarin evenals in het hierna onder punt 27 genoemde artikel 47, lid 5, van verordening ( EEG ) nr . 3665/87 de uitdrukking "n' ont pas pu être produits" wordt gebezigd . In beide gevallen luidt de tekst in het Nederlands : "niet ... kunnen worden overgelegd ".
( 7 ) Arrest van 30 januari 1974 ( zaak 158/73, Kampffmeyer, Jurispr . 1974, blz . 101 ).
( 8 ) Arrest van 25 mei 1974 ( zaak 3/74, Pfuetzenreuter, Jurispr . 1974, blz . 589 ).
( 9 ) Verordening ( EEG ) nr . 568/85 van de Commissie van 4 maart 1985 houdende tiende wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2730/79 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1985, L 65, blz . 5 ).
( 10 ) Verordening ( EEG ) nr . 3665/87 van de Commissie van 27 november 1987 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer voor landbouwprodukten ( PB 1987, L 351, blz . 1 ).
( 11 ) Zie met name het arrest van 24 september 1985 ( zaak 181/84, Man ( Sugar ), Jurispr . 1985, blz . 2889, r.o . 20 ). Eveneens het arrest van 27 november 1986 ( zaak 21/85, Maas, Jurispr . 1986, blz . 3537, r.o . 15 ).
( 12 ) Arrest van 5 februari 1987 ( zaak 288/85, Plange Kraftfutterwerk, Jurispr . 1987, blz . 611, r.o . 11 ).
( 13 ) Arrest van 20 februari 1979 ( zaak 122/78, Buitoni, Jurispr . 1979, blz . 677, r.o . 17 tot en met 20 ).
( 14 ) Arrest van 24 september 1985 ( zaak 181/84, Man ( Sugar ), Jurispr . 1985, blz . 2889 ).
( 15 ) Arrest van 21 juni 1979 ( zaak 240/78, Atalanta, Jurispr . 1979, blz . 2137, r.o . 10 ).
( 16 ) Arrest van 27 november 1986 ( zaak 21/85, Maas, Jurispr . 1986, blz . 3537 ).
( 17 ) Zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr . 1986, blz . 149 .
( 18 ) Het gedeelte inzake administratieve uitvoeringsbepalingen van verordening ( EEG ) nr . 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen ( PB 1975, L 139, blz . 37 ), die in de zaak Denkavit France ( 266/84 ) in het geding was, is vervangen door verordening ( EEG ) nr . 1371/81 van de Commissie van 19 mei 1981 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen ( PB 1981, L 138, blz . 1 ). Deze laatste verordening stond centraal in het arrest van het Hof van 5 februari 1987 ( zaak 145/85, Denkavit België, Jurispr . 1987, blz . 565 ).
( 19 ) Zie in dit verband eveneens het arrest van 5 februari 1987 ( zaak 145/85, Denkavit België, Jurispr . 1987, blz . 565, r.o . 7 en 8 ).
( 20 ) Zie voor de omschrijving van het evenredigheidsbeginsel, zoals in de rechtspraak van het Hof geformuleerd, met name rechtsoverweging 17 van het arrest Denkavit France .
( 21 ) Cursivering van mij . Het is dus voldoende dat een in de haven van aankomst gevestigde consul van een der Lid-Staten een dergelijke verklaring opstelt .
Top