Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 25 september 1990. - STRAFZAAK TEGEN BONFAIT BV. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: ARRONDISSEMENTSRECHTBANK ALMELO - NEDERLAND. - MAATREGELEN VAN GELIJKE WERKING - VLEES EN VLEESPRODUKTEN - VLEESWAREN. - ZAAK C-269/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04169
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De Economische politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft het Hof bij vonnis van 29 juni 1989 drie prejudiciële vragen gesteld in het kader van een strafvervolging die de officier van justitie in het Arrondissement Almelo heeft ingesteld tegen de vennootschap Bonfait BV ( hierna : Bonfait ).
2 . Het vonnis waarbij de zaak naar het Hof is verwezen, is aan de summiere kant . Uit de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en de toelichtingen ter terechtzitting lijkt evenwel te kunnen worden opgemaakt, dat Bonfait wordt telastegelegd, dat zij uit de Bondsrepubliek Duitsland afkomstige waren in de gemeente Almelo onder de aanduiding "vleeswaren" heeft verhandeld, terwijl de quotiënt van het procentuele watergehalte en het procentuele gehalte aan organisch niet-vet ( het zogenoemde Federgetal ) bij deze waar hoger was dan volgens de Nederlandse wetgeving is toegestaan voor het gebruik van deze aanduiding . Ik wijs erop, dat de litigieuze produkten wel voldeden aan de normen van het land van herkomst op dit punt en daarom mochten worden aangeduid met de generieke benaming "Fleischwaren", die overeenkomt met "vleeswaren" in het Nederlands en met "charcuterie" in het Frans .
3 . De precieze grondslag van de zaak blijft mij niettemin nog enigszins onduidelijk, omdat blijkens een opmerking ter terechtzitting de betrokken produkten op de verpakking niet als "vleeswaren" waren aangeduid . Het is echter niet aan het Hof om een oordeel te geven over de toepassing van de nationale wetgeving door de rechter a quo en het moet er dus van uitgaan, dat de prejudiciële vragen een strafvervolging betreffen wegens het gebruik van een bepaalde aanduiding zonder dat de betrokken produkten voldoen aan de samenstellingsvoorschriften waarvan het rechtmatig gebruik van deze aanduiding afhangt .
4 . Wij moeten zeker niet te veel vasthouden aan de exacte bewoordingen waarin de rechter a quo de vragen heeft geformuleerd . Letterlijk genomen, betreffen de eerste en de derde vraag de uitlegging van het nationale recht, waartoe het Hof niet bevoegd is . Met de Commissie ben ik van mening, dat de kernvraag is, of een nationale regeling die een aanduiding als "vleeswaren" voorbehoudt aan produkten die, wat betreft de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organische bestanddelen, aan een bepaalde norm voldoen, mag worden toegepast op produkten die in een andere Lid-Staat rechtmatig onder een soortgelijke aanduiding in de handel zijn gebracht, maar die niet aan voormelde norm voldoen .
5 . De aldus geformuleerde vraag moet worden beoordeeld aan de hand van het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag, waarnaar de rechter a quo uitdrukkelijk heeft verwezen . De - overigens niet in het verwijzingsvonnis genoemde - richtlijn 77/99/EEG van de Raad van 21 december 1976 ( 1 ) lijkt mij voor de oplossing van deze vraag niet relevant . Deze richtlijn is immers gericht op het harmoniseren van de bepalingen die de kwaliteit van vleesprodukten uit gezondheidsoogpunt beogen te waarborgen, terwijl de Nederlandse regering in haar opmerkingen niet de bescherming van de volksgezondheid ter verdediging van de betrokken regeling aanvoert, maar de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties . Voor zover de richtlijn regels geeft over de samenstelling van de eronder vallende produkten, gaat het daarbij steeds om de bescherming van de volksgezondheid in eigenlijke zin . Daarom kan zij mijns inziens niet in aanmerking komen bij de beoordeling van een aanduidingsvoorschrift dat is gekoppeld aan de samenstelling van vleesprodukten, wanneer de bescherming van de gezondheid geen rol speelt .
6 . Wat artikel 30 betreft, valt het aan de hand van uw inmiddels klassieke rechtspraak niet moeilijk een antwoord te geven op de vraag, of een regeling als de onderhavige onder het verbod van dit artikel valt . In het arrest van 12 maart 1987, gewezen op een niet-nakomingsberoep van de Commissie tegen de Bondsrepubliek Duitsland naar aanleiding van het "Reinheitsgebot" voor bier, heeft het Hof in verband met de bepaling uit het "Biersteuergesetz", die het gebruik van de aanduiding "bier" verbood voor dranken die niet voldeden aan bepaalde bereidingsvoorschriften, en dientengevolge in de praktijk de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig onder deze benaming in het verkeer gebrachte dranken beperkte, overwogen :
"Stellig is het geoorloofd om consumenten, die aan bier dat op basis van bepaalde grondstoffen is gebrouwen bijzondere eigenschappen toedichten, de mogelijkheid te bieden om aan de hand daarvan hun keuze te maken",
doch dat deze mogelijkheid kan worden verzekerd
"door andere middelen, die de invoer van in andere Lid-Staten rechtmatig vervaardigde en in het verkeer gebrachte produkten niet belemmeren, 'met name door de verplichting een passend etiket aan te brengen waarop de eigenschappen van het verkochte produkt zijn vermeld' ." ( 2 )
7 . Deze redenering, die het Hof reeds eerder ontwikkelde in het arrest van 9 december 1981, Commissie/Italië ( 3 ), dat handelde over de benaming "azijn", lijkt mij ook op haar plaats in deze zaak, waarin het gaat om het gebruik van een benaming zoals "vleeswaren ". De mogelijkheid voor de consument om zijn keuze te kunnen bepalen op produkten die, wat betreft de verhouding tussen het watergehalte en het gehalte aan organisch niet-vet, voldoen aan de in de Nederlandse wetgeving gestelde norm voor "vleeswaren" of "vleesprodukten", maakt het niet noodzakelijk om in deze Lid-Staat de verhandeling van bereidingen onder een kenmerkende aanduiding, die in een andere Lid-Staat onder een analoge aanduiding rechtmatig in het verkeer zijn gebracht, te verbieden . Een etikettering die de nodige informatie verschaft over de samenstelling van de produkten en, zo nodig, de respectieve proporties van bepaalde bestanddelen vermeldt, zou de consument in staat stellen met kennis van zaken te kiezen, zonder dat behoeft te worden teruggegrepen op een maatregel die, doordat hij de verkoop van produkten in een Lid-Staat onder de in de Lid-Staat van herkomst wettelijk toegestane aanduiding verhindert, in de praktijk ontegenzeglijk de afzetmogelijkheden in de eerste staat beperkt . Ook komt het mij voor, dat tegenover het verbod van artikel 30 de consumentenbescherming geen rechtvaardigingsgrond kan opleveren voor de invoerbeperking die voortvloeit uit de toepassing van de Nederlandse regeling inzake de aanduiding van vleeswaren op produkten die in een andere Lid-Staat onder een dergelijke aanduiding worden verhandeld .
8 . Het arrest Fietje van 16 december 1980, dat de Nederlandse regering ter terechtzitting heeft aangehaald, doet aan deze beoordeling niets af . Hierin besliste het Hof immers,
"dat wanneer een Lid-Staat een bepaling die de verkoop van bepaalde alcoholhoudende dranken onder een andere dan de door de nationale wettelijke regeling voorgeschreven benaming verbiedt, ook toepast op uit andere Lid-Staten ingevoerde dranken, ten gevolge waarvan de etikettering waaronder de ingevoerde drank in de Lid-Staat van uitvoer wettig wordt verhandeld, moet worden gewijzigd, dit is aan te merken als een ... maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, voor zover de aanduidingen op het oorspronkelijke etiket de consumenten informatie verschaffen over de aard van het betrokken produkt, welke gelijkwaardig is aan die van de wettelijk voorgeschreven benaming ." ( 4 )
Dit arrest sluit dus geheel aan bij de klassieke rechtspraak van het Hof op dit gebied, waarvan ik zojuist de hoofdlijnen heb aangegeven . Het verplicht stellen van een bepaalde aanduiding of, omgekeerd, het niet-toelaten van een aanduiding is geenszins noodzakelijk voor de bescherming van de consument, wanneer hij door middel van passende informatie op het etiket kan worden voorgelicht over de kwaliteit of de samenstelling van het produkt; het verbod van artikel 30 is dan dus in volle omvang van kracht .
9 . De Nederlandse regering heeft ook nog, zij het zeer summier, gewezen op de zorg voor de eerlijkheid van de handelstransacties . Ook in zoverre vind ik haar standpunt niet overtuigend . De lijn van de rechtspraak van het Hof op dit punt wordt duidelijk geïllustreerd door het arrest Miro van 26 november 1985 ( 5 ), naar aanleiding van het in Nederland geldende verbod op het gebruik van de benaming "jenever" voor dranken met een alcoholgehalte van minder dan 35 %, waardoor in Nederland geen uit België ingevoerde jenever van 30 % onder de oorspronkelijke benaming kon worden verkocht . Na erop te hebben gewezen, dat
"een Lid-Staat in beginsel niet de mogelijkheid ( mag ) worden ontzegd om, bij gebreke van een gemeenschapsregeling, regelen te stellen waarbij het recht op het gebruik van bepaalde traditionele benamingen afhankelijk wordt gemaakt van de inachtneming van een minimum alcoholgehalte" ( 6 ),
herhaalde het Hof, dat
"in een stelsel van een gemeenschappelijke markt belangen als de eerlijkheid der handelstransacties ( moeten ) worden verzekerd met wederzijdse eerbiediging van de bonafide praktijken die in de verschillende Lid-Staten vanouds worden toegepast ." ( 7 )
Derhalve, aldus het Hof verder,
"kan niet als een wezenlijke eis van de eerlijkheid der handelstransacties worden beschouwd, dat een nationale regeling waarbij een minimum alcoholgehalte voor een aloude drank wordt vastgesteld, wordt nageleefd ter zake van uit een andere Lid-Staat ingevoerde soortgelijke produkten, wanneer deze in hun Lid-Staat van oorsprong vanouds regulier worden vervaardigd en onder dezelfde benaming in de handel gebracht en een behoorlijke informatie van de kopers verzekerd is" ( 8 ).
10 . Deze gedachtengang past op het onderhavige geval . Ondanks het hogere watergehalte ten opzichte van het gehalte aan organisch niet-vet is het toch onbetwistbaar zo, dat de door Bonfait ingevoerde produkten in de Bondsrepubliek Duitsland vanouds regulier worden vervaardigd en aldaar onder de benaming "Fleischwaren", wat overeenkomt met "vleeswaren", in de handel worden gebracht . Wanneer een behoorlijke informatie van de koper mogelijk is, wat het geval is zoals wij hebben gezien, dunkt mij, dat de eerlijkheid van de handelstransacties een verbod op het verhandelen van deze produkten onder de aanduiding "vleeswaren" niet kan rechtvaardigen ten opzichte van artikel 30 .
11 . Ten slotte lijkt een rechtvaardiging voor de betrokken nationale regeling niet te moeten worden gezocht in de bescherming van de volksgezondheid . Zoals gezegd, heeft de Nederlandse regering er geen beroep op gedaan . En zij had ook moeilijk kunnen beweren, dat de aanduidingsregel in het belang van de bescherming van de gezondheid is vastgesteld, aangezien produkten die, zoals bij de in casu uit de Bondsrepubliek Duitsland ingevoerde het geval is, niet aan de gestelde eisen voldoen, in Nederland niettemin rechtmatig kunnen worden verhandeld onder een andere benaming dan "vleeswaren ".
12.Samenvattend geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren :
Ingevolge artikel 30 EEG-Verdrag mag een nationale regeling, volgens welke bereidingen waarbij de quotiënt van het procentuele watergehalte en het procentuele gehalte aan organisch niet-vet een bepaald maximum overschrijdt, niet onder een voor vleeswaren kenmerkende benaming mogen worden verhandeld, niet worden toegepast op uit een andere Lid-Staat ingevoerde produkten, wanneer deze produkten voldoen aan de vereisten van de staat van uitvoer voor het gebruik van een voor vleeswaar kenmerkende benaming en aldaar rechtmatig onder een dergelijke benaming in de handel worden gebracht .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesprodukten ( PB 1977, L 26, blz . 85 ).
( 2 ) Zaak 178/84, Jurispr . 1987, blz . 1227, r.o . 35 .
( 3 ) Zaak 193/80, Jurispr . 1981, blz . 3019 .
( 4 ) Zaak 27/80, Jurispr . 1980, blz . 3839, r.o . 15 .
( 5 ) Zaak 182/84, Jurispr . 1985, blz . 3731 .
( 6 ) Rechtsoverweging 23 .
( 7 ) Rechtsoverweging 24 .
( 8 ) Rechtsoverweging 25 .
Top