Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 3 oktober 1990. - CARMINA DI LEO TEGEN LAND BERLIN. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: VERWALTUNGSGERICHT DARMSTADT - DUITSLAND. - NON-DISCRIMINATIE - KIND VAN GEMEENSCHAPSWERKNEMER - STEUN BIJ OPLEIDING. - ZAAK C-308/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04185
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00583
Finse bijz. uitgave bladzijde 00607
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Verwaltungsgericht Darmstadt heeft het Hof bij beschikking van 11 september 1989 een vraag gesteld over de uitlegging van artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap . ( 1 ) De vraag is gesteld in het kader van een geschil tussen Carmina di Leo en het Land Berlijn .
2 . Carmina di Leo, verzoekster in het hoofdgeding ( hierna : verzoekster ), Italiaans onderdaan, is de dochter van een migrerend Italiaans werknemer die sinds vijfentwintig jaar in de Bondsrepubliek Duitsland in loondienst werkzaam is . Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft zij haar voornaamste woonplaats in de Bondsrepubliek . Aangezien er destijds toelatingsbeperkingen golden aan de Duitse medische faculteiten, besloot verzoekster medicijnen te gaan studeren in Italië, waartoe zij zich voor het academisch jaar 1986/1987 aan de universiteit van Siena inschreef . Op 15 mei 1987 vroeg zij voor die studie de in het Duitse Bundesausbildungsfoerderungsgesetz ( hierna : BAfoeG ) voorziene steun aan voor het tijdvak van 30 september 1986 tot 1992 . Deze aanvraag werd door de bevoegde Duitse instanties afgewezen . Nadat haar bezwaarschrift tegen die afwijzing was verworpen, stelde verzoekster beroep in bij het Verwaltungsgericht Darmstadt, dat de zaak aan het Hof heeft voorgelegd .
3 . Voor het Verwaltungsgericht heeft het Land Berlijn met een beroep op bepaalde voorschriften van het BAfoeG geconcludeerd tot verwerping van het beroep . Ik wijs erop, dat deze wet tussen het tijdstip waarop verzoeksters aanvraag werd afgewezen en de datum van de verwijzingsbeschikking van het Verwaltungsgericht Darmstadt een aantal wijzigingen heeft ondergaan . In de tot 30 juni 1988 geldende versie kon de steun bij opleiding voor onderwijs in een Europees land, maar buiten de Bondsrepubliek Duitsland - dat volgens de wet was toegestaan wanneer een opleiding niet in Duitsland kon worden gevolgd, zoals in geval van een numerus clausus, en wanneer de betrokkene over voldoende talenkennis beschikte - alleen worden toegekend aan Duitsers in de zin van het Grundgesetz alsmede aan staatloze of asielgerechtigde buitenlanders of vluchtelingen . Buitenlanders uit EEG-landen kwamen volgens de destijds geldende bepalingen van het BAfoeG niet in aanmerking voor steun bij opleiding, indien zij onderwijs volgden in het buitenland . Op grond van een op 1 juli 1988 in werking getreden wijziging wordt de steun bij opleiding thans ook toegekend aan studerenden die op grond van het Aufenthaltsgesetz/EWG als kinderen recht hebben op vrij verkeer of als kinderen over een verblijfsrecht beschikken . ( 2 ) Deze uitbreiding wordt evenwel weer beperkt door de bepaling, dat communautaire onderdanen van de steun bij opleiding zijn uitgesloten wanneer de opleiding plaatsvindt in een land waarvan zij de nationaliteit bezitten . ( 3 )
4 . Verzoeksters aanvraag voldeed dan ook niet aan de voorwaarden van het BAfoeG, noch in de vóór 30 juni 1988 geldende versie, noch in de gewijzigde versie . ( 4 ) De verwijzende rechter heeft zich evenwel afgevraagd, of een Lid-Staat waarvan de wettelijke voorschriften in steun bij opleiding in het buitenland voorzien, op grond van het gemeenschapsrecht niet gehouden is, die steun ook toe te kennen aan een persoon die zich in de situatie van verzoekster bevindt . Dienaangaande heeft hij met name gewezen op artikel 12 van verordening nr . 1612/68 .
5 . Dit artikel luidt zoals bekend als volgt : "De kinderen van een onderdaan van een Lid-Staat, die op het grondgebied van een andere Lid-Staat arbeid verricht of heeft verricht, worden, indien zij aldaar woonachtig zijn, onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van deze Staat toegelaten tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en de beroepsopleiding ". Volgens vaste rechtspraak van het Hof, zoals onlangs bevestigd in het arrest van 15 maart 1989 ( Echternach e.a .), heeft dit artikel
"niet slechts de toelatingsregels in eigenlijke zin op het oog, maar ook de algemene maatregelen om de deelneming aan het onderwijs te vergemakkelijken" ( 5 ).
In antwoord op de vraag of de in een Nederlandse wet van 1986 voorziene studiefinanciering tot de voordelen in de zin van artikel 12 behoorde, verklaarde het Hof in dat arrest dat :
"steun toegekend ter dekking van de kosten van onderwijs en levensonderhoud van de student, te beschouwen is als een sociaal voordeel waarop kinderen van communautaire werknemers recht hebben onder dezelfde voorwaarden als voor de onderdanen van het gastland gelden" ( 6 ).
6 . Partijen zijn het erover eens, dat de steun bij opleiding in het buitenland krachtens het BAfoeG een steun is ter dekking van de kosten van onderwijs en levensonderhoud van de ontvanger van de steun, in de zin van de rechtspraak van het Hof . Het uitleggingsprobleem heeft betrekking op een eventuele territoriale beperking van de werkingssfeer van artikel 12 . De regering van de Bondsrepubliek Duitsland verwijst inzonderheid naar de in artikel 12, lid 1, vervatte zinsnede "indien zij aldaar woonachtig zijn" en naar de door de communautaire wetgever met verordening nr . 1612/68 nagestreefde doelstellingen ten betoge, dat de op een Lid-Staat rustende verplichting, kinderen van een onderdaan van een andere Lid-Staat, die op het grondgebied van eerstgenoemde Lid-Staat werkzaam is ( geweest ), gelijke voorwaarden voor de toegang tot het onderwijs te waarborgen als voor eigen onderdanen gelden, niet bestaat wanneer de kinderen van de migrerende werknemer vertrekken om in het buitenland te gaan studeren . De Nederlandse regering heeft ter terechtzitting hetzelfde betoogd . De Commissie heeft, gesteund door de Italiaanse regering, het tegenovergestelde standpunt ingenomen en opgemerkt dat in het kader van een niet-restrictieve uitlegging van artikel 12 moet worden aangenomen, dat kinderen van migrerende werknemers van het gastland dezelfde voordelen op het gebied van steun bij opleiding in het buitenland moeten ontvangen als aan de eigen onderdanen van dat land worden toegekend . Verzoeksters raadsman heeft ter terechtzitting voor een gelijksoortige uitlegging gepleit .
7 . Het valt niet te betwisten, dat artikel 12 van verordening nr . 1612/68 een woonplaatsclausule bevat in die zin, dat het gastland de kinderen van migrerende werknemers de in deze bepaling voorgeschreven gelijke behandeling moet verzekeren, indien zij op het grondgebied van dit land wonen . De op deze staat rustende verplichting, de kinderen van migrerende werknemers "tot het algemene onderwijs, het leerlingstelsel en het beroepsonderwijs" toe te laten onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen, kan trouwens per definitie alleen betrekking hebben op de voorwaarden voor de toegang tot het onderwijs waarvan de vaststelling een zaak van het gastland is, hetgeen de opvatting zou kunnen wettigen, dat onderwijs buiten het grondgebied van dat land in ieder geval buiten het toepassingsgebied van artikel 12 valt . De bewoordingen van artikel 12 zijn evenwel niet dermate duidelijk, dat met zekerheid kan worden geconcludeerd dat het kind van een migrerende werknemer, dat onderwijs buiten het gastland gaat volgen, met een beroep op deze bepaling aanspraak kan maken op de steun voor opleiding in het buitenland, die dit land aan eigen onderdanen toekent . Het Hof heeft zich tot op heden nog niet uitgesproken over de vraag, of artikel 12 gezien zijn bewoordingen de inaanmerkingneming van voordelen in verband met onderwijs buiten het gastland uitsluit . In het kader van de onderhavige zaak zal het Hof derhalve de uitlegging van dit artikel op dit punt kunnen verduidelijken .
8 . De formulering van de woonplaatsclausule van artikel 12 vraagt om een opmerking vooraf . Het kind van een migrerende werknemer moet onder gelijke voorwaarden als de onderdanen van het gastland toegang hebben tot het onderwijs, indien het op het grondgebied van dat land woont . Daarmee knoopt de bepaling derhalve aan aan de plaats waar het kind woont, en niet aan de plaats waar het onderwijs plaatsvindt . Men kan zich een situatie voorstellen waarin een Lid-Staat aan de kinderen van eigen onderdanen die in een grensgebied wonen, steun toekent voor onderwijs dat zij aan de andere kant van de grens volgen, zonder dat zij hun woonplaats naar het buitenland verleggen . Zou dat land die steun kunnen weigeren aan de kinderen van migrerende werknemers die in hetzelfde grensgebied wonen en eveneens onderwijs aan de andere kant van de grens volgen, zonder hun woonplaats te verleggen? Mijns inziens kan dat land moeilijk een beroep doen op de woonplaatsclausule van artikel 12 om een gelijke behandeling te weigeren, voor zover de kinderen van de migrerende werknemers in bovenbedoeld geval in het gastland blijven wonen en aan de voorwaarden van die clausule voldoen . Hiermee wil ik zeggen, dat de omstandigheid dat een kind in het buitenland, buiten het gastland, onderwijs volgt, niet noodzakelijkerwijs betekent dat het niet op het grondgebied van het gastland woont . Bijgevolg moet de draagwijdte van artikel 12 worden onderzocht, zowel met betrekking tot de plaats waar het aldaar bedoelde onderwijs wordt genoten als wat betreft het in dit artikel gestelde woonplaatsvereiste .
9 . Ten betoge dat artikel 12 eng moet worden uitgelegd, heeft de regering van de Bondsrepubliek Duitsland onder meer te kennen gegeven, dat steun die aan kinderen van een migrerende werknemer wordt verleend voor het volgen van onderwijs buiten het gastland, geen verband houdt met het doel van verordening nr . 1612/68, te weten de integratie van die werknemer en zijn gezin te vergemakkelijken . Naar aanleiding van dit argument zal ik trachten, deze integratiedoelstelling in het licht van de rechtspraak van het Hof nauwkeurig af te bakenen .
10 . De derde overweging van verordening nr . 1612/68 geeft aan, dat "het vrije verkeer voor de werknemers en hun familie een fundamenteel recht vormt"; volgens de vijfde overweging vereist dat recht van vrij verkeer, "om volgens objectieve maatstaven van waardigheid en vrijheid te kunnen worden uitgeoefend, ... dat de gelijkheid van behandeling in alles wat de uitoefening van arbeid in loondienst en de toegang tot huisvesting betreft, in feite en in rechte verzekerd is, en eveneens dat de belemmeringen voor de mobiliteit van de werknemers uit de weg worden geruimd, met name wat betreft het recht van de werknemer om zijn familie te doen overkomen en de voorwaarden voor de integratie van deze familie in het land van ontvangst ".
11 . In zijn rechtspraak heeft het Hof het verband tussen de in verordening nr . 1612/68 voorziene maatregelen op het gebied van de gelijke behandeling en het begrip integratie nader uitgewerkt . Ik zal de oudste arresten, waarvan de formuleringen thans wel klassiek kunnen worden genoemd, hier niet aanhalen, en slechts de zeer betekenisvolle uitspraak in de zaak Echternach in herinnering brengen . In die zaak overwoog het Hof :
"De gelijke behandeling ten opzichte van nationale werknemers, waarop werknemers van een Lid-Staat die in een andere Lid-Staat werkzaam zijn, aanspraak hebben met betrekking tot aan hun gezinsleden toegekende voordelen, draagt bij tot hun integratie in het sociale leven van het gastland overeenkomstig de doelstellingen van het vrije werknemersverkeer" ( 7 ).
12 . In hetzelfde arrest beklemtoonde het Hof het verband tussen het recht van de kinderen van migrerende werknemers op overheidssteun bij de studie en de integratie van die kinderen en met overweging :
"De status van kind van een communautair werknemer in de zin van verordening nr . 1612/68 brengt heel in het bijzonder mee, dat de betrokkene op grond van het gemeenschapsrecht in aanmerking dient te komen voor overheidssteun bij de studie, ten einde aldus zijn integratie in het sociale leven van het gastland mogelijk te maken" ( 8 ).
Gelet op deze formuleringen komt het mij voor, dat de draagwijdte van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 aan de hand van de door het Hof uitgewerkte integratiedoelstellingen moet worden beoordeeld, in de eerste plaats voor wat betreft een eventuele territoriale beperking van de studie en vervolgens met betrekking tot het in dat artikel gestelde woonplaatsvereiste .
13 . Het hiervoor genoemde argument, dat de studie van het kind van een migrerende werknemer buiten het gastland niet kan bijdragen tot de integratie van het kind in dat land, kan mij niet echt overtuigen . Met name wanneer die staat het kind van een migrerende werknemer de steun bij opleiding in het buitenland weigert, die het wel aan eigen onderdanen toekent, zal die integratie juist worden belemmerd .
14 . Ik stel mij het geval voor van twee jongelui, de een onderdaan van een Lid-Staat, de ander kind van een migrerende werknemer, van herkomst uit een andere Lid-Staat, die samen de lagere en middelbare school hebben bezocht en dezelfde universitaire opleiding willen volgen . Alleen de eerste zou overheidssteun krijgen om in het buitenland te gaan studeren . Het behoeft geen betoog dat de tweede, wanneer hem die steun wordt geweigerd, zich niet in het gastland geïntegreerd zal voelen, het gevoel zal hebben, door dat land anders te worden behandeld dan zijn schoolkameraad, die een andere nationaliteit bezit . Integratie is niet alleen een juridisch begrip, maar ook iets wat men heel persoonlijk beleeft en voelt . Het lijkt mij dan ook onwaarschijnlijk dat de daadwerkelijke mogelijkheid voor het kind van een migrerende werknemer om buiten het gastland te studeren, welke mogelijkheid kan afhangen van de toekenning van overheidssteun, a priori geen verband houdt met de doelstelling van integratie in dat land .
15 . De uitlegging volgens welke steun voor het volgen van een opleiding buiten het gastland buiten het toepassingsgebied van artikel 12 valt, strookt derhalve bepaald niet met de algemene doelstelling van integratie in het sociale leven van dat land . Het uit die uitlegging voortvloeiende verschil in behandeling tussen het kind dat de nationaliteit van het gastland bezit en het kind van een migrerende werknemer zal vooral vatbaar zijn voor kritiek, nu de concrete situaties van beide kinderen in werkelijkheid zeer nauw kunnen overeenstemmen . Indien men vanaf zijn geboorte of vroege jeugd in gezinsverband op een bepaalde plaats heeft gewoond, betekent vertrek naar een ander land wegens studie een verandering van materiële en affectieve levensomstandigheden, ongeacht of men onderdaan is van het land dat men verlaat . Het al dan niet ontvangen van steun van het gastland om een en ander te kunnen bekostigen is stellig niet irrelevant voor het gevoel, in dat land geïntegreerd te zijn .
16 . Het komt mij dan ook voor, dat de doelstelling van integratie in het sociale leven van het gastland geenszins gebiedt, artikel 12 aldus uit te leggen dat het niet geldt voor studie buiten dat land; die doelstelling rechtvaardigt het veeleer, dat voor die studie het in dit artikel neergelegde beginsel van gelijke behandeling geldt .
17 . Deze zienswijze vindt bovendien bevestiging in het arrest van 27 september 1988 ( Matteucci ). ( 9 ) Ter uitlegging van artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, bepalende dat de werknemer die onderdaan is van een Lid-Staat, op het grondgebied van de andere Lid-Staten dezelfde sociale voordelen geniet als nationale werknemers, verklaarde het Hof dat deze bepaling
"een algemene regel ( geeft ) die, met betrekking tot de gelijke behandeling met de nationale werknemers op sociaal gebied, iedere Lid-Staat een verantwoordelijkheid oplegt ten opzichte van elke op zijn grondgebied gevestigde werknemer-onderdaan van een andere Lid-Staat ".
Het Hof leidde hieruit af, dat
"wanneer een Lid-Staat zijn nationale werknemers de mogelijkheid biedt een in een andere Lid-Staat verstrekte opleiding te volgen, deze mogelijkheid moet worden uitgebreid tot de op zijn grondgebied gevestigde communautaire werknemers" ( 10 ).
18 . Artikel 7, lid 2, is een bepaling die een vrij nauwkeurig territorialiteitsbegrip hanteert . De erin voorgeschreven gelijke behandeling wordt "op het grondgebied" van een Lid-Staat toegekend aan een werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat . Gelijk hiervoor is gebleken, heeft het Hof aan dit begrip een uitlegging gegeven die niet belet, dat een voordeel dat een Lid-Staat aan eigen onderdanen toekent voor het volgen van onderwijs in het buitenland, ook een werknemer ten goede komt die op zijn grondgebied verblijft . Mijns inziens staat niets eraan in de weg, dat het impliciete territorialiteitsbegrip van artikel 12 analoog wordt uitgelegd . Het vereiste van een zo ruim mogelijke integratie in het sociale leven van het gastland brengt bijgevolg mee, dat deze bepaling inderdaad aldus wordt uitgelegd . Daarmee kom ik tot hetzelfde resultaat als advocaat-generaal Sir Gordon Slynn in de zaak Matteuci, waar deze het volgende verklaarde :
"Mij dunkt, dat wanneer een Lid-Staat ervoor zorgt dat zijn onderdanen in een andere Lid-Staat cursussen kunnen volgen, die, indien zij in die Lid-Staat werden gegeven, sociale voordelen ( artikel 7, lid 2 ), onderwijs op vakscholen en aan revalidatie - en herscholingscentra ( artikel 7, lid 3 ) of algemeen onderwijs, leerlingstelsel en beroepsopleiding ( artikel 12 ) zouden vormen, deze cursussen, ofschoon in een andere Lid-Staat gegeven, respectievelijk onder de artikelen 7, leden 2 en 3, of artikel 12 vallen . Zij moeten worden gezien als een onderdeel van het onderwijsstelsel van de staat ." ( 11 )
19 . Bovendien wens ik hier op te merken, dat een overeenstemmende uitlegging van de artikelen 12 en 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, zoals de Commissie die het Hof in overweging geeft, aansluit bij de meest recente rechtspraak . In het reeds genoemde arrest Echternach heeft het Hof de overeenstemming tussen deze twee bepalingen beklemtoond met de overweging, dat
"volgens 's Hofs rechtspraak steun voor levensonderhoud en opleiding, toegekend om middelbaar en hoger onderwijs te kunnen volgen, is te beschouwen als een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr . 1612/68, waarop migrerende werknemers recht hebben op dezelfde voet als eigen onderdanen ".
Het voegde daaraan toe, dat
"dit beginsel ook dient te gelden voor kinderen van die werknemers, wanneer zij tot het onderwijs in het gastland worden toegelaten op grond van artikel 12 van die verordening, nu deze bepaling in elke andere uitlegging vaak ieder praktisch gevolg zou missen ". ( 12 )
20 . Dat het Hof derhalve voor de uitlegging van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 aansluiting zoekt bij artikel 7, lid 2, van deze verordening, vormt, rekening houdend met de uitspraak in de zaak Matteucci, nog een argument voor de opvatting, dat de in eerstgenoemde bepaling voorgeschreven gelijke behandeling van kinderen van migrerende werknemers niet is uitgesloten in gevallen waarin het gastland voor eigen onderdanen voorziet in maatregelen om studie in het buitenland gemakkelijker te maken .
21 . Rest evenwel nog de vraag, of het woonplaatsvereiste van artikel 12 zich niet tegen toepassing van het beginsel van gelijke behandeling verzet wanneer het kind van een migrerende werknemer het gastland verlaat om te gaan studeren en daartoe moet gaat wonen in het land waar de opleiding plaatsvindt . De Duitse en de Nederlandse regering zijn van oordeel, dat het kind van een migrerende werknemer, dat het gastland verlaat om te gaan wonen in het land waar het gaat studeren, niet meer aan het woonplaatsvereiste van artikel 12 voldoet .
22 . In de Franse versie van de verordening bepaalt artikel 12, dat het gastland de kinderen van migrerende werknemers de toegang tot het onderwijs waarborgt onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen, "si ces enfants résident sur son territoire", dat wil zeggen indien zij aldaar verblijven . De Duitse regering wijst erop, dat de Duitse versie van de verordening een concretere voorwaarde stelt met de formulering "wenn sie im Hoheitsgebiet dieses Mitgliedstaats wohnen ". De Nederlandse versie is dienovereenkomstig geformuleerd : "indien zij aldaar woonachtig zijn ". De Italiaanse versie sluit dichter aan bij de Franse door te bepalen "se i figli stessi vi risiedono", dat wil zeggen indien zij aldaar verblijven . Ik wijs er echter op, dat de termen "wohnen" respectievelijk "woonachtig zijn" in het Frans zowel kunnen worden vertaald door "habiter" als door "résider ". Het betreft hier derhalve een dubbelzinnige uitdrukking, en het is geenszins zeker dat de Nederlandse en de Duitse versie doelen op "habiter", wat concreet zou zijn, en niet op het abstractere "résider ". Hierna zal ik dan ook blijven doelen op het begrip "résider ".
23 . Deze voorwaarde is voor meerdere uitleggingen vatbaar wanneer een kind een opleiding buiten het gastland gaat volgen en zijn dagelijks leven gaat leiden op de plaats waar het studeert . In het hier te onderzoeken geval komt men kennelijk tot een verschillend resultaat al naar gelang men van het kind verlangt, dat het daadwerkelijk in het gastland woont gedurende de opleiding waarvoor het aanspraak maakt op gelijke behandeling ten aanzien van de toegangsvoorwaarden, of alleen op het moment waarop het besluit om in het buitenland te gaan wonen . De keus kan mijns inziens niet worden gemaakt zonder rekening te houden met de algemene doelstelling van meerdere bepalingen van verordening nr . 1612/68 - waaronder artikel 12 -, te weten de bevordering van de integratie van het gezin van de migrerende werknemer in het sociale leven van het gastland . Hiervoor heb ik reeds gewezen op de zeer nadelige gevolgen die het kind van een migrerende werknemer ondervindt van de weigering door het gastland van steun voor een opleiding in het buitenland, die wel wordt toegekend aan zijn schoolkameraad die onderdaan is van dat land . Een woonplaatsvereiste dat tot een dergelijke weigering zou leiden op grond dat het betrokken kind eet, slaapt en zich ontspant op de plaats waar het studeert, terwijl de betrokken steun wel wordt toegekend aan onderdanen van het gastland die op de plaats van opleiding dezelfde activiteiten hebben, zou in strijd zijn met het doel dat met verordening nr . 1612/68 wordt nagestreefd met het oog op een volledige verwezenlijking van het vrije verkeer van werknemers .
24 . Mijns inziens kan het woonplaatsvereiste dan ook niet aldus worden uitgelegd, dat er niet meer aan wordt voldaan wanneer een kind in het buitenland gaat studeren en voor de duur van zijn opleiding verblijft op de plaats waar deze wordt gegeven . Voor de in artikel 12 voorziene gelijke behandeling is het veeleer noodzakelijk, dat het kind daadwerkelijk in het gastland woont op het moment waarop het besluit, in het buitenland te gaan studeren . Ik sluit mij hier aan bij de opvatting van Sir Gordon Slynn, waar deze in zijn reeds aangehaalde conclusie in de zaak Matteucci met betrekking tot een opleiding buiten het gastland het volgende vaststelt :
"Het argument, dat artikel 12 niet van toepassing kan zijn omdat het kind niet langer in die staat zal wonen, is onhoudbaar . Het wonen in de Lid-Staat is een voorwaarde om tot de cursus te worden toegelaten, maar niet om hem te voltooien ." ( 13 )
25 . Gelijk ook de Commissie suggereert, is het bovendien niet ondenkbaar dat een student die voor studiedoeleinden naar het buitenland vertrekt en daartoe in het buitenland gaat verblijven, zijn woonplaats behoudt in het gastland, waar zijn familie is gebleven . In aansluiting bij het begrip wonen zoals door het Hof uitgelegd is in het kader van verordening nr . 3 betreffende de sociale zekerheid van migrerende werknemers ( 14 ), zou men staande kunnen houden dat de student het permanente centrum van zijn belangen blijft houden in het land waarin zijn familie woont, en dat hij daar derhalve nog steeds woont . Evenzo wil ik erop wijzen, dat artikel 7 van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 ( 15 ) voor de uitlegging van het aldaar gebruikte begrip "gewone verblijfplaats" het volgende bepaalt : "Het feit dat college wordt gelopen of een school wordt bezocht, houdt niet in dat de gewone verblijfplaats wordt verplaatst ". Met betrekking tot de in het Ambtenarenstatuut voorziene ontheemdingstoelage ten slotte heeft het Hof vastgesteld dat de omstandigheid dat een Luxemburger gedurende zekere tijd in Straatsburg heeft gestudeerd, niet onverenigbaar is met het behoud van het permanente centrum van zijn belangen in Luxemburg . ( 16 )
26 . Ik betwijfel evenwel, of het begrip woonplaats voor de toepassing van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 aldus kan worden uitgelegd, dat een student die voor studiedoeleinden naar het buitenland vertrekt, in het gastland blijft wonen wanneer hij daar het permanente centrum van zijn belangen behoudt . In werkelijkheid zou de nationale rechter dan immers weer moeten beoordelen, in hoeverre de student het permanente centrum van zijn belangen in het gastland van zijn familie heeft behouden . In de praktijk zou dit systeem slecht uitvoerbaar zijn . Hoe vaak zou de student op en neer moeten reizen opdat kan worden aangenomen, dat hij het permanente centrum van zijn belangen nog steeds in het gastland heeft? Zou de duur van het bezoek aan zijn familie daarbij een rol spelen? De poging om op andere domeinen toegepaste oplossingen over te nemen zou subtiele en uiteindelijk zeer ingewikkelde onderzoeken noodzakelijk maken . Ik geef er dan ook de voorkeur aan, de redenering aan te houden die ik hiervoor in overweging heb gegeven en rekening te houden met de werkelijke woonplaats van het kind van de migrerende werknemer op het moment waarop het besluit, in het buitenland te gaan studeren, en niet met een min of meer fictieve woonplaats in het gastland tijdens de studie .
27 . Ik wil nog een laatste opmerking maken over het woonplaatsvereiste van artikel 12 . Mijns inziens hebben de Duitse en de Nederlandse regeringen dit vereiste in een verkeerde context geplaatst . De voornaamste doelstelling van het woonplaatsvereiste is, tegen te gaan dat op de in artikel 12 voorziene gelijke behandeling een beroep wordt gedaan door kinderen die nooit bij de migrerende werknemer op het grondgebied van het gastland hebben gewoond . Dit heeft niets uitstaande met het geval waarin een student die zich integreert in het sociale leven van de Lid-Staat waarin een van de ouders is komen werken, bij de toekenning van steun voor een opleiding in het buitenland minder gunstig wordt behandeld dan een student die onderdaan is van die Lid-Staat .
28 . Daarmee kom ik tot de conclusie, dat artikel 12 van de aldaar voorziene gelijke behandeling noch opleidingen buiten het gastland als zodanig uitsluit noch de feitelijke situatie waarin het kind dat land heeft verlaten om in het buitenland te gaan studeren .
29 . Moet evenwel worden aangenomen, dat artikel 12 niet geldt indien het kind van een migrerend werknemer gaat studeren in het land waarvan het de nationaliteit bezit? De vraag van de verwijzende rechter heeft uitdrukkelijk betrekking op een dergelijke situatie . Sinds 1 juli 1988 sluit het BAfoeG namelijk alleen studenten die vertrekken naar het land waarvan zij onderdaan zijn van steun bij opleiding in het buitenland uit . Dienaangaande wijs ik erop, dat het in de nationale wet aangebrachte onderscheid formeel ontbreekt in artikel 12, in de betekenis die ik daaraan heb toegekend met het oog op een eventuele territoriale beperking en het woonplaatsvereiste . Zoals gezegd, bevat dit artikel geen uitsluiting voor studie buiten het gastland noch voor studenten die voor studiedoeleinden in het buitenland gaan wonen . Zij geeft geen bijzondere regeling voor opleidingen die plaatsvinden in de Lid-Staat waarvan de student de nationaliteit bezit .
30 . Het in de vraag van de verwijzende rechter bedoelde onderscheid is derhalve niet terug te vinden in de formulering van artikel 12 en vindt evenmin steun in de in deze bepaling gebruikte begrippen . Dit zou moeten volstaan om het te verwerpen . Het gaat hier immers om een bepaling die is opgenomen in een verordening, die "verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke Lid-Staat" ( 17 ), zodat toepassing van het traditionele spreekwoord "geen onderscheid waar de wet niet onderscheidt" stellig gerechtvaardigd is .
31 . Ik wil hier echter aan toevoegen, dat ik invoering van dat onderscheid niet eens doelmatig acht . Zoals gezegd, kan geenszins in het algemeen worden gesteld dat de student die twintig jaar bij zijn ouders heeft gewoond in een Lid-Staat waarvan hij geen onderdaan is en die zijn gastland en zijn familie verlaat om in een ander land te gaan studeren, geen moeilijkheden zal ondervinden die op zijn minst ten dele vergelijkbaar zijn met die van een student die onderdaan is van het gastland, ook al gaat hij studeren in het land waarvan hij onderdaan is . De Duitse en de Nederlandse regering zijn uitgegaan van de abstracte figuur van een student die naar zijn vaderland terugkeert en in de maatschappij en de cultuur van dat land leeft als een vis in het water . Er zijn ook zeer concrete situaties van kinderen die geboren zijn in een ander land dan het land waarvan zij onderdaan zijn of daar zeer vroeg zijn komen wonen, er hun hele schooltijd hebben doorgebracht, bevriend zijn geraakt met eigen onderdanen en alleen voor vakanties van kortere of langere duur naar hun land van herkomst zijn teruggekeerd .
32 . Men hoort vaak zeggen dat de "immigranten van de tweede generatie" noch helemaal tot de gemeenschap van het gastland, noch tot die van het land van oorsprong behoren . Bij verplaatsingen van de ene naar de andere Lid-Staat van de EEG is dat gevoel wellicht minder sterk dan wanneer het om twee verschillende continenten gaat . Ik kan mij echter niet accoord verklaren met het enigszins idyllische beeld dat de twee genoemde regeringen hebben geschetst . Wanneer het kind van een migrerend werknemer vertrekt naar het land waarvan het onderdaan is om daar te gaan studeren, is een zekere ontworteling niet in alle gevallen uitgesloten . Het betekent evenmin noodzakelijkerwijs, dat zo een kind in alle opzichten in een vertrouwd milieu terecht komt . Het lijkt mij dan ook niet juist om in artikel 12 een uitzondering op te nemen ten nadele van kinderen die gaan studeren in het land waarvan zij onderdaan zijn . Gelet op de grote verscheidenheid aan concrete situaties in verband met de meer of minder grote moeilijkheden die het kind van een migrerend werknemer ondervindt wanneer het gaat studeren in het land waarvan het onderdaan is, geloof ik niet dat het hierbedoelde onderscheid op zijn plaats is in een bepaling waarin het - nogmaals - letterlijk ontbreekt .
33 . Hieraan kan nog worden toegevoegd, dat het gaan studeren in het land waarvan het kind onderdaan is, maar waarin het nooit of maar korte tijd heeft gewoond, geenszins het vooruitzicht van intellectuele verrijking uitsluit, wat - aldus de Bondsrepubliek Duitsland - het doel is van een nationale regeling inzake steun bij opleiding in het buitenland, zoals het BAfoeG . Voor het overige zij opgemerkt, dat de steun die onderdanen van de Bondsrepubliek Duitsland krijgen voor een medicijnenstudie in het buitenland, waarvoor toelating in het binnenland wegens een numerus clausus heel moeilijk dan wel uitgesloten is, aan een doel beantwoordt dat niet alleen de culturele verrijking omvat .
34 . Voorts betekent het vertrek om te gaan studeren in het land waarvan men onderdaan is, niet noodzakelijkerwijs dat men zich later ook in dat land zal vestigen . Het is niet in het minst uitgesloten, dat men voor zijn werk terugkeert naar het gastland, waar men zijn jeugd heeft doorgebracht met zijn familie, die daar wellicht nog steeds woont . In zoverre kan de steun die het gastland toekent voor een opleiding in het buitenland, ook in het land waarvan de student onderdaan is, een belangrijke factor blijken te zijn bij de integratie in het gastland .
35 . Voor zover er gevaar bestaat voor cumulatie van uitkeringen ten gunste van een student die zowel steun ontvangt van het gastland als van het land waarvan hij onderdaan is en waar hij studeert, kan worden opgemerkt dat verordening nr . 1612/68 geenszins belet, dat de nationale wettelijke regelingen voor het ontstaan van het recht op steun of de berekening daarvan rekening houden met een gelijksoortige uitkering die door een andere Lid-Staat wordt betaald . Dit blijkt trouwens uit sommige voorschriften van het BAfoeG . Uiteraard zullen de nationale wettelijke regelingen in zoverre gelijkelijk moeten gelden voor eigen onderdanen en kinderen van op nationaal grondgebied gevestigde migrerende werknemers . Het is een Lid-Staat niet toegestaan, rekening te houden met steun die in het buitenland wordt betaald aan het kind van een migrerend werknemer, dat zijn familie heeft verlaten om te gaan studeren, en geen rekening te houden met overeenkomstige steun die wordt toegekend aan eigen onderdanen die eveneens in het buitenland studeren . Ten slotte kan het enkele gevaar van individueel misbruik van nationale anti-cumulatiebepalingen, waarvoor de Lid-Staten eventueel in sancties kunnen voorzien, niet leiden tot een restrictieve uitlegging van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 .
36 . Ik meen dan ook, dat de opleiding die een student volgt in het land waarvan hij onderdaan is, niet van het toepasssingsgebied van dat artikel is uitgesloten .
37 . Alvorens deze conclusie te beëindigen, lijkt het mij nuttig te wijzen op bepaalde aspecten van een engere uitlegging van artikel 12 .
38 . In de eerste plaats zou een enge opvatting van het begrip grondgebied of van het woonplaatsvereiste leiden tot ongelijke behandeling, die zeer veel weg zou hebben van discriminatie op grond van nationaliteit . De student die onderdaan is van het gastland, zou eveneens buiten dat land wonen om in het buitenland te studeren, maar - in tegenstelling tot het kind van de in het gastland wonende werknemer - zijn recht op steun daardoor niet verliezen . Een dergelijke discriminatie lijkt mij onaanvaardbaar, te meer daar zij rechtstreeks zou indruisen tegen de integratiedoelstelling .
39 . In de tweede plaats zou de door de Duitse en de Nederlandse regering voorgestane uitlegging ertoe leiden, dat het Hof afwijkt van het in de zaak Echternach gehuldigde standpunt aangaande het verband tussen de draagwijdte van artikel 7, lid 2, respectievelijk artikel 12 van verordening nr . 1612/68 . Wanneer het Hof artikel 12, anders dan artikel 7, lid 2, aldus zou uitleggen dat een sociaal voordeel op het gebied van steun bij opleiding, dat een Lid-Staat verschuldigd is aan een op zijn grondgebied wonende migrerende werknemer, ook al gaat het om een opleiding in een andere Lid-Staat, niet verschuldigd is aan de zoon of de dochter van die werknemer omdat het gaat om een opleiding in een andere Lid-Staat, zou het stellig afstand nemen van de idee die het voor ogen had toen het uitspraak deed in de zaak Echternach . Dat het Hof voor de uitlegging van artikel 12 aansluiting zoekt bij artikel 7, lid 2, komt volgens mij zeer duidelijk tot uitdrukking in punt 5 van het dictum van het arrest, dat ik reeds heb aangehaald . ( 18 ) De verwijzing immers naar het begrip sociale voordelen slaat kennelijk veeleer op artikel 7, lid 2, waar het uitdrukkelijk wordt genoemd, dan op artikel 12, waar het ontbreekt . Door beide voorschriften met elkaar in verband te brengen geraakt het Hof door een soort gecombineerde uitlegging tot een formulering van zijn antwoord op grond waarvan kan worden aangenomen, dat het kind van een migrerende werknemer recht heeft op steun van het gastland voor een opleiding in het buitenland, indien het gastland die steun ook toekent aan eigen onderdanen . Men kan de formulering van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 en het daarin neergelegde woonplaatsvereiste uiteraard niet buiten beschouwing laten, maar dit neemt niet weg dat de algemene en onvoorwaardelijke bewoordingen van het antwoord van het Hof, dat betrekking had op een vraag waarin het uitdrukkelijk ging om artikel 12, de aandacht verdienen . Ik zie niet in waarom het Hof thans niet dezelfde weg zou bewandelen en artikel 7, lid 2, en artikel 12 niet bij elkaar zou betrekken .
40 . Wegens deze vermelding van artikel 7, lid 2, wil ik voorts beklemtonen, dat Carmina di Leo blijkens de ter terechtzitting verstrekte gegevens ten laste van haar vader kwam toen zij besloot in Siena te gaan studeren, en dat haar vader op dit moment in ieder geval gedeeltelijk in haar onderhoud voorziet voor haar studie in Italië, door haar 800 DM per maand te betalen . Gelet op het arrest van het Hof van 18 juni 1987 ( Lebon ) ( 19 ) en voornoemd arrest Matteucci komt het mij voor, dat de steun bij opleiding in het buitenland als voorzien in het BAfoeG voor een migrerend werknemer een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, vormt, voor zover die werknemer het onderhoud blijft verzekeren van zijn kind dat buiten het gastland gaat studeren . In zoverre zou Di Leo derhalve, zo haar de rechtstreekse toepassing van het in artikel 12 neergelegde beginsel van gelijke behandeling op grond van een restrictieve uitlegging van dit artikel mocht worden geweigerd, indirect in aanmerking kunnen komen voor de in artikel 7, lid 2, ten gunste van haar vader voorziene gelijke behandeling . In antwoord op een bezwaar van de Duitse regering wil ik er overigens op wijzen, dat een steun of toelage een sociaal voordeel in de zin van artikel 7, lid 2, ten gunste van een migrerend werknemer kan vormen, ook indien volgens de nationale wettelijke regeling de kinderen en niet hun ouders rechthebbende zijn . Dit blijkt mijns inziens zeer duidelijk uit het arrest Lebon ( reeds aangehaald ).
41 . Ten slotte ben ik ervan overtuigd, dat het begrip integratie hier bepalend is . Een uitlegging van artikel 12 van verordening nr . 1612/68 die ertoe zou leiden, dat men het in overeenstemming acht met het doel van integratie in het gastland, wanneer de opleiding die het kind van een migrerende werknemer buiten het gastland gaat volgen, in feite ten laste komt van die werknemer, die met zijn gezin in het gastland woont, terwijl een dergelijke opleiding in aanmerking komt voor overheidssteun van het gastland indien de student onderdaan van het land is, zou getuigen van een zeer enge opvatting van dat begrip integratie . Het Hof zal aan artikel 12 dan ook een uitlegging moeten geven die uitdrukking geeft aan de volle omvang van het doel van integratie van de migrerende werknemer en zijn gezin en die de omweg langs artikel 7, lid 2, overbodig maakt . Is de diepere logica van verordening nr . 1612/68 trouwens niet die van een eenvormig begrip integratie in het sociale leven van het gastland, waarvan de inhoud niet per artikel kan verschillen al naar gelang het gaat om de werknemer of om het kind dat met hem is geëmigreerd?
42 . Ik geef het Hof dan ook in overweging, voor recht te verklaren :
"Artikel 12 van verordening ( EEG ) nr . 1612/68 moet aldus worden uitgelegd, dat de door een Lid-Staat voor een opleiding in het buitenland toegekende steun moet worden beschouwd als een sociaal voordeel waarop de kinderen van communautaire werknemers recht hebben onder dezelfde voorwaarden als nationale onderdanen, waarbij geen uitzondering moet worden gemaakt voor het geval waarin een kind gaat studeren in het land waarvan het onderdaan is ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1968, L 257, blz . 2 .
( 2 ) Artikel 8, lid 1, sub 5, BAfoeG .
( 3 ) Artikel 5, lid 2, tweede alinea, BAfoeG .
( 4 ) Volgens een ter terechtzitting door de gemachtigde van de Duitse regering genoemde nog recentere wijziging van het BAfoeG wordt de steun bij opleiding in het buitenland in de toekomst beperkt tot een jaar .
( 5 ) Gevoegde zaken 389/89 en 390/87 ( Jurispr . 1989, blz . 723, r.o . 33 ).
( 6 ) Gevoegde zaken 389/87 en 390/87 ( reeds aangehaald, r.o . 36 ).
( 7 ) Gevoegde zaken 389/87 en 390/87 ( reeds aangehaald, r.o . 20 ).
( 8 ) Rechtsoverweging 35 .
( 9 ) Zaak 235/87 ( Jurispr . 1988, blz . 5589 ).
( 10 ) Rechtsoverweging 16 .
( 11 ) Jurispr . 1988, blz . 5603 .
( 12 ) Gevoegde zaken 389/87 en 390/87 ( reeds aangehaald, r.o . 34 ).
( 13 ) Zaak 235/87 ( reeds aangehaald, Jurispr . 1988, blz . 5603 ).
( 14 ) Arrest van 12 juli 1973 ( zaak 13/73, Angenieux, Jurispr . 1973, blz . 935, r.o . 23-32 en punt 3 van het dictum ).
( 15 ) Richtlijn betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap ( PB 1983, L 105, blz . 59 ).
( 16 ) Arrest van 13 november 1986 ( zaak 330/85, Richter, Jurispr . 1986, blz . 3439 ).
( 17 ) Artikel 189, tweede alinea, EEG-Verdrag .
( 18 ) Zie punt 5 van deze conclusie .
( 19 ) Zaak 316/85 ( Jurispr . 1987, blz . 2811 ).
Top