Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 14 november 1990. - SAFA SRL TEGEN AMMINISTRAZIONE DELLE FINANZE DELLO STATO. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNALE CIVILE E PENALE DI GENOVA - ITALIE. - GEMEENSCHAPPELIJKE ORDENING DER MARKTEN IN DE SECTOR OLIEN EN VETTEN - INVOERHEFFING. - ZAAK C-359/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01677
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Tribunale civile te Genua heeft twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging en de geldigheid van artikel 16 van verordening ( EEG ) nr . 1562/78 van de Raad ( 1 ), of beter gezegd van verordening nr . 136/66/EEG van de Raad ( 2 ), zoals deze bij eerstgenoemde verordening is gewijzigd . Dit artikel betreft de vaststelling, voor de jaren 1979 en 1980, van het bedrag van de heffingen bij invoer van olijfolie uit Griekenland bij openbare inschrijving .
2 . De feiten liggen heel eenvoudig . Op 18 december 1981 daagde de Società agricola fattoria alimentare ( hierna : verzoekster ) het Italiaanse Ministerie van Financiën voor de verwijzende rechter om terugbetaling te verkrijgen van de in 1979 en 1980 ter zake van de invoer van niet-behandelde olijfolie uit Griekenland betaalde heffingen bij invoer . Ten overstaan van de verwijzende rechter stelde verzoekster onder meer, dat het bedrag van de heffingen bij invoer alleen in bijzondere gevallen bij openbare inschrijving kon worden vastgesteld, omdat anders de in de communautaire rechtsorde erkende fundamentele rechten zouden worden geschonden . Het Tribunale civile te Genua heeft daarop twee prejudiciële vragen gesteld .
3 . De eerste vraag heeft betrekking op de uitlegging van artikel 16 van verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd . Zoals de Commissie terecht aangeeft in haar schriftelijke opmerkingen, heeft deze verordening betrekking op de invoer van olijfolie uit derde landen in het algemeen, en niet uit Griekenland in het bijzonder . De invoer uit Griekenland is geregeld in verordening ( EEG ) nr . 2749/78 van de Raad van 23 november 1978 betreffende het handelsverkeer in oliën en vetten tussen de Gemeenschap en Griekenland . ( 3 ) Niettemin zijn de bepalingen van artikel 5 van verordening nr . 2749/78 volledig gelijk aan die van voornoemd artikel 16, behalve dat in de ene verordening wordt verwezen naar de "wereldmarkt" en in de andere naar de "Griekse markt ". Welke van de twee verordeningen van toepassing is wordt geregeld in artikel 10 van verordening nr . 2749/78, volgens hetwelk "de artikelen 14, 15, 16, 17 en 20 ter van de basisverordening van toepassing zijn, wanneer de in de Gemeenschap ingevoerde produkten niet geheel en al in Griekenland zijn voortgebracht of niet rechtstreeks van dit land naar de Gemeenschap zijn vervoerd ". ( 4 )
4 . Het is niet de taak van het Hof om te bepalen, welke verordening van toepassing is op de feitelijke omstandigheden van de zaak die aan de verwijzende rechter is voorgelegd . Zoals bekend is het vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van prejudiciële verwijzingen, dat
"de vraag, of de bepalingen of begrippen van gemeenschapsrecht waarvan interpretatie wordt gevraagd, inderdaad op het te berechten geval van toepassing zijn, buiten de bevoegdheid van het Hof valt, en tot die van de nationale rechter behoort ". ( 5 )
Ik kan er hier hooguit op wijzen, dat de uitlegging van artikel 16 van verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd, ook geldt voor artikel 5 van verordening nr . 2749/78, aangezien beide artikelen soortgelijke bepalingen bevatten .
5 . Nu ter zake van de vraag zelf . Onder de regeling van de heffingen bij de invoer van olijfolie stelt de Raad jaarlijks vóór 1 oktober een representatieve marktprijs en een drempelprijs vast voor het volgende verkoopseizoen . ( 6 ) Bij invoer uit derde landen van niet-behandelde olijfolie wordt, indien de drempelprijs hoger is dan de cif-prijs ( kosten, verzekeringen, vracht ), een heffing toegepast die gelijk is aan het verschil tussen deze twee prijzen . ( 7 ) De cif-prijs wordt vastgesteld aan de hand van de gunstigste aankoopmogelijkheden op de wereldmarkt . In artikel 16, lid 1, wordt evenwel bepaald dat, "wanneer het niet mogelijk is de feitelijke tendens op de wereldmarkt voor niet-behandelde olijfolie vast te stellen aan de hand van de aanbiedingen op deze markt (...) de heffing bij invoer (...) bij openbare inschrijving ( wordt ) vastgesteld ". Daartoe stelt "de Commissie (...) periodiek een minimumheffing vast; zij houdt daarbij onder andere rekening met de door de inschrijvers aangegeven heffingen . Aan elke inschrijver die een heffing heeft aangegeven die gelijk is aan of hoger is dan de minimumheffing, wordt toegewezen en hij wordt verplicht de in de aanvraag vermelde hoeveelheid tegen de door hem aangegeven heffing in te voeren ". ( 8 ) Volledigheidshalve wijs ik er ten slotte op, dat "de regeling inzake de vaststelling van de heffing bij openbare inschrijving (...) niet geldt voor invoer van hoeveelheden die geen invloed hebben op de marktsituatie . In dit geval geldt de laatste vóór de invoer vastgestelde minimumheffing ". ( 9 )
6 . Bij lezing van deze bepalingen blijkt dat, behalve in het bijzondere geval van invoer van een geringe hoeveelheid, die geen invloed heeft op de marktsituatie, de heffing kan worden vastgesteld bij openbare inschrijving wanneer - dat wil zeggen mijns inziens zolang - het niet mogelijk is, de feitelijke tendens op de wereldmarkt vast te stellen aan de hand van de aanbiedingen op deze markt .
7 . De Commissie heeft er in haar schriftelijke opmerkingen op gewezen, dat er in 1979 en 1980 geen notering op de wereldmarkt voor niet-behandelde olijfolie bestond, een situatie die tot op heden ongewijzigd is . Marokko en Turkije hadden zich geleidelijk van de exportmarkt teruggetrokken; andere staten verkochten liever geraffineerde olie; de Tunesische uitvoer was in handen van een overheidsorgaan; in Spanje en Griekenland ten slotte, landen die nog geen Lid-Staten van de Gemeenschap waren, waren de marktdeelnemers gering in aantal en maakten onderlinge afspraken .
8 . Nu de structuur van deze markt al enige jaren ongewijzigd is, verzet de letter van artikel 16 van de gewijzigde verordening nr . 136/66 zich er absoluut niet tegen om gedurende deze hele periode de heffing bij openbare inschrijving vast te stellen . Ik geef het Hof in overweging, de eerste vraag in die zin te beantwoorden .
9 . Ik kom nu tot de tweede vraag, die betrekking heeft op de geldigheid van artikel 16 . Verzoekster stelt, dat dit artikel in strijd is met de door de communautaire rechtsorde gewaarborgde fundamentele rechten . Daar verzoekster geen schriftelijke opmerkingen heeft ingediend, moet worden gekeken naar de motivering van de verwijzingsbeschikking en naar de ter terechtzitting afgelegde verklaringen . Verzoekster lijkt in hoofdzaak twee middelen aan te voeren, te weten een te ruime discretionaire bevoegdheid van de Commissie en schending van het non-discriminatiebeginsel .
10 . Gelet op de rechtspraak ( 10 ) van het Hof inzake de uitvoerende bevoegdheid van de Commissie op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, is het eerste middel mijns inziens irrelevant . In het arrest van 11 maart 1987, Rau/Commissie, overwoog het Hof dat "aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en oplettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, (...) de Raad genoopt ( kan ) zijn, de Commissie op dit gebied een ruime beoordelings - en handelingsbevoegdheid te laten . De grenzen van die bevoegdheid moeten dan met name worden bepaald aan de hand van de algemene hoofddoelen van de marktordening ". ( 11 )
11 . Volgens de negende overweging van de basisverordening dient, "ten einde de markt van de Gemeenschap op het gewenste niveau te stabiliseren, met name door te voorkomen dat de schommelingen op de wereldmarkt de binnen de Gemeenschap toegepaste prijzen beïnvloeden, (...) te worden voorzien in een heffing op de ingevoerde produkten, waarvan het bedrag gelijk is aan het verschil tussen een van de marktrichtprijs afgeleide drempelprijs en op de wereldmarkt toegepaste prijzen ".
12 . De beoordelingsbevoegdheid van de Commissie moet derhalve worden onderzocht aan de hand van het algemene hoofddoel, de stabiliteit van de markt van de Gemeenschap . Voor zover wegens de structuur van de wereldmarkt voor niet-behandelde olijfolie geen marktprijs kan worden vastgesteld, wordt alleen door de methode waarbij het bedrag van de heffing bij invoer bij openbare inschrijving wordt vastgesteld, de stabiliteit van de gemeenschappelijke markt verzekerd .
13 . Zoals gezegd, berust het tweede middel op schending van de fundamentele rechten en meer in het bijzonder van het non-discriminatiebeginsel . Uit de verwijzingsbeschikking is moeilijk op te maken, hoe de inschrijvingsprocedure de gelijke behandeling van de marktdeelnemers zou kunnen doorbreken . Nu de situatie op de wereldmarkt voor olijfolie wordt gekenmerkt door het ontbreken van een marktprijs, heeft iedere marktdeelnemer olijfolie tegen zeer uiteenlopende prijzen kunnen kopen en bijgevolg verschillende heffingen kunnen voorstellen, rekening houdend met de rentabiliteit van de transactie . Door een minimumheffing vast te stellen verzekert de Commissie, dat de prijzen bij invoer op een zeker niveau worden gehandhaafd, zodat de gemeenschappelijke markt niet wordt verstoord . De marktdeelnemers wier vastgestelde heffingen hoger zijn dan of gelijk aan dat minimum, kunnen zonder meer dezelfde winst behalen uit importen waarbij de bedragen van de heffingen verschillen . Het onderhavige middel kan derhalve niet slagen .
14 . Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van verzoekster opgemerkt, dat de Commissie een discretionair gebruik kan maken van een bevoegdheid die op zich al discretionair was, op grond dat deze instelling elke invoer van niet-behandelde olijfolie uit Griekenland zou kunnen belemmeren door de minimumheffing op een buitengewoon hoog bedrag vast te stellen .
15 . Op dit punt kan worden volstaan met de constatering, dat de verwijzende rechter het Hof heeft gevraagd om een uitspraak over de geldigheid van artikel 16 van verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd, voor zover daarin aan de Commissie bepaalde bevoegdheden worden toegekend, en niet over enig besluit ter uitvoering van die bepaling, wegens de eventueel aanvechtbare manier waarop deze zou zijn toegepast . Hier behoeft derhalve niet te worden onderzocht - en de verwijzende rechter heeft hierover ook geen vraag gesteld - of er in casu wellicht sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling, misbruik van bevoegdheid of klaarblijkelijke overschrijding van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid ( 12 ) door de Commissie bij de tenuitvoerlegging van de in het geding zijnde bepaling .
16 . Concluderend geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren :
"1 ) Artikel 16 van verordening nr . 136/66/EEG van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1562/78 van de Raad van 29 juni 1978, moet aldus worden uitgelegd, dat het de Commissie was toegestaan, het bedrag van de heffing bij invoer van niet-behandelde olijfolie voor de jaren 1979 en 1980 bij openbare inschrijving vast te stellen .
2 ) Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 16 van genoemde verordening kunnen aantasten ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening van 29 juni 1978 tot wijziging van verordening nr . 136/66/EEG houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( PB 1978, L 185, blz.1 ).
( 2 ) Verordening van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( PB 1966, blz . 3025 ).
( 3 ) PB 1978, L 331, blz . 1 .
( 4 ) Met "basisverordening" wordt bedoeld verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd .
( 5 ) Arrest van 9 juli 1969 ( zaak 10/69, Portelange, Jurispr . 1969, blz . 309, r.o . 6 ); zie ook het arrest van 19 december 1968 ( zaak 13/68, Salgoil, Jurispr . 1968, blz . 632 ); arrest van 7 mei 1969 ( zaak 28/68, Torrekens, Jurispr . 1969, blz . 125, r.o . 7 en 8 ); arrest van 15 december 1976 ( zaak 35/76, Simmenthal, Jurispr . 1976, blz . 1871, r.o . 8 ); arrest van 5 oktober 1977 ( zaak 5/77, Tedeschi, Jurispr . 1977, blz . 1555, r.o . 19 ).
( 6 ) Artikel 4, lid 1, van verordening nr . 1562/78 .
( 7 ) Artikel 14, lid 1, van verordening nr . 1562/78 .
( 8 ) Artikel 16, lid 2, van verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd .
( 9 ) Artikel 16, lid 3, van verordening nr . 136/66, zoals gewijzigd .
( 10 ) Arrest van 30 oktober 1975, ( zaak 23/75, Rey Soda, Jurispr . 1975, blz . 1279, r.o . 11; arrest van 11 maart 1987, gevoegde zaken 279/84, 280/84, 285/84 en 286/84, Rau/Commissie, Jurispr . 1987, blz . 1069, r.o . 14; arrest van 10 februari 1990, zaak C-350/88, Société française des Biscuits Delacre en andere/Commissie, Jurispr . 1990, blz . I-395, r.o . 2 ).
( 11 ) Gevoegde zaken 279/84, 280/84, 285/84 en 286/84, reeds aangehaald, r.o . 14 .
( 12 ) Arrest van 20 oktober 1977, zaak 29/77, Roquette, Jurispr . 1977, blz . 1835, r.o . 20; arrest van 25 mei 1978, zaak 136/77, Racke, Jurispr . 1978, blz . 1245, r.o . 4 .
Top