Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 14 november 1990. - M. E. VAN DER LAAN-VELZEBOER EN P. C. L. VAN DER LAAN TEGEN MINISTER VAN LANDBOUW EN VISSERIJ. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN - NEDERLAND. - EXTRA HEFFING OP MELK. - ZAAK C-285/89.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-04727
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij het Hof zijn in het verleden al vele beroepen ingesteld in verband met de gemeenschapsregeling inzake melkquota; vaak ging het daarbij om de vaststelling van het referentiejaar en om de afwijkingen van die regeling ten gunste van de producenten . Ook in de onderhavige prejudiciële zaak is een dergelijk probleem aan de orde .
2 . Van de jaren 1981-1983 heeft de Nederlandse overheid 1983 als referentiejaar gekozen; verzoekers in het hoofdgeding willen dat voor hen wordt uitgegaan van het jaar 1982, zulks op grond van artikel 3 van verordening nr . 1371/84 ( 1 ), thans verordening nr . 1546/88, waarvan het Hof in deze zaak uitlegging wordt verzocht . Deze bepaling biedt de producent de mogelijkheid, binnen de periode 1981-1983 een ander referentiejaar te kiezen wanneer "onteigening ( heeft plaatsgevonden ) van een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf van de producent, waardoor het groenvoederareaal van het bedrijf tijdelijk is verkleind ."
3 . Verzoekers in het hoofdgeding exploiteren een areaal van ongeveer 19 ha en hebben de NV Nederlandse Gasunie tegen schadevergoeding toegestaan, op en in de tot hun bedrijf behorende cultuurgronden een gastransportleiding aan te leggen, te gebruiken en in stand te houden . Van april 1983 tot oktober 1984 gebruikte de NV Nederlandse Gasunie daarvan ongeveer 7 ha .
4 . Bij koninklijk besluit van 1963 werd concessie verleend voor de aanleg en instandhouding van de betrokken gastransportleiding, waarvan het openbaar belang werd erkend bij koninklijk besluit van 1964 op grond van de Belemmeringenwet Privaatrecht . Blijkens het dossier legt deze wetgeving de eigenaar de verplichting op, tegen schadevergoeding de uitvoering van bepaalde werken op een onroerend goed te gedogen . Volgens artikel 2 van die wet kan het opleggen van een gedoogplicht worden voorkomen door het sluiten van een overeenkomst met betrekking tot het onroerend goed . Blijkbaar hebben de concessiehouder en verzoekers een dergelijke overeenkomst gesloten .
5 . Volgens de Nederlandse overheid komen verzoekers in het hoofdgeding niet in aanmerking voor toepassing van artikel 3 van verordening nr . 1371/84, omdat het gebruik van weidegrond voor de aanleg van een gastransportleiding niet kan worden beschouwd als onteigening van een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf van de producent, in de zin van voormelde bepaling .
6 . De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen, of artikel 3 van verordening nr . 1371/84 van toepassing is op het geval waarin de eigenaar van de grond en de uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst als bedoeld in artikel 2 van de Belemmeringenwet Privaatrecht hebben gesloten, waardoor de producent een aanzienlijk deel van de oppervlakte landbouwgrond van zijn bedrijf tijdelijk niet kan gebruiken en het groenvoederareaal van zijn bedrijf tijdelijk is verkleind, welke situatie ook door het opleggen van een gedoogplicht teweeg zou zijn gebracht .
7 . Met de Commissie ben ik van mening, dat deze vraag twee problemen doet rijzen .
8 . Het eerste probleem is, of het begrip onteigening aldus moet worden geïnterpreteerd, dat daaronder ook valt de oplegging van een gedoogplicht in de zin van de Nederlandse wettelijke regeling .
9 . De in geding zijnde bepaling is bedoeld om de producent te beschermen tegen een buitengewone gebeurtenis in de vorm van een ingreep van de overheid in het eigendomsrecht . Verliest de eigenaar door toedoen van de overheid de mogelijkheid om een deel van zijn groenvoederareaal te gebruiken, dan moet hem de mogelijkheid worden geboden een ander referentiejaar te kiezen dan dat tijdens hetwelk de onteigening plaats heeft gehad .
10 . Wat dit betreft, is er geen enkele grond om onderscheid te maken tussen onteigening stricto sensu en de in de Nederlandse wetgeving voorziene - eventueel tijdelijke - gedoogplicht . In beide gevallen zijn de gevolgen voor de producent dezelfde : op de grond waarop de overheid beslag heeft gelegd, kan hij geen groenvoeder produceren .
11 . Wanneer overigens, zoals de Commissie opmerkt, de mogelijkheid om van een ander referentiejaar uit te gaan, werd beperkt tot de gevallen van onteigening stricto sensu, zou dat neerkomen op discriminatie van de producenten wier eigendomsrecht anderszins is beperkt, terwijl het toch duidelijk is dat de eigenaars in de twee gevallen tijdens het betrokken jaar in dezelfde situatie verkeren .
12 . Het argument van de Nederlandse regering ten slotte, dat de producent recht heeft op een schadevergoeding waarmee hij zijn produktie op peil kan houden, en er dus geen reden is om hem een ander referentiejaar te laten kiezen, is ongegrond . Dienaangaande kan worden volstaan met vast te stellen, dat alle nationale onteigeningsregelingen het principe van schadevergoeding kennen . Dat voor de gedoogplicht schadevergoeding wordt betaald, is dus geen reden om de producent niet voor toepassing van de keuzeregeling in aanmerking te laten komen, want de in de litigieuze bepaling bedoelde onteigening stricto sensu onderstelt juist ook schadevergoeding .
13 . Het tweede probleem betreft de vraag of de hier besproken regeling van toepassing is op het geval waarin het gebruik van de grond in een overeenkomst tussen de concessiehouder en de eigenaar is geregeld om te voorkomen dat de overheid een regeling oplegt .
14 . Ik ben ervan overtuigd, dat het antwoord hierop bevestigend moet luiden . De overdracht van het gebruiksrecht van de grond is in beginsel het gevolg van een eenzijdige, aan de particulier opgelegde beslissing van de overheid, waarmee diens rechten in het openbaar belang worden ingeperkt . Deze beperking van zijn eigendomsrecht is in oorsprong dus volledig onafhankelijk van zijn wil en kan hem, wanneer hij geen overeenkomst sluit, eenvoudig worden opgelegd . Of hij nu later met de concessiehouder een overeenkomst sluit over de modaliteiten van die overdracht dan wel of de overheid die modaliteiten eenzijdig bepaalt, het lijdt geen twijfel, dat de last die op het betrokken goed rust, in principe het resultaat is van een eenzijdige overheidshandeling . Dit belet de overeenkomst tussen eigenaar en concessiehouder als een gewone privaatrechtelijke overeenkomst te beschouwen en voorbij te gaan aan de omstandigheid, dat de overheid de modaliteiten steeds bij eenzijdige maatregel kan regelen .
15 . Zou men dit niet als onteigening in de zin van de gemeenschapsregeling willen beschouwen, dan zou dat bovendien leiden tot een ongerechtvaardigde bestraffing van de eigenaar die zijn rechten tegenover de hem opgedrongen "medecontractant" wenst te verdedigen door liever met deze in onderhandeling te treden dan te wachten tot de overheid hem de modaliteiten van de overdracht oplegt .
16 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren :
"Wanneer de eigenaar met de uitvoerder van een openbaar werk een overeenkomst sluit om te voorkomen dat hem eenzijdig de verplichting wordt opgelegd, de uitvoering van openbare werken op het betrokken terrein te gedogen, en deze overeenkomst betrekking heeft op een aanzienlijk deel van de oppervlakte cultuurgrond van de betrokken producent waardoor het groenvoederareaal van diens bedrijf tijdelijk is verkleind, is deze situatie te beschouwen als een onteigening in de zin van artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 (( ingetrokken en vervangen door verordening ( EEG ) nr . 1546/88 van de Commissie van 3 juni 1988 ))."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Ingetrokken en vervangen door verordening ( EEG ) nr . 1546/88 van 3 juni 1988 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 ingestelde extra heffing ( PB 1988, L 139, blz . 12 ).
Top