Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 27 november 1990. - RIGSADVOKATEN TEGEN NICOLAI CHRISTIAN RYBORG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: HOEJESTERET - DENEMARKEN. - RICHTLIJN 83/182 - TIJDELIJKE INVOER VAN MOTORRIJTUIG VOOR PRIVE GEBRUIK - GEWONE VERBLIJFPLAATS - VERPLICHTING TOT SAMENWERKING TUSSEN LID-STATEN. - ZAAK C-297/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01943
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De door het Deense Hoejesteret gestelde prejudiciële vragen hebben betrekking op de uitlegging van de artikelen 7, lid 1, en 10, lid 2, van richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen . ( 1 )
2 . Laat ik om te beginnen een korte samenvatting geven van de feiten van de zaak, waarvan de reconstructie alleen al van bijzonder belang is om te bepalen welke wettelijke regeling van toepassing is .
Ryborg, van Deense nationaliteit, staat in het hoofdgeding terecht ter zake van frauduleuze invoer in Denemarken van een in Duitsland - waar hij sinds 1973 woonachtig is - geregistreerde auto .
Vaststaat dat hij sinds 1973 in het Duitse Flensburg woont, waarheen hij was geëmigreerd nadat hij er werk en huisvesting had gevonden . In de daaropvolgende jaren begaf hij zich dikwijls naar Denemarken in een auto met een Duits kenteken, maar zolang hij zijn woonplaats niet naar Denemarken overbracht, bracht dat voor hem niet de verplichting mee, zijn auto in Denemarken te laten registreren, zoals de Deense autoriteiten hem bij schrijven van 6 april 1982 zelf meedeelden .
Op 17 januari 1984 werd Ryborgs nieuwe auto in beslag genomen . Als reden daarvan werd opgegeven, dat hij de auto op onwettige wijze - dat wil zeggen zonder douaneaangifte en zonder hem in Denemarken te laten registreren - in Denemarken had ingevoerd, en dat hij hem in de periode van 12 november 1982 tot 17 januari 1984 op Deens grondgebied had gebruikt zonder de in verband daarmee verschuldigde belastingen te betalen .
Twee gebeurtenissen, die plaatsvonden in de periode tussen april en november 1982, deden de houding van de Deense autoriteiten jegens Ryborg omslaan : in oktober 1982 kocht hij een nieuwe auto ( waarmee hij op 12 november 1982 voor het eerst de grens overging ) en hij raakte bevriend met een in Denemarken woonachtige Deense, een vriendschap die zo hecht werd, dat Ryborg steeds vaker de nachten en de weekends bij zijn vriendin doorbracht ( en de grens evenzovele keren overschreed ). Naar Ryborg zelf heeft verklaard, begon die vriendschap in het najaar van 1981 en bracht hij van toen af aan geregeld de nacht in Denemarken door . Verder heeft hij toegegeven, vanaf juli-augustus 1982 bijna alle nachten en de meeste weekends bij zijn vriendin te hebben doorgebracht .
Al met al werden de aanschaf van een nieuwe auto en de steeds veelvuldiger bezoeken aan zijn vriendin Ryborg fataal, aangezien de Deense autoriteiten hieraan de - door Ryborg weersproken - conclusie verbonden, dat hij zijn verblijfplaats naar Denemarken had overgebracht .
3 . In het kader van de aldaar aanhangige strafzaak heeft het Hoejesteret ( de rechterlijke instantie waarbij Ryborg in beroep is gegaan na de behandeling van zijn zaak door het Kriminalret Soenderborg en het Vestre Landsret ) het Hof drie prejudiciële vragen voorgelegd . De eerste vraag strekt ertoe te vernemen, in welk land een onderdaan van Lid-Staat B zijn gewone verblijfplaats in de zin van artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 83/182 heeft, wanneer hij heeft gemeld dat hij naar staat A is verhuisd, waar hij werk en huisvesting heeft gevonden, terwijl vaststaat dat hij meer dan een jaar lang bijna alle nachten en een groot aantal weekends bij een vriendin in staat B heeft doorgebracht . Deze eerste vraag is in de vorm van twee, enigszins van elkaar afwijkende alternatieven gesteld, ten einde rekening te houden met de omstandigheid, dat het Kriminalret Soenderborg en het Vestre Landsret niet van dezelfde feiten zijn uitgegaan . Het verschil in uitgangspunt betreft het precieze aantal nachten en weekends, dat Ryborg bij zijn vriendin heeft doorgebracht .
Met de tweede en de derde vraag wenst het Hoejesteret vervolgens van het Hof te vernemen, of artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182 de twee betrokken Lid-Staten onvoorwaardelijk verplicht, overleg te plegen in elk individueel geval waarin de richtlijn van toepassing is, en of die bepaling rechtstreekse werking heeft .
4 . Aan de vragen van de verwijzende rechter ligt uiteraard de veronderstelling ten grondslag, dat richtlijn 83/182 op de feiten van het hoofdgeding van toepassing is .
Toch wil ik om te beginnen even kort stilstaan bij het probleem van de werking in de tijd van de richtlijn, waarover vooral ter terechtzitting is gediscussieerd . Zoals ik al zei, speelden de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten zich af tussen 12 november 1982 en 17 januari 1984 . Richtlijn 83/182, die dateert van 28 maart 1983, moest uiterlijk op 1 januari 1984 in werking treden . De omzetting ervan in Deens recht vond plaats bij besluit van 30 januari 1984, in werking getreden op 1 februari daaraanvolgend .
Een en ander betekent in beginsel, dat de richtlijn in Denemarken van toepassing is sinds de datum van inwerkingtreding van het uitvoeringsbesluit, en dat de rechtstreeks werkende bepalingen ervan in elk geval sedert 1 januari 1984 van kracht zijn .
Ter terechtzitting heeft de Deense regering evenwel opgemerkt, dat ook de vóór de vaststelling van richtlijn 83/182 in Denemarken geldende wettelijke regeling al in overeenstemming was met die richtlijn, die dan ook al vanaf 28 maart 1983 in Denemarken van toepassing moest worden geacht .
De omstandigheid dat sommige van de Deense wettelijke bepalingen op het onder de richtlijn vallende gebied niet met de richtlijn onverenigbaar waren, lijkt mij echter niet relevant : er was immers hoe dan ook een nieuwe maatregel vereist om aan de uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen te voldoen . Voor zover het de in geding zijnde periode betreft, ben ik derhalve van mening, dat de rechtstreeks werkende bepalingen van de richtlijn pas sinds 1 januari 1984 van toepassing zijn, en de overige bepalingen sinds 1 februari van dat jaar .
Gelet op het voorgaande en gezien de bijzonderheden van het voor de nationale rechter opgeworpen probleem, mag er mijns inziens dan ook van worden uitgegaan, dat de nationale rechter van het Hof wil vernemen, of een onderdaan van Lid-Staat B, die woonachtig is in staat A, waar hij werk en huisvesting heeft, ingevolge de gemeenschapsregeling inzake de BTW verplicht is, zijn auto in staat B te laten registreren op grond dat hij vanaf een bepaald tijdstip meer dan een jaar lang bijna alle nachten en weekends bij een vriendin in staat B heeft doorgebracht .
5 . Na de eerste vraag van de verwijzende rechter aldus opnieuw te hebben geformuleerd, wil ik eraan herinneren, dat tot de inwerkingtreding van richtlijn 83/182 uitsluitend een beroep kon worden gedaan op de bepalingen van de Zesde BTW-richtlijn . ( 2 ) Volgens artikel 10, lid 3, van die richtlijn bestaat bij invoer het belastbare feit in de enkele binnenkomst van het goed in het binnenland . Dat strenge criterium wordt enigszins afgezwakt door artikel 14, lid 1, sub c, bepalende dat de Lid-Staten "onder de voorwaarden die zij vaststellen om (...) alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen", vrijstelling van BTW moeten verlenen voor de invoer van goederen die onder een douaneregeling voor tijdelijke invoer vallen . Artikel 14, lid 2, bepaalt, dat nadere communautaire regels zullen worden vastgesteld om de gevallen waarin vrijstelling wordt verleend, te harmoniseren en dat de Lid-Staten, tot deze regels in werking treden, hun nationale voorschriften blijven toepassen . Die voorschriften moeten, zoals het Hof heeft verklaard, "de grenzen getrokken door de gemeenschapsbepalingen waarvan zij de uitvoering verzekeren, in acht nemen ". ( 3 ) In dit verband heeft het Hof verder gepreciseerd, dat "de autoriteiten van de Lid-Staten geen volledige beoordelingsvrijheid hebben met betrekking tot de wijze waarop zij de in artikel 14 van de Zesde richtlijn voorziene vrijstellingen hanteren, aangezien zij rekening moeten houden met de fundamentele harmonisatie-inspanning op het gebied van de BTW, zoals met name het vrije verkeer van personen en goederen en het voorkomen van dubbele belastingheffing ". ( 4 )
Richtlijn 83/182 is een eerste stap op de weg naar harmonisatie van de bepalingen betreffende de tijdelijke invoer van vervoermiddelen en noemt een aantal gevallen waarin de Lid-Staten belastingvrijstelling moeten verlenen . Die vrijstelling kan enkel worden verleend, wanneer de importeur zijn gewone verblijfplaats in een andere Lid-Staat heeft dan waar de tijdelijke invoer plaatsvindt .
Artikel 7 bevat de algemene regels ter bepaling van de verblijfplaats . Volgens lid 1, eerste alinea, wordt onder gewone verblijfplaats verstaan "de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen", waarbij onder persoonlijke bindingen moeten worden verstaan bindingen "waaruit nauwe banden tussen [de betrokken persoon] en de plaats waar hij woont blijken ". De tweede alinea bepaalt vervolgens, dat iemand wiens gewone verblijfplaats moeilijk kan worden bepaald doordat hij zijn persoonlijke en zijn beroepsmatige bindingen in twee verschillende staten heeft, wordt geacht zijn gewone verblijfplaats te hebben op de plaats van zijn persoonlijke bindingen .
Artikel 9, lid 3, van de richtlijn ten slotte bevat een speciale regeling voor Denemarken : dat land wordt gemachtigd tot handhaving van zijn eigen voorschriften met betrekking tot de gewone verblijfplaats, volgens welke iedereen wordt geacht zijn gewone verblijfplaats in Denemarken te hebben wanneer hij er in een tijdvak van twee jaar ten minste één jaar of 365 dagen verblijft .
6 . Nu dan terug naar de onderhavige zaak . In het licht van de zojuist gememoreerde gemeenschapsregelingen kan het volgende worden opgemerkt .
Wat om te beginnen de periode vóór de inwerkingtreding van richtlijn 83/182 betreft, kan op basis van de relevante bepalingen van de Zesde BTW-richtlijn en de daaraan door het Hof gegeven uitlegging worden gesteld, dat de tijdelijke invoer van vervoermiddelen in een Lid-Staat geschiedt onder de door die Lid-Staat vastgestelde voorwaarden, waarbij uiteraard de door het Verdrag gegarandeerde fundamentele beginselen in acht moeten worden genomen en dubbele belastingheffing moet worden voorkomen .
Het is waar, dat het begrip gewone verblijfplaats als zodanig niet voorkomt in artikel 14 van de Zesde richtlijn . Het is echter evenzeer waar, dat dat begrip al in de Deense wettelijke regeling voorkwam toen de vrijstellingsrichtlijn nog niet was vastgesteld; meer algemeen gesproken, kwam het voor in de wettelijke regelingen van alle Lid-Staten op het hier bedoelde gebied, aangezien zij alle het douaneverdrag van New York van 4 juni 1954 ( 5 ) hebben geratificeerd, waarvan artikel 2 met betrekking tot vrijstelling bij invoer bepaalt, dat elke verdragsluitende staat "met tijdelijke vrijstelling (...) voertuigen zal toelaten, welke toebehoren aan personen die hun normale verblijfplaats hebben buiten het gebied van die staat, en (...) worden ingevoerd en worden gebezigd voor hun persoonlijk gebruik ter gelegenheid van een tijdelijk bezoek ".
Dit betekent, dat reeds vóór de inwerkingtreding van richtlijn 83/182 de belastingvrijstelling in feite afhankelijk was van de - noodzakelijke en voldoende - voorwaarde, dat de betrokkene zijn gewone verblijfplaats buiten het land van invoer had, zodat de invoer juist daarom tijdelijk was . Dat het begrip gewone verblijfplaats een "intern" begrip was, is uiteindelijk irrelevant, aangezien het noch op gespannen voet stond met de algemene grenzen van het gemeenschapsrecht op het gebied van het vrije personenverkeer, noch met het communautaire begrip "tijdelijke invoer ".
Wat het begrip "tijdelijke invoer" betreft, kan ik volstaan met te herinneren aan het reeds aangehaalde arrest Ledoux : door te preciseren dat er sprake is van tijdelijke invoer, wanneer uit de feiten kan worden afgeleid dat het goed later weer zal worden uitgevoerd, en wanneer er geen enkele aanwijzing is voor fraude ( 6 ), stelde het Hof de belastingheffing in wezen afhankelijk van iets wat zeer veel weg heeft van de "gewone verblijfplaats ".
Dit wordt nog eens bevestigd door het arrest Profant, waarin het Hof het tijdelijke karakter van de invoer nog uitdrukkelijker in verband bracht met de tijdelijkheid van het verblijf . ( 7 )
Het is derhalve duidelijk, dat ook vóór de inwerkingtreding van de richtlijn de belastingheffing in wezen afhankelijk was van de "gewone verblijfplaats" van de belastingplichtige, zowel op gemeenschapsniveau ( Zesde BTW-richtlijn ) als in het nationale recht van de Lid-Staten .
7 . Wat de periode na de inwerkingtreding van richtlijn 83/182 betreft, herinner ik eraan, dat de verwijzende rechter met het oog op de beslissing in het bij hem aanhangige geding het Hof verzoekt om uitlegging van de tweede alinea van artikel 7, lid 1, bepalende dat de gewone verblijfplaats van iemand die zijn beroepsmatige bindingen op een andere plaats heeft dan zijn persoonlijke bindingen en daardoor afwisselend verblijft op verschillende plaatsen gelegen in twee of meer Lid-Staten, wordt geacht zich te bevinden op de plaats van zijn persoonlijke bindingen, op voorwaarde dat hij daar op geregelde tijden terugkeert .
Die bepaling regelt dus de zeer speciale situatie, dat een gemeenschapsonderdaan werkzaam is in een of meer verschillende Lid-Staten, terwijl hij zijn gezin in een andere staat heeft, met als gevolg dat hij afwisselend in de betrokken staten verblijft . De ratio van een dergelijke bepaling is duidelijk : voor degene die in verband met zijn werk genoodzaakt is in een andere Lid-Staat te verblijven dan die waar hij zijn gezin heeft, moet een gunstiger regeling gelden, waarbij het er dus niet toe doet, of hij minstens 185 dagen per jaar verblijft in het land waar hij zijn persoonlijke bindingen heeft, zoals de eerste alinea van artikel 7, lid 1, wél vereist .
Het valt dan ook te betwijfelen, of het onderhavige geval wel onder de werkingssfeer van de tweede alinea van artikel 7, lid 1, kan worden gebracht, en vooral, of die bepaling wel voor een dergelijke situatie is geschreven . Het lijkt mij hoe dan ook juister, eerst te kijken naar de eerste alinea, die de algemene regels ter bepaling van de verblijfplaats bevat en volgens welke onder gewone verblijfplaats moet worden verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk ( minstens 185 dagen per jaar ) verblijft wegens beroepsmatige en persoonlijke bindingen, waarbij als persoonlijke bindingen worden beschouwd bindingen "waaruit nauwe banden tussen [de betrokken persoon] en de plaats waar hij woont blijken ".
Bedoelde bepaling moet mijns inziens aldus worden uitgelegd, dat de erin genoemde criteria cumulatief zijn . Er moet dus rekening worden gehouden met alle genoemde factoren en men mag niet één van die factoren zwaarder laten wegen dan de andere . Zo kan het kwantitatieve criterium ( bij voorbeeld het aantal in een bepaalde plaats doorgebrachte nachten ) op zichzelf niet als bepalend worden beschouwd, wanneer uit andere factoren blijkt dat de situatie anders ligt dan op grond van uitsluitend dat kwantitatieve criterium zou moeten worden aangenomen .
Deze uitlegging vindt bevestiging in de vaste rechtspraak van het Hof betreffende de definitie en de bepaling van de verblijf - ( of "woon "-) plaats . Het Hof heeft dit begrip meermaals verduidelijkt in arresten op het gebied van de sociale zekerheid, waar soortgelijke bepalingen als artikel 7, lid 1, eerste alinea, voorkomen . ( 8 ) Zo verklaarde het, dat onder woonplaats moet worden verstaan de plaats waar de betrokkene "het permanente centrum van zijn belangen heeft gevestigd" ( 9 ), en dat voor het bewijs ervan een beroep moet worden gedaan op alle feitelijke omstandigheden die wezenlijk zijn voor de woonplaats . ( 10 )
8 . Is verblijfplaats eenmaal gedefinieerd als de plaats waar iemand het "gewoonlijke of permanente centrum van zijn belangen" heeft, dan is het duidelijk, dat de beroepsmatige bindingen, de persoonlijke bindingen en, met name, het aantal dagen ( of nachten ) dat iemand in de loop van een jaar in een bepaalde plaats heeft doorgebracht, stuk voor stuk factoren zijn die - zowel elk op zich als in combinatie met elkaar - van belang zijn wanneer met het oog op een eventuele belastingvrijstelling bij tijdelijke invoer van een voertuig moet worden bepaald, waar iemand zijn gewone verblijfplaats heeft .
In het geval van Ryborg zijn al die factoren aanwezig : vaststaat, dat hij in Duitsland werkt ( beroepsmatige binding ); vaststaat ook, dat hij daar een appartement heeft, met alle financiële verplichtingen van dien ( persoonlijke binding ), en dat hij sedert 1973 in Duitsland woont . Voor de periode na 1982 kan aan de hand van de feiten van het hoofdgeding niet precies worden vastgesteld, hoeveel dagen hij in Duitsland heeft doorgebracht en hoeveel dagen ( of eerder nachten ) in Denemarken . Maar dat is ook volstrekt irrelevant, aangezien niets erop wijst, dat hij van zins was het centrum van zijn belangen en dus zijn verblijfplaats naar Denemarken te verplaatsen . Het subjectieve element, dat op zich niet doorslaggevend is, kan er wel toe bijdragen, dat een bepaalde verblijfplaats als "gewone" verblijfplaats en daarmee als woonplaats wordt bestempeld, wanneer de ene plaats niet duidelijk van de andere kan worden onderscheiden .
De bevoegde Deense autoriteiten zijn er in feite van uitgegaan, dat Ryborg wegens zijn relatie met zijn Deense vriendin zijn verblijfplaats van Duitsland naar Denemarken had verplaatst . Huns inziens was er sprake van een vorm van samenleven, die op één lijn kon worden gesteld met een huwelijk .
Nog afgezien van het feit dat het huwelijk, gezien de juridische implicaties ervan, niet zonder meer op één lijn kan worden gesteld met concubinaat ( 11 ), ben ik van mening, dat aangezien niets erop wijst, dat Ryborg met zijn vriendin samenleeft, in casu zelfs niet van concubinaat kan worden gesproken . Zo heeft Ryborg, voor zover bekend, geen meubels of andere persoonlijke bezittingen naar Denemarken overgebracht en draagt hij op geen enkele wijze bij in de woonlasten . Zijn situatie is kortom die van een gast in de woning van zijn vriendin . Bovendien is er niets in het dossier dat erop wijst, dat hij te kennen zou hebben gegeven, zich duurzaam bij zijn vriendin te willen vestigen .
Maar er is meer : volgens de Deense autoriteiten heeft Ryborg zijn verblijfplaats naar Denemarken overgebracht met ingang van 12 november 1982, de dag waarop hij, zoals gezegd en zoals ook ter terechtzitting is bevestigd, voor het eerst met zijn nieuwe auto de grens passeerde . Dit is een nogal vreemde constructie : Ryborgs persoonlijke bindingen - en daarmee de "verplaatsing" van zijn verblijfplaats - zouden zich pas hebben geconcretiseerd op het moment waarop hij een nieuwe auto kocht en deze voor het eerst op Deens grondgebied gebruikte .
De Deense autoriteiten lijken hier het belastbare feit ( verblijfplaats in Denemarken ) en het binnenbrengen in Denemarken van het goed ( voertuig ) door elkaar te halen, ja zelfs zonder meer over één kam te scheren . Bovendien hebben zij dit pas gedaan toen Ryborg een nieuwe auto had gekocht en - gek genoeg - niet eerder, toen Ryborg de grens passeerde met zijn oude, eveneens in Duitsland geregistreerde auto . Niets wijst er immers op, dat Ryborgs affectieve bindingen in Denemarken op 12 november 1982 dermate vast werden, dat hij moest worden geacht zijn verblijfplaats naar Denemarken te hebben overgebracht, behalve dan dat hij de grens was gepasseerd met een enige dagen eerder in Duitsland geregistreerde auto .
9 . Gelet op het voorgaande ben ik van mening, dat Ryborg zijn "gewone verblijfplaats" nooit naar Denemarken heeft overgebracht en dat hij derhalve zijn verblijfplaats nog steeds in Duitsland heeft, zodat hij niet verplicht is zijn auto in Denemarken aan te geven en te laten registreren : bij zijn bezoeken aan Denemarken gaat het, wat het punt betreft waar het hier op aankomt, om tijdelijke invoer om privé-redenen - men zou kunnen zeggen, om er afleiding te zoeken - wat het bestaan van "persoonlijke bindingen" in de zin van zowel de eerste als de tweede alinea van artikel 7, lid 1, uitsluit .
Volledigheidshalve merk ik in dit verband nog op, dat ter terechtzitting is gebleken dat de Commissie en de Deense regering fundamenteel van mening verschillen over de vraag, aan de hand van welke bepaling in Denemarken de verblijfplaats moet worden bepaald . Volgens de Commissie is namelijk alleen artikel 9, lid 3, van toepassing, bepalende dat iemand wordt geacht zijn verblijfplaats in Denemarken te hebben als hij er in een tijdvak van twee jaar gedurende minstens één jaar of 365 dagen verblijft . De Deense regering is daarentegen van mening, dat die bepaling een aanvulling vormt op artikel 7 .
Zelf ben ik van mening, dat voor de vraag uit welke elementen het ( communautaire ) begrip gewone verblijfplaats is opgebouwd, in elk geval te rade moet worden gegaan met artikel 7 . Maar ook al was, zoals de Commissie wil doen geloven, in casu uitsluitend artikel 9, lid 3, en niet artikel 7, lid 1, van toepassing, zij het met de beperkingen en in de betekenis die eraan is gegeven, de conclusie zou hoe dan ook hetzelfde luiden . Wat ik tot dusver over de bepaling van de verblijfplaats heb opgemerkt, blijft dus overeind, met name dat Ryborg zijn gewone verblijfplaats in Duitsland heeft behouden en zijn verblijfplaats nooit naar Denemarken heeft overgebracht .
10 . Het antwoord dat, gelet op bovenstaande overwegingen, op de eerste vraag moet worden gegeven, maakt een behandeling van de tweede en de derde vraag - althans met het oog op de beslissing in het voor de nationale rechter aanhangige geding - eigenlijk overbodig .
Vanuit een oogpunt van volledigheid en gelet op de uit artikel 177 voortvloeiende bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschapsrechter en de nationale rechter, acht ik het niettemin passend, ook een antwoord te geven op de tweede en de derde vraag, die, zoals gezegd, ertoe strekken te vernemen, of artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182 de twee betrokken Lid-Staten onvoorwaardelijk verplicht, in elk concreet geval overleg te plegen, en of die bepaling rechtstreekse werking heeft .
Artikel 10, lid 2, bepaalt, dat wanneer de praktische toepassing van de richtlijn op moeilijkheden stuit, de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten in onderlinge overeenstemming de noodzakelijke besluiten nemen, met name rekening houdend met de overeenkomsten en communautaire richtlijnen op het gebied van wederzijdse bijstand .
Uit deze formulering blijkt al, dat de betrokken staten alleen verplicht zijn tot samenwerking, wanneer de praktische toepassing van de richtlijn moeilijkheden oplevert . Volgens de Commissie ontstaat een dergelijke verplichting, wanneer twee Lid-Staten elk op hun beurt registratie van een en dezelfde auto verlangen . Dit is zonder twijfel een geval waarin de toepassing van de richtlijn moeilijkheden oplevert, maar het is evenzeer duidelijk, dat het hier louter om een uitleggingsprobleem gaat .
Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk, dat die verplichting niet alleen zou gelden in geval van problemen van procedurele aard, maar ook bij uitleggingsproblemen, dat wil zeggen problemen met betrekking tot de uitlegging van de richtlijn door de bevoegde autoriteiten van de verschillende Lid-Staten . Het uitleggen van de bepalingen van de richtlijn is immers een taak, die uitsluitend aan het Hof toekomt .
Bovendien lijken de omstandigheid dat de Lid-Staten "in onderlinge overeenstemming de noodzakelijke besluiten nemen", en de verwijzing naar communautaire richtlijnen op het gebied van wederzijdse bijstand, veeleer steun te bieden aan de opvatting, dat het gaat om procedurele besluiten in ruime zin en niet om besluiten met betrekking tot individuele gevallen .
Ik ben dan ook van mening, dat de samenwerkingsverplichting van artikel 10, lid 2, niet inhoudt, dat de Lid-Staten in elk individueel geval overleg moeten plegen, doch dat het hier een meer algemene verplichting betreft, die de Lid-Staten de mogelijkheid biedt, in onderling overleg bepaalde besluiten te nemen wanneer de toepassing van de richtlijn aanleiding geeft tot uitvoeringsmoeilijkheden van administratieve aard .
11 . Over de laatste vraag, namelijk of artikel 10, lid 2, rechtstreekse werking heeft en dus aan de particulieren rechten verleent waarop zij zich in rechte kunnen beroepen, kan ik kort zijn : ik meen dat zij ontkennend moet worden beantwoord . Het is inmiddels vaste rechtspraak van het Hof ( 12 ) en van algemene bekendheid, dat bepalingen van een richtlijn moeten worden geacht rechtstreekse werking te hebben, wanneer zij duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichtingen opleggen en de Lid-Staten dus geen enkele beoordelingsmarge laten . De thans in geding zijnde bepaling is echter ontegenzeglijk voorwaardelijk, aangezien zij de staten enkel tot samenwerking verplicht wanneer de toepassing van de richtlijn moeilijkheden oplevert .
Tot slot behoeft nauwelijks te worden beklemtoond, dat waar artikel 10, lid 2, geen rechtstreekse werking heeft en Denemarken de richtlijn eerst na het verstrijken van de uiterste termijn in nationaal recht heeft omgezet, genoemde bepaling in geen geval kan worden toegepast op de feiten van het hoofdgeding .
12 . Op grond van een en ander geef ik het Hof dan ook in overweging, de door het Hoejesteret gestelde vragen te beantwoorden als volgt :
"1 ) De gemeenschapsregeling inzake de BTW staat eraan in de weg, dat Lid-Staat B een eigen onderdaan, die zich heeft gevestigd in Lid-Staat A, waar hij werk en huisvesting heeft, bij de invoer van een auto verplicht die auto te laten registreren en er belasting over te betalen, ook wanneer de betrokken onderdaan al meer dan een jaar vrijwel alle nachten en een groot aantal weekends bij een vriendin in staat B heeft doorgebracht .
2 ) De verplichting van artikel 10, lid 2, van richtlijn 83/182 houdt niet in, dat de Lid-Staten overleg moeten plegen in elk individueel geval waarin de toepassing van de richtlijn moeilijkheden oplevert .
3 ) Laatstgenoemde bepaling heeft geen rechtstreekse werking ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) PB 1983, L 105, blz . 59 .
( 2 ) Richtlijn 77/388/EEG ( PB 1977, L 145, blz . 1 ).
( 3 ) Arrest van 3 oktober 1985, zaak 249/84, Profant, Jurispr . 1985, blz . 3227, r.o . 23 .
( 4 ) Arrest van 6 juli 1988, zaak 127/86, Ledoux, Jurispr . 1988, blz . 3741, r.o . 11, en het arrest Profant, reeds aangehaald, r.o . 25 .
( 5 ) UNTS, vol . 282, blz . 249 .
( 6 ) Arrest van 6 juli 1988, reeds aangehaald, r.o . 15 .
( 7 ) Arrest van 3 oktober 1985, reeds aangehaald, r.o . 27 .
( 8 ) Zie, bij voorbeeld, de definitie van het begrip woonplaats in verordening nr . 3 van de Raad van 1958 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers ( PB 1958, blz . 561 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 24/64 ( PB 1964, blz . 746 ).
( 9 ) Arrest van 12 juli 1973, zaak 13/73, Angenieux, Jurispr . 1973, blz . 935; zie ook de arresten van 17 februari 1977, zaak 76/76, Di Paolo, Jurispr . 1976, blz . 315, en 14 juli 1988, zaak 284/87, Schaeflein, Jurispr . 1988, blz . 4475, alsmede het recente arrest van 13 november 1990, zaak C-216/89, Reibold, Jurispr . 1990, blz . I-4163 .
( 10 ) Zie het arrest van 14 juli 1988, zaak 284/87, reeds aangehaald, r.o . 10 .
( 11 ) Zie in dit verband het arrest van 17 april 1986, zaak 59/85, Reed, Jurispr . 1986, blz . 1283 .
( 12 ) Zie bij voorbeeld de arresten van 5 april 1979, zaak 148/78, Ratti, Jurispr . 1979, blz . 1629; 19 januari 1982, zaak 8/81, Becker, Jurispr . 1982, blz . 53, en 20 september 1988, zaak 31/87, Gebroeders Beentjes, Jurispr . 1988, blz . 4635 .
Top