Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Mischo van 29 november 1990. - ANN COTTER EN NORAH MCDERMOTT TEGEN MINISTER FOR SOCIAL WELFARE EN ATTORNEY GENERAL. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: SUPREME COURT - IERLAND. - GELIJKE BEHANDELING OP HET GEBIED VAN SOCIALE ZEKERHEID - BEGINSEL VAN NATIONAAL RECHT, DAT ONGEGRONDE VERRIJKING VERBIEDT. - ZAAK C-377/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01155
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De dames Cotter en McDermott zijn het Hof niet onbekend .
2 . In zijn arrest van 24 maart 1987 ( zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr . 1987, blz . 1453 ) heeft het Hof de prejudiciële vragen van de Ierse High Court beantwoord als volgt :
"1 ) Zolang aan de richtlijn geen uitvoering was gegeven, kon artikel 4, lid 1, van richtlijn nr . 79/7 van de Raad van 19 december 1978, dat iedere discriminatie op grond van geslacht op het gebied van de sociale zekerheid verbiedt, vanaf 23 december 1984 worden ingeroepen om de toepassing van iedere met artikel 4, lid 1, strijdige nationale bepaling te beletten .
2 ) Bij ontbreken van maatregelen ter uitvoering van artikel 4, lid 1, van de richtlijn hebben vrouwen recht op toepassing van dezelfde regeling als mannen die in een gelijke situatie verkeren, waarbij die regeling, zolang aan genoemde richtlijn geen uitvoering is gegeven, het enig bruikbare referentiekader blijft ."
3 . Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 ( 1 ) bepaalt onder meer het volgende :
"Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot :
- (...)
- (...)
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen (...)."
4 . De Lid-Staten hadden uiterlijk op 23 december 1984 aan de richtlijn moeten voldoen .
5 . Zoals in het rapport ter terechtzitting uitvoeriger is beschreven, wees de High Court, die zich na de prejudiciële beslissing over de zaak moest uitspreken, verzoeksters' vorderingen slechts ten dele toe . Met name hun verzoeken om toekenning van verhogingen voor een volwassene en kinderen ten laste, en van zogeheten "overgangsuitkeringen", werden afgewezen .
6 . Van die uitspraak kwamen verzoeksters in hoger beroep bij de Ierse Supreme Court, die het Hof de volgende vragen heeft voorgelegd :
"1 ) Moet de uitspraak van het Hof van Justitie in zaak 286/85 (...) aldus worden verstaan, dat gehuwde vrouwen recht hebben op verhogingen van sociale-zekerheidsuitkeringen voor
a ) een echtgenoot ten laste, en
b ) een kind ten laste,
ook wanneer is aangetoond dat die personen niet daadwerkelijk ten laste waren, of ook wanneer het gevolg daarvan zou zijn, dat een verhoging voor personen ten laste tweemaal wordt betaald?
2 ) Wanneer het gaat om een door vrouwen ingestelde vordering tot betaling van compenserende uitkeringen wegens discriminatie die hierin zou hebben bestaan, dat de regels die voor mannen in een gelijke situatie gelden, op hen niet zijn toegepast, moet richtlijn 79/7/EEG van de Raad dan aldus worden uitgelegd, dat de nationale rechter geen toepassing mag geven aan nationale rechtsregels die een dergelijke compensatie beperken of weigeren wanneer de toekenning daarvan in strijd zou zijn met het verbod van ongegronde verrijking?"
7 . Tot 20 november 1986, datum van inwerkingtreding van de nieuwe wettelijke bepalingen die Ierland ter uitvoering van richtlijn 79/7 heeft vastgesteld, had een gehuwde man bovenop zijn werkloosheidsuitkering of -bijstand recht op een extra bedrag voor een volwassene ten laste, wanneer zijn echtgenote
- met hem samenwoonde, of
- geheel of hoofdzakelijk door hem werd onderhouden .
8 . Een gehuwde vrouw had daarentegen enkel recht op een verhoging van haar werkloosheidsuitkering voor een volwassene ten laste, wanneer haar echtgenoot :
- ten gevolge van enig lichamelijk of geestelijk gebrek niet in staat was in zijn eigen onderhoud te voorzien, en
- geheel of hoofdzakelijk door haar werd onderhouden .
9 . Voor de betaling van extra bedragen voor ten laste komende kinderen golden in grote lijnen dezelfde criteria .
10 . Andere bepalingen van de Ierse wettelijke regeling boden een gehuwde vrouw de mogelijkheid, zich tot de Minister for Social Welfare te wenden met het verzoek, de verhoging voor een volwassene ten laste alsmede eventuele verhogingen voor ten laste komende kinderen aan haarzelf in plaats van aan haar echtgenoot te betalen, wanneer die echtgenoot niet in haar onderhoud of in dat van de kinderen voorzag .
11 . De verhogingen van de werkloosheidsuitkering van één van de echtgenoten waren dus in feite bestemd voor het hele gezin en niet voor de echtgenoot aan wie ze werden betaald . In zoverre verschilt de onderhavige zaak van alle door verzoeksters aangehaalde zaken . ( 2 ) De vraag, of het echtpaar de betrokken verhogingen nu via de ene of via de andere echtgenoot ontving, was dus welbeschouwd van ondergeschikt belang .
12 . Dit neemt niet weg, dat de echtgenoot heel wat minder behoefde te bewijzen dan de echtgenote : hij kon volstaan met het bewijs, dat zijn echtgenote ( en kinderen ) bij hem woonden . Dit betekent, dat gehuwde mannen de betrokken verhogingen ook konden krijgen wanneer hun echtgenote eigen inkomen uit arbeid had, dat wil zeggen in situaties waarin deze financieel niet ten laste van haar echtgenoot was en kon bijdragen in de kosten van de opvoeding van de kinderen .
13 . Om de voor gehuwde mannen geldende regeling ook op henzelf toegepast te krijgen, stelden verzoeksters hoger beroep in bij de Supreme Court . Gedurende het grootste gedeelte van de relevante periode ( van 23 december 1984 tot 19 november 1986 ) waren zij namelijk werkloos, terwijl hun echtgenoot een beroep uitoefende .
De eerste vraag
14 . Het valt niet te ontkennen, dat het hierboven beschreven verschil in bewijslast gebaseerd was op het geslacht, en dat bepaalde echtparen hierdoor uitkeringen konden ontvangen waarvan de toekenning, gelet op de ratio van die uitkeringen, niet gerechtvaardigd was . Tot op zekere hoogte was hier dus sprake van ongegronde verrijking .
15 . De Ierse regering merkt echter op, dat de vaststelling van dat systeem
"verband houdt met het feit, dat van oudsher de overgrote meerderheid van de Ierse gehuwde vrouwen ten laste van hun echtgenoot kwam . Tot in de helft van de jaren tachtig kwam 85 % van de gehuwde vrouwen ten laste van hun echtgenoot . Gelet op dit feit en ten einde de administratie tijd en geld te besparen, werd het begrip 'automatische afhankelijkheid' ingevoerd" ( punt 2.4 van de opmerkingen ).
16 . Al heeft genoemd percentage aanleiding gegeven tot enige discussie, voor het Hof is deze opmerking van de Ierse regering als zodanig niet betwist .
17 . De Ierse regering leidt eruit af, dat toewijzing van verzoeksters' vordering in feite zou leiden tot een gelijke behandeling van ongelijke situaties, hetgeen volgens 's Hofs rechtspraak discriminerend zou zijn . Dit zou immers betekenen, dat terwijl een minderheid van de werkloze gehuwde mannen ( namelijk degenen wier echtgenote eigen inkomen uit arbeid had ) in strijd met de "ratio legis" extra bedragen voor ten laste komende personen kon krijgen, de overgrote meerderheid van de werkloze gehuwde vrouwen die bedragen thans ook zou moeten ontvangen zonder hun echtgenoot ten laste te hebben .
18 . Het lijkt mij duidelijk, dat hier sprake is van een zeer bijzonder geval van ongelijke behandeling . Evenals de Ierse High Court en de Ierse Supreme Court valt het ook mij moeilijk, te aanvaarden dat het gelijkheidsbeginsel zou kunnen meebrengen, dat een beperkte ongegronde verrijking - die, om redenen die al met al begrijpelijk zijn, is geaccepteerd - zou moeten worden gecompenseerd door een veel verder gaande ongegronde verrijking . Ook verzoeksters zelf lijken met deze oplossing niet 100 % gelukkig te zijn, maar in punt 50 van hun opmerkingen doen zij het probleem af door te stellen :
"het is waar, dat twee keer 'fout' nog niet 'goed' oplevert, maar in casu betekent twee keer 'fout' in elk geval, dat mannen en vrouwen gelijk worden behandeld ".
19 . Gaat het gemeenschapsrecht uit van een zo formalistische opvatting van het gelijkheidsbeginsel? Het is duidelijk, dat zo men verzoeksters' redering tot het uiterste zou doortrekken, mannen ook moederschapsverlof zouden moeten krijgen . In zijn arrest van 12 juli 1984 ( zaak 184/83, Hofmann, Jurispr . 1984, blz . 3047 ) heeft het Hof deze mogelijkheid evenwel uitgesloten, zelfs in gevallen waarin de echtgenoot in plaats van en met instemming van zijn vrouw voor moederschapsverlof in aanmerking wenste te komen . ( De Commissie had het tegenovergestelde standpunt verdedigd .) Het is waar, dat het Hof zich in die zaak kon baseren op artikel 2, lid 3, van richtlijn 76/207/EEG ( 3 ), volgens hetwelk die richtlijn
"geen afbreuk doet aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft ".
20 . De zaak Hofmann laat echter zien, dat de gemeenschapsrechter en de nationale rechter rekening mogen houden met de ratio van een bepaalde regeling . Dit blijkt ook uit het arrest van 11 juni 1987 ( zaak 30/85, Teuling, Jurispr . 1987, blz . 2497 ), dat eveneens betrekking had op een verhoging wegens gezinslasten . In rechtsoverweging 16 van dat arrest verklaarde het Hof, dat moest "worden onderzocht, wat het doel van die verhogingen is ".
21 . De thans in geding zijnde verhogingen hebben ten doel, een gehuwd paar waarvan de ene echtgenoot geen inkomen uit arbeid heeft en de andere een werkloosheidsuitkering ontvangt, een verhoging van die uitkering toe te kennen ten einde de uitkeringsgerechtigde in staat te stellen, zijn echtgenoot en kinderen te onderhouden .
22 . Een dergelijke uitkering dus kan naar haar aard niet tweemaal worden toegekend . Zoals de Ierse regering heeft opgemerkt, is het immers uitgesloten, dat gedurende één en dezelfde periode de man geheel of hoofdzakelijk ten laste komt van zijn echtgenote en vice versa . Ook kunnen de kinderen niet tegelijkertijd geheel of hoofdzakelijk door hun moeder en geheel of hoofdzakelijk door hun vader worden onderhouden .
23 . Bovendien is in de loop van de onderhavige procedure niet betoogd, dat de Ierse autoriteiten gehuwde mannen ook verhogingen voor een volwassene of kinderen ten laste hebben toegekend in gevallen waarin de echtgenote voordien reeds dezelfde verhogingen voor dezelfde periode had ontvangen . Overigens zou dat in het Ierse systeem niet mogelijk zijn geweest . Alvorens in aanmerking te komen voor werkloosheidsuitkeringen en verhogingen moest de gehuwde vrouw namelijk - onder meer - aantonen, dat haar echtgenoot geheel of hoofdzakelijk door haar werd onderhouden . Welnu, dit betekende, dat die echtgenoot zelfs geen werkloosheidsuitkering mocht ontvangen .
24 . Het gelijkheidsbeginsel kan dus niet worden ingeroepen tot staving van de stelling, dat gehuwde vrouwen de betrokken verhogingen ook zouden moeten ontvangen indien hun echtgenoot ze al had gekregen : het omgekeerde is immers nooit het geval geweest .
25 . Hiermee is een deel van de eerste vraag beantwoord : gehuwde vrouwen hebben geen recht op de betrokken verhogingen wanneer dit tot dubbele betaling van die verhogingen leidt .
26 . Rest nog de vraag, hoe het antwoord moet luiden voor het andere in de eerste vraag bedoelde geval, te weten wanneer is bewezen dat de echtgenoot en de kinderen niet geheel of hoofdzakelijk door de vrouw worden onderhouden, aangezien de echtgenoot eigen inkomen uit arbeid heeft .
27 . Ook hier zou men weer kunnen stellen, dat de toeslag voor ten laste komende personen naar zijn aard slechts moet worden uitgekeerd indien de betrokkene daadwerkelijk een persoon te zijnen laste heeft . Het enkele bewijs door de administratie, dat de echtgenoot eigen inkomen uit arbeid had, ontslaat de nationale rechter dus al van de verplichting, de werkloze echtgenote de verhoging voor een persoon ten laste ( of overeenkomstige compenserende uitkeringen ) toe te kennen .
28 . Het lijkt mij zeer waarschijnlijk, dat de Raad met de uitdrukking "ten laste komende personen" in artikel 4 van de richtlijn uitsluitend heeft gedoeld op personen die daadwerkelijk ten laste van andere personen komen .
29 . Een en ander neemt echter niet weg, dat artikel 4, dat de wettelijke regelingen van de Lid-Staten op het gebied van verhogingen voor ten laste komende personen niet heeft geharmoniseerd, aldus moet worden begrepen, dat het dienaangaande naar de nationale rechtsstelsels verwijst . Welnu, de Ierse wetgever heeft bepaald, dat een gehuwde man wordt geacht zijn echtgenote en kinderen ten laste te hebben, zodra is bewezen dat dezen bij hem wonen . Het feit dat dit in sommige gevallen kan leiden tot de toekenning van uitkeringen die, gelet op de ratio ervan, eigenlijk niet verschuldigd zijn, heeft de Ierse wetgever geen andere koers doen inslaan . Ondanks alle aarzelingen die ik hierboven tot uitdrukking heb gebracht, lijkt het mij dan ook moeilijk te aanvaarden, dat de Ierse staat zich thans tegen toewijzing van verzoeksters' vordering zou kunnen verzetten met het argument, dat dit hun een ongerechtvaardigd voordeel zou opleveren .
30 . Met betrekking tot het argument, dat verzoeksters verschillende situaties gelijk behandeld wensen te zien, wil ik erop wijzen, dat op het niveau van het individu toewijzing van het door verzoeksters gevorderde zou neerkomen op een gelijke behandeling van gelijke situaties, aangezien gehuwde vrouwen wier echtgenoot een beroep uitoefent, dan op dezelfde voet zouden worden behandeld als gehuwde mannen wier echtgenote betaald werk verricht .
31 . Men zou natuurlijk geneigd kunnen zijn te stellen, dat het referentiekader waarbinnen het onderhavige geschil moet worden beslecht, niet de - voor kritiek vatbare - regeling is die Ierland in het verleden ten aanzien van gehuwde mannen heeft toegepast, maar de op 20 november 1986 in werking getreden nieuwe wettelijke regeling, waarvan de verenigbaarheid met de richtlijn niet is betwist . We hebben hier namelijk te maken met de paradoxale situatie, dat indien de richtlijn binnen de gestelde termijn was uitgevoerd, verzoeksters hun onderhavige vorderingen niet hadden kunnen instellen, omdat zij dan hadden moeten aantonen, dat hun echtgenoot en kinderen daadwerkelijk te hunnen laste waren . Maar in dat geval hadden Ierse gehuwde mannen wier echtgenote betaald werk verrichtte, in de periode van 23 november 1984 tot 19 oktober 1986 evenmin verhogingen voor personen ten laste kunnen ontvangen . Zij hebben die verhogingen echter wél gekregen . Daarom ben ik van mening, dat het ondanks alles juist is te stellen, dat aangezien de maatregelen ter uitvoering van artikel 4 van de richtlijn in de betrokken periode in Ierland nog niet daadwerkelijk in werking waren getreden, de regeling die in die periode gold voor gehuwde mannen die in dezelfde situatie als verzoeksters verkeerden, in casu het enig bruikbare referentiekader is ( zie punt 2 van het dictum van het arrest McDermott en Cotter, reeds aangehaald ).
32 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging, de eerste vraag te beantwoorden als volgt :
"Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet aldus worden uitgelegd, dat gehuwde vrouwen in de periode tussen de voor de uitvoering van die richtlijn gestelde datum en de datum waarop de desbetreffende nationale wettelijke regeling in werking trad, recht hadden op verhogingen van hun sociale-zekerheidsuitkeringen voor
a ) een echtgenoot ten laste, en
b ) een kind ten laste,
ook indien was aangetoond dat die personen niet daadwerkelijk te hunnen laste kwamen, wanneer gehuwde mannen recht hadden op dezelfde verhogingen zonder dat zij een dergelijk bewijs behoefden te leveren ."
De tweede vraag
33 . Met haar tweede vraag wenst de Ierse Supreme Court van het Hof te vernemen, of richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat een nationale rechterlijke instantie geen toepassing mag geven aan nationale rechtsregels als die welke de in de eerste vraag bedoelde compensatie beperken of weigeren, wanneer toekenning van die compensatie zou indruisen tegen het verbod van ongegronde verrijking .
34 . In dit verband wil ik er allereerst op wijzen, dat een Lid-Staat zich nooit op een beginsel van nationaal recht kan beroepen om zich aan de nakoming van een uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting te onttrekken . Het beginsel van de "voorrang" van het gemeenschapsrecht staat hieraan in de weg . Om zich aan de nakoming van een uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende verplichting te onttrekken, kan een Lid-Staat zich dus enkel beroepen op de verplichting tot naleving van een andere regel van gemeenschapsrecht .
35 . Dit brengt mij tot de vraag, of het begrip "ongegronde verrijking" in het gemeenschapsrecht bestaat . Dit begrip komt inderdaad in een hele reeks arresten van het Hof voor . In sommige gevallen lag het ten grondslag aan een vordering tot betaling van een bepaald bedrag . ( 4 )
36 . In andere gevallen werd het opgeworpen als verweer, namelijk in ambtenarenzaken ( 5 ) om de door de Commissie toe te kennen schadevergoeding te beperken, en in zaken waarin een justitiabele van een Lid-Staat terugbetaling vorderde van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven nationale belastingen ( 6 ) of van krachtens later nietig of ongeldig verklaarde gemeenschapsbepalingen betaalde bedragen . ( 7 )
37 . Ten slotte ligt het begrip "ongegronde verrijking" ook ten grondslag aan bepaalde verordeningen . Sommige van de door de Commissie vastgestelde maatregelen vermelden namelijk in hun considerans, dat zij zijn vastgesteld ten einde "ongerechtvaardigde verrijking" van een categorie marktdeelnemers te voorkomen . Het betreft hier verordening ( EEG ) nr . 3682/87 van de Commissie tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2677/85 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie ( 8 ), verordening nr . 1746/84 van de Commissie tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 685/69 betreffende de uitvoeringsbepalingen van de interventiemaatregelen op de markt voor boter en room ( 9 ), en verordening nr . 2936/86 van de Commissie tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 2677/85 houdende uitvoeringsbepalingen van de consumptiesteunregeling voor olijfolie . ( 10 )
38 . Ik behoef hier echter niet in te gaan op de wijze waarop het Hof het begrip "ongegronde verrijking" in bovengenoemde arresten heeft gebruikt . Zoals ik immers in verband met de eerste vraag reeds zei, lijkt het gelijkheidsbeginsel in omstandigheden als die van het hoofdgeding wel degelijk te eisen, dat het - op zich ongegronde - voordeel dat aan een gehuwde man ( en via hem aan het echtpaar waarvan hij deel uitmaakt ) wordt toegekend, ook moet worden toegekend aan een gehuwde vrouw die in een gelijke situatie verkeert ( en via haar aan het echtpaar waarvan zij deel uitmaakt ). De ongegronde verrijking van de gehuwde vrouw vindt dus om zo te zeggen haar rechtsgrond in de ongegronde verrijking van de gehuwde man .
39 . Nu de kwestie van de ongegronde verrijking dus reeds in het kader van de beantwoording van de eerste vraag is beslecht, geef ik het Hof in overweging, te verklaren dat de tweede vraag zonder voorwerp is geraakt .
Conclusie
40 . Derhalve stel ik voor, de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden :
"1 ) Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet aldus worden uitgelegd, dat gehuwde vrouwen in de periode tussen de voor de uitvoering van die richtlijn gestelde datum en de datum waarop de desbetreffende nationale wettelijke regeling in werking trad, recht hadden op verhogingen van hun sociale-zekerheidsuitkeringen voor
a ) een echtgenoot ten laste, en
b ) een kind ten laste,
ook indien was aangetoond dat die personen niet daadwerkelijk te hunnen laste kwamen, wanneer gehuwde mannen recht hadden op dezelfde verhogingen zonder dat zij een dergelijk bewijs behoefden te leveren .
2 ) Gezien het antwoord op de eerste vraag, is de tweede vraag zonder voorwerp geraakt ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1979, L 6, blz . 24 .
( 2 ) Zie met name de arresten van 4 december 1986, zaak 71/85, FNV, Jurispr . 1986, blz . 3855; 24 juni 1987, zaak 384/85, Borrie Clarke, Jurispr . 1987, blz . 2865, en 8 maart 1988, zaak 80/87, Dik, Jurispr . 1988, blz . 1601 .
( 3 ) Richtlijn 76/207 van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden ( PB 1976, L 39, blz . 40 ).
( 4 ) Arresten van 4 april 1960, gevoegde zaken 4/59 tot en met 13/59, Mannesmann, Jurispr . 1960, blz . 247; 11 juli 1968, zaak 26/67, Danvin, Jurispr . 1968, blz . 443; 3 mei 1972, zaak 33/71, De Haan, Jurispr . 1972, blz . 255; en 7 oktober 1987, zaak 401/85, Schina, Jurispr . 1987, blz . 3911 .
( 5 ) Arresten van 19 maart 1964, zaak 18/63, Schmitz, Jurispr . 1964, blz . 175, en 8 juli 1965, zaak 110/63, Willame, Jurispr . 1965, blz . 902 .
( 6 ) Arresten van 27 februari 1980, zaak 68/79, Just, Jurispr . 1980, blz . 501; 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit italiana, Jurispr . 1980, blz . 1205; 10 juli 1980, zaak 811/79, Ariete, en zaak 826/79, Mireco, Jurispr . 1980, blz . 2545 resp . 2559, en 9 november 1983, zaak 199/82, San Giorgio, Jurispr . 1983, blz . 3595 .
( 7 ) Arresten van 12 juni 1980, zaak 130/79, Express Dairy Foods, Jurispr . 1980, blz . 1887, en 13 mei 1981, zaak 66/80, International Chemical Corporation, Jurispr . 1981, blz . 1191; voor een geval waarin een Lid-Staat ter uitsluiting van de terugvordering van ten onrechte ingevolge het gemeenschapsrecht betaalde steun aanvoerde dat de ongegronde verrijking was tenietgegaan, zie het arrest van 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82 tot en met 215/82, Deutsche Milchkontor, Jurispr . 1983, blz . 2633 ).
( 8 ) PB 1987, L 346, blz . 19 .
( 9 ) PB 1984, L 164, blz . 32 . Zie ook het op deze verordening betrekking hebbende arrest van 17 juni 1987, gevoegde zaken 424/85 en 425/85, Frico, Jurispr . 1987, blz . 2755 .
( 10 ) PB 1986, L 274, blz . 13 .
Top