Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 11 december 1990. - ASBL PIAGEME EN ANDEREN TEGEN BVBA PEETERS. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: RECHTBANK VAN KOOPHANDEL LEUVEN - BELGIE. - UITLEGGING VAN ARTIKEL 30 EEG-VERDRAG EN ARTIKEL 14 VAN RICHTLIJN 79/112/EEG - ETIKETTERING EN PRESENTATIE VAN VOOR DE CONSUMENT BESTEMDE LEVENSMIDDELEN - ETIKETTERING IN DE TAAL VAN DE STREEK WAAR ZIJ TEN VERKOOP WORDEN AANGEBODEN. - ZAAK C-369/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02971
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. In de onderhavige zaak wordt het Hof verzocht om uitlegging van artikel 30 EEG-Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG van de Raad van 18 december 1978 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame. (1)
Ingevolge laatstgenoemde bepaling dragen de Lid-Staten er zorg voor, op hun grondgebied de handel te verbieden in levensmiddelen indien de in artikel 3 en in artikel 4, lid 2, van de richtlijn bedoelde vermeldingen er niet op voorkomen in een voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, tenzij de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
Artikel 14 van de richtlijn is in Belgisch recht omgezet bij artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980, thans artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1986 betreffende de etikettering van voorverpakte voedingsmiddelen, volgens hetwelk de in artikel 2 van dat koninklijk besluit voorgeschreven vermeldingen alsook de vermeldingen voorgeschreven door de bijzondere reglementeringen ten minste moeten gesteld zijn in de taal of de talen van het taalgebied waar de voedingsmiddelen te koop gesteld worden.
2. Eerst een korte samenvatting van de feiten. De vennootschap Peeters, verweerster in het hoofdgeding, is gevestigd in het Nederlandse taalgebied in België, waar zij mineraalwaters verkoopt waarvan de etiketten uitsluitend in het Frans of het Duits zijn gesteld.
Van oordeel, dat deze praktijk in strijd is met de Belgische wettelijke regeling betreffende de etikettering, daagden de vereniging Piageme en een aantal vennootschappen die zich bezighouden met de invoer en de distributie van mineraalwaters, de vennootschap Peeters voor de Rechtbank van koophandel te Leuven. Zij vorderden, dat verweerster op straffe van een dwangsom zou worden gelast die verkoop te staken.
Verweerster voerde hiertegen aan, dat de ingeroepen nationale wettelijke regeling niet in overeenstemming was met artikel 30 van het Verdrag en artikel 14 van richtlijn 79/112, waarop de aangezochte rechter de behandeling van de zaak schorste om het Hof daarover een vraag te stellen.
3. Alvorens in te gaan op de vraag zelf, blijf ik even stilstaan bij het probleem van de bevoegdheid van het Hof om op de vraag van de nationale rechter te antwoorden.
Verzoeksters in hoofdgeding betogen immers, dat de vraag of de Belgische regeling soms niet in strijd is met de betrokken richtlijn, slechts kan rijzen, wanneer voor de nationale rechter het bewijs is geleverd, dat de informatie van de koper ook zonder vermeldingen in de taal van het gebied waar de produkten te koop worden gesteld, daadwerkelijk is gewaarborgd.
Aangezien de verwijzende rechter niet vooraf heeft onderzocht of dit het geval is, zou het antwoord van het Hof niet noodzakelijk zijn voor de beslechting van het geding, dat in die fase veeleer betrekking heeft op de vraag, of de in een andere taal gestelde vermeldingen voor de consument begrijpelijk zijn.
4. Dienaangaande behoeft slechts te worden verwezen naar de rechtspraak van het Hof (2), volgens welke de bevoegdheidsverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof meebrengt, dat het aan de met de latere uitspraak belaste rechter staat, met volledige kennis van zaken zowel de noodzaak als de relevantie van de gestelde vragen te beoordelen.
Wanneer die vragen evenwel betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof in beginsel verplicht uitspraak te doen en moet het niet ingaan op de omstandigheden die de nationale rechter ertoe hebben aangezet die vraag te stellen.
De zaak ligt slechts anders, wanneer blijkt dat van de procedure van artikel 177 misbruik wordt gemaakt om aan het Hof een uitspraak in een kunstmatig in het leven geroepen geschil te ontlokken, of wanneer de bepaling van gemeenschapsrecht om de uitlegging waarvan wordt verzocht, kennelijk niet-toepasselijk is.
De processtukken bevatten evenwel geen enkel element dat erop wijst dat wij hier voor een van die gevallen staan, zodat de bevoegdheid van het Hof mijns inziens in het onderhavige geval niet ernstig in twijfel kan worden getrokken.
5. Wat de vraag zelf betreft, springt reeds bij een eerste lezing in het oog, dat de betrokken nationale bepaling restrictiever is dan artikel 14 van de richtlijn. Door uitdrukkelijk te bepalen, dat de taal van het gebied waar de voedingsmiddelen te koop worden gesteld, moet worden gebruikt, laat zij immers, anders dan de overeenkomstige gemeenschapsbepaling, geen ruimte voor het eventuele gebruik van een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal, en evenmin voor afwijkingen ingeval de koper door andere maatregelen wordt ingelicht.
Verzoeksters in het hoofdgeding wijzen er evenwel op, dat de Lid-Staten ingevolge genoemd artikel 14 moeten voorzien in een verbod op de handel in produkten die niet voldoen aan de aldaar gestelde eisen betreffende de begrijpelijkheid van de op het etiket voorkomende gegevens, maar dat dit artikel de Lid-Staten niet verplicht elke voor de koper gemakkelijk te begrijpen etikettering toe te staan.
6. Deze opmerking lijkt niet gegrond, daar een dergelijke lezing in feite niet voldoende rekening houdt met de veel algemenere context waarin de bepaling thuishoort.
Allereerst dient voor ogen te worden gehouden, dat de betrokken richtlijn, die horizontale gemeenschapsvoorschriften van algemene aard voor levensmiddelen bevat, is vastgesteld om de werking van de gemeenschappelijke markt te verbeteren en het vrije verkeer van goederen te bevorderen, en dat deze richtlijn tegelijkertijd een correcte inlichting en een afdoende bescherming van de consumenten beoogt te waarborgen. (3) Artikel 15 bepaalt immers, dat de Lid-Staten de handel in levensmiddelen die beantwoorden aan de voorschriften van de richtlijn, niet mogen verbieden door de toepassing van niet-geharmoniseerde nationale bepalingen inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen.
Verder dient erop te worden gewezen, dat de bepalingen van de richtlijn in geen geval aldus mogen worden uitgelegd, dat zij leiden tot een beperking van de rechten die de justitiabelen rechtstreeks aan artikel 30 van het Verdrag ontlenen.
Met betrekking tot laatstgenoemd artikel heeft het Hof evenwel reeds de gelegenheid gehad te verduidelijken, dat de aan de bescherming van de consumenten ontleende rechtvaardigingsgronden voor de verplichting om bepaalde benamingen of aanduidingen te gebruiken, wegvallen wanneer de aanduidingen op het oorspronkelijke etiket van het produkt ten minste evenveel informatie verschaffen als door de regeling van de staat van invoer wordt voorgeschreven, en die informatie voor de consumenten van die staat even begrijpelijk is. (4)
Het is immers duidelijk, dat de verplichting om aanduidingen op een bepaalde wijze aan te brengen, de invoer van uit andere Lid-Staten afkomstige produkten of produkten die zich aldaar in het vrije verkeer bevinden, weliswaar niet absoluut uitsluit, maar dat zij niettemin de verhandeling ervan kan bemoeilijken, vooral in geval van parallelimport. Derhalve kan een dergelijke verplichting slechts met genoemd artikel 30 verenigbaar worden geacht, wanneer zij daadwerkelijk wordt gerechtvaardigd door overwegingen van algemeen belang inzake de bescherming van de consument.
Artikel 14 van richtlijn 79/112 moet derhalve aldus worden uitgelegd, dat het voor de Lid-Staten de verplichting meebrengt een correcte informatie van de consumenten te waarborgen en bovendien bepaalt op welke wijze en binnen welke grenzen dat fundamentele recht kan worden beschermd zonder het handelsverkeer onnodig te belemmeren.
7. In het kader van een prejudiciële procedure staat het aan de nationale rechter de feiten te beoordelen om uit te maken of in de bij hem aanhangige zaak de informatie van de consument daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij zal hij voor ogen moeten houden dat, gelet op het doel van de betrokken gemeenschapsbepaling, de begrijpelijkheid van de taal niet doelt op het verstaan van de taal als zodanig, maar op de mogelijkheid om de concrete inhoud van de op het etiket voorkomende vermeldingen te begrijpen. Hij zal derhalve niet alleen de eventuele meertaligheid van het land in aanmerking moeten nemen, maar ook en inzonderheid de aard van het produkt en de vertrouwdheid ervan voor de consument, alsmede de omstandigheid dat op soortgelijke produkten van andere merken de vereiste vermeldingen eventueel in een gemakkelijker te begrijpen taal voorkomen, hetgeen een soort vertaling uit de context mogelijk maakt. (5)
8. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de vraag van de Rechtbank van koophandel te Leuven te beantwoorden als volgt:
"Artikel 14 van richtlijn 79/112/EEG moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan een nationale regeling die het gebruik van een bepaalde taal voor de etikettering van voedingsmiddelen uitdrukkelijk voorschrijft en geen ruimte laat voor het gebruik van een andere voor de koper gemakkelijk te begrijpen taal of voor de informatie van de consument door middel van andere maatregelen."
(*) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
(1) PB 1979, L 33, blz. 1.
(2) Inzonderheid de arresten van 8 november 1990, zaak C-231/89, Gmurzynska, Jurispr. 1990, blz. I-4003, r.o. 19, 20, 22 en 23, en 18 oktober 1990, gevoegde zaken C-297/88 en C-197/89, Dzodzi, Jurispr. 1990, blz. I-3763, r.o. 34, 35, 39 en 40.
(3) Zie de tweede, derde, vierde en zevende overweging van de considerans.
(4) Zie inzonderheid de arresten van 22 juni 1982, zaak 220/81, Robertson, Jurispr. 1982, blz. 2349, r.o. 11, 12 en 13, en 16 december 1980, zaak 27/80, Fietje, Jurispr. 1980, blz. 3839, r.o. 10, 11 en 12.
(5) Opgemerkt zij, dat de Correctionele rechtbank te Mechelen in een vonnis van 28 september 1987 betreffende de verkoop van flesjes Coca-Cola met een in het Duits gesteld etiket heeft geoordeeld, dat een dergelijke praktijk in overeenstemming is met artikel 14 van richtlijn 79/112, en artikel 10 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1980 buiten toepassing heeft gelaten (zie Journal des tribunaux 1988, nr. 5448, blz. 48). Tegen dat vonnis is evenwel hoger beroep ingesteld bij het Hof van beroep te Antwerpen, dat nog geen uitspraak heeft gedaan. Voor soortgelijke uitspraken van Nederlandse rechterlijke instanties die bovengenoemde criteria hebben toegepast, zie Van Bunnen, "L' emploi des langues dans l' étiquetage et le droit communautaire", Journal des tribunaux 1988, nr. 5448, blz. 41.
Top