Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 9 januari 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN ITALIAANSE REPUBLIEK. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - HEFFING VAN GELIJKE WERKING ALS EEN DOUANERECHT - AAN MEER ONDERNEMINGEN TEGELIJK VERLEENDE DIENSTEN - BETALING VAN EEN AAN DE KOSTEN VAN DE DIENST ONEVENREDIGE TEGENPRESTATIE. - ZAAK C-209/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-01575
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Met het onderhavige beroep verzoekt de Commissie u om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door voor diensten die bij de vervulling van douaneformaliteiten in het kader van het intracommunautaire handelsverkeer worden verleend aan meer ondernemingen tegelijk, van elke onderneming afzonderlijk betaling van een vergoeding te verlangen die onevenredig is aan de kosten van de verleende diensten, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9, 12, 13 en 16 EEG-Verdrag .
2 . Ik herinner eraan, dat de betrokken Italiaanse bepalingen betrekking hebben op de door de ondernemingen te betalen vergoedingen in het geval dat de douaneformaliteiten worden verricht buiten het douanegebied of buiten de gewone diensturen .
3 . Deze regeling bepaalt, dat wanneer diensten worden verleend aan meer ondernemingen tegelijk, "het personeel recht heeft op een eenheidsvergoeding, evenredig aan de aard en de duur van de meest lonende dienst", en dat elke onderneming "afzonderlijk de vergoeding moet betalen die voor de aangevraagde diensten is verschuldigd, ongeacht de door de andere ondernemingen betaalde vergoedingen ". Daar de vergoeding niet gesplitst kan worden, moet bijgevolg, indien bij voorbeeld gedurende vijftig minuten aan vijf ondernemingen tegelijk een dienst wordt verleend, elk van die ondernemingen een vergoeding voor één uur betalen .
4 . Volgens de Commissie schendt deze berekeningswijze het principiële verbod op heffingen van gelijke werking, daar zij geen enkele rekening houdt met de tijd die het personeel daadwerkelijk besteedt aan de dienstverlening aan de betrokken ondernemingen .
5 . De Italiaanse Republiek betwist deze opvatting . Zij merkt in de eerste plaats op, dat de totale jaarlijkse inkomsten uit de door de bedrijven betaalde vergoedingen lager zijn dan de kosten die de aan de ondernemingen verleende diensten voor de staatskas meebrengen . Een alternatief systeem zou niet denkbaar zijn . "Opsplitsing" van de bestede tijd zou ertoe leiden, dat de uurvergoeding wordt verdeeld in te geringe bedragen die uiteindelijk tegen de administratieve kosten van een dergelijke berekeningswijze in het niet vallen . Het zou overigens ondoenlijk zijn om de vergoeding te vragen van één enkele onderneming . In dupliek heeft de Italiaanse regering onderstreept, dat de hoogte van de uurvergoeding die van de ondernemingen wordt gevraagd, ongeveer een derde bedraagt van de daadwerkelijke vergoedingen die per uur aan het personeel worden betaald, zodat de door de ondernemingen betaalde vergoeding in werkelijkheid overeenstemt met een forfaitaire vergoeding voor twintig minuten werk . Rekening houdend met de gemiddelde duur van een verrichting zou deze methode het evenredigheidsbeginsel respecteren .
6 . Vooraf wil ik opmerken dat de Italiaanse Republiek in haar verweerschrift stelt, dat de situatie waarin de verlening van een dienst aan meer ondernemingen tegelijk leidt tot de betaling van meer dan een vergoeding zich slechts in die bepaalde gevallen voordoet, waarbij het gaat om verschillende gegroepeerde kleine partijen, aangeboden in bulk of in afwachting van "inlading", en waarbij men bovendien moeilijk een beroep op spoedeisendheid kan doen om de hulp van de douane buiten de normale werkuren of buiten het douanegebied in te roepen . Afgezien van deze gevallen betreffen bijna alle buiten het douanegebied of buiten de diensturen afgehandelde verrichtingen partijen goederen van verschillende eigenaars, die worden vervoerd onder het "groepage"-stelsel; in dit stelsel beschouwt de Italiaanse wetgeving de vervoerder als één enkele onderneming en eist dan ook maar één vergoeding . De Italiaanse Republiek lijkt dus het zeer uitzonderlijke karakter en het geringe belang van de omstreden gevallen te willen benadrukken .
7 . De Commissie betwist het marginale karakter van deze gevallen en meent dat de inbreuk bestaat, zelfs indien het maar om zeldzaam voorkomende gevallen zou gaan .
8 . Ik deel deze mening volkomen en stel u voor om niet een "de minimis"-regel in het leven te roepen, die de kracht van het verbod op heffingen van gelijke werking zou verzwakken .
9 . Ter terechtzitting is duidelijk geworden, in welke omstandigheden er sprake is van een dienst die aan meer ondernemingen "tegelijk" wordt verleend . De Commissie heeft verklaard, dat dat in feite het geval is bij de inschakeling van douane-agenten die bij de douanediensten de formaliteiten vervullen voor meerdere ondernemingen tegelijk .
10 . Mag in dergelijke gevallen van alle betrokken ondernemingen de betaling van een volledige uurvergoeding worden geëist? Uw rechtspraak ( 1 ) stelt sinds lang, dat enkel de bedragen die van de economische subjecten worden geheven ter vergoeding van een verleende dienst buiten het verbod op heffingen van gelijke werking vallen . Hier wordt niet betwist, dat aan de bedrijven een dienst wordt verleend, maar is de door de Italiaanse administratie gebezigde berekeningswijze in het geding .
11 . Ik herinner eraan, dat een forfaitaire raming van de controlekosten, zoals een vast uurtarief, door uw rechtspraak is aanvaard . ( 2 ) Dat sluit echter zeker niet in, dat de vergoeding voor één uur forfaitair mag worden toegepast, ongeacht de tijd die de diensten van de betrokken staat daadwerkelijk besteden aan de douaneformaliteiten . De in Italië vigerende berekeningswijze nu kan er bij voorbeeld toe leiden dat vijftien ondernemingen ieder een vergoeding van één uur moeten betalen, hoewel de totale duur van de dienstverlening maar een half uur bedroeg . In een dergelijk geval is de betrokken berekeningswijze kennelijk willekeurig, daar zij geen enkele relatie legt met de tijd die het personeel werkelijk ten voordele van de betrokken ondernemingen besteedt . In die omstandigheden staat de van die ondernemingen verlangde vergoeding in geen enkel verband met de kosten die de verleende diensten voor de Italiaanse staat veroorzaken .
12 . Maar zoals gezegd, stelt de Italiaanse Republiek dat de uurvergoeding in werkelijkheid slechts een derde bedraagt van hetgeen de administratie de ambtenaren betaalt voor overuren .
13 . Waarop baseert zij deze stelling? Ik heb er de door verweerster naar voren gebrachte cijfers op nageslagen en heb vastgesteld, dat de van de ondernemingen verlangde uurvergoeding inderdaad overeenstemt met een derde van de uitgaven voor extra werkuren ( 3 ) wanneer de dienst buiten de gewone uren binnen het douanegebied wordt verleend ( 4 ), maar dat zij twee derde vertegenwoordigt van de uitgaven voor overuren wanneer de douanebeambten zich naar de ondernemingen begeven . ( 5 ) Wellicht zijn de uitgaven lager, wanneer beambten van de Guardia di finanza de verrichtingen afhandelen, en bovendien ontvangen de beambten ook andere vergoedingen . Maar in elk geval zou de categorische bewering, dat het tarief van de uurvergoeding overeenkomt met slechts twintig minuten van de aan de ambtenaren betaalde vergoeding, ten minste behoorlijk gefundeerd moeten worden .
14 . Deze opmerking brengt mij tot een ander punt, namelijk het totale gebrek aan doorzichtigheid van het door Italië gehanteerde stelsel en de onevenredige gevolgen die het in bepaalde gevallen ten nadele van de ondernemingen kan veroorzaken, zoals het hierboven gegeven voorbeeld aantoont . Ik zou dan ook willen volhouden, dat zelfs als de bewering dat de vergoeding slechts een derde bedraagt van de kostprijs per uur voor de Italiaanse staatskas wordt aanvaard, de van de ondernemingen geëiste tegenprestatie toch de reële kostprijs overschrijdt, zodra meer dan drie ondernemingen tegelijk betrokken zijn, een hypothese waarvan de geloofwaardigheid door verweerster niet is betwist .
15 . Uiteraard kan uw Hof niet impliciet absurde systemen verlangen die per minuut of per seconde de daadwerkelijk aan elke onderneming bestede tijd berekenen . Het lijkt daarentegen echter geenszins onredelijk de uurvergoeding over de betrokken ondernemingen te splitsen . De elementaire rekenkundige bewerking van deling lijkt mij geen bovenmatig grote administratieve last te veroorzaken . Verweerster wijst op de zeer geringe bedragen die zij dan zou moeten gaan invorderen . Dit argument is bij nadere beschouwing niet steekhoudend . Enerzijds worden zo alle nadelen van het systeem op de schouders van de ondernemingen gelegd, want in voorkomend geval moeten zij een prijs betalen voor de verleende dienst die onevenredig is aan de kostprijs ervan . Anderzijds kan de Italiaanse staat zeer wel de uurvergoeding aanpassen, indien deze, zoals hij stelt, niet de werkelijke kosten dekt die een aan de betrokken verrichtingen besteed dienstuur met zich brengt . In elk geval is het duidelijk dat de betwiste regeling het evenredigheidsbeginsel miskent, door van elke onderneming betaling van de vergoeding te eisen ongeacht de door de andere ondernemingen betaalde vergoedingen .
16 . Derhalve stel ik u voor, de gestelde verdragsinbreuk vast te stellen en verweerster in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Arresten van 25 januari 1977, zaak 46/76, Bauhuis, Jurispr . 1977, blz . 5; van 31 mei 1979, zaak 132/78, Denkavit, Jurispr . 1979, blz . 1923 en van 17 mei 1983, zaak 132/82, Commissie/België, Jurispr . 1983, blz . 1643 .
( 2 ) Arrest van 2 mei 1990, zaak C-111/89, Bakker, Jurispr . 1990, blz . I-1735, r.o . 13 .
( 3 ) Volgens de Italiaanse regering gemiddeld 15 000 LIT, zie blz . 3 van het verweerschrift .
( 4 ) 5 200 LIT, zie verweerschrift, blz . 2 .
( 5 ) 10 200 LIT, ibidem, blz . 2 .
Top