Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Lenz van 21 februari 1991. - COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN TEGEN KONINKRIJK BELGIE. - NIET-OMZETTING VAN RICHTLIJNEN 75/440/EEG EN 79/869/EEG VAN DE RAAD - OPPERVLAKTEWATER BESTEMD VOOR PRODUKTIE VAN DRINKWATER - MEDEDELINGSPLICHT. - ZAAK C-290/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-02851
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
A - Feiten
1. De zaak waarin ik vandaag conclusie neem, is een niet-nakomingsprocedure tegen het Koninkrijk België wegens niet-nakoming van de uit de richtlijnen 75/440/EEG (1) en 79/869/EEG (2) voortvloeiende verplichtingen respectievelijk wegens niet-naleving van de medewerkings- en mededelingsverplichting in het kader van de uitvoering van die richtlijnen.
2. Richtlijn 75/440 is op 18 juni 1975 ter kennis gebracht; ingevolge artikel 10 diende zij twee jaar na kennisgeving aan de Lid-Staten, dus op 18 juni 1977, te zijn omgezet. Richtlijn 79/869 diende ingevolge artikel 13 eveneens twee jaar na kennisgeving ervan, dus op 19 oktober 1981, te zijn omgezet.
3. Bij koninklijk besluit van 25 september 1984 (3) zijn de voorschriften van deze richtlijnen tot op zekere hoogte in Belgisch recht omgezet. Ingevolge de wet van 8 augustus 1980 valt de uitvoering van de betrokken richtlijnen onder de bevoegdheid van de Gewesten. De Commissie verzocht de Belgische regering bij brief van 8 december 1986 om gedetailleerde inlichtingen betreffende de maatregelen die ter uitvoering van de richtlijnen waren getroffen. Toen die brief onbeantwoord bleef, leidde de Commissie de niet-nakomingsprocedure in. De in het met redenen omkleed advies van 25 mei 1988 gestelde termijn van twee maanden liep op 25 juli 1988 af, zonder dat aan de Commissie op enigerlei wijze eventuele uitvoeringsmaatregelen waren meegedeeld.
4. In de loop van de schriftelijke procedure, en zelfs nog ter terechtzitting, deelde de Belgische regering - deels als antwoord op vragen van het Hof - mee, welke maatregelen de Gewesten intussen ter nakoming van de uit de richtlijnen voortvloeiende verplichtingen hadden getroffen.
5. Ten tijde van de terechtzitting zag de situatie eruit als volgt:
a) Beide partijen zijn het erover eens, dat in het Brusselse Gewest geen uitvoeringsmaatregelen moesten worden vastgesteld, daar er zich in dat Gewest geen oppervlaktewater in de zin van de richtlijn bevindt. Ook in de toekomst is de uitvoering van de richtlijn aldaar derhalve overbodig.
b) In het Vlaamse Gewest zijn in de loop van de procedure grotendeels de nodige maatregelen getroffen. Alleen het in artikel 4, lid 2, van richtlijn 75/440 bedoelde organisch actieplan met tijdschema ter sanering van het oppervlaktewater is nog niet opgesteld.
c) In het Waalse Gewest was zelfs op de datum van de terechtzitting slechts een deel van de nodige maatregelen getroffen. Volgens de gemachtigde van de Belgische regering konden de nodige uitvoeringsmaatregelen niet eerder worden getroffen, omdat de financiële middelen daartoe ontbraken. Intussen zijn bij decreet de financiële voorzieningen getroffen, zodat ook het Waalse Gewest de ter omzetting van beide richtlijnen vereiste maatregelen zal vaststellen.
6. Gelet op deze ontwikkeling in de loop van de procedure, is ter terechtzitting de vraag gerezen, hoe het beroep nu verder moet worden behandeld. De gemachtigde van de Commissie verklaarde, zakelijk weergegeven, dat het zinloos was de intussen in orde gebrachte punten te blijven vervolgen en daarover een arrest te wijzen. Tegelijkertijd beklemtoonde hij, dat hij niet gemachtigd was om afstand van instantie te doen.
7. In het verzoekschrift concludeerde de Commissie, dat het den Hove behage:
- vast te stellen dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet de nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van richtlijn 75/440 van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten en richtlijn 79/869 van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten, dan wel door die maatregelen niet mee te delen;
- het Koninkrijk België te verwijzen in de kosten van het geding.
8. Gelet op de situatie - feitelijke en rechtens - in het Brusselse Gewest, heeft de Commissie in repliek de conclusies van het verzoekschrift aldus beperkt, dat zij alleen nog de toepassing en de omzetting van de betrokken richtlijnen door het Vlaamse en het Waalse Gewest betreffen.
9. Het Koninkrijk België heeft geen conclusies geformuleerd.
10. Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting.
B - Discussie
11. Allereerst moet worden nagegaan, welke gevolgen de feitelijke vervulling van een deel van het gevorderde in de loop van de procedure heeft voor het voorwerp van het beroep.
12. Volgens inmiddels vaste rechtspraak valt het procesbelang bij een niet-nakomingsprocedure niet weg door het feit dat de verwerende Lid-Staat achteraf nakomt wat van zijn organen wordt verlangd. Voor de ontvankelijkheid van het beroep volstaat het, dat de Lid-Staat bij het verstrijken van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn zijn verdragsverplichtingen nog niet is nagekomen. (4)
13. Het niet tijdig rechtzetten van een met het Verdrag strijdige toestand is niet alleen van belang bij de beoordeling van het procesbelang; het is ook materieel als een voltooide verdragsschending aan te merken. (5) Evenmin als het de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-nakoming aantast, kan het latere gedrag van de verwerende Lid-Staat het beroep zijn voorwerp ontnemen.
14. Het is denkbaar en in ieder geval passend, dat de verzoekende partij op de rechtzetting van de gewraakte toestand reageert door afstand van instantie te doen of door de conclusies van het verzoekschrift te beperken tot de punten die nog niet in orde zijn gebracht.
15. In het onderhavige geval is er evenwel geen sprake van een formele beperking van de conclusies van het verzoekschrift, noch van een gedeeltelijke afstand van instantie. De gemachtigde van de Commissie heeft weliswaar geopperd, dat het zinloos is de inmiddels uit de weg geruimde verwijten in rechte te blijven vervolgen, doch op dit punt ondervraagd, heeft hij uitdrukkelijk verklaard, dat hij niet gemachtigd was om afstand van instantie te doen.
16. De processuele verklaringen van de gemachtigde van de Commissie moeten geheel voor zijn rekening worden gelaten, daar hij naar behoren en onbeperkt gemachtigd was. Zijn verklaringen kunnen evenwel slechts aldus worden uitgelegd, dat hij geen afstand van instantie wilde doen, noch de conclusies van het verzoekschrift formeel wilde beperken.
17. Derhalve dient uitspraak te worden gedaan over het voorwerp van het beroep zoals dit in het verzoekschrift is omschreven en in repliek is gewijzigd.
18. De vraag rijst, welke de processuele gevolgen zijn van de houding van de Belgische regering, die in geen enkele fase van de procedure conclusies heeft geformuleerd. Een volgens de regels opgesteld verweerschrift moet volgens artikel 40, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering onder meer de "conclusies van de verwerende partij" bevatten. Bij gebreke van een in de voorgeschreven vorm ingediend verweerschrift kan de verzoeker ingevolge artikel 94, paragraaf 1, van het Reglement van de procesvoering vorderen, dat het Hof zijn conclusies toewijst. Doet hij dat niet, dan wordt de gewone procedure voortgezet. (6)
19. Bij brief van 8 december 1986 had de Commissie de Belgische regering verzocht, een reeks vragen te beantwoorden die haar in staat moesten stellen te beoordelen, of richtlijnen 75/440 en 79/869 naar behoren waren uitgevoerd.
20. Naast de algemene, in artikel 10 vermelde verplichting om richtlijn 75/440 om te zetten, rust op de Lid-Staten de verplichting om de door hen getroffen maatregelen aan de Commissie mee te delen. De Commissie beschikt voorts over verder gaande controlebevoegdheden, die rechtstreeks in de richtlijn zijn verankerd. Zo bepaalt artikel 4, lid 2, derde alinea, bijvoorbeeld, dat de Commissie "de in de eerste alinea bedoelde actieplannen, met inbegrip van de tijdschema' s" grondig zal bestuderen. Uitzonderingen op de standaardzuivering van het oppervlaktewater in de zin van artikel 4, lid 3, dienen zo spoedig mogelijk, en in geval van nieuwe installaties van tevoren, aan de Commissie te worden meegedeeld.
21. Richtlijn 79/869 verleent de Commissie even ver gaande inzagebevoegdheden. Naast de algemene omzettings- en mededelingsverplichting van artikel 13 "verstrekken de Lid-Staten aan de Commissie op haar verzoek alle relevante gegevens inzake de toegepaste analysemethodes" en "de frequentie van de analyses" (artikel 8).
22. Het niet-meedelen van de gevraagde gegevens, welk verzuim aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, namelijk op 27 juli 1988, nog niet was goedgemaakt, is dus een duidelijke inbreuk op de verplichtingen die krachtens beide richtlijnen alsmede krachtens artikel 5 EEG-Verdrag op de Lid-Staten rusten.
23. Met betrekking tot de daadwerkelijke vaststelling van de door de richtlijnen opgelegde maatregelen staat vast, dat zowel voor het Vlaamse als voor het Waalse Gewest bij het einde van de termijn gesteld in het in de voorafgaande procedure uitgebrachte met redenen omkleed advies niet de nodige stappen waren gedaan, en dat zelfs op het ogenblik van de mondelinge behandeling nog niet alle verplichtingen waren nagekomen.
24. Met name het voor het Waalse Gewest aangedragen argument, dat de financiële middelen voor de vaststelling van de nodige maatregelen ontbraken, kan niet met succes tegen de telastgelegde verdragsschending worden aangevoerd, daar volgens vaste rechtspraak een Lid-Staat zich niet ten exceptieve op bepalingen van zijn nationale recht of praktijken of situaties in zijn financieel bestel kan beroepen ter rechtvaardiging van de niet-nakoming van verplichtingen en termijnen die in het gemeenschapsrecht besloten liggen. (7)
25. Voor de vaststelling van een verdragsschending is het overigens niet van belang, of de verwerende Lid-Staat in de loop van de procedure voor het Hof geheel of gedeeltelijk een einde heeft gemaakt aan het in strijd met het Verdrag zijnde gedrag, wanneer de verdragsschending tevoren reeds een voltooid feit was. (8) Hierover bestaat in het onderhavige geval evenwel geen betwisting. Mitsdien moet de verwerende Lid-Staat worden veroordeeld wegens ontoereikende uitvoering van richtlijnen 75/440 en 79/869.
Kosten
26. Over de kosten moet worden beslist overeenkomstig artikel 69 van het Reglement voor de procesvoering. Ingevolge paragraaf 2 van dat artikel moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.
C - Conclusie
27. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren:
"Het Koninkrijk België is de krachtens richtlijnen 75/440/EEG en 79/869/EEG op hem rustende verplichtingen niet nagekomen, door de Commissie de gevraagde inlichtingen niet mee te delen en de maatregelen voor de uitvoering van de richtlijnen niet tijdig vast te stellen.
Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten van de procedure."
( *)* Procestaal: Duits.
(1) Richtlijn van de Raad van 16 juni 1975 betreffende de vereiste kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1975, L 194, blz. 34).
(2) Richtlijn van de Raad van 9 oktober 1979 inzake de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor produktie van drinkwater in de Lid-Staten (PB 1979, L 271, blz. 44).
(3)3 Koninklijk besluit van 25 september 1984, Belgisch Staatsblad van 27 februari 1985, blz. 2168.
(4) Zie de arresten van 7 februari 1973, zaak 39/72, Commissie/Italië, Jurispr. 1973, blz. 101, r.o. 9 en 11; 5 juni 1986, zaak 103/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 1759, r.o. 8 en 9; 17 juni 1987, zaak 154/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1987, blz. 2717, r.o. 6; zie ook de conclusie van advocaat-generaal Lenz in zaak 240/86, Jurispr. 1988, blz. 1835, nr. 12.
(5) Zie het arrest van 27 november 1990, zaak C-200/88, Commissie/Griekenland, Jurispr. 1990, blz. I-4299, r.o. 13 en 14.
(6) Zie het arrest van 15 april 1970, zaak 28/69, Commissie/Italië, Jurispr. 1970, blz. 187, 190.
(7) Zie het arrest van 20 februari 1986, zaak 309/84, Commissie/Italië, Jurispr. 1986, blz. 599, r.o. 17.
(8) Zaak C-200/88, t.a.p.
Top