Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 7 maart 1991. - OVERSEAS UNION INSURANCE LTD EN DEUTSCHE RUCK UK REINSURANCE LTD EN PINE TOP INSURANCE COMPANY LTD TEGEN NEW HAMPSHIRE INSURANCE COMPANY - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COURT OF APPEAL - VERENIGD KONINKRIJK. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - AANHANGIGHEID - INAANMERKINGNEMING VAN DE WOONPLAATS VAN PARTIJEN - BEVOEGDHEID VAN HET GERECHT WAARBIJ DE ZAAK HET LAATST IS AANGEBRACHT - BEVOEGDHEID IN VERZEKERINGSZAKEN - HERVERZEKERING. - ZAAK C-351/89.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-03317
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
Mijne heren Rechters,
1. Krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: Executieverdrag) heeft de Court of Appeal van het Verenigd Koninkrijk een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van sommige bepalingen van dat Verdrag, waaronder vooral artikel 21 inzake aanhangigheid.
2. Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen drie herverzekeringsondernemingen (Overseas Union Insurance Limited, hierna: OUI; Deutsche Ruck UK Reinsurance Limited, hierna: Deutsche Ruck; Pine Top Insurance Company Limited, hierna: Pine Top) en de verzekeringsonderneming New Hampshire Insurance Company (hierna: New Hampshire) betreffende de uitwerking van een herverzekeringsovereenkomst.
OUI is een vennootschap naar het recht van Singapore die in Engeland is geregistreerd als een "overseas company". Deutsche Ruck en Pine Top zijn vennootschappen naar Engels recht met zetel te Londen. New Hampshire is een vennootschap naar het recht van New Hampshire (V.S.) waar ook haar hoofdkantoor is gevestigd. New Hampshire is behalve in de Verenigde Staten ook in Frankrijk en in Engeland bedrijvig. In Engeland is zij geregistreerd als "overseas company". In Frankrijk is zij als buitenlandse vennootschap geregistreerd en heeft daar verschillende kantoren. Zij is in Frankrijk bedrijvig via ("through the agency of") de vennootschap naar Frans recht American International Underwriters SARL.
3. De feiten van het bodemgeschil en het procesverloop worden als volgt in de verwijzingsbeslissing beschreven. In september 1979 heeft New Hampshire een verzekeringsovereenkomst gesloten met de vennootschap naar Frans recht Nouvelles Galeries Réunies, dit ter dekking van het risico dat voor laatstgenoemde vennootschap kan voortvloeien uit de vijfjaarlijkse garantie die zij bij de verkoop van elektrische apparaten verleent. In december 1980 heeft New Hampshire een deel van dat risico herverzekerd bij OUI, Deutsche Ruck en Pine Top. In juli 1986 hebben de herverzekeraars de uitbetaling van schadeposten gestaakt nadat zij herhaaldelijk klachten over de werking en het beheer van de verzekeringsrekening hadden geformuleerd.
Op 4 juni 1987 heeft New Hampshire voor het Tribunal de commerce van Parijs tegen Deutsche Ruck en Pine Top een vordering tot nakoming van de herverzekeringsovereenkomst ingesteld. Op 9 februari 1988 heeft zij voor dezelfde rechtbank een gelijkaardige vordering tegen OUI ingesteld. De bevoegdheid van het Franse gerecht is in de Franse procedure door Deutsche Ruck, Pine Top en OUI formeel betwist.
Bij brief van eind maart 1988 hebben OUI, Deutsche Ruck en Pine Top verklaard zich niet langer gebonden te achten aan de herverzekeringsovereenkomst, omdat zij oordeelden dat New Hampshire gegevens achterhield en/of onjuiste informatie verstrekte dan wel een fout beging bij het aangaan en het uitvoeren van de overeenkomst. Op 6 april 1988 stelden zij voor de Commercial Court van de Queen' s Bench Division een vordering in tegen New Hampshire, waarin zij het Engelse gerecht verzochten om vast te stellen dat zij zich terecht niet langer gebonden achtten aan de herverzekeringsovereenkomst. Daarop heeft New Hampshire het Engelse gerecht verzocht zijn uitspraak aan te houden. De Commercial Court gaf daaraan gevolg en besloot, overeenkomstig artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag, de uitspraak in de Engelse procedure aan te houden totdat het Franse gerecht zich over de exceptie van onbevoegdheid zou hebben uitgesproken. OUI, Deutsche Ruck en Pine Top stelden tegen deze beslissing beroep in bij de Court of Appeal. Het is in het kader van dat beroep dat de Court of Appeal een aantal prejudiciële vragen over de uitlegging van het Executieverdrag aan het Hof heeft voorgelegd. (1)
De eerste vraag
4. De eerste vraag betreft het toepassingsgebied van artikel 21 Executieverdrag. De Court of Appeal wenst namelijk te vernemen of artikel 21 van toepassing is ongeacht de woonplaats van partijen.
Artikel 21 Executieverdrag bepaalt:
"Wanneer voor gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, moet het gerecht, waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zelfs ambtshalve, de partijen verwijzen naar het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.
Het gerecht dat tot verwijzing zou moeten overgaan kan zijn uitspraak aanhouden indien de bevoegdheid van het andere gerecht wordt betwist."
5. Het Hof heeft reeds twee arresten met betrekking tot artikel 21 Executieverdrag uitgesproken.
In het arrest Gubisch (2) heeft het Hof uitgelegd wat onder de woorden "vorderingen welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten" moet worden verstaan. Daarin werd verduidelijkt dat het begrip aanhangigheid in de zin van genoemd artikel het geval omvat waarin de ene partij voor een Italiaans gerecht een vordering tot nietigverklaring, subsidiair ontbinding van een overeenkomst had ingeleid, terwijl een vordering tot nakoming van dezelfde overeenkomst aanhangig was voor een Duits gerecht. Tussen partijen in het bodemgeschil bestaat er omtrent dit punt geen betwisting. In de verwijzingsbeschikking stelt de Court of Appeal als vaststaand voorop dat de voor het Franse en het Engelse gerecht aanhangig zijnde vorderingen hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten in de zin van artikel 21 Executieverdrag zoals uitgelegd door het Hof in Gubisch.
In het arrest Zelger (3) heeft het Hof de woorden "gerecht bij hetwelk de zaak eerst aanhangig is gemaakt" uitgelegd. Het Hof heeft voor recht verklaard dat daaronder te verstaan is:
"het gerecht waar het eerst is voldaan aan de voorwaarden waaronder tot definitieve aanhangigheid kan worden besloten; deze voorwaarden moeten worden beoordeeld naar het nationale recht van elk der betrokken gerechten".
In de verwijzingsbeschikking duidt de Court of Appeal als vaststaand aan dat het bodemgeschil eerst bij het Franse gerecht aanhangig is gemaakt.
6. Met de eerste vraag wenst de Court of Appeal te weten of de woonplaats van gedingpartijen - en, zo ja, van dewelke - een weerslag heeft op de toepasselijkheid van artikel 21 Executieverdrag. Deze vraag is ingegeven door een argument dat OUI, Deutsche Ruck en Pine Top voor de Court of Appeal hebben aangevoerd: zij beweren dat artikel 21 Executieverdrag in casu niet van toepassing is omdat New Hampshire zijn woonplaats niet zou hebben in een verdragsluitende staat en meer in het bijzonder niet in Frankrijk.
Of de woonplaats van een vennootschap zoals New Hampshire inderdaad buiten de verdragsluitende staten is gelegen, is niet een vraag die aan het Hof wordt voorgelegd. Niettemin wil ik er kort op ingaan omdat, gelet op het hierna genoemde artikel 4 Executieverdrag, het meningsverschil tussen partijen omtrent de toepasselijkheid van artikel 21 daarin zijn oorsprong vindt.
Artikel 53, eerste alinea, Executieverdrag bepaalt:
"Voor de toepassing van dit Verdrag wordt de plaats van vestiging van vennootschappen en rechtspersonen gelijkgesteld met de woonplaats. Om deze plaats van vestiging vast te stellen, past de rechter evenwel de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe."
De Court of Appeal wijst er in zijn verwijzingsbeschikking op dat Section 42 van de Civil Justice and Judgments Act 1982 de nationale regels bevat welke toelaten de plaats van vestiging van een rechtspersoon te bepalen in de zin van artikel 53 Executieverdrag. Volgens dit artikel heeft een rechtspersoon zijn plaats van vestiging in een andere verdragsluitende staat uitsluitend wanneer:
- de rechtspersoon is opgericht of tot stand gekomen ("incorporated or formed") naar het recht van die staat, en aldaar zijn statutaire zetel of een ander officieel adres heeft; of
- het centrale bestuur van en het toezicht over de rechtspersoon vanuit die staat worden uitgeoefend.
Op grond van het voor hem geldende internationaal privaatrecht is de Court of Appeal dan ook van oordeel dat New Hampshire geen plaats van vestiging heeft in een andere verdragsluitende staat, in de zin van artikel 53 Executieverdrag. Het verwijzende gerecht voegt daar echter aan toe dat de vraag of New Hampshire naar Frans recht geacht moet worden in Frankrijk te zijn gevestigd, in geschil is tussen partijen.
7. Ik kom thans terug op het door OUI, Deutsche Ruck en Pine Top ingeroepen argument, zoals zij dit in hun opmerkingen bij het Hof hebben gepreciseerd. Volgens hen zou artikel 21 Executieverdrag enkel van toepassing zijn wanneer de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat maar niet wanneer hij, zoals door de verwijzende rechter wordt aangenomen, daar geen woonplaats heeft. Terwijl in de eerste hypothese artikel 2 en de in artikel 3 genoemde artikelen van het Executieverdrag zelf aangeven welk gerecht bevoegd is, wordt de bevoegdheid in de tweede hypothese volgens artikel 4 Executieverdrag in elke verdragsluitende staat door de wetgeving van die staat geregeld. In het geval van de Engelse wetgeving zou dan het "forum conveniens"-beginsel toepassing vinden, hetgeen betekent dat het Engelse gerecht de zaak zelf kan behandelen indien het, gelet op de omstandigheden van de zaak, het meest geschikte forum is.
In hun opmerkingen bij het Hof wijzen New Hampshire, de Britse regering, de Duitse regering en de Commissie de stelling af dat artikel 21 Executieverdrag niet van toepassing is in de voorliggende processituatie, dat is wanneer met de verwijzende rechter wordt aangenomen dat New Hampshire haar woonplaats niet heeft in een verdragsluitende staat. Ik ben het daarmee eens om de redenen die hierna worden uiteengezet.
8. Artikel 21 Executieverdrag regelt de situatie waarin voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn die hetzelfde onderwerp betreffen en dezelfde oorzaak hebben. Overeenkomstig deze regeling moet het gerecht waarbij de zaak het laatst aanhangig is gemaakt (hierna: het tweede gerecht), de partijen verwijzen naar het gerecht bij hetwelk de zaak het eerst aanhangig is gemaakt (hierna: het eerste gerecht), tenzij het verkiest zijn uitspraak aan te houden indien de bevoegdheid van het eerste gerecht wordt betwist.
Artikel 21 Executieverdrag maakt inzake aanhangigheid geen onderscheid naar gelang van de regeling welke, overeenkomstig het Verdrag, de bevoegdheid van een gerecht vaststelt. Meer in het bijzonder houdt het geen uitzondering in, zoals door de raadsman van de herverzekeraars ter terechtzitting bepleit, voor de hypothese waarin artikel 4 Executieverdrag toepasselijk is. Artikel 21 moet dan ook aldus worden gelezen dat de bepalingen ervan toepassing vinden zowel wanneer de bevoegdheid van het gerecht overeenkomstig de artikelen 2 en 3 Executieverdrag door de bepalingen van het Verdrag zelf wordt vastgesteld (dat is wanneer de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat) als wanneer die bevoegdheid geregeld wordt overeenkomstig artikel 4 Executieverdrag door de wetgeving van de betrokken verdragsluitende staat (dat is wanneer de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat). Uit de bewoordingen van artikel 21 Executieverdrag blijkt bijgevolg dat het artikel van toepassing is ongeacht de woonplaats van partijen.
9. Deze uitlegging is in overeenstemming met het door de bepaling nagestreefde doel. In Gubisch heeft het Hof dit doel als volgt omschreven (r.o. 8):
"Artikel 21 (...) maakt samen met artikel 22, betreffende de samenhang, deel uit van afdeling 8 van titel II van het Verdrag, welke afdeling ertoe strekt om, in het belang van een goede rechtsbedeling in de Gemeenschap, parallelle procedures voor de gerechten van de verschillende verdragsluitende staten en met elkaar strijdige beslissingen, die daarvan het gevolg kunnen zijn, te voorkomen. Deze regeling wil dus in de mate van het mogelijke en van meet af aan uitsluiten dat er een situatie ontstaat als bedoeld in artikel 27, lid 3, namelijk dat een beslissing niet wordt erkend wegens onverenigbaarheid met een beslissing die in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen is gegeven."
Overeenkomstig dit doel is het verantwoord artikel 21 Executieverdrag zo ruim mogelijk uit te leggen zodat het principieel toepassing vindt (daargelaten een mogelijke uitzondering in geval van exclusieve bevoegdheid: zie hierna, nr. 13) in alle gevallen van aanhangigheid voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten welke tot onverenigbare beslissingen kunnen leiden en dus, zoals hiervoor gezegd, ongeacht de omstandigheid of de betrokken gerechten hun bevoegdheid halen uit de regeling van de artikelen 2 en 3 dan wel uit die van artikel 4 Executieverdrag.
Een aanduiding om artikel 21 Executieverdrag terzijde te schuiven in de hypothese van artikel 4 Executieverdrag kan ik dus evenmin uit het met het artikel nagestreefde doel afleiden. Bewoording èn doel van artikel 21 Executieverdrag laten mij derhalve besluiten dat het artikel toepasselijk is ongeacht de woonplaats van partijen. (4)
De tweede en derde vraag
10. De tweede en derde vraag betreffen de uitlegging van artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag.
In de tweede vraag gaat de Court of Appeal ervan uit dat artikel 21 Executieverdrag wel degelijk van toepassing is, dat de bevoegdheid van het eerste gerecht betwist wordt en dat het tweede gerecht, overeenkomstig de hem door artikel 21, tweede alinea, gelaten mogelijkheid, de partijen niet naar het eerste gerecht verwezen heeft. De Court of Appeal wenst te vernemen of het tweede gerecht in die veronderstelling verplicht is zijn uitspraak aan te houden dan wel de mogelijkheid heeft om de zaak onmiddellijk zelf in behandeling te nemen.
De derde vraag is gesteld voor het geval de tweede in die zin moet worden beantwoord, dat de tweede rechter niet gehouden is de zaak aan te houden maar ze zelf in behandeling mag nemen. Met deze derde vraag wenst de Court of Appeal te vernemen of het tweede gerecht in die hypothese, ten einde te beslissen of het de uitspraak zal aanhouden of de zaak zelf zal behandelen, verplicht dan wel gerechtigd is te onderzoeken of het eerste gerecht bevoegd is en, zo ja, onder welke omstandigheden en in hoeverre dit onderzoek moet/mag plaatsvinden.
11. Deze vragen zijn ingegeven door het subsidiaire argument van OUI, Deutsche Ruck en Pine Top dat artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag slechts uitwerking heeft wanneer het eerste gerecht daadwerkelijk bevoegd is, hetgeen het tweede gerecht bijgevolg moet onderzoeken. Welnu, indien het Engelse gerecht in casu de bevoegdheid van het Franse gerecht zou onderzoeken, zou uit dit onderzoek volgens hen blijken dat het Franse gerecht ingevolge het Executieverdrag onbevoegd is ten aanzien van Deutsche Ruck en Pine Top omdat die hun plaats van vestiging in Engeland hebben en dan ook daar hadden moeten worden gedaagd, en dat het Franse gerecht ook ten aanzien van OUI, in Engeland geregistreerd als een "overseas company", geen bevoegdheid kan halen uit het Executieverdrag en evenmin uit het Franse recht. New Hampshire stelt daar tegenover, aldus de verwijzingsbeschikking, dat het Franse gerecht wel degelijk bevoegd is, omdat zij op grond van het Franse recht geacht moet worden in Frankrijk woonplaats te hebben in de zin van artikel 4, tweede alinea, Executieverdrag (of eventueel artikel 8, tweede alinea, Executieverdrag), wellicht ook op grond van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.
12. De vraag of het Franse gerecht daadwerkelijk bevoegd is, is hier niet aan de orde. Het Hof wordt alleen verzocht zich uit te spreken omtrent de principiële vraag of het tweede gerecht de mogelijkheid zo niet de plicht heeft om de bevoegdheid van het eerste gerecht te onderzoeken.
Door de raadsman van OUI, Deutsche Ruck en Pine Top werd ter terechtzitting bepleit dat het tweede gerecht in sommige gevallen van aanhangigheid de bij hem ingestelde zaak zelf zou kunnen behandelen zonder een onbevoegdheidsverklaring van het eerste gerecht af te wachten. Een deel van de doctrine (5) verdedigt namelijk de opvatting dat artikel 21 Executieverdrag geen toepassing vindt wanneer het tweede gerecht op grond van één van de in artikel 16 Executieverdrag genoemde gronden een exclusieve bevoegdheid heeft. Dit zou erop wijzen dat het tweede gerecht in allen gevalle moet nagaan of de vordering terecht bij het eerste gerecht aanhangig werd gemaakt.
13. Of artikel 16 Executieverdrag evenals andere Verdragsartikelen (onder meer artikel 17) die een exclusieve bevoegdheid toekennen, een uitzondering vormen op de regeling van artikel 21 Executieverdrag is een vraag die ik hier in het midden kan laten. De verwijzende rechter werpt deze vraag niet op. Door geen van partijen in het bodemgeschil wordt overigens beweerd dat een exclusieve bevoegdheidsgrond aan de orde is.
Hoe het antwoord op die vraag ook weze, het lijkt me een verregaande conclusie te zijn uit het (mogelijke) bestaan van een uitzondering in een geval van exclusieve bevoegdheid af te leiden dat het tweede gerecht ook in andere gevallen mag of moet nagaan of het eerste gerecht wel degelijk bevoegd is. Beide hypotheses verschillen grondig van elkaar. In de hypothese van een exclusieve of uitsluitende bevoegdheid onderzoekt het tweede gerecht uitsluitend de eigen (exclusieve) bevoegdheid. Dit ligt anders in de hypothese dat zoals in casu geen grond van exclusieve bevoegdheid aan de orde is. In een dergelijk geval zou het tweede gerecht, als men de stelling van de herverzekeraars bijtreedt, ertoe worden gebracht de bevoegdheid van het eerste gerecht in diens plaats te onderzoeken om daaruit dan, bij vermeende onbevoegdheid van het eerste gerecht, de eigen bevoegdheid af te leiden. Uit het mogelijke bestaan van een uitzondering op artikel 21 Executieverdrag in het geval van een exclusieve bevoegdheid, kan dus geen lering worden getrokken voor het onderhavige geval.
14. Wat nu de eigenlijke vraagstelling betreft ben ik het eens met New Hampshire, de Britse regering, de Duitse regering en de Commissie dat de door OUI, Deutsche Ruck en Pine Top aan artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag gegeven uitlegging (zie hiervoor, nr. 11) moet worden afgewezen. Dit blijkt uit de doelstelling van die bepaling, zoals nu wordt aangegeven.
Artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag bevat een uitzondering op de in de eerste alinea voorgeschreven algemene regel welke verwijzing naar het eerste gerecht voorschrijft. Het doel van deze uitzonderingsbepaling wordt als volgt in het rapport Jenard omschreven (6):
"Dit voorschrift is opgenomen opdat de partijen niet gedwongen zullen zijn een nieuwe procedure te beginnen indien bij voorbeeld de rechter bij wie de zaak het eerst aanhangig is gemaakt zich onbevoegd verklaart. Door deze mogelijkheid kan de kans op negatieve bevoegdheidsgeschillen worden uitgeschakeld."
Uit deze doelstelling blijkt mijns inziens dat het tweede gerecht, wanneer het bij betwisting van de bevoegdheid van het eerste gerecht de zaak niet naar het eerste gerecht wenst te verwijzen, zich ertoe moet beperken de zaak aan te houden zonder zelf het onderzoek ervan aan te vatten. Door de zaak enkel en alleen aan te houden wordt immers de doelstelling negatieve bevoegdheidsgeschillen zoveel mogelijk uit te schakelen (dat is vermijden dat wanneer het eerste gerecht zich onbevoegd zou verklaren, het tweede niet meer geldig opnieuw zou kunnen worden gevat) volledig bereikt. Daarvoor is het niet nodig dat het tweede gerecht ook nog overgaat tot het onderzoek en vervolgens de beslechting van de zaak. Zou het dat wel doen, dan ontstaat integendeel een risio van tegenstrijdige beslissingen, namelijk wanneer ook het eerste gerecht zich zou bevoegd verklaren en het geschil beslechten, hetgeen het Executieverdrag zoveel mogelijk wil voorkomen (hiervoor, nr. 9).
15. Het tweede gerecht dient zijn uitspraak in een situatie als de voorliggende derhalve aan te houden, indien het partijen niet naar het eerste gerecht zou hebben verwezen. (7) Dit is ook het geval wanneer het tweede gerecht van oordeel zou zijn dat het eerst benaderde gerecht niet bevoegd is. Het komt immers niet aan het tweede gerecht toe - het geval van exclusieve bevoegdheid in het midden gelaten (zie hiervoor, nr. 13) - maar wel aan het eerste om zich over de bevoegdheid van dit eerste gerecht uit te spreken. Anders beslissen ware een ongerechtvaardigde inmenging van het tweede gerecht in de rechtsmacht van het eerste.
De hiervoor weergegeven mening komt ook het best overeen met de bewoording van artikel 21, tweede alinea, Executieverdrag, dat alleen het aanhouden van de zaak als alternatief voor de verwijzing naar het eerste gerecht vermeldt, en niet daarnaast ook nog in de mogelijkheid voorziet voor het tweede gerecht om de zaak desgewenst in behandeling te nemen.
De vierde vraag
16. De vierde vraag heeft betrekking op het toepassingsgebied van de bepalingen van titel II, afdeling 3, van het Executieverdrag met betrekking tot herverzekeringscontracten. Aangezien deze vraag gesteld wordt voor het geval uit het antwoord op de vorige vragen blijkt dat het tweede gerecht verplicht of gerechtigd is de bevoegdheid van het eerste gerecht te onderzoeken, dien ik, gelet op de hiervoor gesuggereerde antwoorden, niet nader in te gaan op deze vraag.
Besluit
17. Ik stel voor de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden:
1. Artikel 21 Executieverdrag vindt toepassing ongeacht de woonplaats van de partijen die voor gerechten van verschillende verdragsluitende staten vorderingen hebben aanhangig gemaakt die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten.
2. Wanneer, bij toepasselijkheid van artikel 21 Executieverdrag, de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt betwist wordt, dient het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, als het met toepassing van de tweede alinea van genoemd artikel de partijen niet naar het eerstgenoemde gerecht verwijst, zijn uitspraak zonder meer aan te houden.
(*) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
(1) Gelet op de datum waarop het bodemgeschil bij de Engelse rechter aanhangig werd gemaakt (6 april 1988), dient bij de beantwoording van deze vragen acht te worden geslagen op het Executieverdrag zoals gewijzigd door het Toetredingsverdrag van 1978 (PB 1978, L 304, blz. 1) en in het Verenigd Koninkrijk in werking getreden op 1 januari 1987 (PB 1986, C 285, blz. 1). De nadien door het Toetredingsverdrag van 1982 (PB 1982, L 388, blz. 1) gewijzigde versie van het Executieverdrag is in het Verenigd Koninkrijk pas op 1 oktober 1989 in werking getreden (PB 1989, C 249, blz. 1). Voor de uitlegging van de hierna besproken artikelen van het Executieverdrag maakt dit evenwel geen verschil uit aangezien zij geen wijziging ondergingen.
(2) Arrest van 8 december 1987 (zaak 144/86, Gubisch, Jurispr. 1987, blz. 4861).
(3) Arrest van 7 juni 1984 (zaak 129/83, Zelger, Jurispr. 1984, blz. 2397).
(4) In dezelfde zin: G. Droz, Compétence judiciaire et effets des jugements dans le marché commun, 1972, blz. 189; P. Gothot en D. Holleaux, La Convention de Bruxelles du 27 septembre 1968, 1985, blz. 123; P. Kaye, Civil Jurisdiction and Enforcement of Foreign Judgments, 1987, blz. 1221; J. Kropholler, Europaeisches Zivilprozessrecht, 1987, blz. 215.
(5) G. Droz, op. cit., blz. 192 tot en met 194; P. Kaye, op. cit., blz. 1221 tot en met 1223.
(6) Rapport over het verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, opgesteld door P. Jenard (PB 1979, C 59, blz. 1, blz. 41).
(7) In dezelfde zin: P. Gothot en D. Holleaux, op. cit., blz. 126; P. Kaye, op. cit., blz. 1219.
Top