Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 15 december 1988. - SOCIETE SIX CONSTRUCTIONS LTD TEGEN PAUL HUMBERT. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING, INGEDIEND DOOR HET FRANSE COUR DE CASSATION. - EEG-EXECUTIEVERDRAG - PLAATS WAAR DE VERBINTENIS MOET WORDEN UITGEVOERD. - ZAAK 32/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 00341
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij arrest van 14 januari 1988 heeft de Franse Cour de cassation het Hof twee vragen gesteld over de uitlegging van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van Brussel betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken .
De feiten van de zaak en de in de bij het Hof ingediende opmerkingen naar voren gebrachte argumenten zijn uitvoerig uiteengezet in het rapport ter terechtzitting . Ik kan daarom volstaan met een samenvatting van de hoofdpunten, alvorens in te gaan op de aan het Hof gestelde vragen .
Verweerder in het hoofdgeding ( verzoeker in eerste aanleg ), P . Humbert, van Franse nationaliteit en in Frankrijk woonachtig, heeft de vennootschap in dienst waarvan hij gedurende negen maanden werkzaam is geweest, voor de Franse rechter gedaagd om haar te doen veroordelen tot betaling van verschillende vergoedingen . Het is twijfelachtig, of de vennootschap wel in een der Lid-Staten is gevestigd, wat toch een vereiste is voor
de toepasselijkheid van het Executieverdrag . Uit meerdere stukken blijkt namelijk dat Six Constructions Ltd, die in Brussel gevestigd zou zijn, een volgens het recht van het Arabische Emiraat Sharjah opgerichte vennootschap is met een "agentschap" in Brussel .
Waar het Hof in een prejudiciële procedure echter moet uitgaan van de feiten zoals die door de verwijzende rechter zijn weergegeven, moet in casu worden aangenomen dat de vennootschap haar zetel in België heeft .
De Franse rechter die de door de vennootschap opgeworpen exceptie van onbevoegdheid moest onderzoeken, kon namelijk om procestechnische redenen op dat aspect van de zaak niet dieper ingaan, omdat het in de procedure niet naar behoren aan de orde was gesteld .
Ik zal dat aspect hier dan ook - tegen wil en dank - verder buiten beschouwing laten en mijn aandacht richten op de zaak zoals de verwijzende rechter die heeft voorgelegd .
Het feit dat Humbert zijn werkzaamheden in dienst van de vennootschap in geen van de Lid-Staten van de Gemeenschap heeft verricht, is in het onderhavige geval van groot belang . Blijkens het verwijzingsarrest en het dossier van de zaak heeft hij namelijk uitsluitend buiten de Gemeenschap voor de vennootschap gewerkt . Dat is ook de reden waarom de verwijzende rechter het Hof twee vragen stelt, waarmee hij ten eerste wil vernemen, welke verbintenis in een dergelijk geval voor de toepassing van artikel 5, sub 1, in aanmerking moet worden genomen, en ten tweede, of het ervoor moet worden gehouden, dat de karakteristieke verbintenis wordt uitgevoerd in de vestiging die de werknemer heeft aangeworven, of dat dan juist de algemene regel van artikel 2 van het Verdrag, het forum rei, moet worden toegepast .
2 . 's Hofs rechtspraak betreffende de uitlegging van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag is niet omvangrijk . Toch zijn er wel een aantal arresten, die enerzijds betrekking hebben op de meer algemene vraag, welke verbintenis voor de toepassing van artikel 5, sub 1, in aanmerking moet worden genomen, en anderzijds op de meer specifieke problematiek die zich wat dat betreft bij arbeidsovereenkomsten voordoet .
Ik hoef niet te verheimelijken dat aanzienlijke verschillen tussen die arresten in de doctrine vragen hebben opgeworpen en soms tot heftige debatten hebben geleid . Het in de onderhavige zaak te wijzen arrest is dan ook van bijzonder belang om de strekking van 's Hofs rechtspraak te verduidelijken . Het is trouwens geen toeval, dat de partijen die in de schriftelijke procedure en ter terechtzitting opmerkingen hebben ingediend, ofschoon zij zich allen op die rechtspraak beroepen, tot verschillende conclusies komen .
3 . Laat ik om te beginnen een schematisch overzicht geven van de tot dusverre door het Hof vastgestelde beginselen die in de onderhavige zaak een rol kunnen spelen :
a ) Allereerst is daar het in het arrest De Bloos ( zaak 14/76, Jurispr . 1976, blz . 1497 ) neergelegde beginsel, dat voor de vaststelling van de plaats van uitvoering van de verbintenis moet worden gezien naar de verbintenis welke de keerzijde vormt van het contractuele recht waarop verzoeker zijn vordering baseert : de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt .
b ) In de tweede plaats is in het arrest Tessili ( zaak 12/76, Jurispr . 1976, blz . 1473 ) het beginsel geformuleerd, dat de plaats waar de verbintenis is of moet worden uitgevoerd, in twee etappes moet worden vastgesteld . De aangezochte rechter moet eerst "naar zijn eigen collisieregels bepalen welk recht op de gegeven rechtsbetrekking van toepassing is", en vervolgens moet hij op grond van dat recht de plaats van uitvoering van de contractuele verbintenis vaststellen .
c ) In de derde plaats is in het arrest Ivenel ( zaak 133/81, Jurispr . 1982, blz . 1891 ) voor arbeidsovereenkomsten het beginsel neergelegd, dat bij een overeenkomst betreffende arbeid in dienstverband de band die moet bestaan tussen de bevoegde rechter en het hem voorgelegde geschil, wordt bepaald door de verbintenis waardoor de betrokken overeenkomst wordt gekarakteriseerd, dat wil in de regel zeggen de verbintenis om arbeid te verrichten .
d ) In het arrest Shevanai ( zaak 266/85, Jurispr . 1987, blz . 239 ) ten slotte heeft het Hof bevestigd, dat arbeidsovereenkomsten bijzondere kenmerken vertonen, op grond waarvan de rechter van de plaats waar de voor die overeenkomsten karakteristieke verbintenis moet worden uitgevoerd, kennelijk het meest geschikt is om de eventuele geschillen te beslechten . Vervolgens heeft het echter gepreciseerd, dat "wanneer die specifieke kenmerken ontbreken", enkel de in de overeenkomst bedongen verbintenis waarvan de uitvoering in rechte wordt gevorderd, in aanmerking moet worden genomen .
4 . Proberen we nu die rechtspraak toe te passen op de vragen van de nationale rechter, dan zal het antwoord op die vragen - dat is duidelijk - verschillen naar gelang van de rechtspraak die tot uitgangspunt wordt genomen .
Toepassing van de arresten De Bloos en Shevanai zou betekenen, dat de in aanmerking te nemen verbintenis die is welke de keerzijde vormt van het recht waarop verzoeker zijn vordering baseert . Blijkens het verwijzingsarrest heeft Humbert zijn vordering ingesteld ten einde verschillende vergoedingen te verkrijgen die uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeien . De verbintenissen van de werkgever om die vergoedingen te betalen, zouden dus kunnen worden aangemerkt als de verbintenissen die aan de eis ten grondslag liggen . Theoretisch is het dus niet uitgesloten, dat de plaats van uitvoering van die verbintenissen de woonplaats van de werknemer is, wanneer zulks wordt bepaald door het krachtens het conflictenrecht van de aangezochte rechter toepasselijke materiële recht, indien men althans de in het arrest Tessili gevormde rechtspraak wil volgen . Het is niet verrassend, dat die opvatting door Humbert wordt verdedigd in zijn bij het Hof ingediende opmerkingen, zij het dat hij zich in zijn betoog niet op het arrest De Bloos beroept .
Beroept men zich daarentegen op het arrest Ivenel, volgens hetwelk de voor de overeenkomst karakteristieke verbintenis - in de regel de verbintenis om arbeid te verrichten - forumbepalend is, dan zou de rechter van het land waar de arbeidsprestatie is verricht, bevoegd moeten worden geacht . Het behoeft geen betoog dat die benadering in het onderhavige geval - waarin nu juist de arbeid uitsluitend buiten de Gemeenschap is verricht - onvermijdelijk ertoe zou leiden, dat artikel 5, sub 1, geen toepassing kan vinden, tenzij men, ten einde de arbeidsverhouding in een bepaald land te kunnen lokaliseren, andere belangrijke aspecten van die verhouding evenzeer karakteristiek wenst te achten ( Humberts stelling ).
De partijen die zich in casu desondanks op het arrest Ivenel hebben willen baseren, hebben daartoe in hun bij het Hof ingediende opmerkingen de nodige spitsvondigheid aan de dag moeten leggen .
5 . Zo hebben een aantal regeringen voorgesteld om in een geval als het onderhavige als criterium te aanvaarden, dat de rechter van de plaats van vestiging van de werkgever bevoegd is . Ook de verwijzende rechter noemt dit criterium als een mogelijkheid .
De Commissie heeft het door die regeringen voorgestelde criterium uiteindelijk echter toch verworpen en stelt voor, artikel 5, sub 1, in casu volledig buiten toepassing te laten en terug te vallen op de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, het forum rei .
6 . Alvorens mij voor een van beide opvattingen uit te spreken of het Hof eventueel een andere oplossing voor te stellen, wil ik graag enkele opmerkingen maken over de door de verwijzende rechter in zijn tweede prejudiciële vraag genoemde mogelijkheid, die door een aantal regeringen in hun opmerkingen nader is uitgewerkt, namelijk dat het forum van de vestiging van de werkgever als zodanig ( of in de vorm van de plaats van aanwerving ) als criterium wordt gehanteerd .
7 . Eerlijk gezegd heeft die oplossing, die een geheel nieuwe dimensie toevoegt aan de tot dusverre door het Hof ontwikkelde beginselen, met hoeveel verve ook gebracht, mij zo verbluft, dat het mij niet redelijk lijkt om het Hof die oplossing aan te bevelen .
De door de regeringen ter ondersteuning van hun stelling aangevoerde argumenten zijn vooral ontleend aan de bepalingen van twee internationale verdragen : het Verdrag van Rome inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst ( 1 ) en het Verdrag van Lugano inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen ( het zogenoemde "Parallelverdrag "). ( 2 ) Om aan te geven waarom de door de betrokken regeringen voorgestelde oplossing mij zo versteld heeft doen staan, lijkt het mij niet nodig om op al die argumenten in te gaan, en wel om een zeer eenvoudige reden . Ook al zouden die argumenten de door de regeringen verdedigde stelling blijken te rechtvaardigen, mijns inziens moet de juistheid ervan worden beoordeeld in het licht van het Executieverdrag, het enige verdrag ten aanzien waarvan het Hof uitleggingsbevoegdheid bezit . ( 3 )
8 . Met andere woorden : het is niet uitgesloten dat aan bepalingen in andere verdragen of aan voor andere verdragen geldende uitleggingscriteria logische argumenten worden ontleend vóór een bepaalde uitlegging van het Executieverdrag .
Het is daarentegen in strijd met de meest elementaire uitleggingsbeginselen en dus wél uitgesloten, dat een in een ander verdrag neergelegd aanknopingscriterium als zodanig - dus niet in het kader van een uitleggingsproces - wordt gebruikt bij de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag .
9 . Het criterium van het forum van de onderneming is in strijd met :
a ) de bewoordingen van de door het Hof uit te leggen bepaling;
b ) de bedoeling van de opstellers van het Executieverdrag, die is bevestigd bij het Verdrag van 1978;
c ) de ratio decidendi van het arrest Ivenel;
d ) de systematiek van het Executieverdrag;
e ) de in nagenoeg alle Lid-Staten bestaande rechtssituatie .
a ) Vaststaat dat het Executieverdrag niet voorziet in een apart - bijzonder of exclusief - forum voor arbeidsgeschillen . Voor dergelijke geschillen komt dus hetzij het algemene forum van artikel 2, hetzij het bijzondere en alternatieve forum voor overeenkomsten van artikel 5, sub 1, in aanmerking . In casu gaat het om de uitlegging van artikel 5, sub 1, een bepaling die ongetwijfeld restrictief moet worden uitgelegd .
Het staat evenzeer vast, dat in geen van beide bepalingen de plaats van vestiging van de onderneming als zodanig als aanknopingscriterium wordt voorzien . Integendeel, in artikel 2 wordt het forum rei bevoegd verklaard, terwijl artikel 5, sub 1, de aanlegger van het geding de mogelijkheid biedt, de zaak aan te brengen bij de rechter van het land waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd .
b ) In het rapport Jenard wordt duidelijk uiteengezet, waarom in de definitieve versie van het Executieverdrag, waarvan het voorontwerp een exclusief forum voor geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten kende ( waarbij onder meer de plaats van vestiging van de onderneming als aanknopingscriterium werd gehanteerd ), een dergelijk bijzonder forum toch niet is opgenomen . Tekenend is in dit verband, dat deze kwestie in het rapport-Jenard wordt afgesloten met de opmerking, dat de desbetreffende bepalingen van het Verdrag nog altijd kunnen worden gewijzigd, met name door het sluiten van een bijkomend protocol . Maar ook bij de aanpassing van het Verdrag in verband met de toetreding van drie nieuwe Lid-Staten is in die situatie geen wijziging gebracht . Daaruit blijkt duidelijk, dat de Lid-Staten het ook toen nog altijd niet wenselijk achtten, een bijzonder forum voor geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten te creëren .
Maar dat is nog niet alles . Het Toetredingsverdrag van 1978 heeft niet alleen, anders dan voor andere gevallen, geen bijzonder forum voor arbeidsovereenkomsten in het leven geroepen, maar het heeft tevens de authentieke uitlegging van artikel 5, sub 1, verschaft : het heeft immers ook de Franse en de Nederlandse tekst van die bepaling uitdrukkelijk aangepast aan de Italiaanse, en wel aldus dat de rechter bevoegd wordt verklaard van de plaats waar "de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd ". In het rapport Schlosser wordt dienaangaande dan ook uitdrukkelijk naar het arrest De Bloos verwezen .
c ) Er zijn twee redenen waarom het Hof in het arrest Ivenel het begrip karakteristieke verbintenis heeft gehanteerd als criterium om de plaats van uitvoering in arbeidszaken te bepalen . In de eerste plaats wilde het daarmee een alternatief in het leven roepen dat beter zou aansluiten bij de belangen van de als de zwakkere partij beschouwde werknemer, en ten tweede beoogde het op die manier het door velen gevreesde gevaar van versnippering van fora te vermijden .
De hier besproken opvatting zou echter leiden tot de paradoxale situatie, dat het criterium van de plaats van vestiging van de onderneming als zodanig, eenmaal als bevoegdheidscriterium ingevoerd, eveneens van toepassing zou zijn ingeval de werkgever de eisende partij is .
Met andere woorden : verdedigt men de opvatting, dat de plaats van vestiging van de onderneming moet worden geacht de plaats van uitvoering te zijn, wanneer de karakteristieke verbintenis - de verbintenis tot het verrichten van arbeid - is uitgevoerd buiten het grondgebied van de Gemeenschap, dan zou de werkgever de mogelijkheid hebben om de zwakkere partij bij de overeenkomst, de werknemer, voor zijn eigen forum, het forum actoris, te dagvaarden .
Dat is een dermate in het oog springende paradox, dat reeds daarom de door de betrokken regeringen verdedigde opvatting niet kan worden aanvaard . ( 4 )
d ) Dit geldt te meer wanneer men bedenkt, dat het Executieverdrag in de gevallen waarin het expliciet in bijzondere fora - als alternatief voor het algemene forum van artikel 2 - voorziet ter bescherming van de zwakkere partij ( namelijk bij verzekeringen en consumentenovereenkomsten ), eveneens uitdrukkelijk bepaalt ( in de artikelen 11 en 14 van het Verdrag zoals gewijzigd in 1978 ), dat de vordering slechts kan worden gebracht voor de rechter van de verdragsluitende staat op welks grondgebied de zwakkere partij woonplaats heeft . Dat betekent in concreto, dat de verzekeraar een verzekerde nooit voor zijn eigen rechter kan dagen . Hetzelfde geldt voor consumentenovereenkomsten . Bij arbeidsovereenkomsten daarentegen zou de werkgever de werknemer wel voor zijn eigen rechter kunnen oproepen . Dat is toch op zijn minst discutabel .
Voorts is het een niet te ontkennen feit, dat in het merendeel van de geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten de werknemer de eisende partij is . In de opzet van het Verdrag kan de eiser zich altijd wenden tot het algemene forum van artikel 2, het forum rei . Wil men nu werkelijk inhoud geven aan het beginsel van de bescherming van de zwakkere partij en de eisende partij hoe dan ook een reëel alternatief bieden - een doel dat het Verdrag duidelijk nastreeft -, dan is men niet op de goede weg wanneer een bevoegdheidsregeling wordt gecreëerd, die veelal niet meer dan een "duplikaat" van het forum rei zal blijken te zijn . Voor een daadwerkelijke bescherming van de zwakkere partij, in dier voege dat deze in rechte voor zijn belangen kan opkomen zonder de proceskosten te hoeven dragen ( om van de rest nog maar te zwijgen ) - die hem, zo hij verplicht was zich tot het forum van de werkgever te wenden, er wellicht van zouden kunnen weerhouden een procedure aan te spannen -, moet men volgens mij een andere weg inslaan en, voor zover een teleologische interpretatie zulks toestaat, een forum proberen te vinden, dat een alternatief vormt voor het forum rei van artikel 2 .
Dat geldt te meer waar, gelijk in het rapport-Jenard wordt beklemtoond, door het op de directe bevoegdheid gebaseerde Executieverdrag de rechtszekerheid beter wordt gewaarborgd, omdat de beslissing waarvan in de aangezochte staat om erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht, afkomstig is van een rechter die zijn bevoegdheid aan het Verdrag zelf ontleent .
e ) Een onderzoek naar de in de Lid-Staten toepasselijke interne bevoegdheidsregels inzake arbeidsverhoudingen leert dat :
i ) in het merendeel van de nationale rechtsorden wordt uitgegaan van de regel van het forum rei;
ii ) dikwijls - en dan meestal in aanvulling op het forum rei - ook de mogelijkheid bestaat om de zaak aan te brengen bij het gerecht van de plaats waar de arbeidsprestatie is of moet worden verricht;
iii ) het zelden voorkomt, dat de woonplaats of de zetel van de werkgever als zodanig als competentie scheppend criterium wordt gebezigd .
In de verschillende rechtsorden valt dus een algemene tendens waar te nemen, om de werknemer een forum in de buurt van zijn arbeidsplaats te verschaffen . Bovendien willen een aantal staten uitsluitend de werknemers een betere bescherming in rechte bieden, door hun een ruimere keuze te geven dan de werkgever .
Het Italiaanse recht ( artikel 413, cod . proc . civ .) biedt daarnaast nog het alternatief van het forum van de zetel van de onderneming . Op het eerste gezicht lijkt de Italiaanse regeling daarmee als enige af te wijken van het hierboven gestelde . Uit de betrokken bepaling blijkt evenwel duidelijk, dat die keuze is ingegeven door het vereiste, bevoegdheid toe te kennen aan de rechter van de plaats waar de arbeidsprestatie meestal wordt verricht, omdat de onderneming daar gevestigd is . Dat wordt nog eens bevestigd door het feit, dat men zich als alternatief kan wenden tot de rechter van de plaats waar zich een gedecentraliseerde produktie-eenheid van de onderneming bevindt, indien aldaar de arbeidsprestatie wordt gelokaliseerd . Bovendien mag men niet uit het oog verliezen, dat het heel iets anders is, of men het forum van de onderneming aanwijst voor de nationale territoriale bevoegdheid, of dat men dat forum aanwijst voor de internationale competentie, waarvoor het Executieverdrag regels geeft .
Ook al valt de keuze van de nationale wetgever voor het forum van de onderneming te rechtvaardigen, waar daaraan de redelijke veronderstelling ten grondslag ligt, dat de plaats van vestiging van de onderneming in de regel dezelfde is als die waar de arbeidsprestatie wordt verricht, het zou onaanvaardbaar zijn wanneer een dergelijke keuze via rechtspreking tot stand kwam, een mogelijkheid die door de verwijzende rechter en enkele regeringen wordt overwogen . In casu is de redenering namelijk juist gebaseerd op de premisse, dat de werknemer zijn werkzaamheden niet heeft uitgeoefend in het land waar de onderneming is gevestigd . En dat is helemaal geen ongebruikelijke situatie : integendeel, in de internationale bevoegdheidsproblematiek komt dit dikwijls voor .
10 . De opvatting, dat de rechter van de plaats van vestiging van de onderneming als zodanig bevoegd is - dat wil zeggen los van de plaats van arbeidsverrichting en de plaats van de overige uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen -, moet mijns inziens dan ook resoluut van de hand worden gewezen . Degeen die een dergelijke oplossing voorstelt, die trouwens al met een klein beetje fantasie kan worden getransformeerd van een specifieke oplossing voor het onderhavige geval tot een algemene oplossing voor een veelheid van gevallen, verzoekt het Hof in feite niet meer om uitlegging van artikel 5, sub 1, maar om invoering van een nieuw aanknopingscriterium . Kon de oplossing van de karakteristieke prestatie ( arrest Ivenel ) immers nog worden gezien als een poging tot uitlegging van artikel 5, sub 1, en met name als een antwoord op de vraag, welke verbintenis in aanmerking moet worden genomen, de opvatting dat de plaats van vestiging van de onderneming als zodanig competentie kan scheppen, zou niet voortvloeien uit de uitlegging van de betrokken bepaling, maar zou daarentegen iets geheel nieuws creëren : er zou een nieuw criterium worden ingevoerd, en nog wel een dat door de verdragsluitende partijen met opzet is uitgesloten . Het behoeft nauwelijks enig betoog, dat een verdragswijziging geen taak is voor het Hof, maar voor de partijen bij het verdrag .
Nu ik dus de oplossing van het forum van de onderneming als zodanig of als "plaats van aanwerving" - wat in feite op hetzelfde neerkomt - van de hand heb gewezen, moet ik thans gaan onderzoeken, hoe de vragen van de verwijzende rechter wèl op een bevredigende wijze kunnen worden beantwoord .
11 . Het onderhavige geschil lijkt in feite neer te komen op het volgende alternatief : de nationale rechter kan zich op het standpunt stellen dat de betaling van de verschillende door de verzoeker gevorderde vergoedingen is te beschouwen als de uitvoering van de contractuele verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, maar hij kan ook van oordeel zijn, dat het bij de betaling van die schadevergoedingen niet om één verbintenis gaat, maar om "verschillende" uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verbintenissen .
In het eerste geval, wanneer er sprake is van één verbintenis, lijkt de oplossing vrij eenvoudig . Op grond van de bewoordingen van artikel 5, sub 1, en de daaraan door het Hof gegeven uitlegging ( arresten De Bloos en Shevanai, maar ook Tessili ) moet de aangezochte rechter onderzoeken, of hij zelf dan wel een andere rechter volgens het krachtens zijn eigen conflictenrecht toepasselijke materiële recht bevoegd is om van het geschil kennis te nemen . Het is trouwens niet uitgesloten, dat de aangezochte rechter op een andere manier bepaalt of hij al dan niet bevoegd is op grond van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt : bij voorbeeld wanneer dit duidelijk de wil van partijen blijkt te zijn, eventueel nog bevestigd door de wijze waarop zij in de loop van de desbetreffende rechtsverhouding aan de betrokken overeenkomst uitvoering hebben gegeven, en in elk geval wanneer er sprake is van een puur feitelijk aanknopingscriterium .
12 . In het tweede geval, wanneer er sprake is van een pluraliteit van verbintenissen, hebben wij te maken met de casuspositie van het arrest Ivenel, met als moeilijkheid overigens, dat de in het arrest Ivenel neergelegde beginselen moeten worden toegepast in het onderhavige geval waarin de "karakteristieke" verbintenis - het verrichten van arbeid - buiten de Gemeenschap moet worden gelokaliseerd .
Het onderzoek van deze tweede mogelijkheid wordt echter aanzienlijk vereenvoudigd, wanneer men daarbij rekening houdt met de aan het arrest Ivenel ten grondslag liggende overwegingen . Tekenend is, dat de redenering van het Hof op twee elementen is gebaseerd : de bescherming van de zwakkere partij en de wenselijkheid om het bevoegde forum te koppelen aan het toepasselijke recht, dat "... bepalingen ter bescherming van de werknemer bevat ". Aan het slot van rechtsoverweging 19 overweegt het Hof : "waarbij die wet normaliter de wet is van de plaats waar de arbeidsprestatie - het element dat voor het contract kenmerkend is - wordt geleverd ".
Mijns inziens heeft deze redenering van het Hof als logische consequentie dat wanneer die materieelrechtelijke bepalingen ter bescherming van de werknemer bevoegdheid en toepasselijk recht niet aan elkaar kunnen koppelen, omdat de plaats van arbeidsverrichting buiten het grondgebied van de Lid-Staten van de EEG is gelegen, deze in de rechtspraak ontwikkelde constructie niet meer opgaat, althans voor zover zij is toegespitst op de verbintenis tot het verrichten van arbeid .
13 . In dat geval zouden wij hetzij het begrip "karakteristieke verbintenis" ter zijde kunnen laten en kunnen terugkeren naar de algemene regeling, vervat in de bewoordingen van artikel 5, sub 1, ( arresten De Bloos en Shevanai ), hetzij kunnen vaststellen, dat artikel 5, sub 1, in zijn geheel niet toepasselijk is, en, overeenkomstig het voorstel van de Commissie, terugvallen op het algemene forum van artikel 2, het forum rei .
14 . Ofschoon ik de in het arrest Ivenel ontwikkelde rechtspraak geenszins op losse schroeven wil zetten, zou het Hof mijns inziens toch moeten nagaan, of "de karakteristieke verbintenis", dat wil zeggen de verbintenis tot het verrichten van arbeid, wel het verhoopte panacee is voor alle gevallen waarin er meerdere verbintenissen aan de eis ten grondslag liggen . Dat geldt vooral voor de gevallen waarin om feitelijke redenen - uitoefening van de beroepswerkzaamheden buiten de Lid-Staten - geen koppeling tussen plaats van arbeidsverrichting en bevoegde rechter tot stand kan worden gebracht, of wanneer die koppeling, in paats van onzekerheden uit de weg te ruimen, juist nieuwe in het leven roept ( prestaties in meerdere staten ).
Bij dit onderzoek moeten een aantal, in de doctrine dikwijls belichte aspecten in aanmerking worden genomen . Ik noem hier met name de kritiek waartoe de in het arrest Ivenel doorklinkende koppeling van bevoegdheid en toepasselijk recht aanleiding heeft gegeven . Dienaangaande wil ik erop wijzen, dat in artikel 6 van het Verdrag van Rome ten aanzien van arbeidsovereenkomsten het in artikel 4 neergelegde beginsel van de karakteristieke prestatie niet is geconcretiseerd, maar dat daar integendeel van dat beginsel wordt afgeweken . Bestond artikel 6 niet of was het niet van toepassing, dan zou op grond van artikel 4 het recht van het land toepasselijk zijn, waar de werknemer, die geacht wordt de karakteristieke prestatie te leveren, zijn gewone verblijfplaats heeft .
Zonder dat daarvoor fundamentele beginselen behoeven te worden aangevoerd, is het probleem van de keuze van het toepasselijke recht in het algemeen stellig van andere aard dan het probleem van de forumkeuze . Dat geldt met name op arbeidsrechtelijk gebied, waar een groot aantal aspecten van de arbeidsverhouding worden beheerst door bepalingen van het land van arbeidsverrichting, waarvan niet mag worden afgeweken ( bepalingen van openbare orde of van dwingend recht ), waardoor van een echte rechtskeuze dikwijls niet veel meer overblijft . Omgekeerd gelden voor de aanwijzing van de bevoegde rechter andere voorwaarden en heeft deze aanwijzing ook andere gevolgen, die zich in de meeste rechtsorden toespitsen op het belang van de werknemer .
Zoals ik al eerder zei, is bovendien de aanwijzing van het bevoegde forum voor de internationale competentie een veel delicatere kwestie dan de aanwijzing, door de wetgever, voor de nationale territoriale bevoegdheid, dus voor arbeidsverhoudingen die normaal gesproken geen buitenlandse componenten bevatten . Bij de internationale competentie gaat het meestal om een arbeidsverhouding die subjectieve en objectieve elementen bevat die in twee of meer landen zijn te lokaliseren, zodat het nog belangrijker is, dat de eiser-werknemer een reëel alternatief wordt geboden naast het forum van de gedaagde-onderneming . Het moge dan waar zijn, dat de bescherming van de werknemersbelangen vreemd is aan de geest van het Executieverdrag, maar dat betekent nog niet, dat men de eiser de toegang tot een werkelijk alternatief forum moet ontzeggen, waar een dergelijke keuzemogelijkheid zich immers verdraagt met een in alle rechtsorden en - dat staat buiten kijf - ook in het Executieverdrag altijd in ere gehouden rechtstraditie .
15 . Op grond van een en ander ben ik van mening, dat een feitelijk element als de verrichting van beroepswerkzaamheden in een of meer staten buiten de Gemeenschap, niet een dermate groot gewicht zou mogen hebben, dat de normale werking van artikel 5, sub 1, daardoor wordt uitgesloten . Met andere woorden : het is moeilijk in te zien, waarom de enkele omstandigheid dat
a ) de eisende partij zijn vordering niet op een, maar bijvoorbeeld op twee verbintenissen doet steunen;
b ) de plaats van arbeidsverrichting zich geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van een niet-Lid-Staat bevindt;
de eisende partij altijd en onder alle omstandigheden zou moeten beroven van het alternatieve forum van artikel 5, sub 1, zoals door het Hof uitgelegd in de arresten De Bloos en Shevanai .
Het lijkt mij daarentegen meer in overeenstemming met de algemene structuur van het Executieverdrag, dat in bijzondere alternatieve fora voorziet en daarmee - mits natuurlijk de desbetreffende voorwaarden zijn vervuld - de eiser een werkelijk alternatief forum beoogt te verschaffen, om het Hof een oplossing aan te bevelen, waardoor artikel 5, sub 1, in voorkomend geval toepassing kan vinden .
Voor een geval als het onderhavige zou dat betekenen, dat de aangezochte rechter, zelfs wanneer hij van mening is dat er sprake is van een pluraliteit van verbintenissen, zich moet baseren op de verbintenissen die in concreto aan de eis ten grondslag liggen, en daarbij de karakteristieke verbintenis buiten beschouwing moet laten, die soms wellicht helemaal niet in geschil is en integendeel ertoe zou kunnen leiden, dat een rechter buiten de Gemeenschap wordt bevoegd verklaard, of in elk geval dat de plaats van arbeidsverrichting en de arbeidsverhouding in haar totaliteit beschouwd volledig worden ontkoppeld .
Ik geloof niet dat het door sommigen gevreesde gevaar van "versnippering" van procedures aan de door mij voorgestelde oplossing in de weg staat . De nationale rechter beschikt immers over voldoende middelen om dat gevaar te vermijden . Die middelen zijn gebaseerd op bekende juridische instituten als bij voorbeeld connexiteit en accessoriteit, die ook in het Executieverdrag zijn te vinden . Daarmee is niet gezegd, dat met de vaststelling welke van de verschillende aan de eis ten grondslag liggende verbintenisen, de hoofdverbintenis is, niet aan alle betrokken vereisten recht kan worden gedaan : de rechtszekerheid, de noodzaak van overeenstemming met de bewoordingen van het Verdrag en de wil van de verdragsluitende partijen, alsook aan de aan het arrest Ivenel ten grondslag liggende vereisten, waaraan eveneens moet worden vastgehouden .
Concluderend geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt :
In een arbeidsgeschil waarin de arbeidsprestatie buiten het grondgebied van de verdragsluitende staten is verricht, moet de aangezochte rechter bij de beslissing omtrent zijn eigen bevoegdheid krachtens artikel 5, sub 1, van het Executieverdrag de contractuele verbintenissen die aan de eis ten grondslag liggen, in aanmerking nemen .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) PB 1980, L 266, blz . 1 .
( 2 ) PB 1988, L 319, blz . 9 .
( 3 ) Die conclusie lijkt mij niet in strijd te zijn met de - zacht gezegd verrassende - wens, die tot uitdrukking is gebracht in de verklaring van de vertegenwoordigers van de regeringen van de staten die het Verdrag van Lugano hebben ondertekend en lid zijn van de Europese Gemeenschappen, namelijk dat zij "het juist achten dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen bij de uitlegging van het Verdrag van Brussel naar behoren rekening houdt met de jurisprudentie over het Verdrag van Lugano ". Wat ook de strekking van een dergelijke verklaring moge zijn, zij kan er zeker niet toe leiden dat ten aanzien van een situatie die onder het toepassingsgebied van het Executieverdrag valt, de andersluidende bepalingen van het Verdrag van Lugano worden toegepast .
( 4 ) Over paradoxen gesproken : in paragraaf 66 van het rapport Jenard/Moeller betreffende het Verdrag van Lugano wordt - zij het in een andere context - het in artikel 5, sub 1, bepaalde inzake de plaats van uitvoering van arbeidsovereenkomsten - een bepaling die enkele regeringen ook op de onderhavige zaak toegepast willen zien - met de volgende woorden gerechtvaardigd : "Le concept sous-jacent à cette disposition est la protection de l' employé, qui du point de vue économique et social, est considéré comme l' élément le plus faible ."
Top