Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 15 maart 1989. - REGIE DES TELEGRAPHES ET DES TELEPHONES TEGEN GB-INNO-BM SA. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: TRIBUNAL DE COMMERCE DE BRUXELLES - BELGIE. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - MEDEDINGING - GOEDKEURING VAN TELEFOONTOESTELLEN. - ZAAK 18/88.
Jurisprudentie 1991 bladzijde I-05941
Zweedse bijz. uitgave bladzijde I-00519
Finse bijz. uitgave bladzijde I-00551
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1. Niemand mag tegelijkertijd rechter en partij zijn, zegt men. Dit spreekwoord vormt de achtergrond van de vragen van de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Brussel. Deze vragen strekken ertoe te vernemen, of het gemeenschapsrecht eraan in de weg staat, dat een Lid-Staat de technische controle die in de praktijk voorwaarde is voor de verkoop van bepaalde produkten op zijn grondgebied, delegeert aan een der ondernemingen die op de betrokken markt als concurrent optreedt. Anders gezegd, mag een Lid-Staat een handelaar opdragen, via een technische goedkeuring te beslissen of door andere handelaars te koop aangeboden produkten met de zijne zullen mogen concurreren?
2. In casu gaat het om de volgende situatie. In België kan de Regie van Telegrafie en Telefonie (hierna: "RTT") de aansluiting van niet door haar verkochte toestellen op het door haar geëxploiteerde telecommunicatienet afhankelijk stellen van haar goedkeuring. Ingevolge de wet van 19 juli 1930 (1) tot oprichting van de RTT is deze instantie een "rechtspersoon" die "in het algemeen belang de telegrafie met en zonder draad exploiteert". (2) Zij wordt beheerd door de minister "die bevoegd is voor de telegrafie en de telefonie". (3) Bij wet van 19 oktober 1930 (4) is de RTT een exploitatiemonopolie voor het telecommunicatienet verleend. Deze wet bepaalt, dat de RTT "bij uitsluiting bevoegd is voor de aanleg en de exploitatie van telegraaf- en telefoonlijnen en bureaus ten behoeve van het openbare berichtenverkeer". (5) Artikel 13 van het ministerieel besluit van 20 september 1978 (6) bepaalt: "Het is de abonnee verboden zonder schriftelijke toestemming van de Regie welk (...) toestel dan ook te verbinden met de installatie waarvan het gebruik hem is toegestaan". Artikel 91 van hetzelfde besluit bepaalt, dat de RTT "de wijze van aanleg en de technische karakteristieken van de abonnementsgeleidingen (bepaalt)" en dat de apparatuur die op deze geleidingen wordt aangesloten "door de Regie geleverd of goedgekeurd (moet) zijn". In de praktijk verleent de RTT slechts toestemming voor de aansluiting van een toestel, indien het om een door haar goedgekeurd type gaat.
3. Het geschil in het hoofdgeding is ontstaan, toen GB-Inno-BM (hierna "GB") in haar winkels niet-goedgekeurde, van buiten de EEG afkomstige telefoontoestellen tegen zeer lage prijzen begon te verkopen. De RTT had geen bezwaar tegen de verkoop van dergelijke toestellen als zodanig, doch tegen het feit dat de verkoper de klanten in die winkels niet meedeelde, dat de toestellen niet waren goedgekeurd en dat zij dus niet op het net mochten worden aangesloten. Zij verzocht de Rechtbank van koophandel te Brussel de stopzetting van deze handelspraktijk te gelasten op grond dat zij haar "bedrijfsbelangen" schaadde, zich daarbij beroepend op de wet betreffende de handelspraktijken van 14 juli 1971. De vraag of de situatie van de RTT zich verdraagt met het gemeenschapsrecht, is gerezen naar aanleiding van het verweer van GB. GB stelt immers, dat haar niet kan worden verweten dat zij toestellen verkoopt zonder de kopers mee te delen dat zij niet van een goedgekeurd type zijn, indien de voorwaarden voor afgifte van de goedkeuring objectief gezien in strijd zijn met het EEG-Verdrag, met name artikel 86 daarvan, omdat de RTT zowel goedkeuringsinstantie als concurrent op de markt van de verkoop van de door haar goedgekeurde toestellen is. Daarop heeft de verwijzende rechter het Hof in zijn verwijzingsbeschikking drie prejudiciële vragen over de uitlegging van de artikelen 30 en 86 EEG-Verdrag gesteld.
4. Het Hof wordt met dit probleem geconfronteerd op een ogenblik waarop - gelijk uit een aantal handelingen van de Raad en de Commissie blijkt - de ontwikkeling van een gemeenschappelijke telecommunicatiemarkt een steeds prangender noodzaak lijkt te worden. In het bijzonder zij erop gewezen, dat de Raad in een recente resolutie van 30 juni 1988 (7) de ontwikkeling van een gemeenschappelijke markt waarop telecommunicatieadministraties en andere aanbieders van diensten "op gelijke voet kunnen concurreren", tot de "hoofddoelen van een telecommunicatiebeleid" rekent, en dat daartoe onder meer vereist is:
"- een duidelijke scheiding van regelgevende en exploitatiefuncties, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de situatie in elke afzonderlijke Lid-Staat;
- de toepassing van de desbetreffende voorschriften van het Verdrag, met name de mededingingsvoorschriften, op telecommunicatieadministraties en particuliere dienstverleners". (8)
Aan deze resolutie van de Raad ging een richtlijn van de Commissie van 16 mei 1988 betreffende de mededinging op de markten van telecommunicatie-apparatuur (9) vooraf. Daarin is bepaald, dat vanaf 1 juli 1989 de "geldende specificaties en keuringsprocedures voor eindapparatuur" alsmede de controle op de toepassing daarvan en de goedkeuring "worden uitgevoerd door een eenheid die onafhankelijk is van de particuliere en overheidsondernemingen die goederen en/of diensten op telecommunicatiegebied aanbieden". (10)
5. De gemeenschapsinstellingen hebben zich derhalve gebogen over het probleem dat ontstaat wanneer de instantie die het nationale telecommunicatienet beheert, met de goedkeuring van de eindapparatuur is belast, maar ook zelf dergelijke apparatuur verkoopt. In de onderhavige procedure behoeft evenwel geen rekening te worden gehouden met het antwoord dat voormelde richtlijn van 16 mei 1988 op dit probleem geeft. Ten aanzien van het punt dat ons in casu bezighoudt, is deze richtlijn - waartegen overigens een beroep tot nietigverklaring voor het Hof is ingesteld (11) - in ieder geval pas vanaf 1 juli 1989 van toepassing. Ook al bereidt België - naar het voorbeeld van de recente beslissing van de Nederlandse wetgever (12) - thans een wetsontwerp voor met het oog op de oprichting van een onafhankelijke goedkeuringsinstantie, dient het Hof de onderhavige zaak uitsluitend op basis van het huidige statuut van de RTT te onderzoeken, daarbij rekening houdend met de huidige stand van het gemeenschapsrecht.
6. Alvorens in te gaan op het eigenlijke juridische vraagstuk, moet eerst nog het volgende worden gepreciseerd. De telefoontoestellen waarover het in het hoofdgeding gaat, zijn eenvoudige toestellen (ontvangers en uitzenders) die in de regel iedere telefoonabonnee bezit. Dergelijke toestellen worden in België op de zogenoemde markt van het "tweede toestel" verkocht. Wanneer de RTT een lijn ter beschikking van een abonnee stelt, levert zij het "eerste toestel". De "eerste toestellen" worden vervaardigd overeenkomstig voorwaarden die de technische specificaties vermelden, door ondernemingen die daartoe met de RTT een overeenkomst hebben gesloten. Alleen de RTT verstrekt deze aan haar geleverde toestellen aan de abonnees. Ten aanzien van het eerste toestel is er dus geen sprake van mededinging: hier beschikt de RTT over een monopolie. Voor de andere toestellen daarentegen is de markt in beginsel vrij; hier bestaat er geen monopolie. Elke onderneming kan deze toestellen dus naast de RTT op de markt te koop aanbieden. Het probleem in verband met de noodzaak van goedkeuring rijst in het hoofdgeding dus enkel met betrekking tot tweede toestellen.
7. In de verwijzingsbeschikking wordt het Hof om te beginnen verzocht, de verenigbaarheid van de litigieuze situatie met artikel 30 EEG-Verdrag te onderzoeken.
8. De Commissie is van mening, dat wat het beginsel van het vrije verkeer van goederen aangaat, de bevoegdheden van de RTT in de eerste plaats aan artikel 37 EEG-Verdrag moeten worden getoetst. Dit artikel, dat betrekking heeft op nationale monopolies van commerciële aard, zou meer op de situatie van de RTT zijn toegespitst dan de algemene bepalingen van artikel 30.
9. Om te beginnen moet worden verduidelijkt, hoe een monopolie als dat van de RTT, bestaande in de uitsluitende bevoegdheid "voor de aanleg en de exploitatie van telegraaf- en telefoonlijnen en bureaus ten behoeve van het openbare berichtenverkeer" (13), onder artikel 37 kan vallen. In het arrest van 20 maart 1985, Italië/Commissie (14), oordeelde het Hof uitdrukkelijk, dat de activiteiten bestaande in het beheren van openbare telecommunicatiesystemen en het tegen betaling ter beschikking stellen daarvan aan de gebruikers, een dienstverlening is. Daar staat tegenover, dat volgens 's Hofs arresten van 30 april 1974, Sacchi (15), en 28 juni 1983, Amélioration de l' élevage (16), artikel 37 betrekking heeft op het goederenverkeer en niet op monopolies voor het verrichten van diensten. Volgens dezelfde arresten evenwel kan een onderneming die een monopolie voor bepaalde diensten heeft, inbreuk maken op het beginsel van het vrije verkeer van goederen, wanneer haar monopolie tot discriminatie in het voordeel van nationale produkten leidt. In dat geval is artikel 37 van toepassing.
10. Is nu een dienstenmonopolie als dat van de RTT zodanig ingericht dat het leidt tot discriminatie van ingevoerde telefoontoestellen? Meer in het bijzonder, leidt de omstandigheid dat de uitsluitende bevoegdheid om na te gaan, of telefoontoestellen geschikt zijn voor aansluiting op het net waarvan de exploitatie rechtstreeks onder het monopolie valt, tot een dergelijke discriminatie? Ik denk het niet. De verplichte goedkeuring, die bepalend is voor de mogelijkheid om de betrokken toestellen te verkopen, geldt immers niet specifiek voor ingevoerde produkten. Zij is ook op nationale produkten van toepassing. Zij geldt bovendien gelijkelijk voor nationale en voor uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten. Immers, de technische specificaties op basis waarvan al dan niet goedkeuring wordt verleend, zijn dezelfde, ongeacht de herkomst van de toestellen. Voorts is de goedkeuringsprocedure identiek en varieert de voor de goedkeuring te betalen vergoeding niet naar gelang het om een in België of elders vervaardigd toestel gaat. A priori is de wettelijke goedkeuringsregeling dus niet discriminerend. Dat ingevoerde toestellen de goedkeuring kunnen verkrijgen die overigens vereist is voor ieder op het net aan te sluiten toestel, ongeacht de herkomst, ondervindt geen juridische hinderpaal.
11. Om de situatie van de houder van een telecommunicatiemonopolie die, zoals in casu, bij uitsluiting bevoegd is om goedkeuring te verlenen, aan artikel 37 te toetsen, moet volgens de Commissie tussen drie exclusieve rechten van dit monopolie worden onderscheiden: naast het uitsluitende goedkeuringsrecht zelf, het recht om toestemming voor aansluiting te verlenen en de bevoegdheid om te controleren, of de bepalingen betreffende de toestemming en de goedkeuring zijn nageleefd. Zelfs bij die ontleding van de goedkeuringsbevoegdheid kan ik op juridisch vlak geen discriminerende elementen vinden.
12. De redenering van het Hof in het arrest Amélioration de l' élevage (17) volgend, moet kennelijk worden aangenomen, dat een nationaal monopolie bij gebreke van een objectief discriminerende organisatie ervan niet in strijd met artikel 37 is. Om te kunnen antwoorden op de vraag, of een technische goedkeuringsprocedure voor telefoontoestellen als zodanig geen belemmering van het vrije verkeer van goederen oplevert, dient de betrokken procedure mijns inziens echter ook aan artikel 30 te worden getoetst, ten einde na te gaan, of zij geen maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking is. Via de omweg van artikel 37 komen we derhalve weer bij het basisartikel terecht.
13. Het Hof heeft kunnen constateren, dat de RTT en de Commissie het eens zijn over twee belangrijke, overigens nauwelijks betwistbare, punten. Om te beginnen is het duidelijk, dat de goedkeuringsprocedure voor telefoontoestellen, die gelijkelijk voor nationale en voor ingevoerde toestellen geldt, reeds door haar enkele bestaan een beperkende invloed op de invoer heeft. Immers, toestellen die in een bepaalde Lid-Staat worden verkocht, kunnen zonder goedkeuring niet worden verkocht op het grondgebied van de Lid-Staat die goedkeuring vereist. Voorts is het evident, dat wegens de diversiteit van de thans in de Lid-Staten ter beschikking van het publiek gestelde openbare telecommunicatienetten de goede werking van een nationaal net moet worden beschermd, waartoe het noodzakelijk kan zijn na te gaan of de aan het publiek verkochte telefoontoestellen geschikt zijn voor aansluiting op het net zonder dat dit risico' s voor het net, de gebruikers en het onderhoudspersoneel meebrengt. Het betreft hier een dwingend vereiste van algemeen belang, onder meer verband houdend met de bescherming van de gebruiker als consument van diensten, maar ook en vooral met de bescherming van het telecommunicatienet zelf, waarvan de goede werking bepalend is voor talrijke cruciale belangen verband houdend met de openbare orde, de openbare veiligheid en de gezondheid.
14. In dit verband wijst de Commissie op de "wezenlijke vereisten" bedoeld in richtlijn 86/361/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de eerste fase van de wederzijdse erkenning van goedkeuringen van eindapparatuur voor telecommunicatie. (18) Volgens artikel 1 van deze richtlijn leggen de Lid-Staten "de wederzijdse erkenning van de resultaten van de proeven op de conformiteit met gemeenschappelijke specificaties van conformiteit van in serie gefabriceerde eindapparatuur voor telecommunicatie ten uitvoer". De bepalingen van deze richtlijn zijn op het onderhavige geval niet van toepassing, daar er voor de in casu in geding zijnde telecommunicatienetten in de Gemeenschap nog geen gemeenschappelijke specificaties zijn vastgelegd. Niettemin verdient het opmerking, dat deze specificaties aan bepaalde "wezenlijke vereisten" moeten voldoen; op dit ogenblik zijn dat volgens artikel 2, punt 17:
- de veiligheid van de consument,
- de veiligheid van het personeel van openbare communicatiediensten,
- de bescherming van de openbare telecommunicatienetten tegen schade,
- de internetkoppeling van de eindapparatuur, "in met redenen omklede gevallen".
Bepaalde dwingende vereisten, die vergen dat de verenigbaarheid met het net van op dat net aan te sluiten toestellen wordt gecontroleerd, vinden dus een "weerklank" in de wet.
15. Volgens vaste rechtspraak moeten invoerbelemmeringen die het gevolg zijn van dergelijke vereisten, worden aanvaard voor zover zij noodzakelijk zijn. Juist ten aanzien van de beoordeling van de vraag, of de belemmeringen die in concreto voortvloeien uit een goedkeuringsprocedure zoals de RTT die organiseert, noodzakelijk zijn, lopen de standpunten van de RTT en de Commissie uiteen. Volgens de RTT zijn de modaliteiten van die procedure perfect aangepast aan de bescherming van de betrokken belangen. Volgens de Commissie daarentegen zijn bepaalde modaliteiten excessief en onevenredig aan hetgeen voor een doeltreffende bescherming van die belangen noodzakelijk is.
16. Tot staving van haar stelling gaat de Commissie over tot een - opmerkelijk - gedetailleerd onderzoek van de technische specificaties waarvan de RTT de afgifte van de goedkeuring afhankelijk stelt, ten betoge dat een aantal van die specificaties beperkender zijn dan ter bescherming van de als legitiem erkende belangen noodzakelijk is. In het kader van de onderhavige prejudiciële procedure staat het evenwel niet aan het Hof, zich uit te spreken over de gegrondheid van de betrokken technische specificaties. Dat vraagt de verwijzende rechter het Hof niet. Zijn vragen betreffen niet de inhoud van de door de RTT opgelegde technische specificaties, maar de rechtssituatie die is ontstaan doordat de Belgische wetgeving het aan de RTT overlaat, zowel die specificaties vast te stellen als toe te zien op de naleving ervan. Het feit dat het Hof de relevantie van de technische specificaties niet behoeft te verifiëren betekent evenwel niet, dat zij helemaal niet moeten worden getoetst. Mijns inziens moet deze toetsing evenwel op national vlak gebeuren, en wel in het kader dat ik hierna zal trachten te schetsen.
17. De juridische modaliteiten van de goedkeuringsprocedure van de RTT vallen a priori niet onder het verbod van artikel 30. Indien men de bescherming van de goede werking van het net als een dwingend vereiste beschouwd, dan is het niet excessief, dat de instantie die dat net exploiteert en die dus verantwoordelijk is voor de goede werking ervan, wordt belast met de vaststelling van de technische specificaties die met het oog op de toelaatbaarheid van een telefoontoestel moeten worden nageleefd, alsmede met de toepassing van die specificaties via de goedkeuringsprocedure. Evenmin lijkt het onevenredig, dat de kosten veroorzaakt door schade aan het net ten gevolge van de aansluiting van een niet-goedgekeurd toestel ten laste worden gebracht van de abonnee die dat toestel heeft aangesloten. Zo bezien vormen dergelijke modaliteiten geen onevenredige invoerbelemmering, omdat zij in verhouding staan tot de bescherming van de betrokken algemene belangen. Onder die omstandigheden valt moeilijk aan te nemen, dat het feit dat de goedkeuringsinstantie tevens soortgelijke toestellen verkoopt als die welke haar ter goedkeuring moeten worden voorgelegd, die belemmering rechtstreeks verergert. Indien men aanneemt, dat een goedkeuringsbevoegdheid waarvoor bepaalde nauwkeurige procedurevoorschriften gelden, niet onder het verbod van artikel 30 valt, zie ik niet in, hoe het verlenen van die bevoegdheid aan een bepaalde instantie, en niet aan een andere, als zodanig tot gevolg kan hebben, dat zij wel onder bedoeld verbod valt. Het is mij immers niet duidelijk, hoe de aanwijzing van de goedkeuringsinstantie de invoerbelemmeringen daadwerkelijk en op tastbare wijze kan verergeren.
18. Daarmee wil ik in wezen zeggen, dat wanneer men ten aanzien van artikel 30 ervan uitgaat, dat bepaalde belangen bescherming verdienen en dat een bepaalde juridische opzet die bescherming waarborgt, de juridische of economische hoedanigheid van de instantie die met de tenuitvoerlegging daarvan is belast in beginsel geen grond kan zijn om van een maatregel van gelijke werking te spreken. De enkele identiteit van de instantie die een juridische bevoegdheid heeft, ongeacht de wijze waarop zij die bevoegdheid uitoefent, vormt geen grond om te spreken van een maatregel van gelijke werking, tenzij men op grond van vermoedens redeneert. In de rechtspraak van het Hof betreffende de maatregelen van gelijke werking worden invoerbelemmeringen echter niet vastgesteld op basis van vermoedens, maar op grond van maatregelen, handelingen of gedragingen.
19. Het verdient opmerking, dat het Hof in het arrest van 9 mei 1985, Commissie/Frankrijk (19), waarin het om de goedkeuring van frankeermachines ging, de stelselmatige weigering om uit het Verenigd Koninkrijk afkomstige frankeermachines goed te keuren in strijd met artikel 30 achtte. In die zaak was de Franse administratie van de posterijen met de goedkeuring belast. Niet het vermoeden dat deze administratie a priori zou hebben gepoogd, bij de uitoefening van haar bevoegdheid de nationale produktie te beschermen, maar de daadwerkelijke handelingen waaruit de bedoeling bleek om de invoer te belemmeren, namelijk de herhaalde en ongegronde weigeringen van de goedkeuring, brachten het Hof ertoe, de niet-nakoming van de uit artikel 30 voortvloeiende verplichtingen vast te stellen.
20. Niet het feit dat de goedkeuringsbevoegdheid aan de RTT is verleend, maar de wijze waarop de RTT die bevoegdheid uitoefent, kan dus in voorkomend geval onder het verbod van artikel 30 vallen. De omstandigheid dat de RTT zelf de technische specificaties vaststelt waarvan zij de goedkeuring afhankelijk stelt, is op zichzelf niet in strijd met artikel 30. Indien echter de daadwerkelijk vastgestelde specificaties verder gaan dan noodzakelijk is om de verenigbaarheid met het net te waarborgen, is er geen sprake meer van een dwingend vereiste. Hetzelfde geldt, wanneer zou blijken, dat de goedkeuring wordt geweigerd om andere redenen dan de niet-naleving van de passende technische specificaties.
21. Aangezien het hier gaat om beperkingen op een fundamenteel beginsel van het Verdrag, namelijk het vrije verkeer van goederen, is het nodig een aantal voorwaarden te preciseren die de nationale rechter kan hanteren bij de beoordeling van de vraag, of die beperkingen noodzakelijk zijn. Dit strookt met de opvatting die het Hof huldigde in het arrest van 12 maart 1987, Commissie/Duitsland (20), betreffende het verbod op de verhandeling in de Bondsrepubliek Duitsland van bier dat additieven bevat. Het Hof overwoog, dat wanneer ten onrechte geen toelating is verleend om bepaalde additieven te gebruiken,
"hiertegen door de marktdeelnemers moet kunnen worden opgekomen in het kader van een beroep in rechte". (21)
Dit standpunt, door het Hof ingenomen voor de verwezenlijking van het beginsel van het vrije verkeer van goederen, moet in verband worden gebracht met het arrest van 15 oktober 1987, Heylens, waarin het Hof voor recht verklaarde:
"Wanneer in een Lid-Staat voor de toegang tot een beroep in loondienst het bezit van een binnenlands dan wel een als gelijkwaardig erkend buitenlands diploma vereist is, verlangt het in artikel 48 EEG-Verdrag verankerde beginsel van het vrije verkeer van werknemers, dat de beslissing waarbij aan een werknemer/onderdaan van een andere Lid-Staat de erkenning van de gelijkwaardigheid van het door die andere Lid-Staat afgegeven diploma wordt geweigerd, vatbaar is voor beroep in rechte met het oog op de toetsing van de wettigheid van die beslissing aan het gemeenschapsrecht, en dat de belanghebbende kennis kan nemen van de redenen die aan die beslissing ten grondslag liggen." (22)
Mijns inziens gelden krachtens artikel 30 soortgelijke vereisten voor beslissingen waarbij de goedkeuring wordt geweigerd en waarbij dus in de praktijk uit een andere Lid-Staat ingevoerde telefoontoestellen de toegang tot de nationale markt wordt ontzegd.
22. Bijgevolg zou het antwoord van het Hof kunnen luiden, dat de wetgeving van een Lid-Staat, waarbij aan het openbaar bedrijf dat het telecommunicatienet exploiteert en dat tevens toestellen verkoopt, de bevoegdheid wordt verleend om voor niet door hem geleverde toestellen de goedkeuring af te geven die noodzakelijk is om een toestel op het net te kunnen aansluiten, en waarin wordt bepaald dat de kosten veroorzaakt door de aansluiting van een niet goedgekeurd toestel ten laste komen van degene die dat toestel heeft aangesloten, niet in strijd is met de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, mits de betrokken wetgeving voorziet in de mogelijkheid van een beroep in rechte tegen de weigering van de goedkeuring van een uit een andere Lid-Staat ingevoerd toestel, waarbij de aan de betrokken handelaar medegedeelde redenen voor de weigering moeten kunnen worden getoetst aan het gemeenschapsrecht.
23. Dit antwoord zal niet te ingrijpend zijn voor de rechtsstelsels van de Lid-Staten. Immers, wat de goedkeuring van telefoontoestellen betreft is de situatie in de meeste Lid-Staten vergelijkbaar met die van België: de goedkeuringsinstantie is niet echt te onderscheiden van de instantie die het exploitatiemonopolie voor het telecommunicatienet bezit. Voorts kennen de meeste Lid-Staten ook een controle op de wettigheid van de weigering van de goedkeuring, waarbij de beslissing dat een toestel niet in overeenstemming is met de technische specificaties desnoods met behulp van een deskundigenonderzoek kan worden getoetst. Alleen in de Lid-Staten waar de wettigheidscontrole zich niet tot de gegrondheid van de aangevoerde technische redenen uitstrekt, hetgeen kennelijk het geval is in Italië, Ierland en Luxemburg, zouden aanpassingen nodig zijn. Men mag aannemen, dat wanneer de betrokken nationale rechters een beroep doen op deskundigen, zij hun controle kunnen uitbreiden tot de technische redenen waarop de weigering van de goedkeuring stoelt, hetgeen a priori geen bijzondere moeilijkheden lijkt op te leveren.
24. In haar schriftelijke opmerkingen suggereert de Commissie het Hof, een aantal bepalingen van richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (23) te betrekken bij de uitlegging van het gemeenschapsrecht met het oog op de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter. Zij merkt op, dat de op 21 april 1987 vastgestelde technische specificaties die de RTT bij de goedkeuring van telefoontoestellen hanteert, haar niet overeenkomstig artikel 8, lid 1, van genoemde richtlijn vooraf zijn meegedeeld. Krachtens deze bepaling delen de Lid-Staten de Commissie "ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mede, tenzij het een volledige omzetting van een internationale of Europese norm betreft"; daarbij doen zij de Commissie tevens "in beknopte vorm mededeling van de redenen die de vaststelling van een dergelijk technisch voorschrift noodzakelijk maken". De Commissie stelt de overige Lid-Staten onverwijld in kennis van dit ontwerp. Ingevolge artikel 8, lid 2, is de Lid-Staat die het ontwerp ter kennis heeft gebracht verplicht "zoveel mogelijk (...) rekening te houden" met de eventuele opmerkingen van de Commissie en de overige Lid-Staten. Bovendien moet hij overeenkomstig artikel 9, lid 1, de goedkeuring van het ontwerp van het technisch voorschrift zes maanden uitstellen, indien de Commissie of een andere Lid-Staat de "uitvoerig gemotiveerde mening te kennen geeft, dat de beoogde maatregel moet worden gewijzigd ten einde eventuele belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen die uit de maatregel kunnen voortvloeien op te heffen of te beperken". Krachtens artikel 9, lid 2, wordt de termijn voor goedkeuring verlengd tot twaalf maanden, indien de Commissie "haar voornemen te kennen geeft een richtlijn over dit onderwerp voor te stellen of vast te stellen".
25. De Commissie verwijst naar de rechtspraak van het Hof betreffende de rechtstreekse werking van richtlijnen en de kennisgeving van voorgenomen steunmaatregelen, ten betoge dat technische voorschriften die in een Lid-Staat na afloop van de in artikel 12 van de richtlijn gestelde termijn worden vastgesteld, zonder dat de in de richtlijn voorziene procedure van voorafgaande mededeling is nageleefd, geen toepassing kunnen vinden in een geschil tussen die Lid-Staat en een particulier persoon.
26. De RTT ontkent niet, dat zij heeft nagelaten de Commissie haar ontwerp van technische specificaties vooraf mee te delen. Ter terechtzitting heeft zij evenwel verklaard, dat de niet-mededeling van een dergelijk ontwerp niet meebrengt dat die specificaties buiten toepassing blijven, daar de richtlijn geen bepaling van materieel recht bevat, doch enkel procedurevoorschriften, en dat de niet-naleving van deze voorschriften geen schending van een wezenlijke bepaling van gemeenschapsrecht oplevert. Van een dergelijke schending zou in voorkomend geval slechts sprake kunnen zijn op grond van de inhoud van de specificaties.
27. Dienaangaande wil ik opmerken, dat deze richtlijn in het geheel niet ter sprake is gebracht voor de verwijzende rechter, die ze evenmin in zijn vragen vermeldt. Die vragen vermelden uitsluitend de artikelen 30 en 86 EEG-Verdrag. Ik betwijfel dus enigszins, of het Hof zich in het kader van de onderhavige zaak dient uit te spreken over de al dan niet toepasselijkheid van technische voorschriften die niet in de door de richtlijn voorgeschreven vorm zijn aangemeld. Voorts lijkt de argumentatie van de Commissie, op grond waarvan zij tot de niet-toepasselijkheid van niet vooraf meegedeelde technische voorschriften concludeert, mij vatbaar voor discussie. Deze niet-toepasselijkheid is niet uitdrukkelijk voorzien in de richtlijn, die alleen bepaalt dat de voorgenomen voorschriften niet mogen worden toegepast alvorens bepaalde termijnen verstreken zijn. Dit contrasteert sterk met de regeling betreffende de aanmelding van steunmaatregelen van artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag, dat uitdrukkelijk bepaalt, dat de betrokken Lid-Staat de voorgenomen steunmaatregel niet tot uitvoering kan brengen alvorens de Commissie, of in voorkomend geval de Raad, overeenkomstig artikel 93, lid 2, een beslissing heeft genomen. Voorts is, behoudens de in het Verdrag voorziene uitzonderingen, overheidssteun ingevolge artikel 92 EEG-Verdrag in beginsel onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt. De technische voorschriften waarvan sprake is in de richtlijn, zijn daarentegen niet principieel onverenigbaar met het gemeenschapsrecht: een eventuele onverenigbaarheid moet voortvloeien uit de inhoud.
28. De uitlegging van richtlijn 83/189 kan dus aanleiding tot betwisting geven. In de onderhavige zaak is dit punt echter slechts terloops en helemaal niet uitputtend aan de orde gekomen en, zoals gezegd, heeft de verwijzende rechter het Hof dienaangaande geen vragen gesteld. Onder die omstandigheden acht ik het noodzakelijk noch passend, in casu rekening te houden met deze richtlijn.
29. Zo kom ik terecht bij de vraag, of de situatie van de RTT als instantie die de goedkeuringsbevoegdheid bezit, verenigbaar is met artikel 86 EEG-Verdrag. De vraag die het Hof op dit punt wordt gesteld is in feite, of het in strijd is met artikel 86, wanneer een Lid-Staat aan de houder van een exploitatiemonopolie voor het telecommunicatienet het uitsluitende recht verleent om voor niet door hem geleverde telefoontoestellen de goedkeuring af te geven die vereist is opdat die toestellen op het net mogen worden aangesloten, en om de technische specificaties vast te stellen waarvan de goedkeuring afhankelijk is, rekening houdend met het feit dat de monopoliehouder tevens als verkoper optreedt op de markt van de toestellen die hij dient goed te keuren.
30. Gelijk de Commissie terecht opmerkt, vergt de beoordeling van de verenigbaarheid van overheidsmaatregelen met artikel 86 een verruiming van het juridisch kader waarbinnen het onderzoek plaatsvindt. Immers, aangezien de betrokken bepalingen tot de ondernemingen en niet tot de Lid-Staten zijn gericht, zijn zij op die maatregelen niet rechtstreeks van toepassing. Het antwoord moet dus worden gezocht in 's Hofs rechtspraak over de uitlegging van artikel 90 juncto artikel 86 EEG-Verdrag. In het arrest van 16 november 1977, Inno, overwoog het Hof, dat ofschoon
"artikel 86 zich tot de ondernemingen richt, het Verdrag toch ook de Lid-Staten de verplichting oplegt geen maatregelen te nemen of te handhaven welke die bepaling haar nuttig effect kunnen ontnemen" (24),
en vervolgens, dat artikel 90 bepaalt dat
"de Lid-Staten met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan zij bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen maatregelen nemen of handhaven welke met name in strijd zijn met de regels bedoeld in de artikelen 85 tot en met 94". (25)
31. Deze overwegingen zijn voor de onderhavige zaak relevant, daar de RTT onmiskenbaar een openbaar bedrijf is waaraan de overheid bepaalde exclusieve rechten heeft verleend. Deze rechten kenmerken de situatie van de RTT als houder van een exploitatiemonopolie voor het telecommunicatienet. Tot die exclusieve rechten van de RTT behoort juist de bevoegdheid om niet door haar geleverde telefoontoestellen goed te keuren.
32. Bij het onderzoek van de vraag, of het niet in strijd is met de verplichtingen die krachtens artikel 90, lid 1, EEG-Verdrag op de Lid-Staten rusten, wanneer aan een openbaar bedrijf dat het telecommunicatienet exploiteert en tevens telefoontoestellen verkoopt, het uitsluitende recht is verleend om telefoontoestellen van concurrenten goed te keuren, moet rekening worden gehouden met een duidelijke precisering in de rechtspraak van het Hof. In het arrest Sacchi overwoog het Hof, dat
"het bestaan van een monopolie voor een onderneming waaraan een Lid-Staat uitsluitende rechten verleent, niet als zodanig onverenigbaar is met artikel 86". (26)
Het verlenen van een uitsluitend recht aan een openbaar bedrijf is dus als zodanig geen "in strijd met artikel 86 zijnde maatregel" in de zin van het arrest Inno. Dat zou enkel het geval zijn, wanneer de verlening van dat recht rechtstreeks en daadwerkelijk verband zou houden met misbruik van machtspositie. In het arrest van 30 april 1986, Asjes (27), oordeelde het Hof, dat een Lid-Staat zijn verplichting om geen maatregelen te nemen of te handhaven welke artikel 85 EEG-Verdrag zijn nuttig effect kunnen ontnemen, niet nakomt, wanneer hij met dat artikel strijdige mededingingsregelingen stimuleert of de gevolgen daarvan versterkt. Deze redenering gaat ook op met betrekking tot artikel 86: door het verlenen van een uitsluitend recht mogen de Lid-Staten geen misbruik van een machtspositie stimuleren of in de hand werken, noch de gevolgen daarvan versterken.
33. In het kader van de onderhavige prejudiciële procedure dient het Hof niet na te gaan, of de litigieuze situatie al dan niet als misbruik van machtspositie is aan te merken. Het Hof dient de relevante verdragsbepalingen uit te leggen, rekening houdend met de juridische elementen die de verwijzende rechter in zijn vragen vermeldt. Het staat aan de nationale rechter, de uitgelegde bepalingen op het individuele geval van de RTT toe te passen.
34. Derhalve moet thans worden onderzocht, of het verlenen van een uitsluitend recht als in casu aan de orde is, misbruik van machtspositie stimuleert of de gevolgen daarvan versterkt. De Commissie en GB zijn van mening, dat dit het geval is. Ik ben het daar niet mee eens.
35. Het standpunt van de Commissie roept een eerste opmerking op, die misschien door een ietwat formele juridische logica ingegeven lijkt te zijn, doch die in werkelijkheid de aandacht vestigt op een zekere verwarring bij het gebruik van het begrip misbruik van machtspositie. Men kan zich immers afvragen, of de Commissie niet de stelling verdedigt, dat het verlenen van een uitsluitend recht als in casu aan de orde is, zowel een machtspositie als misbruik daarvan oplevert. De Commissie hoedt er zich voor, de machtspositie van een onderneming als de RTT formeel te constateren op basis van haar goedkeuringsbevoegdheid. Zij beroept zich op andere feiten, zoals het exploitatiemonopolie voor het nationale openbare telefoonnet en de daaruit volgende preferentiële toegang tot de gebruikers van het openbaar net. Daarmee behoeft zij in haar betoog geen beroep te doen op een "dubbel gebruik" van de goedkeuringsbevoegdheid. Voortgaande op de rechtspraak van het Hof ben ik evenwel van mening, dat een dergelijke bevoegdheid wel degelijk tot een machtspositie leidt. In het arrest van 13 november 1975, General Motors (28), overwoog het Hof, dat het delegeren door een Lid-Staat van de overheidstaak bestaande in de gelijkvormigheidscontrole van voertuigen met het oog op het in het verkeer brengen van die voertuigen, aan de constructeur of zijn mandataris, samen met de vrijheid van laatstgenoemde om de prijs voor deze verrichting te bepalen, tot het ontstaan van een machtspositie leidt. Voorts overwoog het Hof in het arrest van 11 november 1986, British Leyland (29), dat een constructeur die in een Lid-Staat op grond van de geldende regeling het monopolie bezit voor de afgifte van de gelijkvormigheidscertificaten die nodig zijn om de voertuigen van zijn merk te kunnen laten registreren, moet worden geacht een machtspositie in te nemen op de markt van de diensten die voor de handelaars onmisbaar zijn, zulks wegens de positie van economische afhankelijkheid waarin die handelaars worden geplaatst.
36. Indien men aanneemt, dat het vereiste van goedkeuring van telefoontoestellen een markt van diensten doet ontstaan die voor de handelaars de facto onmisbaar zijn om telefoontoestellen te kunnen verkopen, is het duidelijk, dat wanneer aan het openbaar bedrijf dat het exploitatiemonopolie voor het telecommunicatienet bezit, de uitsluitende bevoegdheid wordt verleend om de goedkeuring af te geven, dit openbaar bedrijf daardoor een machtspositie verkrijgt. Daar dit openbaar bedrijf bovendien ook telefoontoestellen verkoopt, kan het dank zij de uitsluitende bevoegdheid om de goedkeuring af te geven nog op een andere, in casu rechtstreeks aan de orde zijnde markt een machtspositie innemen, namelijk op die van de verkoop van telefoontoestellen.
37. Aanvaarding van de stelling van de Commissie, dat in het geval van de RTT het verlenen van de goedkeuringsbevoegdheid misbruik van een machtspositie stimuleert of in de hand werkt, veronderstelt dat men er in zekere zin van uit gaat, dat het verlenen van die bevoegdheid zowel het ontstaan van een machtspositie als misbruik daarvan tot gevolg heeft. Hier loopt de redenering van de Commissie mank: zij trekt twee in 's Hofs rechtspraak onderscheiden begrippen samen.
38. Volgens het arrest van 13 februari 1979, Hoffmann-La Roche, is bij het begrip machtspositie gedacht aan
"een economische machtspositie welke een onderneming in staat stelt de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging in de relevante markt te verhinderen, en het haar mogelijk maakt zich, jegens haar concurrenten, haar afnemers en, uiteindelijk, de consumenten in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen". (30)
In hetzelfde arrest omschreef het Hof misbruik van een machtspositie als een objectief begrip, waaronder vallen
"gedragingen van een dominerende onderneming welke: a) invloed kunnen uitoefenen op de structuur van een markt waar, juist door de aanwezigheid van bedoelde onderneming, de mededinging reeds verflauwde; b) ertoe leiden dat de handhaving of ontwikkeling van de nog bestaande marktconcurrentie met andere middelen dan bij een op basis van ondernemersprestaties berustende normale mededinging - met goederen of diensten - in zwang zijn, wordt tegengegaan". (31)
Uit deze definities blijkt, dat het Hof onderscheid maakt tussen de machtspositie, te verstaan als een situatie die het mogelijk maakt de mededinging te verhinderen, en misbruik van die positie door een gedrag dat de mededinging daadwerkelijk verhindert.
39. Ook volgens de doctrine is niet de machtspositie als zodanig verboden, maar misbruik ervan. Stoufflet en Chaput schrijven: "le fait pour une entreprise d' occuper une position dominante n' est pas ... illicite par lui-même. L' article 86 n' interdit que l' exploitation abusive d' une telle situation". (32) Dit onderscheid tussen machtspositie en misbruik ervan is in de rechtspraak van het Hof verder uitgewerkt: misbruik veronderstelt een specifiek gedrag van de betrokken onderneming, handelingen, materiële feiten of rechtshandelingen. De mogelijkheid van misbruik, of de mogelijkheid om handelingen te verrichten die misbruik kunnen opleveren, vormt als zodanig geen misbruik.
40. In de zaken General Motors en British Leyland (reeds aangehaald) beschouwde het Hof niet als misbruik het feit dat de staat aan de betrokken constructeurs de uitsluitende bevoegdheid had gedelegeerd om de gelijkvormigheid van voertuigen van hun merk te controleren. Wel oordeelde het, dat het gebruik van die bevoegdheid, met name door voor die dienst een vergoeding te verlangen die niet in verhouding stond tot de waarde van de geleverde prestatie, misbruik kon opleveren. (33) In die zaken stelde het Hof dus uitdrukkelijk, dat het bezit van een uitsluitende administratieve controlerende bevoegdheid geen misbruik van machtspositie opleverde, maar dat wel de wijze van uitoefening van die bevoegdheid eventueel als misbruik was aan te merken.
41. Ook het arrest Asjes bevat nuttige aanwijzingen op dit punt, zij het dat dit betrekking had op de verenigbaarheid van een in een nationale wettelijke regeling voorziene procedure met artikel 85, en niet met artikel 86. In dit arrest overwoog het Hof, dat de beslissing waarbij een Lid-Staat luchtvaarttarieven goedkeurt, in strijd met het Verdrag kan zijn, wanneer de goedgekeurde tarieven
"het resultaat blijken te zijn van een met artikel 85 EEG-Verdrag strijdige overeenkomst, besluit of onderling afgestemde feitelijke gedraging". (34)
Ook hier geldt derhalve, dat niet de goedkeuringsprocedure als zodanig, maar de concrete voorwaarden waaronder die bevoegdheid in een bepaald geval wordt uitgeoefend, het probleem van verenigbaarheid met het Verdrag oproept.
42. Gelet op deze rechtspraak is mijns inziens derhalve het feit, dat aan een openbaar bedrijf als de RTT de uitsluitende bevoegdheid is verleend om telefoontoestellen goed te keuren ten einde de verenigbaarheid ervan met het net te garanderen, niet in strijd met de artikelen 90 en 86 EEG-Verdrag, zelfs al is het niet uitgesloten, dat de uitoefening van deze bevoegdheid tot misbruik van machtspositie kan leiden. Het delegeren door de staat van een goedkeuringsbevoegdheid waarvan enkel een oneigenlijk gebruik tot misbruik van machtspositie kan leiden, lijkt mij als zodanig geen dergelijk misbruik op te leveren.
43. Uiteraard moet worden erkend, dat wanneer de betrokken goedkeuringsbevoegdheid aan een openbaar bedrijf is verleend dat zelf als concurrent op de markt van de verkoop van telefoontoestellen optreedt, de kans op oneigenlijk gebruik van die bevoegdheid toeneemt. Levert daarom de enkele verlening van die bevoegdheid misbruik van machtspositie op? Ik denk het niet, want het lijkt mij belangrijk, dat het onderscheid tussen machtspositie en misbruik ervan wordt gehandhaafd en dat alleen gedragingen bestaande in positieve handelingen als misbruik van machtspositie worden aangemerkt, en niet de loutere mogelijkheid van dergelijke gedragingen of handelingen.
44. Stelt men de loutere mogelijkheid van een verboden gedrag gelijk met het verboden gedrag zelf, dan rijzen er problemen vanuit de liberale rechtsopvatting. Deze gelijkstelling impliceert immers de overgang van een repressieve regeling, waarin het bewijs van het verboden gedrag moet zijn geleverd, naar een preventieve regeling, waarbij het vermoeden van een dergelijk gedrag volstaat. Dat lijkt mij onaanvaardbaar. Mijns inziens moet op de vraag van de verwijzende rechter derhalve worden geantwoord, dat het verlenen aan een onderneming als de RTT van de bevoegdheid om niet door haar geleverde of verkochte apparatuur goed te keuren, als zodanig niet in strijd is met de artikelen 90 en 86 EEG-Verdrag, maar dat de uitoefening van de goedkeuringsbevoegdheid door dat bedrijf met een ander doel dan om toe te zien op de verenigbaarheid met het net tot een ingevolge artikel 86 EEG-Verdrag verboden misbruik van machtspositie kan leiden, mits de in deze bepaling gestelde voorwaarden, met name het bestaan van een machtspositie en de beïnvloeding van de handel tussen Lid-Staten, vervuld zijn.
45. Mijns inziens behoeft aan het ter zake van de artikelen 86 en 90 EEG-Verdrag te geven antwoord geen uitdrukkelijk voorbehoud te worden verbonden in verband met het al dan niet bestaan van de mogelijkheid van beroep in rechte tegen de weigering van goedkeuring. Indien het Hof het door mij ter zake van het vrije verkeer van goederen voorgestelde antwoord tot het zijne maakt, is een dergelijk voorbehoud grotendeels overbodig. Is het Hof het niet eens met het door mij voorgestelde antwoord, dan is er weinig kans, dat het een dergelijk voorbehoud in verband met de artikelen 86 en 90 noodzakelijk acht. Voorts zal de nationale rechter mijns inziens de uitoefening van de goedkeuringsbevoegdheid moeten toetsen in het kader van de beoordeling van de feiten ter zake van het voor hem aangevoerde misbruik van machtspositie. Misschien zou het zinvol zijn erop te wijzen, dat van die feitelijke gegevens de technische ongeschiktheid van goedkeuringscriteria en de ongegronde weigeringen van goedkeuring in aanmerking moeten worden genomen. In de praktijk en afhankelijk van de bijzonderheden van de nationale regelingen zal de nationale rechter een deskundigenonderzoek moeten gelasten en in voorkomend geval prejudiciële vragen stellen aan de administratieve rechter, wanneer deze bij uitsluiting bevoegd is om de wettigheid van administratieve besluiten te toetsen en wanneer de goedkeuring en de technische specificaties inderdaad de vorm van dergelijke besluiten aannemen.
46. Mitsdien geef ik het Hof in overweging, voor recht te verklaren:
"1) De wettelijke regeling van een Lid-Staat waarbij aan een openbaar bedrijf dat een nationaal telecommunicatienet exploiteert en dat tevens toestellen verkoopt, een uitsluitend recht wordt verleend om niet door dat bedrijf geleverde of verkochte toestellen goed te keuren, ten einde aan de hand van de door dit bedrijf vastgestelde technische specificaties na te gaan of zij op het net kunnen worden aangesloten, en waarin wordt bepaald dat de kosten als gevolg van de aansluiting van een niet-goedgekeurd toestel ten laste komen van degene die dat toestel heeft aangesloten, is niet in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag inzake het vrije verkeer van goederen, mits is voorzien in de mogelijkheid van beroep in rechte tegen de weigering om uit een andere Lid-Staat afkomstige apparatuur goed te keuren, waarbij de aan de betrokken handelaar meegedeelde redenen voor de weigering moeten kunnen worden getoetst aan het gemeenschapsrecht.
2) Een dergelijke regeling is evenmin in strijd met de artikelen 90 en 86 EEG-Verdrag, met dien verstande evenwel, dat de uitoefening door het openbaar bedrijf van de goedkeuringsbevoegdheid met een ander doel dan om erop toe te zien dat het technisch mogelijk is de toestellen op het net aan te sluiten, tot een ingevolge artikel 86 verboden misbruik van machtspositie kan leiden, mits alle in deze bepaling gestelde voorwaarden vervuld zijn; het ligt op de weg van de nationale rechter bij wie over zodanig misbruik wordt geklaagd, om op grond van alle feiten, waaronder de eventuele ongeschiktheid van de technische specificaties en de eventuele ongegrondheid van de weigering van goedkeuring, vast te stellen of er sprake is van misbruik."
(*) Oorspronkelijke taal: Frans.
(1) Belgische Staatsblad van 2.8.1930.
(2) Artikel 1.
(3) Artikel 3.
(4) Belgisch Staatsblad van 20 en 21.10.1930.
(5) Artikel 1.
(6) Belgisch Staatsblad van 29.9.1978.
(7) Resolutie 88/C 257/01 van de Raad van 30 juni 1988 inzake de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor telecommunicatiediensten en -apparatuur tot 1992 (PB 1988, C 257, blz. 1).
(8) Ibidem, blz. 2, doelstelling nr. 5.
(9) Richtlijn 88/301/EEG (PB 1988, L 131, blz. 73).
(10) Ibidem, artikelen 5 en 6.
(11) Zaak C-202/88, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1223.
(12) Le Monde van 3.1.1989.
(13) Wet van 13 oktober 1930, reeds aangehaald, artikel 1.
(14) Zaak 41/83, Jurispr. 1985, blz. 873.
(15) Zaak 155/73, Jurispr. 1974, blz. 409.
(16) Zaak 271/81, Jurispr. 1983, blz. 2057.
(17) Reeds aangehaald.
(18) PB 1986, L 217, blz. 21.
(19) Zaak 21/84, Jurispr. 1985, blz. 1355.
(20) Zaak 178/84, Jurispr. 1987, blz. 1227.
(21) Ibidem, r.o. 46.
(22) Zaak 222/86, Jurispr. 1987, blz. 4097, r.o. 17.
(23) PB 1983, L 109, blz. 8.
(24) Zaak 13/77, Jurispr. 1977, blz. 2115, r.o. 31.
(25) Ibidem, r.o. 32.
(26) Zaak 155/73, reeds aangehaald, r.o. 14.
(27) Gevoegde zaken 209/84-213/84, Asjes, Jurispr. 1986, blz. 1425.
(28) Zaak 26/75, Jurispr. 1975, blz. 1367.
(29) Zaak 226/84, Jurispr. 1986, blz. 3263.
(30) Zaak 85/76, Jurispr. 1979, blz. 461, r.o. 38.
(31) Ibidem, r.o. 91.
(32) Jurisclasseur de droit international public, Communauté économique européenne, fascicule 164 G, nr. 198.
(33) Zaken 26/75 en 226/84, reeds aangehaald.
(34) Gevoegde zaken 209/84-213/84, reeds aangehaald, r.o. 17.
Top