Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 11 mei 1989. - ASSOCIATION GENERALE DES PRODUCTEURS DE BLE ET AUTRES CEREALES (AGPB) TEGEN OFFICE NATIONAL INTERPROFESSIONNEL DES CEREALES (ONIC). - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: CONSEIL D'ETAT - FRANKRIJK. - LANDBOUW - KWANTITATIEVE BEPERKINGEN BIJ DE AANKOOP VAN INTERVENTIEGRAAN NAAR GELANG VAN DE LID-STATEN - BEOORDELING VAN DE GELDIGHEID. - ZAAK 167/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 01653
Zweedse bijz. uitgave bladzijde 00055
Finse bijz. uitgave bladzijde 00067
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze prejudiciële procedure verzoekt de Franse Conseil d' État het Hof om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van vier landbouwverordeningen in de sector granen .
Voor de beschrijving van de betrokken regeling verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . Ik wil hier alleen maar herhalen, dat verordening nr . 400/86 voorzag in de toepassing van een speciale interventiemaatregel, inhoudende dat de nationale interventiebureaus tegen een prijs, gelijk aan de interventieprijs verhoogd met 5 %, een beperkte hoeveelheid zachte broodtarwe zouden aankopen, die als volgt over de Lid-Staten was verdeeld :
- Duitsland : 1 000 000 ton,
- Frankrijk : 200 000 ton,
- Verenigd Koninkrijk : 50 000 ton,
- Italië : 50 000 ton,
- Denemarken : 50 000 ton,
- België : 50 000 ton,
- Nederland : 50 000 ton,
- Griekenland : 50 000 ton,
- Luxemburg : 2 000 ton .
Krachtens artikel 3 van de verordening dient de betrokken Lid-Staat, ingeval de totale aangeboden hoeveelheid de vastgestelde hoeveelheid overschrijdt, het verlagingspercentage dat moet worden toegepast op de door de particulieren aangeboden hoeveelheden vast te stellen .
De in verordening nr . 400/86 bedoelde speciale interventiemaatregel is in de eerste plaats gebaseerd op artikel 8, lid 2, van verordening nr . 2727/75 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76 van de Raad .
Voorts is hij gebaseerd op verordening nr . 1629/77 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen met betrekking tot de bijzondere interventiemaatregelen ter ondersteuning van de marktontwikkeling voor zachte tarwe van bakkwaliteit, die zelf is vastgesteld op grond van artikel 8, lid 4, van verordening nr . 2727/75 . Artikel 2 van verordening nr . 1629/77 bepaalt, dat bij het besluit om tot de betrokken maatregelen over te gaan, met de volgende criteria rekening dient te worden gehouden :
"- de situatie en de vooruitzichten met betrekking tot de beschikbare hoeveelheden graan op de markt van de Gemeenschap,
- de vooruitzichten ten aanzien van de invoer van granen en de uitvoer van zachte tarwe,
- de prijsontwikkeling voor zachte tarwe van bakkwaliteit op de meest representatieve plaatsen in de Gemeenschap ".
Krachtens artikel 3 moet de Commissie bij de vaststelling van een speciale maatregel vermelden :
"- de kwaliteit en de hoeveelheid van de betrokken granen,
- het gebied waarvoor de maatregel geldt en eventueel de periode van toepassing van de maatregel ".
2 . Na de vaststelling van verordening nr . 400/86 is aan het Franse interventiebureau, de ONIC, in totaal 1 699 740 ton zachte broodtarwe, dus aanzienlijk meer dan de vastgestelde hoeveelheid van 200 000 ton, ter interventie aangeboden . Bijgevolg heeft de ONIC conform artikel 3 van de verordening besloten om op die door particulieren aangeboden hoeveelheden een verlagingspercentage van 88,23 % toe te passen .
Tegen dit verlagingsbesluit is de Association générale des producteurs de blé ( hierna : de AGPB ) opgekomen bij de Conseil d' État die, van oordeel dat de wettigheid van de bestreden handeling noodzakelijkerwijze afhangt van de geldigheid van de gemeenschapsverordening die daarmee wordt toegepast, heeft besloten, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de vraag :
" Zijn verordening nr . 400/86 van de Commissie van 21 februari 1986 alsmede de verordeningen nr . 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975, nr . 1146/76 van de Raad van 17 mei 1976 en nr . 1629/77 van de Commissie van 20 juli 1977 in strijd met het bepaalde in de artikelen 7, 40, lid 3, en 190 EEG-Verdrag?"
Voor het antwoord aan de nationale rechter moeten de volgende punten worden bestudeerd :
a ) Was de Commissie bevoegd om per regio, dat wil zeggen per Lid-Staat gedifferentieerde, speciale interventiemaatregelen vast te stellen?
b ) Zo ja, zijn de verordeningen van de Raad, waarin de Commissie die bevoegdheid wordt verleend ( verordeningen nrs . 2727/75 en 1146/76 ), geldig?
c ) Is de betrokken speciale interventiemaatregel discriminerend?
d ) Is de verordening waarbij de speciale interventiemaatregel is vastgesteld, voldoende gemotiveerd?
a ) De gestelde onbevoegdheid van de Commissie
3 . Verzoekster in het hoofdgeding, de AGPB, betoogt dat verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76, de Commissie niet de bevoegdheid verleent om per regio speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
Tot staving daarvan wijst zij op het verschil in formulering van de leden 1 en 2 van artikel 8 van de verordening . Lid 1 bepaalt :
" Ten einde te vermijden dat op grond van artikel 7, lid 1, in bepaalde gebieden van de Gemeenschap grote aankopen moeten worden gedaan, kan worden besloten dat de interventiebureaus bijzondere interventiemaatregelen nemen ."
De aard en de functie van die maatregelen zijn beschreven in de achtste overweging van de considerans van de verordening, waar men kan lezen :
" Overwegende dat bijzondere omstandigheden in bepaalde gebieden van de Gemeenschap tijdelijk tot een andere marktprijsontwikkeling kunnnen leiden dan in de rest van de Gemeenschap; dat om massale interventie in die gebieden te voorkomen de mogelijkheid moet worden overwogen preventief bijzondere interventiemaatregelen toe te passen om de situatie op die markten gedurende een bepaald tijdvak te verlichten; ..."
Artikel 8, lid 2 daarentegen bepaalt :
" Wanneer de marktsituatie voor zachte broodtarwe in de Gemeenschap dit vereist, kunnen voor deze graansoort speciale interventiemaatregelen worden genomen ten einde de marktontwikkeling ten opzichte van de ... referentieprijs te ondersteunen ."
Een gelijkaardige formulering vindt men in de reeds vermelde achtste overweging van de considerans :
"... dat bovendien eveneens speciale interventiemaatregelen moeten kunnen worden vastgesteld voor zachte broodtarwe, wanneer het gevaar bestaat dat de marktprijzen zich niet meer normaal ontwikkelen ten opzichte van de referentieprijs ".
Volgens de AGPB blijkt uit deze teksten, dat de Raad de Commissie enkel ten aanzien van bijzondere interventiemaatregelen de bevoegdheid heeft verleend om per regio maatregelen vast te stellen . In het geval van speciale interventiemaatregelen daarentegen, voor welke de verordening niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid van een differentiëring ratione loci voorziet, zouden geregionaliseerde interventiemaatregelen stilzwijgend zijn uitgesloten . Anders gezegd, het betoog van de AGPB berust op de onderstelling, dat wanneer de betrokken verordening de Commissie had willen toestaan per regio maatregelen te treffen, zij daartoe een uitdrukkelijke bepaling zou hebben bevat; nu de verordening niet in een regionalisering voorziet, moet zij verboden worden geacht : ubi lex tacuit noluit .
4 . In casu gaat het dus in wezen om de vraag of, gelet op het stilzwijgen van artikel 8, lid 2, van verordening nr . 2727/75, de vaststelling van speciale interventiemaatregelen per regio al dan niet onder de door de Raad aan de Commissie overgedragen uitvoeringsbevoegdheid valt .
Dienaangaande wil ik om te beginnen opmerken dat het argument ontleend aan de letter van de tekst mij niet doorslaggevend lijkt, daar bijzondere maatregelen uiteraard plaatselijk zijn . Het valt dus te begrijpen dat de tekst voor dergelijke maatregelen verwijst naar situaties die zich in bepaalde gebieden van de Gemeenschap kunnen voordoen, niet zozeer met het specifieke doel om de bevoegdheid van de Commissie territoriaal af te bakenen, maar louter om de betrokken maatregel te beschrijven . Dat blijkt duidelijk, wanneer men artikel 8, lid 1, leest met inachtneming van de achtste overweging van de considerans van de verordening .
Voorts moet volgens bekende rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 11 maart 1987, gevoegde zaken 279, 280, 285 en 286/84, Rau, Jurispr . 1987, blz . 1069, r.o . 14 )
"het begrip uitvoering ruim ... worden uitgelegd . Aangezien de Commissie als enige in staat is, de ontwikkeling van de landbouwmarkten voortdurend en oplettend te volgen en de spoedmaatregelen te treffen die de situatie vereist, kan de Raad genoopt zijn, de Commissie op dit gebied een ruime beoordelings - en handelingsbevoegdheid te laten . De grenzen van die bevoegdheid moeten dan met name worden bepaald aan de hand van algemene hoofddoelen van de marktordening ."
Gelet op deze rechtspraak valt de letterlijke uitlegging van de AGPB, die tot een restrictieve opvatting omtrent de in artikel 8, lid 2, aan de Commissie overgedragen uitvoeringsbevoegdheid leidt, mijns inziens niet te rijmen met het fundamentele beginsel dat in het kader van het landbouwbeleid ruime uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend; dat beginsel beantwoordt aan het evidente vereiste, een flexibel en efficiënt beheer van de gemeenschappelijke marktordening te garanderen .
Dat geldt te meer, daar het er alles welbeschouwd in onderhavige zaak niet zozeer om gaat, vast te stellen of de Commissie een specifieke bevoegdheid heeft ( bij voorbeeld, zoals in de zaak Rau, de bevoegdheid rechtstreeks over te gaan tot verkoop, tegen verminderde prijs, van de botervoorraden ), doch veeleer of zij een reeks economische omstandigheden kan beoordelen en op basis van die beoordeling kan beslissen, welke de meest geschikte manier is om een bevoegdheid, die zij stellig heeft, uit te oefenen ( in casu de bevoegdheid om een speciale interventiemaatregel vast te stellen ).
Daarom kan men mijns inziens uit het enkele feit, dat artikel 8, lid 2, van de verordening niet uitdrukkelijk in de vaststelling van speciale interventiemaatregelen per regio voorziet, niet met stelligheid concluderen, dat de Commissie onbevoegd is om dergelijke maatregelen vast te stellen . Integendeel, nu de bepaling op dat punt zwijgt, valt er, gelet op de rechtspraak die ik zojuist heb aangehaald, veel meer voor te zeggen dat zij zich niet tegen een geografische differentiëring van de speciale interventiemaatregel verzet, daar zij dienaangaande geen uitdrukkelijke beperking bevat .
Dit lijkt ook te worden bevestigd door het feit dat artikel 8, lid 4, analoog aan hetgeen met betrekking tot andere maatregelen in andere gemeenschappelijke marktordeningen is voorzien, de Commissie een - zij het een in het kader van de procedure van het Comité van beheer uit te oefenen - ruime discretionaire bevoegdheid verleent . In casu is die procedure overigens nageleefd, daar de Commissie de litigieuze maatregel op regelmatige wijze, dat wil zeggen na voorlegging aan het Comité van beheer en bij gebreke van een advies van dat Comité heeft vastgesteld .
Ten slotte wil ik erop wijzen, dat de auteur van verordening nr . 2727/75, de Raad, zij het na enige aarzeling, heeft bevestigd, dat in beginsel de tekst van artikel 8, lid 2, de vaststelling van speciale interventiemaatregelen per regio niet uitsluit .
5 . Veeleer dient dus te worden onderzocht - volgens de gedachtengang van het arrest Rau - of eventuele beperkingen op dat punt niet eerder uit de doelstellingen van de verordening dan uit de letter van artikel 8 kunnen voortvloeien .
In dat verband dient te worden beklemtoond, dat bij verordening nr . 1143/76 tot wijziging van verordening nr . 2727/75 de hervorming van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen is gecompleteerd door de invoering van een regeling die wordt gekenmerkt door :
- de afschaffing, ook voor zachte broodtarwe, van een per regio vastgestelde interventieprijs;
- een uniforme interventieprijs voor granen in de gehele Gemeenschap;
- een versterkte markteenheid ( in die zin dat het niveau van externe bescherming is opgetrokken - door een bijkomende factor op te nemen in de berekening van de richtprijs - om de doorstroming op de markt te verzekeren en om ervoor te zorgen dat de handelsstromen het overschot in de gebieden waar te veel wordt geproduceerd, en de behoeften van de deficitaire gebieden kunnen compenseren );
- een stimulans om zachte broodtarwe te produceren, door middel van de invoering van een - eveneens uniforme - referentieprijs die hoger is dan de interventieprijs . ( 1 )
Hier kan de volgende vraag rijzen : dreigen geregionaliseerde speciale interventiemaatregelen, zoals die van voormelde verordening nr . 400/86, niet de verwezenlijking van de beginselen van prijsuniformiteit, markteenheid en de ondersteuning van de prijs voor zachte broodtarwe ten opzichte van de interventieprijs in gevaar te brengen?
In feite komt een kwantitatief beperkt en ongelijk tussen de Lid-Staten verdeelde, speciale interventieaankoop neer op een steunmaatregel en dus op een bijkomende inkomensverdeling, die niet dezelfde is voor de produktie van elke Lid-Staat . In casu was dat het geval, daar de in de Bondsrepubliek Duitsland in speciale interventie aanvaarde hoeveelheid zachte broodtarwe aanzienlijk groter was dan die welke in de andere Lid-Staten van die interventie heeft geprofiteerd; dat was duidelijk het geval voor Frankrijk, waar toentertijd de totale graanproduktie ongeveer driemaal zo groot was als in Duitsland .
Dit argument lijkt echter niet overtuigend . De speciale interventiemaatregelen hebben ten doel, de prijs voor zachte broodtarwe te ondersteunen ten opzichte van de uniforme interventieprijs . Zodra een dergelijke maatregel beperkt moet blijven tot het strikt noodzakelijke ( zie de vijfde overweging van de considerans van verordening nr . 1143/76 ), mag de Commissie, in plaats van aankopen "à guichet ouvert" te verrichten ( dat wil zeggen aankopen zonder kwantitatieve beperking ), voor de aankopen een bepaald maximum vaststellen . In dat geval is het normaal dat de totale hoeveelheid op ongelijke wijze tussen de Lid-Staten kan worden verdeeld . Immers, de marktsituaties verschillen van elkaar ten gevolge van diverse factoren, zoals de omvang van de produktie, het rendement van de bebouwde oppervlakten, de produktiekosten, de afzetmogelijkheden; bijgevolg zijn de behoeften aan steuninterventie eveneens verschillend . Juist op deze behoeften nu moet de speciale interventiemaatregel ter ondersteuning van de uniforme referentieprijs zijn afgestemd, in die zin dat krachtiger moet worden ingegrepen naarmate de markt zwakker is; het is immers duidelijk, dat ongedifferentieerde interventiemaatregelen met betrekking tot ongelijke economische maatregelen tot een "onevenwicht" en uiteindelijk tot een distorsie leiden .
Daaruit volgt dat, wanneer de speciale interventiemaatregel de mogelijkheid creëert om tot een maximumhoeveelheid interventieaankopen te verrichten, het ter bereiking van de gestelde doelstelling, namelijk de ondersteuning van de uniforme communautaire referentieprijs, nuttig is de totale hoeveelheid gedifferentieerd te verdelen naar gelang van de regionale behoeften ( uiteraard volgens objectieve criteria ). Als die doelstelling bereikt is en de prijs op het gewenste niveau is gebracht ( rekening houdend met de referentieprijs ), kunnen de normale handelsstromen, met behulp van de mechanismen van de gemeenschappelijke markt, een evenwicht tot stand brengen tussen de zones met een overschot en die met een tekort .
Ten slotte denk ik, dat de Commissie, gelet op de bepalingen, ook die van procedurele aard, van verordening nr . 2727/75, zoals gewijzigd bij verordening nr . 1143/76, en de doelstelling zelf van de verordening, bevoegd was om de betrokken speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
b ) De geldigheid van verordening nr . 2727/75 van de Raad, zoals gewijzigd bij de verordeningen nrs . 1143/76 en 1146/76 van de Raad
6 . De verwijzende rechter verzoekt het Hof, zich uit te spreken over de geldigheid van deze verordeningen, indien het van oordeel is dat zij de Commissie de bevoegdheid verlenen om per regio speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
Ik wil eerst en vooral preciseren dat, zoals uit het voorgaande volgt, het verordening nr . 2727/75 van de Raad is ( en met name artikel 8 daarvan ) die de Commissie de bevoegdheid verleent om speciale interventiemaatregelen vast te stellen .
Bijgevolg behoef ik alleen de geldigheid van die verordening - de basisverordening - te toetsen .
Daarentegen zijn geen vragen over de geldigheid van verordening nr . 1146/76 aan de orde . Deze verordening betreft niet de bevoegdheid en regelt enkel andere aspecten van de toepassing van de speciale en bijzondere interventiemaatregelen, zoals in de eerste plaats het opnieuw op de markt brengen van de granen .
De geldigheid van verordening nr . 2727/75 - of van haar bepalingen - is in de schriftelijke en de mondelinge opmerkingen voor het Hof in feite nooit in twijfel getrokken . Gelet op de formulering van de prejudiciële vraag wil ik echter - zeer in het kort - enkele opmerkingen maken betreffende de naleving van het non-discriminatiebeginsel en de motiveringsplicht .
7 . Uit hetgeen ik hierboven sub a ) heb gezegd, volgt dat de mogelijkheid om speciale interventiemaatregelen per regio vast te stellen objectief gerechtvaardigd is uit hoofde van de noodzaak om de interventie zelf te beperken tot het strikt noodzakelijke, rekening houdend met de situatie op de diverse markten, en om de prijs van zachte broodtarwe te ondersteunen ten opzichte van de uniforme referentieprijs .
Bovendien erkende het Hof in het arrest van 1 juli 1974 ( zaak 11/74, Union des minotiers de la Champagne, Jurispr . 1974, blz . 877 ), dat het vóór de hervorming van 1975 geldende systeem van per regio geldende graanprijzen niet discriminerend was, daar het op objectieve criteria was gebaseerd . Dat systeem voorzag in een mechanisme van per produktiegebied vastgestelde interventieprijzen, hetgeen een vaste differentiëring van de prijzen per regio tot gevolg had . Het was dus een veel sterker geregionaliseerd stelsel dan dat van verordening nr . 2727/75, dat daarentegen is gebaseerd op het beginsel dat zowel de interventieprijs als de referentieprijs een uniforme prijs dient te zijn, en dat een regionalisering voorziet op basis van objectieve criteria en uitsluitend in verband met bepaalde gevallen, zoals met name de bijzondere en speciale interventiemaatregelen . De oplossing die het Hof in voormeld arrest gaf, lijkt mijns inziens a fortiori te moeten gelden voor het onderhavige geval .
De vaststelling van speciale, in voorkomend geval geregionaliseerde speciale interventiemaatregelen is derhalve niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel en de redenen zijn duidelijk, daar de mogelijkheid van geregionaliseerde maatregelen - zoals hiervoor gezegd - is gebaseerd op de doelstellingen zelf van de verordening, zoals die in haar considerans zijn vermeld .
c ) De discriminerende aard van verordening nr . 400/86
8 . Volgens de AGPB zijn de maatregelen van verordening nr . 400/86 discriminerend, daar de aanzienlijke verschillen tussen de in de Lid-Staten, in het bijzonder in Frankrijk en de Bondsrepubliek Duitsland, voor de speciale interventiemaatregel in aanmerking komende hoeveelheden zachte broodtarwe niet op objectieve gronden gerechtvaardigd zouden zijn .
Dienaangaande zij opgemerkt, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest Rau en het arrest van 17 juni 1987, gevoegde zaken 424 en 425/85, Frico, Jurispr . 1987, blz . 2755 ), het discriminatieverbod van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag als bijzondere uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel zich er niet tegen verzet, dat vergelijkbare situaties verschillend worden behandeld wanneer dit objectief gerechtvaardigd is .
In casu betoogt de Commissie, dat het onderhavige verschil in behandeling was ingegeven door de volgende overwegingen :
- van september 1985 tot januari 1986 was de verhouding marktprijs/interventieprijs in Frankrijk ongeveer 1 % hoger dan in Duitsland;
- tijdens dezelfde periode gaf de Franse export een bijzonder gunstige ontwikkeling te zien;
- in januari 1986 hadden de Franse autoriteiten hun voornemen kenbaar gemaakt om een gedeelte van de voorraden van het interventiebureau te verkopen .
Deze feiten zijn inhoudelijk niet betwist . De AGPB betoogt evenwel, dat het belang ervan overschat is, hetgeen tot een maatregel heeft geleid die niet in overeenstemming is met de eisen van de markt en die tot een nadeel van de Franse producenten heeft geleid .
9 . Wanneer de Commissie in het kader van de haar toegewezen uitvoerende bevoegdheden handelt, beschikt zij over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid ten aanzien van de feiten en de omstandigheden . Het Hof kan zijn eigen beoordeling uiteraard niet in de plaats stellen van de beoordeling van de Commissie . In het kader van de wettigheidstoetsing kan en moet het evenwel onderzoeken, of er eventueel sprake is van een kennelijke beoordelingsfout, bij voorbeeld betreffende de logische coherentie van de redenering waarop de maatregel is gebaseerd .
In casu had de Commissie bij de vaststelling van de betrokken maatregel voornamelijk rekening gehouden met het verschil in prijsindex op de Duitse en op de Franse markt . Hoewel het stellig slechts om een klein verschil gaat, wijst het niettemin op een ietwat dynamischer vraag op de Franse markt . Overigens heeft het Hof geen redenen om aan te nemen, dat de Commissie te veel belang heeft gehecht aan dat verschil, toen zij de voor speciale interventie in aanmerking komende hoeveelheden tussen de twee landen verdeelde . Uit de vroegere praktijk blijkt, dat de Commissie in één geval, in 1980 ( 2 ), wegens ongeveer even grote prijsverschillen een maatregel heeft vastgesteld die, wat de evenredige verdeling tussen twee landen van de voor speciale interventie in aanmerking komende hoeveelheden aangaat, volledig overeenstemde met de onderhavige maatregel . In 1983 ( 3 ) daarentegen, toen de Franse prijs 1 % hoger was dan de Duitse, was de aan Frankrijk toegewezen hoeveelheid voor speciale interventie groter dan de Duitse hoeveelheid, hetgeen in tegenspraak lijkt met in de onderhavige zaak gemaakte beoordeling .
Men mag evenwel niet vergeten, dat deze maatregelen in een andere economische context zijn vastgesteld, hetgeen kan verklaren dat de achtereenvolgens aanvaarde oplossingen niet volstrekt identiek zijn . Voorts kan men er niet uit afleiden, dat in het onderhavige geval de gegevens betreffende de prijzen onjuist zijn beoordeeld, zodat daardoor een ongerechtvaardigde maatregel zou zijn vastgesteld, te meer daar de indicatie die in casu uit de factor prijzen voortvloeit - zoals we hebben gezien - wordt bevestigd door de gunstige prognoses van de Franse autoriteiten ten aanzien van de capaciteit om de bestaande voorraden door de nationale markt te laten opnemen . ( 4 )
10 . Het is juist, dat de Franse prijzen na de vaststelling van verordening nr . 400/86 voortdurend zijn gedaald, en tot onder de interventieprijs zijn gezakt, terwijl de Duitse prijzen stegen . Ook is het waar, dat het gedeelte van de aangeboden hoeveelheid graan, die in de Bondsrepubliek Duitsland in speciale interventie is aanvaard, veel hoger was, namelijk ongeveer 97 %, dan in Frankrijk, waar slechts 11,7 % van iedere offerte is aanvaard .
Natuurlijk zijn dit factoren die het resultaat van de maatregel betreffen en die dus achteraf aan het licht zijn getreden, doch dat betekent niet, dat zij in het geheel geen waarde of betekenis hebben . Het zijn namelijk prognoses, die als zodanig aan een onzekerheidsmarge onderhevig zijn, doch de Commissie kon die bij haar beoordeling redelijkerwijze niet buiten beschouwing laten, te meer daar zij in casu krachtens de duidelijke bepaling van artikel 2 van verordening nr . 1629/77 - vooral in verband met de prijsontwikkeling - uitdrukkelijk verplicht was om er rekening mee te houden .
Niettemin zijn dergelijke factoren naar hun aard voor de wettigheidstoetsing louter aanwijzingen, die pas bewijskracht verkrijgen wanneer zij in een voldoende gedetailleerd en concludent totaalbeeld passen .
Zoals gezegd blijkt in casu niet, dat de Commissie de ontwikkeling op de markten vóór de vaststelling van de verordening onjuist heeft beoordeeld . Bovendien kan de latere ontwikkeling zeer wel beïnvloed zijn door omstandigheden die moeilijk op voorhand waren in te schatten . Ofschoon de prijsontwikkeling en het gedrag van de marktdeelnemers in Frankrijk tijdens de maanden na februari 1986 enige twijfel omtrent de juistheid van de maatregel deden rijzen, kan daaruit mijns inziens niet worden afgeleid, dat de Commissie op het ogenblik van haar beslissing een kennelijk foutieve beoordeling had gemaakt .
Concluderend ben ik van mening dat het verschil in behandeling, voorzien in verordening nr . 400/86, voldoende objectief gerechtvaardigd is en dus geen onwettige discriminatie oplevert .
d ) De motivering
11 . De beginselen betreffende de motivering van verordeningen, zoals die uit 's Hofs rechtspraak blijken, zijn welbekend .
Ik verwijs slechts naar het arrest van 22 januari 1986 ( zaak 250/84, Eridania, Jurispr . 1986, blz . 117 ) en het nog recentere arrest van 7 juli 1988 ( zaak 55/87, Moksel, Jurispr . 1988, blz . 3845 ). ( 5 )
In casu is de motivering van de verordening weliswaar zeer summier, ofschoon zij toch nauwkeuriger is dan in andere verordeningen met een gelijkaardige inhoud ( zie met name de reeds aangehaalde beschikking nr . 80/533 ).
Men moet echter in aanmerking nemen, dat verordening nr . 400/86 is vastgesteld op grond van een reeks verordeningen waarin de functie van de speciale interventiemaatregelen en vooral hun toepassingscriteria nader zijn uitgewerkt .
Verordening nr . 400/86 verwijst niet alleen uitdrukkelijk ( vgl . de eerste en de tweede overweging van de considerans ) naar de basisverordeningen, maar vermeldt bovendien met welke factoren ( het prijsniveau en de afzetmogelijkheden ) rekening is gehouden, die in het onderhavige geval rechtvaardigden, dat voor elke Lid-Staat maximumhoeveelheden voor interventieaankopen werden vastgesteld .
Overigens betreft de controle voor het Hof in wezen die twee elementen ( prijzen en afzetmogelijkheden ).
Ook al waren wellicht enkele nadere details wenselijk geweest, ten einde eventuele verbazing over de wijze waarop de Commissie haar bevoegdheden heeft uitgeoefend te vermijden, is de motivering van de betrokken verordening mijns inziens aangepast aan haar aard, en voldoet zij aan het vereiste, dat de belanghebbenden de doelstelling en de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel moeten kunnen kennen en dat het Hof vervolgens de wettigheid ervan moet kunnen toetsen .
Mitsdien geef ik het Hof in overweging, vast te stellen, dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de betrokken verordening kunnen aantasten .
(*) Vertaald uit het Italiaans .
( 1 ) De referentieprijs heeft in tweeërlei opzicht een beschermende werking : enerzijds vormt hij de basis ( die hoger is dan voor andere granen ) voor de berekening van de richtprijs, en is hij dus bepalend voor de mate van externe bescherming; anderzijds is hij het criterium aan de hand waarvan eventuele interventiesteun wordt bepaald ( de speciale interventiemaatregelen ).
( 2 ) Beschikking nr . 80/533 van de Commissie van 14 mei 1980 ( PB 1980, L 138, blz . 11 ).
( 3 ) Verordening nr . 1428/83 van de Commissie van 2 juni 1983 ( PB 1983, L 145, blz . 26 ).
( 4 ) Daarentegen lijkt het argument van de Commissie, dat daarnaast eveneens rekening moet worden gehouden met de positieve ontwikkeling van de Franse export tijdens de periode van september 1985 tot februari 1986, zwakker . De export draagt als externe component van de vraag bij tot de bepaling van het prijsniveau . Bijgevolg mag men aannemen, dat de gegevens betreffende de prijzen, waarop de Commissie zich heeft gebaseerd, tijdens de betrokken periode reeds de invloed van de export weergaven .
( 5 ) Met name overwoog het Hof in het arrest Eridania :
"Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet de door artikel 190 EEG-Verdrag vereiste motivering aan de aard van de betrokken handeling beantwoorden . De redenering van de communautaire instantie die de betwiste handeling heeft vastgesteld, moet er duidelijk en ondubbelzinnig in tot uiting komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen .
Uit deze rechtspraak, laatstelijk bevestigd in het arrest van 28 oktober 1982 ( gevoegde zaken 292 en 293/81, Lion en Haentjens, Jurispr . 1982, blz . 3887 ), blijkt bovendien, dat bij verordeningen geen specifieke motivering kan worden verlangd van de verschillende - soms zeer talrijke en ingewikkelde - onderdelen, feitelijk en rechtens, die daarin voorkomen, zodra deze binnen de systematiek van het geheel vallen . Indien de essentie van het door de instelling nagestreefde doel uit de betwiste handeling blijkt, zou het bijgevolg te ver gaan, voor elke technische keuze van deze instelling een specifieke motivering te verlangen" ( r.o . 37-38 ).
Top