Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 16 mei 1989. - FRIEDRICH BINDER GMBH & CO KG TEGEN HAUPTZOLLAMT BAD REICHENHALL. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT MUENCHEN - DUITSLAND. - GELDIGHEID VAN EEN BESCHIKKING BETREFFENDE NAHEFFING VAN INVOERRECHTEN. - ZAAK 161/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02415
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Finanzgericht Muenchen heeft het Hof een prejudiciële vraag gesteld waarbij het er in wezen om gaat, welke gevolgen een fout van de nationale administratie bij de toepassing van het communautaire recht heeft voor marktdeelnemers die te goeder trouw zijn .
2 . De feiten zijn als volgt . Tussen 30 januari en 5 maart 1983 heeft Friedrich Binder GmbH & Co . ( hierna : Binder ), een Duitse onderneming, uit Joegoslavië twaalf partijen bevroren kersen ingevoerd . Het Duitse douanekantoor, het Hauptzollamt Bad Reichenhall, heeft de invoerrechten vastgesteld tegen het preferentiële tarief van 10,4%, dat in het Duitse Gebrauchs-Zolltarif stond en met ingang van 1 januari 1983 van toepassing was .
3 . Dit was evenwel het tarief dat was voorzien in een op 16 juli 1982 door de Commissie bij de Raad ingediende ontwerp-verordening . Het in casu geldende tarief bedroeg 13%, vastgesteld bij verordening nr . 1272/80 van de Raad van 22 mei 1980 houdende sluiting van de Interimovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Socialistische Federatieve Republiek Yoegoslavië betreffende het handelsverkeer en de commerciële samenwerking . ( 1 ) Het door de Commissie ingediende voorstel is nooit aangenomen . Bij beschikking van 9 maart 1983 wijzigde het Bondsministerie van Financiën het toepasselijke invoerrecht met ingang van 1 januari 1983 en stelde het opnieuw op 13% vast . Bij drie definitieve aanslagen van 28 29 maart en 13 juni 1983 vorderde de Duitse overheid nabetaling van de invoerrechten, voor zover deze nog niet waren voldaan .
4 . Nadat Binder hiertegen een bezwaarschrift had ingediend, verzocht de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie bij een op 5 juli 1985 ingekomen brief te beslissen, of het opportuun was om overeenkomstig artikel 6 van verordening nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 ( 2 ) af te zien van navordering van de invoerrechten . Blijkens artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 ( 3 ) behoeven de bevoegde autoriteiten namelijk "niet over te gaan tot navordering van het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer dat niet is geheven ten gevolge van een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken", mits hij te goeder trouw heeft gehandeld en de douaneaangifte in orde is .
5 . Bij beschikking 8/85 van 5 november 1985 ( hierna : de beschikking ) verklaarde de Commissie, dat tot navordering moest worden overgegaan .
6 . Het Finanzgericht Muenchen, waarbij Binder in beroep was gegaan tegen de afwijzing van haar bezwaarschrift door de douaneautoriteiten, verzoekt het Hof om een oordeel over de geldigheid van deze beschikking .
7 . De partijen in het hoofdgeding hebben geen schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend . Niettemin kan uit de verwijzingsbeschikking worden opgemaakt, dat de twijfel aan de geldigheid van de beschikking van de Commissie in de eerste plaats berust op schending van het vertrouwensbeginsel en in de tweede plaats op niet-inachtneming van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 . Ik zal beide punten achtereenvolgens bespreken .
8 . In de zaak Padovani ( 4 ) had ik reeds de gelegenheid om mijn mening te geven over de toepassing van het vertrouwensbeginsel in geval van een vergissing van de nationale overheid . Ik herinnerde er toen aan, dat het Hof in het Maïzena-arrest ( 5 ) verklaarde :
" een met de gemeenschapsregeling strijdige praktijk van een Lid-Staat kan nooit tot het ontstaan van een door het gemeenschapsrecht beschermde rechtspositie leiden ." ( 6 )
9 . Zoals ik toen reeds heb gezegd, lijkt het mij echter, dat bij de vaststelling van de draagwijdte van dat arrest rekening moet worden gehouden met de rechtspraak waarin het Hof het bestaan van het rechtszekerheids - en het vertrouwensbeginsel in de communautaire rechtsorde heeft bevestigd . ( 7 ) Deze beginselen strekken per definitie, omwille van een evenwicht tussen billijkheid en wettigheid, tot bescherming van naar strikte rechtsopvatting onwettige situaties . Men zou deze beginselen goeddeels ontkrachten, wanneer men weigert ze toe te passen bij een vergissing van de administratie .
10 . De Commissie stelt, dat de erkenning van een gewettigd vertrouwen in het geval van het Duitse Gebrauchs-Zolltarif, die slechts declaratoire waarde heeft, het primaat van het gemeenschapsrecht in gevaar zou brengen, omdat enkel de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekend gemaakte verordeningen rechtskracht hebben .
11 . Misschien mag ik ten aanzien van dit punt verwijzen naar de opvatting van advocaat-generaal Reischl in zijn conclusie in de zaak Amylum ( 8 ), dat een gepubliceerd voorstel
" dat zowel volgens onze Jurisprudentie als naar nationale rechtspraak, ter beantwoording van de vraag of het gewettigd vertrouwen voldoende werd beschermd als relevant is te beschouwen ." ( 9 )
Welnu, een gepubliceerd voorstel heeft geen bindende kracht en ook al kan het blijkbaar zekere gevolgen meebrengen, zoals die welke advocaat-generaal Reischl signaleert, het heeft toch geen juridische betekenis in de strikte zin van het woord . Zoals gezegd, heeft het Duitse Gebrauchs-Zolltarif slechts declaratoire waarde . Dus anders dan wat de Commissie meent, heeft het simpele feit dat de vermeldingen in dit tarief betrokken worden bij de beoordeling of het bij de marktdeelnemer bestaande vertrouwen al dan niet gewettigd was, net zo min als bij een gepubliceerd voorstel tot gevolg, dat aan dit tarief juridische betekenis wordt toegekend en derhalve evenmin, dat aan het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht wordt getornd .
12 . De Commissie voert eveneens aan dat, wanneer men Binder gelijk zou geven, daardoor de door het Hof in zijn arresten Racke ( 10 ) en Decker ( 11 ) gememoreerde noodzaak van eenheid en uniforme toepassing van het gemeenschapsrecht zou worden belemmerd en marktdeelnemers uit andere Lid-Staten gediscrimineerd zouden worden, op wie het geldende tarief wél is toegepast .
13 . Daargelaten dat er geen sprake lijkt te zijn van economische discriminatie doordat Binder, die van het verkeerde tarief is uitgegaan, de nagevorderde invoerrechten niet meer aan haar klanten kan doorberekenen, gaat het argument van de Commissie eraan voorbij, dat zich hier een zeer bijzondere - ik zou haast willen zeggen, pathologische - situatie voordoet ten gevolge van een ook door de Commissie zelf als zeer zeldzaam beschouwde vergissing van een nationale overheid .
14 . In feite lijkt de Commissie het Hof impliciet te verzoeken om de uitspraak, dat het vertrouwensbeginsel slechts kan worden ingeroepen tegen een tekst van de gemeenschapsinstellingen en niet tegen een door nationale overheden gepubliceerde tekst, ook als deze een communautaire regeling betreft . Met andere woorden, het lijkt de Commissie wel mogelijk, dat met haar eigen vergissingen rekening wordt gehouden, maar niet om hetzelfde te doen met betrekking tot vergissingen van nationale overheden .
15 . Zeker, in het arrest Salerno verklaarde het Hof dat
" een resolutie van het Parlement geen dwingend karakter ( heeft ) en geen gewettigd vertrouwen ( kan ) doen ontstaan dat de instellingen zich ernaar zullen richten ." ( 12 )
In het arrest Fingruth van 5 oktober 1988 ( 13 ) erkende het Hof evenwel, dat een gemeenschappelijke praktijk van een gemeenschapsinstelling en een nationale instantie een gewettigd vertrouwen kon opwekken bij een gemeenschapsambtenaar . Nu het gewettigd vertrouwen dus wel kan worden ingeroepen tegen een administratieve praktijk van zowel de nationale overheid als van een gemeenschapsinstelling, zie ik niet in waarom dit niet zou kunnen bij een nationale tekst die, zelfs al heeft hij enkel declaratoire waarde, tot doel heeft bekendheid te geven aan de communautaire regels .
16 . Vanzelfsprekend wil ik het Hof niet verleiden tot de uitspraak, dat vergissingen die door nationale instanties bij de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief zijn begaan, als gevolg van het vertrouwensbeginsel nooit aanleiding zouden kunnen geven tot navordering . Ik wil enkel voorstellen te verklaren, dat een dergelijk beginsel in zo een situatie toepasselijk is . Vervolgens zal moeten worden onderzocht, of Binder onder de gegeven omstandigheden met succes het vertrouwensbeginsel tegen de beschikking van de Commissie kan inroepen .
17 . Ik kom nu tot de bespreking van artikel 5 van verordening nr . 1697/79 . Zoals gezegd, spreekt dit artikel van "een vergissing die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken ".
18 . Voor haar conclusie dat de stellingen van Binder moeten worden verworpen, baseert de Commissie zich op het arrest Van Gend en Loos ( 14 ), dat handelt over het - volgens de Commissie - "vergelijkbare" artikel 13 van verordening nr . 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in - of uitvoerrechten . ( 15 ) De eerste alinea van dit artikel bepaalt namelijk dat "tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten kan worden overgegaan in situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden ". Het Hof verklaarde in die zaak dat
" ook indien in artikel 13 van verordening nr . 1430/79 een met overmacht samenvallend begrip kon worden gelezen, een geval van overmacht niettemin enkel ware aan te nemen, indien de van buiten komende oorzaak waarop de justitiabelen zich beroepen, zo onstuitbare en onontkoombare gevolgen had, dat het voor de betrokkenen objectief onmogelijk werd hun verplichtingen na te komen . Bij bedrijven met grote ervaring, zoals verzoeksters, is het feit dat hun ongeldige certificaten van oorsprong worden aangeboden, niet te beschouwen als iets wat - ondanks alle betrachte diligentie - onvoorzienbaar en onvermijdelijk is . Een douane-expediteur stelt zich door het uitoefenen van zijn werkzaamheden op zichzelf reeds aansprakelijk zowel voor de betaling van de invoerrechten als voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-instanties voorgelegde documenten ." ( 16 )
19 . Toch ben ik er niet zo zeker van, dat artikel 13 van verordening nr . 1430/79 en artikel 5 van verordening nr . 1697/79 hetzelfde betekenen, zoals de Commissie suggereert . Eerstgenoemde verordening betreft namelijk alle gevallen, waarin om één of andere reden de douanerechten die zijn geheven of die "opeisbaar" zijn, moeten worden terugbetaald of worden kwijtgescholden . Als rechtvaardigingsgronden voor deze terugbetaling en kwijtschelding noemt de verordening met name : vaststelling van de douaneschuld op een hoger bedrag dan het wettelijk verschuldigde, weigering van de goederen door de importeur omdat zij gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract, een vergissing van de afzender, onmogelijkheid om de goederen voor bepaalde doeleinden te gebruiken, en ten slotte - en dat is het onderwerp van artikel 13 -, "situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden ". In feite wordt hier een nieuw geval van terugbetaling of kwijtschelding van de douaneschuld toegevoegd, en dit artikel sluit volledig terecht de terugbetaling of kwijtschelding uit in geval van manipulatie van de zijde van de betrokkene, dus in geval van kwade trouw of onachtzaamheid, dat wil zeggen eenvoudige nalatigheid of onvoorzichtigheid . In het arrest Van Gend en Loos, dat zich niet uitdrukkelijk uitlaat over de vraag of deze bepalingen identiek zijn met het begrip overmacht, wordt, zo lijkt het, enkel dit voorbehoud van de onachtzaamheid toegepast : het Hof oordeelde immers, dat een douane-expediteur, die zich door het uitoefenen van zijn werkzaamheden op zichzelf reeds aansprakelijk stelt voor de regelmatigheid van de door hem aan de douane-instanties voorgelegde documenten, de geldigheid van de hem aangeleverde certificaten van oorsprong had moeten controleren .
20 . Verordening nr . 1697/79 is heel anders opgezet . Hierin gaat het nu juist niet om de terugbetaling of kwijtschelding van douanerechten, maar om de navordering ervan . De tekst geeft niet aan, welke oorzaken ertoe hebben kunnen leiden dat inning achterwege is gebleven . Artikel 1 spreekt slechts in algemene bewoordingen van "rechten bij invoer of bij uitvoer, die om ongeacht welke reden niet van de belastingschuldige zijn opgeëist ". En artikel 5 bindt de navordering aan drie restricties :
- algehele uitsluiting van navordering, wanneer het geïnde bedrag, dat lager is dan het wettelijk verschuldigde bedrag, is berekend op basis van gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden;
- evenzo, wanneer dit zelfde bedrag is berekend op basis van algemene bepalingen die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig worden verklaard; deze regel staat evenals de vorige in lid 1 van het artikel;
- in geval van een vergissing die redelijkerwijze door de belastingschuldige had kunnen worden ontdekt, kunnen de bevoegde autoriteiten van navordering afzien; dit staat in artikel 5, lid 2, waarover het in deze zaak gaat .
21 . Verordening nr . 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van genoemd artikel 5, lid 2, bepaalt, onder welke omstandigheden de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten zich tot de Commissie moeten wenden met het verzoek om een beschikking te geven . Het Hof heeft reeds vastgesteld, dat deze bepaling
"aldus moet worden uitgelegd, dat de belastingplichtige er recht op heeft, dat niet tot navordering wordt overgegaan wanneer aan al deze voorwaarden is voldaan ." ( 17 )
22 . Alvorens te bespreken hoe artikel 5, lid 2, in dit geval moet worden toegepast, wil ik de aandacht vestigen op het bepaalde in lid 1 van dit zelfde artikel . Het Hof is weliswaar verzocht om een uitspraak over de geldigheid van de beschikking van de Commissie in het licht van lid 2, maar moet men zich niet toch afvragen, of in de reeks elementen waarmee de Commissie bij het geven van haar beschikking rekening moet houden, niet voorop dient te staan de controle, of aan alle wettelijke voorwaarden voor navordering is voldaan, en dus de controle, of de bepalingen van artikel 5, lid 1, op het betrokken geval niet-toepasselijk zijn? Indien de vergissing namelijk alle in lid 1 van dit artikel genoemde kenmerken vertoont - dat wil zeggen indien zij door de bevoegde autoriteiten is gemaakt en in de haar bindende gegevens voorkomt -, is navordering absoluut onmogelijk . Het zou onbegrijpelijk zijn, wanneer de Commissie in zo een geval zou kunnen toetsen, of er op grond van de vereisten van lid 2 al dan niet aanleiding is om de douanerechten na te vorderen . Het is toch vrij logisch, dat de Commissie, alvorens te onderzoeken of er al dan niet tot navordering moet worden overgegaan, nagaat of aan de wettelijke voorwaarden voor een dergelijke navordering is voldaan . Zou een dergelijk vereiste niet worden erkend, dan zou de Commissie ook tot navordering kunnen besluiten in gevallen, waarin deze navordering volgens artikel 5, lid 1, niet is toegestaan .
23 . Het Hof is trouwens gedwongen een ondubbelzinnige oplossing voor deze problemen te geven, want in zaak 80/89, die volledig op deze zaak lijkt, heeft het Finanzgericht Hamburg eveneens een prejudiciële vraag gesteld over de eventuele toepassing van artikel 5, lid 1 .
24 . Vandaag of morgen zal het Hof dus moeten uitmaken, wat moet worden verstaan onder de woorden "gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden ".
25 . Zoals bekend, kan de belastingplichtige in douanezaken de overheidsinstanties om advies vragen over bepaalde aspecten van de regeling in verband met de goederen die hij wenst aan te geven . In de doctrine was men evenwel van mening, dat dit advies van de douane-instanties geen enkele juridische waarde heeft en niet meer dan een inlichting is die de administratie niet bindt . ( 18 ) Betekenen de woorden "gegevens die de bevoegde autoriteiten zelf hebben verstrekt en laatstgenoemden binden" in artikel 5, lid 1, dat men de door de douane-instanties gegeven adviezen, waarvan de doctrine tot nu toe meende dat zij de administratie niet binden, heeft willen uitsluiten, of heeft men integendeel juist willen aangeven, dat dergelijke adviezen de douaneautoriteiten voortaan wel bonden en iedere navordering onmogelijk maakten?
26 . De tweede hypothese lijkt mij de enige juiste . Ik constateer namelijk, dat artikel 5, lid 1, twee gevallen voorziet waarin de mogelijkheid tot navordering is uitgesloten : wanneer de vergissing berust op "gegevens" verstrekt door de bevoegde autoriteiten zelf ( eerste gedachtenstreepje ) en wanneer de vergissing berust op "algemene bepalingen die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig worden verklaard" ( tweede gedachtenstreepje ). Indien de gemeenschapswetgever onder het begrip "gegevens" algemene bepalingen had willen verstaan, zoals administratieve instructies of teksten van regelgevende aard, dan zou hij in het eerste gedachtenstreepje eveneens de woorden "algemene bepalingen" van het tweede gedachtenstreepje hebben opgenomen . En derhalve dient artikel 5, lid 1, dat slechts de toepassing van het vertrouwensbeginsel vormt, aldus te worden begrepen, dat het vertrouwensbeginsel kan berusten hetzij op een speciale inlichting die de douane-instanties aan een declarant of een andere belanghebbende marktdeelnemer hebben verstrekt, hetzij op een algemene bepaling die later bij een rechterlijke beslissing ongeldig is verklaard . Daarentegen kan, als deze ongeldigverklaring ontbreekt, geen gewettigd vertrouwen worden gebaseerd op een algemene bepaling die ingaat tegen bepalingen met juridische betekenis . Een andere opvatting zou leiden tot een omkering van de rangorde van de rechtsnormen . Overigens is in het Duitse recht ook voor deze oplossing gekozen, want in een arrest van de Bundesfinanzhof ( 19 ) wordt overwogen, dat de belastingplichtige zich niet kan beroepen op het feit dat hij is afgegaan op de inhoud van een beschikking van het Bondsministerie van Financiën, die in strijd was met wettelijke bepalingen . De tegenovergestelde oplossing zou er volgens deze rechter toe leiden, dat wettelijke bepalingen door een algemene administratieve beschikking kunnen worden opzij gezet . Het gewettigd vertrouwen kan dus enkel beschermd worden in het kader van een concrete rechtsverhouding tussen het bevoegde bestuursorgaan en de belastingplichtige .
27 . Wanneer men artikel 5, lid 1, eerste streepje, nu echter zo moet uitleggen, dat het slechts doelt op speciale inlichtingen die door de douanediensten aan een bepaalde marktdeelnemer zijn gegeven, zou deze bepaling, wanneer men ervan uitgaat dat dergelijke inlichtingen de douanediensten niet binden, geen nuttig effect meer hebben, aangezien dit artikel dan immers geen toepassing meer zou vinden en eigenlijk volledig inhoudsloos zou worden . Dit is overigens ook de opvatting van professor Berr, die in zijn commentaar op artikel 5 van verordening nr . 1697/79 uitdrukkelijk verwijst naar zijn opmerkingen over de verzoeken van declaranten om advies . ( 20 )
28 . Hoe het ook zij, in casu kan het Duitse Gebrauchs-Zolltarif niet worden aangemerkt als door de bevoegde autoriteiten verstrekte gegevens, gelet op het reeds aangestipte algemene karakter ervan en op het feit, dat het niet de bijzondere situatie van een bepaalde marktdeelnemer betreft . Voor de oplossing van deze zaak behoeft het Hof de invloed van dit gebruikstarief en van de daarin besloten fout dus niet aan artikel 5, lid 1, eerste streepje, te toetsen .
29 . Ik zal dan nu onderzoeken, of de Commissie terecht op grond van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 de navordering heeft gelast, met andere woorden of Binder in werkelijkheid de betrokken vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken . De partijen staan hierbij lijnrecht tegenover elkaar .
30 . Enerzijds wordt in de verwijzingsbeschikking benadrukt, dat het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, waarvan de aanschafprijs hoog is, niet altijd in de douanekantoren beschikbaar is, dat het soms moeilijk is om vast te stellen welke gemeenschapsverordening toepasselijk is, dat iedereen steeds uitgaat van het Gebrauchs-Zolltarif dat door het Bondsministerie van Financiën wordt gepubliceerd, dat de tariefverordeningen gewoonlijk in januari of februari bekend worden gemaakt, maar terugwerken tot 1 januari van het lopende jaar, en ten slotte, dat de door de Commissie ingediende voorstellen doorgaans door de Raad worden aangenomen .
31 . Daartegenover stelt de Commissie, dat het Gebrauchs-Zolltarif slechts declaratoire waarde heeft, wat in het commentaar op dit tarief ook wordt gezegd ( 21 ), en dat de marktdeelnemer die slechts dit tarief raadpleegt, het risico van een eventuele tegenstrijdigheid met de in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte teksten voor eigen rekening moet nemen .
32 . Over de vraag of het vertrouwensbeginsel hier kan worden toegepast, zonder de voorrang van het gemeenschapsrecht ook maar enigszins in de waagschaal te stellen, heb ik mijn mening reeds gegeven .
33 . De argumenten van de verwijzende rechter met betrekking tot de kosten en de moeilijke verkrijgbaarheid van het Publikatieblad lijken mij echter niet steekhoudend . Bij nationale rechterlijke instanties, waar een ieder doorgaans wordt geacht de wet te kennen zodra deze volgens de regels is gepubliceerd, hebben deze argumenten in ieder geval geen belang .
34 . Overigens kan niet worden betwist, dat artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 een uitzondering vormt op het beginsel "nemo censetur ignorare legem" en op het beginsel van de voorrang van het gemeenschapsrecht . Deze uitzondering moet daarom restrictief worden uitgelegd .
35 . Het lijkt mij in dit verband, en het Hof heeft het in het geciteerde arrest Van Gend en Loos met betrekking tot verordening nr . 1430/79 al aangegeven, dat de aard van de door de belastingschuldige uitgeoefende werkzaamheden een van de belangrijkste criteria is aan de hand waarvan moet worden beoordeeld, of de vergissing redelijkerwijze had kunnen worden ontdekt . Iemand die beroepsmatig een of ander produkt regelmatig invoert - een douane-expediteur of een import-exportonderneming - behoort de op het desbetreffende terrein geldende tarieven te kennen; deze kan hij te weten komen hetzij door regelmatig het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen te lezen, hetzij via de voorlichting die de in zijn branche werkzame beroepsorganisaties geven . Het nalaten van dergelijke voorzorgsmaatregelen is weliswaar een risico dat hij op zich kan nemen, maar dan moet hij ook zelf alle consequenties dragen . Voor een onderneming die dergelijke goederen incidenteel invoert, maar die haar normale commerciële acitviteiten niet heeft gericht op de invoer van dit soort goederen, zou de zaak heel anders liggen .
36 . Niets belet een marktdeelnemer tenslotte, om vooraf bij de douane-instanties te informeren, onder welke tariefpost de goederen vallen die hij wenst in te voeren, en om zo een advies van de douanediensten te verkrijgen dat, zoals we hebben gezien, volgens artikel 5, lid 1, de autoriteiten bindt en hem behoedt voor iedere navorderingsactie in geval van eventuele vergissingen .
37 . Bijgevolg ben ik van mening, dat Binder de betrokken vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken .
38 . Ik geef dus in overweging om de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt :
"Bij onderzoek van de door het Finanzgericht Muenchen gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking nr . 8/85 van 5 november 1985, waarin de Commissie heeft vastgesteld, dat in een bepaald geval moet worden overgegaan tot naheffing van invoerrechten ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) PB 1980, L 130, blz . 1 .
( 2 ) Tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr . 1697/79 van de Raad inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( PB 1980, L 161, blz . 1 ).
( 3 ) Inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide ( PB 1979, L 197, blz . 1 ).
( 4 ) Zaak 210/87, conclusie van 14 juni 1988, Jurispr . 1988, blz . 6187 .
( 5 ) Arrest van 15 december 1982, zaak 5/82, Jurispr . 1982, blz . 4601 .
( 6 ) R.o . 22 .
( 7 ) Arrest van 3 mei 1970, zaak 112/77, Toepfer, Jurispr . 1970, blz . 1019 .
( 8 ) Arrest van 30 september 1982, zaak 108/81, Jurispr . 1982, blz . 3107 .
( 9 ) Blz . 3149 .
( 10 ) Arrest van 25 januari 1979, zaak 98/78, Jurispr . 1979, blz . 69 .
( 11 ) Arrest van 25 januari 1979, zaak 99/78, Jurispr . 1979, blz . 101 .
( 12 ) Arrest van 11 juli 1985, gevoegde zaken 87, 130/77, 22/83, 9 en 10/84, Jurispr . 1985, blz . 2523, r.o . 59 .
( 13 ) Zaak 129/87, Jurispr . 1988, blz . 6121, r.o . 15 .
( 14 ) Arrest van 13 november 1984, gevoegde zaken 98 en 230/83, Jurispr . 1984, blz . 3763 .
( 15 ) PB 1979, L 175, blz . 1 .
( 16 ) Gevoegde zaken 98 en 230/83, reeds aangehaald, r.o . 16 .
( 17 ) Arrest van 22 oktober 1987, zaak 314/85, Foto-Frost, Jurispr . 1987, blz . 4199, r.o . 22, cursivering van mij .
( 18 ) Claude J . Berr en Henri Tremau "Le droit douanier", Regime des opérations de commerce international en France et dans la CEE, tweede druk, nr . 252, blz . 177 .
( 19 ) Arrest van 18 maart 1986, VII R 55/83 BFHE 146, blz . 294 .
( 20 ) Claude J . Berr en Henri Tremeau "Le droit douanier", reeds aangehaald, nr . 313-1, blz . 205 .
( 21 ) Kommentar Zollrecht, paragraaf 21, punt 44, blz . 17 .
Top