Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 30 mei 1989. - DANIEL CORNEE EN JEAN-CLAUDE OLLIVIER EN JEAN-FRANCOIS SEGER EN ANDEREN TEGEN COOPERATIVE AGRICOLE LAITIERE DE LOUDEAC (COPALL) EN LAITERIE COOPERATIVE DU TRIEUX. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE RENNES - FRANKRIJK. - LANDBOUW - EXTRA HEFFING OP MELK. - GEVOEGDE ZAKEN 196/88, 197/88 EN 198/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02309
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . 0m het evenwicht in de sector melk te herstellen, die werd gekenmerkt door aanzienlijk structurele overschotten, heeft de Raad op 31 maart 1984 de verordeningen nrs . 856 en 857/84 vastgesteld waarbij, aanvankelijk voor een periode van vijf jaar, een heffing werd ingevoerd op de hoeveelheden melk die boven een garantiedrempel werden aangevoerd . ( 1 ) Het Hof heeft reeds verschillende prejudiciële vragen betreffende bepaalde aspecten van deze strenge regeling beantwoord . ( 2 ) In de onderhavige zaken stelt de cour d' appel te Rennes het Hof vragen over de bepalingen die in het bijzonder de producenten betreffen die een ontwikkelingsplan hebben ingediend .
De verordeningen
2 . De vragen van de verwijzende rechter betreffen de eerste twee jaren van toepassing van het stelsel tot beperking van de melkproduktie . Ik kan mij dan ook beperken tot een uiteenzetting van de destijds van kracht zijnde verordeningen .
De communautaire regeling
3 . Volgens artikel 5 quater van verordening nr . 804/68 van de Raad ( 3 ), zoals aangevuld bij vorengenoemde verordening nr . 856/84, wordt een heffing toegepast op de geleverde hoeveelheden melk die een bepaalde referentiehoeveelheid overschrijden . Deze heffing is verschuldigd hetzij door de melkproducent ( formule A ), hetzij door de koper van melk ( de melkfabriek ), die deze enkel doorberekent aan de producenten die hun leveranties hebben verhoogd, in evenredigheid met hun bijdrage tot de overschrijding van de referentiehoeveelheid van de koper ( formule B ).
De wijze van berekening van de referentiehoeveelheid, dat wil zeggen de van de heffing vrijgestelde hoeveelheid, is vastgesteld bij vorengenoemde verordening nr . 857/84 . Daarin wordt verklaard, dat bij toepassing van formule B :
- de heffing 100 % van de richtprijs voor melk bedraagt ( 4 );
- de referentiehoeveelheid in beginsel gelijk is aan de hoeveelheid melk die tijdens het kalenderjaar 1981 door een koper is gekocht, verhoogd met 1 % ( 5 );
- de Lid-Staten evenwel als grondslag de hoeveelheid melk kunnen nemen, die gedurende het kalenderjaar 1982 of het kalenderjaar 1983 is gekocht, verminderd met een percentage dat zodanig wordt vastgesteld dat de gegarandeerde referentiehoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat niet wordt overschreden . ( 6 )
Het stelsel tot beperking van de melkproduktie gaat er dus van uit, dat melkproducenten een referentiehoeveelheid wordt toebedeeld die wordt vastgesteld aan de hand van de hoeveelheden melk die daadwerkelijk zijn geleverd gedurende het gekozen referentiejaar . Naast dit begrip individuele referentiehoeveelheid wordt nog het begrip per Lid-Staat gegarandeerde totale hoeveelheid gebezigd . Deze laatste hoeveelheid is gelijk aan de som van de individuele referentiehoeveelheden : een onaantastbaar plafond . ( 7 )
4 . Op dit algemene stelsel zijn afwijkingen voorzien of kunnen afwijkingen worden voorzien ( zie hierna punt 15 ) om rekening te houden met bepaalde bijzondere situaties, onder meer die van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend . ( 8 ) Het communautairrechtelijke statuut van deze laatsten is vastgesteld bij richtlijn 72/159/EEG van de Raad . ( 9 ) Deze richtlijn verplicht de Lid-Staten om een regeling tot stimulering van de landbouwbedrijven in te voeren, die door toepassing van rationele produktiemethoden in staat zijn een redelijk inkomen te verzekeren en bevredigende arbeidsvoorwaarden voor de arbeidskrachten te waarborgen . ( 10 ) Overeenkomstig de richtlijn moeten degenen die in aanmerking wensen te komen voor de stimuleringsmaatregelen, hiertoe een verzoek indienen, dat vergezeld gaat van een ontwikkelingsplan, dat over ten hoogste zes jaar is gespreid en waarin onder meer de te bereiken produktiedoelstellingen en de daartoe noodzakelijke investeringen zijn aangegeven . Wanneer het ontwikkelingsplan door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat is goedgekeurd, kunnen de producenten die deze plannen hebben ingediend, in aanmerking komen voor steun in de vorm van met name een rentesubsidie over de leningen die zijn aangegaan om de voorziene aanpassingen te verwezenlijken .
5 . De regeling die de Raad heeft getroffen om rekening te houden met de bijzondere situatie van deze producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, is de navolgende .
Centraal staat artikel 3, sub 1, eerste alinea, van verordening nr . 857/84, dat luidt als volgt :
"Artikel 3
In het kader van de toepassing van de formules A en B wordt bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde referentiehoeveelheid rekening gehouden met bepaalde bijzondere situaties, zulks overeenkomstig de volgende bepalingen :
1 ) producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een plan voor de ontwikkeling van de melkproduktie hebben ingediend dat vóór 1 maart 1984 is ingediend, kunnen overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat verkrijgen :
- indien het plan in uitvoering is : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de in het ontwikkelingsplan vermelde hoeveelheden melk en zuivelprodukten;
- indien het plan na 1 januari 1981 is uitgevoerd : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de hoeveelheden melk en zuivelprodukten die zij hebben geleverd in het jaar waarin het plan is voltooid ."
In artikel 5 van verordening nr . 857/84 wordt evenwel voorzien, dat de extra referentiehoeveelheden ten behoeve van de in de artikelen 3 en 4 voorziene producenten ( 11 ) slechts kunnen worden toegekend binnen de grenzen van de gegarandeerde totale hoeveelheid voor de betrokken Lid-Staat . Verder wordt daarin verklaard dat deze extra hoeveelheden worden afgeboekt op een reserve die de Lid-Staat heeft gevormd binnen deze gegarandeerde totale hoeveelheid .
Deze "nationale reserve" kan uit verschillende bronnen worden gevoed .
Artikel 2, lid 3, van verordening nr . 857/84 biedt de Lid-Staten de mogelijkheid om de op de referentiehoeveelheden toegepaste percentages aan te passen ten einde extra referentiehoeveelheden te kunnen toekennen aan de in de artikelen 3 en 4 bedoelde producenten . Op grond van deze bepaling kan dus een solidariteitsregeling worden ingevoerd, waarbij alle producenten worden gekort ten einde aanvullingen te kunnen toekennen aan bepaalde producenten die zich in een situatie bevinden welke een bijzondere steun rechtvaardigt .
Ingevolge artikel 4, lid 1, sub a, van verordening nr . 857/84 kunnen de Lid-Staten aan producenten die zich ertoe verbinden de melkproduktie definitief te staken, een vergoeding toekennen . Krachtens lid 2 van dit artikel worden de aldus vrijgekomen referentiehoeveelheden voor zover nodig toegevoegd aan de nationale reserve .
Ten slotte merk ik nog op, dat de Lid-Staten ingevolge artikel 4 bis van verordening nr . 857/84 ( 12 ) per gebied of zelfs nationaal een compensatieregeling kunnen invoeren . Krachtens deze bepaling kunnen de Lid-Staten niet gebruikte referentiehoeveelheden aan andere producenten of kopers overdragen ten aanzien van wie moet worden aangenomen dat zij hun eigen leverantielimiet hebben overschreden . Deze overdrachten dienen bij voorrang binnen hetzelfde gebied plaats te vinden . Indien er nog hoeveelheden beschikbaar zijn, kunnen zij vervolgens aan andere gebieden worden toebedeeld .
De Franse regeling
6 . De maatregelen die in Frankrijk zijn vastgesteld ter uitvoering van de gemeenschapsregeling, zijn vervat in decreet nr . 84-661 van 17 juli 1984 ( 13 ), alsmede, ter zake van de eerste twee door de verwijzende rechter bedoelde jaren van toepassing, in de besluiten van 22 november 1984 ( 14 ) en van 10 juli 1985 . ( 15 )
7 . Met betrekking tot de uitvoering van de algemene regeling hoef ik enkel de twee basisopties te vermelden waarvoor Frankrijk heeft gekozen .
Als formule heeft Frankrijk de formule B gekozen . ( 16 ) Aldus zijn de kopers, dat wil zeggen de melkfabrieken, de heffing verschuldigd over de hoeveelheid melk die hun is geleverd boven de referentiehoeveelheid die hun is toegekend door de bevoegde autoriteit : in casu de Office national interprofessionnel du lait et produits laitiers ( hierna : Onilait ).
Als referentiejaar is in Frankrijk het jaar 1983 gekozen . De referentiehoeveelheden van dit produktiejaar zijn als volgt per toepassingsperiode verminderd :
- Voor het tijdvak van 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 wordt de oorspronkelijke referentiehoeveelheid van elke koper berekend op basis van de in 1983 aangekochte hoeveelheid melk, verminderd met 2 % ( 1 % in berggebieden ). ( 17 ) De kopers zijn verplicht, aan de producenten die hun melk leveren, een basisreferentiehoeveelheid toe te kennen, die ten hoogste gelijk is aan 98% ( 99% in berggebieden ) van de leveranties in 1983 . ( 18 )
- Voor het tijdvak van 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986 worden de referentiehoeveelheden van de voorgaande periode, verminderd met 1% ( behalve in berggebieden ), in aanmerking genomen voor zowel de kopers als de producenten die hun melk leveren . ( 19 )
Ik wijs in het bijzonder op de betrekkelijk lage percentages die op de leveranties van het jaar 1983 zijn toegepast om de referentiehoeveelheden van de kopers te bepalen . Hoewel wij ter zake niet over cijfers beschikken, mag mijns inziens worden aangenomen dat deze percentages voornamelijk zijn vastgesteld ten einde de gegarandeerde totale hoeveelheid niet te overschrijden, zulks overeenkomstig artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 . ( 20 ) De Franse regering heeft dan ook besloten slechts in beperkte mate gebruik te maken van de in artikel 2, lid 3, van verordening nr . 857/84 voorziene bevoegdheid, op grond waarvan de referentiehoeveelheden van de producenten in het algemeen kunnen worden aangepast ten einde de omvang van de extra referentiehoeveelheden ten gunste van prioritaire producenten te verhogen . ( 21 ) Bijgevolg is in Frankrijk de nationale reserve voornamelijk gevoed door de hoeveelheden die zijn vrijgekomen na definitieve produktiebeëindigingen .
8 . Het statuut van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend, is bepaald bij decreet nr . 83-442 van 1 juni 1983 ( 22 ) waarmee uitvoering wordt gegeven aan vorengenoemde richtlijn 72/159/EEG . Ingevolge dit decreet geldt als voorwaarde voor de aanspraak op investeringssteun onder meer dat de landbouwer moet toezeggen, een moderniseringsprogramma binnen de in zijn ontwikkelingsplan voorziene termijn ( gewoonlijk 6 jaar ) te verwezenlijken .
9 . Bij decreet nr . 84-661 wordt het algemene kader afgebakend waarbinnen de kopers aan bepaalde categorieën producenten die zich in een bijzondere situatie bevinden en die ik hierna zal aanduiden als "prioritaire producenten", naast een basisreferentiehoeveelheid die wordt berekend zoals hiervoor is aangegeven, een extra referentiehoeveelheid toekennen . De producenten die een ontwikkelingsplan in de zin van het decreet van 1 juni 1983 uitvoeren, vormen één van de categorieën producenten die aldus in aanmerking kunnen komen voor extra referentiehoeveelheden . ( 23 ) Producenten wier leveranties in de loop van het jaar 1983 meer dan 200 000 liter melk bedroegen, zijn evenwel uitgesloten . Behoudens individuele afwijking kunnen aan hen geen aanvullingen worden toegekend voor 1 april 1986 . Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Franse regering verklaard, dat door de vaststelling van een dergelijk plafond met eerbiediging van de gegarandeerde totale hoeveelheid voldoende hoeveelheden ter beschikking konden komen van een zo groot mogelijk aantal prioritaire producenten .
In decreet nr . 84-661 wordt eveneens verklaard dat de referentiehoeveelheden die zijn vrijgekomen bij de producenten die een premie hebben ontvangen voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie, onder bij ministerieel besluit vastgestelde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden toegevoegd aan de nationale reserve . ( 24 )
10 . Voor de eerste toepassingsperiode ( april 1984 tot maart 1985 ) wordt dit algemene kader bij besluit van 22 november 1984 als volgt uitgewerkt .
Van de na produktiebeëindiging vrijgekomen referentiehoeveelheden blijft 90 % binnen de melkfabrieken en moet 10 % aan de nationale reserve worden toegevoegd . ( 25 )
Binnen de grenzen van de referentiehoeveelheden waarover zij kunnen beschikken, dienen de kopers extra referentiehoeveelheden toe te kennen aan de prioritaire producenten . Zo moeten zij een forfaitaire hoeveelheid van 9 500 liter toekennen aan de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend en wier plan na 1 april 1978 doch voor 31 maart 1985 is goedgekeurd . ( 26 ) Producenten wier basisreferentiehoeveelheid meer bedraagt dan 200 000 liter ofwel 98 % ( 99 % in berggebieden ) van de voor het melkprijsjaar 1984-1985 voorziene leverantiedoelstelling, komen evenwel niet in aanmerking voor extra referentiehoeveelheden . ( 27 )
Op deze forfaitaire hoeveelheid kan een aanvulling worden toegekend indien er een groot verschil bestaat tussen de toegekende totale referentiehoeveelheid en de voor het melkprijsjaar 1984/1985 voorziene leverantiedoelstelling . ( 28 ) Een aanvulling kan zelfs worden toegekend aan producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken en wier leveranties in het jaar 1983 meer bedroegen dan 200 000 liter . ( 29 ) Deze beide aanvullingen kunnen evenwel slechts worden toegekend, indien de kopers over niet gebruikte referentiehoeveelheden beschikken .
Niet alleen op het niveau van de kopers, maar ook op twee andere niveaus kan worden geïntervenieerd .
Indien de koper niet over voldoende hoeveelheden beschikt om in de behoeften van de aangesloten prioritaire producenten te kunnen voorzien, kan hij een beroep doen op de door Onilait beheerde nationale reserve . ( 30 )
Verder kunnen met behulp van de bij artikel 4 bis van verordening nr . 857/84 geboden mogelijkheid door middel van een regionale/nationale compensatieregeling overschotten van kopers die hun plafond hebben overschreden, worden gecompenseerd door referentiehoeveelheden die niet zijn gebruikt door kopers die hun "quota" niet hebben uitgeput .
Zoals de vertegenwoordigers van de Franse regering ter terechtzitting hebben verklaard, heeft deze reeks maatregelen in concreto ertoe geleid dat in Frankrijk voor het melkprijsjaar 1984/1985 geen heffing behoefde te worden toegepast ten laste van de producenten en de kopers .
11 . Voor de tweede toepassingsperiode ( april 1985 tot maart 1986 ) voorzag het besluit van 10 juli 1985 andere modaliteiten .
Met betrekking tot de beschikbare hoeveelheden van de kopers is het gedeelte van de vrijgekomen hoeveelheden die binnen de melkfabrieken blijven, verlaagd tot 80 % ( voordien 90 %), en is het gedeelte dat aan de nationale reserve wordt toegevoegd, gebracht op 20 %. ( 31 )
Evenals gedurende de voorgaande toepassingsperiode moeten de kopers binnen de grenzen van de referentiehoeveelheden waarover zij beschikken, extra hoeveelheden toekennen aan bepaalde prioritaire producenten, waaronder de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend . ( 32 ) Op grond van het besluit van 10 juli 1985 behoeven zij evenwel geen forfaitaire hoeveelheid meer aan hen toe te kennen . Daarin wordt enkel voorzien, dat de commissarissen van de Republiek van elke regio de criteria kunnen vaststellen volgens welke de betrokken extra referentiehoeveelheden moeten worden toegekend . ( 33 ) Evenals in het voorgaande besluit worden de producenten van wie de referentiehoeveelheid meer bedroeg dan 200 000 liter of 97 % ( 99 % in berggebieden ) van de in het ontwikkelingsplan vastgestelde leverantiesdoelstelling van extra hoeveelheden uitgesloten . ( 34 )
Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Franse regering verklaard dat in de instructies aan de regionale autoriteiten niet werd voorzien dat aan de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikten, een forfaitaire hoeveelheid moest worden toegekend . Integendeel, er zou aanbevolen zijn om rekening te houden met de in elk ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstelling .
In het besluit van 10 juli 1985 wordt specifiek de bestemming geregeld van de hoeveelheden die zijn vrijgekomen bij producenten die een premie hebben ontvangen voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie . ( 35 ) Deze hoeveelheden worden door de kopers bij voorrang gebruikt om de referentiehoeveelheid van elke producent op 97 % ( 99 % in berggebieden ) van de leveranties in 1983 te brengen, te beginnen bij de producenten wier leveranties het geringst zijn en met uitsluiting van de producenten wier referentiehoeveelheid meer dan 200 000 liter bedraagt . Het eventuele overschot wordt verdeeld; uit de tekst blijkt evenwel niet duidelijk of de producenten die zich in een bijzondere situatie bevinden, wel of niet de enige zijn die voor dit overschot in aanmerking kunnen komen .
De voorschriften betreffende het gebruik van de nationale reserve verschillen eveneens van die van de voorgaande toepassingsperiode . Daarin is voorzien dat Onilait na aftrek van een bepaalde hoeveelheid voor bepaalde jonge landbouwers en voor landbouwers die een ontvankelijk verklaard beroep hebben ingesteld, het restant toekent aan de kopers uit berggebieden en de kopers waarbij een bijzonder hoog percentage prioritaire producenten zijn aangesloten, wier toegekende referentiehoeveelheden ver achterblijven bij de in de ontwikkelingsplannen vastgestelde leverantiedoelstellingen . ( 36 )
Ten slotte wordt opnieuw een regionale/nationale compensatieregeling toegepast, als bedoeld in artikel 4 bis van verordening nr . 857/84 . ( 37 )
De Franse regering heeft opgemerkt dat deze reeks maatregelen het mogelijk heeft gemaakt in zeer ruime mate vrijstelling van de heffing te verlenen aan die prioritaire producenten die met hun leveranties binnen de in hun doelstellingen voorziene hoeveelheden hebben kunnen blijven . Zij heeft eveneens opgemerkt dat met behulp van deze maatregelen kon worden voorkomen dat de verdeling van extra referentiehoeveelheden aan de prioritaire producenten afhankelijk was van de meer of mindere mate waarin binnen hun respectieve melkfabrieken vrijgekomen hoeveelheden beschikbaar waren .
De geschillen in het hoofdgeding
12 . In de geschillen in het hoofdgeding komen vijftien melkproducenten uit het departement Côtes du Nord, die allen tussen 1980 en 1983 een ontwikkelingsplan hebben ingediend, op tegen de heffing die door hun melkfabriek voor het melkprijsjaar 1985/1986 is toegepast . Ik wijs erop dat geen van de verzoekers in het hoofdgeding zijn ontwikkelingsplan in 1981 of 1982 heeft uitgevoerd . Eveneens wijs ik erop, dat alle verzoekers in het hoofdgeding gedurende het betrokken tijdvak meer dan 200 000 liter melk hadden geproduceerd .
13 . In het kader van deze gedingen heeft de cour d' appel te Rennes de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Staat artikel 3 van verordening nr . 857/84 van de Raad de Lid-Staten toe, aan alle producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken dat in uitvoering is, een forfaitaire hoeveelheid toe te kennen zonder rekening te houden met de doelstellingen van hun plan, en 1983 als enig referentiejaar te nemen zonder te voorzien in een uitzondering voor producenten wier ontwikkelingsplan in 1981 en 1982 is voltooid?
2 ) Verzet artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag zich ertegen, dat de besluiten van 22 november 1984 en van 10 juli 1985 een rangorde vaststellen voor de toekenning van extra referentiehoeveelheden naar gelang van de in elke onderneming vrijgekomen hoeveelheden, zodat dit voordeel afhankelijk is van de hoeveelheden waarover de koper kan beschikken?
3 . Levert met name de vaststelling door de nationale instantie van het ministerieel besluit van 10 juli 1985 houdende beperking van de groeimogelijkheden voor het melkprijsjaar 1985/1986 tot 1 % van het voorgaande melkprijsjaar, een schending op van het beginsel van het gewettigd vertrouwen, omdat de producenten die over een plan beschikken, erop mogen rekenen dat de toezeggingen die hun voordien zijn gedaan om hen in staat te stellen de produktiviteit van hun bedrijf te verhogen, gestand worden gedaan?"
De eerste vraag
14 . De eerste vraag valt uiteen in twee onderdelen die ik als volgt zou willen formuleren :
1 ) Kan op grond van artikel 3 van verordening nr . 857/84 een forfaitaire extra referentiehoeveelheid worden toegekend aan producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken?
2 ) Kan op grond van ditzelfde artikel 1983 als enig referentiejaar worden genomen om de referentiehoeveelheid te bepalen van een producent die een ontwikkelingsplan heeft voltooid in 1981 of 1982?
Toekenning van een forfaitaire referentiehoeveelheid
15 . Alvorens op deze vraag kan worden geantwoord, dient te worden bepaald of artikel 3 van verordening nr . 857/84 de Lid-Staten de verplichting oplegt om een extra referentiehoeveelheid toe te kennen aan de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, danwel of dit artikel enkel een bevoegdheid verleent om zulks te doen .
Ik breng de relevante bepalingen nog eens in herinnering :
"Artikel 3
... bij de vaststelling van de in artikel 2 bedoelde referentiehoeveelheden ( wordt ) rekening gehouden met bepaalde bijzondere situaties, zulks overeenkomstig de volgende bepalingen :
1 ) producenten die ... een plan voor de ontwikkeling ... hebben ingediend ..., kunnen overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat verkrijgen : ...
indien de Lid-Staat over voldoende gegevens beschikt, kan ook rekening worden gehouden met de zonder ontwikkelingsplan verrichte investeringen;
2 ) de Lid-Staten kunnen aan jonge landbouwers ... een specifieke referentiehoeveelheid toekennen;
3 ) voor producenten wier melkproduktie ... aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen ... wordt op hun verzoek een ander referentiekalenderjaar ... in aanmerking genomen ." ( cursivering van mij )
Verzoekers in het hoofdgeding stellen met een beroep op de woorden "wordt in aanmerking genomen" in de eerste zin van artikel 3, dat de Lid-Staten verplicht zijn een bijzondere regeling in te voeren ten behoeve van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend . Ik ben het niet eens met deze opvatting .
Volgens mij dient de eerste zin van artikel 3 te worden uitgelegd met inachtneming van de omstandigheid dat de in 1984 ingevoerde regeling tot beperking van de produktie de Lid-Staten een ruime beoordelingsvrijheid laat, zowel bij het bepalen van de omvang van de extra referentiehoeveelheden die aan de prioritaire producenten kunnen worden toegekend als bij de omschrijving van de categorieën prioritaire producenten die daarvoor in aanmerking komen, zolang ten gevolge van de vastgestelde maatregelen het plafond van de gegarandeerde totale hoeveelheid niet wordt overschreden . Deze aan de Lid-Staten gelaten vrijheid komt duidelijk tot uiting in artikel 2, lid 3, van verordening nr . 857/84, dat luidt als volgt :
" De in de leden 1 en 2 bedoelde percentages kunnen door de Lid-Staten worden aangepast met het oog op de toepassing van de artikelen 3 en 4 ." ( cursivering van mij )
Zij komt eveneens tot uiting in de derde overweging van verordening nr . 857/84, volgens welke :
"aan de Lid-Staten dient te worden toegestaan de referentiehoeveelheden aan te passen ten einde rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde producenten ..." ( cursivering van mij ).
Gelet op het voorgaande, dient de eerste zin van artikel 3 mijns inziens aldus te worden uitgelegd, dat hij de Lid-Staten enkel toestaat, de referentiehoeveelheden aan te passen met het oog op de toepassing van de punten 1 tot en met 3 van artikel 3, doch niet aangeeft of deze toepassing verplicht dan wel facultatief is . Het antwoord op deze laatste vraag is te vinden in de punten 1 tot en met 3 van artikel 3, waarin vier situaties worden onderscheiden : 1 ) die van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend ( sub 1, eerste alinea ), 2 ) die van de producenten die investeringen hebben verricht zonder ontwikkelingsplan ( sub 1, tweede alinea ), 3 ) die van de jonge landbouwers ( sub 2 ) en 4 ) die van producenten die door buitengewone gebeurtenissen worden getroffen ( sub 3 ). Zoals het Hof in zijn arrest van 28 april 1988 ( zaak 61/87, Thevenot e.a ., Jurispr . 1988, blz . 2375, r.o . 18 ) heeft verklaard, leggen de in punt 3 gebruikte bewoordingen de Lid-Staten de verplichting op, rekening te houden met de situatie van de daarin bedoelde producenten . Daarentegen geven de in de punten 1 en 2 gebezigde termen ( zie hiervoor de gecursiveerde woorden ) duidelijk aan, dat het hier om een bevoegdheid van de Lid-Staten gaat om specifieke maatregelen te voorzien om rekening te houden met de situatie van de drie andere categorieën producenten die zich in een bijzondere situatie bevinden .
16 . Waar aldus is geantwoord dat ten aanzien van de in artikel 3, sub 1, van verordening nr . 857/84 voorziene maatregelen de Lid-Staten een bevoegdheid is gelaten, mag daaraan mijns inziens de consequentie worden verbonden, dat de Lid-Staten ook een plafond kunnen vaststellen waarboven geen extra referentiehoeveelheid kan worden toegekend . De vaststelling van een dergelijk plafond kan nodig zijn in het kader van de keuze die de Lid-Staten moeten maken tussen prioritaire en niet-prioritaire producenten en zelfs tussen de categorieën van prioritaire producenten onderling, om de limiet van de gegarandeerde totale hoeveelheid te respecteren .
Wat dit aangaat, herinner ik eraan dat de Franse regering er de voorkeur aan heeft gegeven, slechts een zeer beperkt gebruik te maken van de aan de Lid-Staten toegekende bevoegdheid om de referentiehoeveelheden van de producenten in het algemeen aan te passen ten einde de omvang van de extra referentiehoeveelheden ten gunste van de prioritaire producenten te verhogen ( zie punt 7 ). Na hiervoor te hebben geopteerd, moest zij tussen prioritaire producenten kiezen, rekening houdend met de beschikbare referentiehoeveelheden . In dit verband heeft zij de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikten en wier produktie meer dan 200 000 liter bedroeg, uitgesloten om significante extra hoeveelheden te kunnen toekennen aan zoveel mogelijk kleinere prioritaire producenten . Dusdoende heeft de Franse regering mijns inziens de gemeenschapsregeling geëerbiedigd . Immers, het ter onderscheiding van de prioritaire producenten gekozen criterium is een objectief criterium, waarvan de geldigheid overigens uitdrukkelijk is erkend in het kader van artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 . ( 38 ) Bovendien is de aldus nagestreefde doelstelling in overeenstemming met de gemeenschapsregeling .
17 . Uit het voorgaande lijkt mij het antwoord te kunnen worden afgeleid, dat de verwijzende rechter van nut kan zijn voor de oplossing van de geschillen in het hoofdgeding . Zoals ik namelijk reeds heb gezegd, hebben alle verzoekers in het hoofdgeding gedurende het melkprijsjaar 1985/1986 meer dan 200 000 liter melk geproduceerd . Voor zover de uitsluiting van deze categorie producenten van de bijzondere regeling voor de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend, in overeenstemming is met de gemeenschapsregeling, is de vraag betreffende de geldigheid van de toekenning van een forfaitaire referentiehoeveelheid voor verzoekers in het hoofdgeding niet meer van belang . Ik vraag mij trouwens af of de Franse regeling voor het melkprijsjaar 1985/1986 wel voorziet dat een dergelijke forfaitaire hoeveelheid kan worden toegekend aan de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken . Weliswaar voorzag het besluit van 22 november 1984 een forfaitaire hoeveelheid van 9 500 liter, die diende te worden toegekend aan alle betrokkenen wier produktie lager was dan 200 000 liter, doch een dergelijke forfaitaire hoeveelheid komt niet meer voor in het besluit van 10 juli 1985 dat de regeling bevat op grond waarvan de melkfabrieken verzoekers in het hoofdgeding een heffing hebben opgelegd . De vertegenwoordigers van de Franse regering hebben ter terechtzitting verklaard, dat de forfaitaire hoeveelheid van 9 500 liter voor het melkprijsjaar 1985-1986 is ingetrokken en is vervangen door de aanbeveling dat diende te worden rekening gehouden met de in elk ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstelling ( zie hiervoor punt 11 ).
18 . Voor zover het Hof evenwel van mening mocht zijn dat de vraag inzake de toekenning van een forfaitaire referentiehoeveelheid dient te worden beantwoord, geef ik hier mijn standpunt .
In de betrokken situatie heeft de Lid-Staat besloten om gebruik te maken van de bevoegdheid die in artikel 3, sub 1, van verordening nr . 857/84 is voorzien voor een bepaalde categorie producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend, te weten de producenten wier plan in uitvoering is en wier produktie lager is dan de hiervoor aangegeven limieten . In dat geval moet de getroffen maatregel natuurlijk beantwoorden aan de in de verordening voorziene voorwaarden .
Ik herhaal nog eens de relevante bepaling :
"Indien het plan in uitvoering is : een specifieke referentiehoeveelheid die is bepaald rekening houdend met de in het ontwikkelingslan vermelde hoeveelheden melk en zuivelprodukten" ( cursivering van mij ).
De bewoordingen van deze bepaling verzetten zich mijns inziens tegen de toekenning van een forfaitaire extra referentiehoeveelheid aan producenten wier ontwikkelingsplan in uitvoering is . Zodra een Lid-Staat heeft besloten een bijzondere regeling voor deze laatsten in te voeren, moet hij dus rekening houden met de individuele situaties, bijvoorbeeld door een zekere verhouding in acht te nemen tussen de toe te kennen extra referentiehoeveelheid en de in elk ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstelling .
Het voorgaande betekent evenwel niet, dat de Lid-Staten verplicht zijn de aan de betrokkenen toe te kennen referentiehoeveelheid vast te stellen op het niveau van de in elk ontwikkelingsplan voorziene melkproduktie . De Lid-Staten kunnen mijns inziens vrij doch objectief het ( de ) niveau(s ) van de bovenop de basisreferentiehoeveelheid toe te kennen extra referentiehoeveelheid bepalen, voor zover deze niveaus worden vastgesteld op basis van of in verband met de in elk ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstellingen en verder de toe te kennen extra hoeveelheden binnen de grenzen van de gegarandeerde totale hoeveelheid blijven .
De keuze van het jaar 1983 als enig referentiejaar
19 . Ik vraag mij eveneens af of de vraag betreffende de keuze van het jaar 1983 als referentiejaar, zonder dat in een afwijking is voorzien voor de producenten wier ontwikkelingsplan in 1981 en 1982 is voltooid, in het kader van de geschillen in het hoofdgeding noodzakelijk is . Immers, geen van de verzoekers in het hoofdgeding heeft zijn ontwikkelingsplan in 1981 of 1982 voltooid .
Wanneer het Hof niettemin van mening mocht zijn, dat het dit tweede onderdeel van de eerste vraag moet beantwoorden, geef ik hier mijn standpunt .
20 . Artikel 3, sub 1, tweede streepje, van verordening nr . 857/84 lijkt mij in de eerste plaats te zijn voorzien om de situatie van de producenten te regelen die een ontwikkelingsplan hebben ingediend en wier bedrijf in een Lid-Staat is gelegen, die het jaar 1981 als referentiejaar heeft gekozen . In dat geval is het logisch, de betrokken Lid-Staat de mogelijkheid te bieden extra referentiehoeveelheden toe te kennen aan de producenten die hun ontwikkelingsplan na 1 januari 1981 hebben voltooid, aangezien hun basisreferentiehoeveelheid dan is vastgesteld op basis van een nog in ontwikkeling zijnde melkproduktie en daarbij geen rekening is gehouden met de produktie die aan het eind van het ontwikkelingsplan zal worden bereikt, wanneer het bedrijf "op volle toeren" draait .
Hoe moet de bepaling worden uitgelegd wanneer een Lid-Staat het jaar 1983 als referentiejaar heeft gekozen? In dat geval lijkt de bepaling mij zinledig ten aanzien van de producenten wier ontwikkelingsplan in 1981 of 1982 is voltooid . Immers, de basisreferentiehoeveelheid van de betrokkenen is dan vastgesteld op een tijdstip waarop zij de in hun ontwikkelingsplan voorziene produktiedoelstelling hebben kunnen verwezenlijken . Deze basisreferentiehoeveelheid houdt dus noodzakelijkerwijze rekening met de produktie van de betrokkenen in de loop van het jaar waarin het plan is voltooid .
21 . In elk geval verzet verordening nr . 857/84 zich mijns inziens ertegen, dat ten gunste van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend, een ander referentiejaar wordt gekozen dan het jaar dat de Lid-Staat heeft gekozen voor de producenten in het algemeen . Artikel 2 van de verordening verplicht de Lid-Staten, een van de kalenderjaren 1981 tot 1983 als referentiejaar te kiezen . Zodra deze keuze is gemaakt, kan nog een ander referentiejaar in aanmerking worden genomen ten behoeve van de producenten die door buitengewone gebeurtenissen worden getroffen ( artikel 3, sub 3 ). Daarentegen staat verordening nr . 857/84 geen afwijking van het door de Lid-Staat gekozen referentiejaar toe ten behoeve van de producenten die een ontwikkelingsplan hebben ingediend . Het Hof heeft dit uitdrukkelijk verklaard in zijn arrest van 17 mei 1988 ( zaak 84/87, Erpelding, Jurispr . 1988, blz . 2647 ):
" Artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 van de Raad ( is ) de enige bepaling die de producenten toestaat binnen de periode 1981 tot 1983 een ander referentiejaar te kiezen dan dat waarvoor de betrokken Lid-Staat heeft geopteerd ." ( r.o . 19 )
De tweede vraag
22 . Begrijp ik de tweede vraag goed, dan vraagt de cour d' Appel te Rennes het Hof of de gemeenschapsregeling zich ertegen verzet dat de melkfabrieken een gedeelte van de individuele referentiehoeveelheden behouden, die zijn vrijgekomen bij de aangesloten producenten die de produktie definitief hebben beëindigd ( 90 % uit hoofde van het besluit van 22 november 1984 en 80 % uit hoofde van het besluit van 10 juli 1985 ), waarbij alleen het restant ten goede komt van de nationale reserve .
23 . Het antwoord op deze vraag is af te leiden uit artikel 4, lid 2, van verordening nr . 857/84 :
" 2 . De vrijkomende referentiehoeveelheden worden voor zover nodig toegevoegd aan de in artikel 5 bedoelde reserve ." ( cursivering van mij )
In zijn arrest van 25 november 1986 ( gevoegde zaken 201 en 202/85, Klensch e.a ., Jurispr . 1986, blz . 3477 ) heeft het Hof voor recht verklaard :
" Verordening nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 verzet zich ertegen, dat een Lid-Staat die voor formule B heeft gekozen, de individuele referentiehoeveelheid van een producent die zijn bedrijf heeft gestaakt, voegt bij de referentiehoeveelheid van de koper waaraan die producent op het tijdstip van bedrijfsbeëindiging melk leverde, in plaats van ze bij de nationale reserve te voegen ."
Het Hof heeft dit antwoord als volgt gemotiveerd :
" Een uitlegging van de verordening, volgens welke de individuele referentiehoeveelheid van een producent die zijn bedrijf eigener beweging staakt, aan de koper toevalt, zou een discriminatie tussen producenten in het leven roepen . De koper zou die hoeveelheid immers weer kunnen verdelen onder de bij hem aangesloten producenten en deze dusdoende een ongerechtvaardigd voordeel verschaffen boven de producenten die bij andere kopers zijn aangesloten . Die uitlegging betekent ook, dat een producent die, na zijn produktie te hebben gestaakt, deze later weer wenst op te nemen, gebonden blijft aan zijn vroegere koper en bij hervatting van zijn produktie geen andere koper kan kiezen . Een dergelijk resultaat kan echter worden vermeden door de genoemde bepalingen van verordening nr . 857/84 aldus uit te leggen, dat aanpassing van de referentiehoeveelheden op overeenkomstige wijze plaatsvindt ingeval een producent eigener beweging zijn bedrijf heeft gestaakt ." ( r.o . 22 )
24 . Krachtens artikel 4, lid 2, zoals uitgelegd in het hiervoor aangehaalde arrest Klensch, moeten alle individuele referentiehoeveelheden van de producenten die hun bedrijf hebben gestaakt, dus ten goede komen aan de nationale reserve . Op deze regel zie ik slechts één uitzondering, namelijk het geval waarin de beschikbare hoeveelheden van de nationale reserve, die niet afkomstig zijn uit beëindiging van de produktie, toereikend zijn om te voorzien in de behoeften van de prioritaire producenten, zoals omschreven door de Lid-Staat, krachtens de artikelen 3 en 4 van verordening nr . 857/84 ( zie de woorden "voor zover nodig" in artikel 4, lid 2 ). Buiten dit geval mogen de vrijgekomen hoeveelheden - waarvoor de landbouwers die hun produktie staken, zoals bekend, een vergoeding kan worden toegekend - enkel onder de producenten worden herverdeeld die overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat in aanmerking komen voor extra referentiehoeveelheden . Bovendien mag deze herverdeling niet leiden tot een discriminatie tussen prioritaire producenten, door de aan hen toe te kennen extra referentiehoeveelheid afhankelijk te maken van de omvang van de hoeveelheden die zijn vrijgekomen op het niveau van de kopers waarbij zij zijn aangesloten .
25 . Deze uit het arrest Klensch voortvloeiende uitlegging lijkt mij evenwel niet onverenigbaar met een gedecentraliseerd beheer van de vrijgekomen referentiehoeveelheden in een Lid-Staat die voor de formule B heeft gekozen . In het bijzonder de in Frankrijk voor het melkprijsjaar 1985/1986 getroffen regeling, waarbij 80 % van de vrijgekomen referentiehoeveelheden binnen de melkfabrieken blijft en het restant aan de nationale reserve wordt toegevoegd, lijkt mij niet in strijd met de gemeenschapsregeling, voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan . In de eerste plaats mogen de kopers de vrijgekomen hoeveelheden die niet aan de nationale reserve worden toegevoegd, enkel herverdelen onder de producenten die in aanmerking kunnen komen voor extra referentiehoeveelheden . Verder moet het in eigen beheer houden van een gedeelte van de vrijgekomen hoeveelheden bij de kopers het voorlopige karakter van een voorheffing hebben . Met andere woorden, indien dit gedeelte groter is dan de hoeveelheden die nodig zijn om overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat extra referentiehoeveelheden aan de betrokken producenten toe te kennen, moet het restant ten goede komen aan de nationale reserve . Omgekeerd moet, indien dit gedeelte ontoereikend is om overeenkomstig het besluit van de Lid-Staat de voor de aangesloten prioritaire producenten voorziene extra referentiehoeveelheden toe te kennen en de nationale reserve eveneens ontoereikend blijkt om zulks te doen, dit stelsel van gedecentraliseerd beheer de mogelijkheid bieden om naderhand het percentage te verlagen van de vrijgekomen hoeveelheden die in bezit zijn gebleven van de kopers die in de behoeften van de bij hen aangesloten prioritaire producenten hebben kunnen voorzien, zodat de verschillen in behandeling tussen producenten naar gelang van de koper bij wie zij zijn aangesloten, met terugwerkende kracht worden geneutraliseerd .
De nationale rechter dient uit te maken of de nationale regeling aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet . Indien zulks het geval is, lijkt de betrokken regeling mij noch in strijd met verordening nr . 857/84, noch met het discriminatieverbod .
De derde vraag
26 . In artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr . 804/68 is de gegarandeerde totale hoeveelheid van de Lid-Staten, die vanaf het tweede jaar van toepassing in aanmerking moest worden genomen, op een lager niveau vastgesteld dan voor het eerste jaar van toepassing . Dit is de reden, waarom de Franse regering voor het melkprijsjaar 1985/1986 de referentiehoeveelheid van de kopers en van de aangesloten producenten op een niveau heeft vastgesteld, dat 1 % lager was dan het voorgaande melkprijsjaar ( dit gold niet voor berggebieden ) ( zie hiervoor punt 7 ). ( 39 ) Ik vat de derde vraag daarom aldus op, dat de verwijzende rechter daarin het probleem aan de orde stelt of de gemeenschapsverordening zelf het vertrouwensbeginsel niet heeft geschonden .
Voor de derde vraag baseert de cour d' appel te Rennes zich verder op de overweging, dat de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, erop moeten kunnen rekenen".dat de toezeggingen die hun voordien zijn gedaan om hen in staat te stellen de produktiviteit van hun bedrijf te verhogen, gestand worden gedaan ." Deze overweging wekt de indruk dat er tussen de nationale overheid en de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, verbintenissen zouden bestaan, op grond waarvan deze laatsten een soort contractueel recht op verwezenlijking van de in hun plan voorziene doelstellingen hebben . Alvorens de vraag betreffende het vertrouwensbeginsel wordt beantwoord, dient dus te worden onderzocht of de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, zich kunnen beroepen op een verworven recht op verwezenlijking van de in hun plan voorziene produktiedoelstellingen . Vanzelfsprekend staat het niet aan het Hof om decreet nr . 83-442 van 1 juni 1983 uit te leggen, waarin het statuut van de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, in Frankrijk is omschreven . Deze vraag moet worden onderzocht met inachtneming van vorengenoemde richtlijn 72/159/EEG waarin het communautairrechtelijke statuut van de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, is neergelegd .
27 . Weliswaar verplicht richtlijn 72/159/EEG de Lid-Staten, de ontwikkelingsplannen door hun bevoegde autoriteiten te laten goedkeuren, doch deze goedkeuring verleent de betrokkenen niet een recht op verwezenlijking van de in deze plannen voorziene produktiedoelstellingen . ( 40 ) Deze goedkeuring houdt mijns inziens enkel in, dat de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, aanspraak krijgen op steun in de vorm van met name rentesubsidies, waarbij de betrokken landbouwers economisch en financieel volledig verantwoordelijk blijven voor de bedrijfsvoering . ( 41 )
Zo gezien kunnen de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken, dunkt mij niet verwachten dat eventuele voorschriften die gedurende de uitvoering van hun plan worden vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten, niet voor hen zullen gelden . ( 42 ) Hetzelfde geldt a fortiori, wanneer de Raad zich tengevolge van een gebrek aan evenwicht in de melksector genoopt ziet om een regeling tot beperking van de produktie in te voeren, die noodzakelijkerwijze een einde van de uitbreiding ervan betekent .
28 . Desalniettemin heeft richtlijn 72/159/EEG ontegenzeglijk een groot aantal landbouwers gestimuleerd om te investeren in de modernisering van hun bedrijf om in de toekomst een toereikend inkomen te genieten . Wanneer de produktie van deze landbouwers wordt beperkt op basis van een referentiejaar vóór het jaar waarin hun ontwikkelingsplan is voltooid - dat wil zeggen op het moment waarop hun produktie normaliter nog niet het bij de voltooiing van het plan verwachte rentabiliteitsniveau heeft bereikt - dan is het duidelijk, dat deze beperking voor hen ernstiger gevolgen heeft dan voor de producenten die "op volle toeren" draaien . Het vertrouwensbeginsel moest dan ook op heel bijzondere wijze gelden . De Raad was zich hiervan bewust zoals ik hierna zal aantonen .
29 . In zijn arrest van 16 mei 1979 ( zaak 84/78, Tomadini, Jurispr . 1979, blz . 1801 ) heeft het Hof de strekking van het beginsel van het gewettigd vertrouwen in herinnering geroepen :
" ( Ten aanzien van ) een economische regeling zoals die van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten ... is het ( de gemeenschapsinstellingen ) ingevolge het beginsel van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen niet toegestaan die regeling te wijzigen zonder overgangsmaatregelen vast te stellen, wanneer ten minste een dwingend algemeen belang zich niet tegen de vaststelling van dergelijke maatregelen verzet" ( r.o . 20 ).
In casu heeft de Raad in de laatste overweging van verordening nr . 857/84 verklaard :
" overwegende dat het ter wille van het algemeen belang beslist noodzakelijk is dat deze regeling per 2 april 1984 in werking treedt ".
Met andere woorden, de Raad was van mening dat in casu aan de voorwaarden was voldaan, op grond waarvan het overeenkomstig de rechtspraak van het Hof gerechtvaardigd was om van overgangsmaatregelen af te zien, en ik zie geen reden om de juistheid van dit oordeel van de Raad in het kader van de uitoefening van zijn politieke beoordelingsvrijheid in twijfel te trekken .
Hoewel de verordeningen nrs . 856 en 857/84 geen eigenlijke overgangsbepalingen bevatten, heeft de Raad niettemin een aantal bepalingen vastgesteld die een gelijke werking hebben als een overgangsmaatregel :
- gedurende het eerste jaar van toepassing van de extra-heffing wordt rekening gehouden met een gegarandeerde totale hoeveelheid die voor de Gemeenschap op 98,2 miljoen ton is vastgesteld ( 97,2 miljoen met ingang van het tweede jaar ) ( zie de vijfde en de zesde overwegingen van verordening nr . 856/84 );
- aan de Lid-Staten is de bevoegdheid toegekend om extra referentiehoeveelheden toe te kennen aan producenten die zich in een bijzondere situatie bevinden, en met name aan de producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken ( artikelen 2 tot 5 van verordening nr . 857/84 );
- aan de Lid-Staten is de bevoegdheid toegekend om een regionale/nationale compensatieregeling in te voeren ( artikel 4 bis van verordening nr . 857/84 ).
Deze bepalingen en het gebruik dat Frankrijk daarvan heeft gemaakt, hebben in de praktijk ertoe geleid, dat voor het melkprijsjaar 1984/1985 de invoering van een extra-heffing ten laste van de Franse producenten en kopers kon worden voorkomen .
In die omstandigheden komt het mij voor, dat de gemeenschapsverordening noch qua inhoud, noch qua toepassing het vertrouwensbeginsel heeft geschonden .
30 . Concluderend geef ik het Hof in overweging, de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt :
"1 ) a ) Artikel 3, sub 1, van verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat producenten wier melkproduktie een in absolute cijfers uitgedrukt niveau overschrijdt, niet in aanmerking laat komen voor extra referentiehoeveelheden ten gunste van producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een ontwikkelingsplan hebben ingediend dat in uitvoering is .
b ) Deze bepaling staat eraan in de weg, dat een Lid-Staat de onder a ) bedoelde producenten die over een ontwikkelingsplan beschikken dat in uitvoering is, een forfaitaire extra referentiehoeveelheid toekent die geen verband houdt met de in het plan voorziene produktiedoelstellingen .
c ) Deze bepaling staat de Lid-Staten die het jaar 1983 als referentiejaar hebben gekozen, niet toe een ander referentiejaar te kiezen voor de vaststelling van de individuele referentiehoeveelheden die moeten worden toegekend aan de onder a ) bedoelde producenten die hun ontwikkelingsplan in 1981 of 1982 hebben voltooid .
2 ) Noch verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, noch het in artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod verzet zich ertegen dat een Lid-Staat die voor formule B heeft gekozen, het aan de kopers overlaat om voorlopig een gedeelte van de bij de aangesloten producenten vrijgekomen hoeveelheden toe te kennen aan andere aangesloten producenten die zich in een bijzondere situatie bevinden, wanneer deze toegekende hoeveelheden naderhand zodanig kunnen worden aangepast dat de verschillen in behandeling tussen producenten al naar gelang van de koper bij wie zij zijn aangesloten, worden geneutraliseerd .
3 ) Door de verordeningen ( EEG ) nrs . 856/84 en 857/84 van de Raad van 31 maart 1984, op grond waarvan de Lid-Staten het stelsel van beperking van de melkproduktie moeten toepassen op producenten die in het kader van richtlijn 72/159/EEG een ontwikkelingsplan hebben ingediend, waarbij zij overigens met de situatie van deze laatsten kunnen rekening houden door een extra referentiehoeveelheid toe te kennen, wordt het vertrouwensbeginsel niet geschonden ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 856/84 van de Raad van 31 maart 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 804/68, houdende een gemeeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 10 );
Verordening ( EEG ) nr . 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1984, L 90, blz . 13 ).
( 2 ) Arrest van 25 november 1986 ( gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch e.a ., Jurispr . 1986, blz . 3477 ); arrest van 28 april 1988 ( zaak 102/86, Mulder, Jurispr . 1988, blz . 2321 ); arrest van 28 april 1988 ( zaak 107/86, Von Deetzen, Jurispr . 1988, blz . 2355 ); arrest van 28 april 1988 ( zaak 61/87, Thevenot e.a ., Jurispr . 1988, blz . 2375 ); arrest van 17 mei 1988 ( zaak 84/87, Erpelding, Jurispr . 1988, blz . 2647 ).
( 3 ) Verordening ( EEG ) nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ).
( 4 ) Artikel 1, lid 1 .
( 5 ) Artikel 2, lid 1 .
( 6 ) Artikel 2, lid 2 .
( 7 ) Artikel 5 quater, lid 3, van verordening nr . 804/68 .
( 8 ) De andere producenten die voor een afwijkende regeling in aanmerking komen of kunnen komen, zijn :
- de producenten die zonder ontwikkelingsplan investeringen hebben verricht, mits de Lid-Staat over voldoende gegevens beschikt ( artikel 3, sub 1, tweede alinea, van verordening nr . 857/84 );
- jonge landbouwers die zich na eind 1980 hebben gevestigd ( artikel 3, sub 2, van verordening nr . 857/84 );
- producenten wier melkproduktie gedurende het referentiejaar aanzienlijk is beïnvloed door buitengewone gebeurtenissen ( artikel 3, sub 3, van verordening nr . 857/84 );
- producenten die een ontwikkelingsplan uit hoofde van richtlijn 72/159/EEG ten uitvoer leggen, dat na 1 april 1984 is goedgekeurd, mits dit plan aan bepaalde criteria beantwoordt ( artikel 4, lid 1, sub b, van verordening nr . 857/84 );
- andere producenten die de landbouw als hoofdberoep uitoefenen, voor zover de afwijkende regeling past in het kader van de herstructurering van hun melkproduktie ( artikel 4, lid 1, sub c, van verordening nr . 857/84 ).
( 9 ) Richtlijn 72/159/EEG van de Raad van 17 april 1972 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven ( PB 1972, L 96, blz . 1 ).
( 10 ) Zie de vijfde overweging van de richtlijn .
( 11 ) Zie hiervoor ( punt 4 en voetnoot 8 ) de lijst van de in de artikelen 3 en 4 van verordening nr . 857/84 voorziene categorieën producenten die in aanmerking komen of kunnen komen voor een afwijkende regeling .
( 12 ) Deze bepaling is in verordening nr . 857/84 ingevoegd bij verordening ( EEG ) nr . 590/85 van de Raad van 26 februari 1985 ( PB 1985, L 68, blz . 1 ). Aanvankelijk voorzien voor een eerste periode van twaalf maanden, is deze bepaling voor een tweede periode van twaalf maanden verlengd bij verordening ( EEG ) nr . 1305/85 van de Raad van 23 mei 1985 ( PB 1985, L 137, blz . 12 ).
( 13 ) Decreet nr . 84-661 van 17 juli 1984 betreffende de beperking van de produktie van koemelk en de wijze van heffing van een extra-heffing ten laste van de kopers en producenten van koemelk ( JORF van 21 juli 1984, blz . 2373 ).
( 14 ) Besluit van 22 november 1984 betreffende de vaststelling van de referentiehoeveelheden van de kopers van melk voor het tijdvak van 2 april 1984 tot en met 31 maart 1985 ( JORF van 29 november 1984, blz . 3660 ).
( 15 ) Besluit van 10 juli 1985 betreffende de vaststelling van de referentiehoeveelheden van de kopers van melk voor het tijdvak van 1 april 1985 tot en met 31 maart 1986 ( JOFR van 14 juli 1985, blz . 7979 ).
( 16 ) Artikel 2 van decreet nr . 84-661 .
( 17 ) Artikel 17 van decreet nr . 84-661 .
( 18 ) Artikel 3, eerste alinea, sub a, van het besluit van 22 november 1984 .
( 19 ) Artikelen 2 en 3, eerste alinea, sub a, van het besluit van 10 juli 1985 .
( 20 ) Het lijkt mij dus aannemelijk dat de Franse regering de volgende formule heeft gebruikt : 1983 - 2 % = 1981 + 1 %.
( 21 ) Ter terechtzitting hebben de vertegenwoordigers van de Franse regering verklaard, dat de referentiehoeveelheid van de kopers aan het einde van het melkprijsjaar 1984/1985 op een enigszins lager (- 0,8 %) niveau is vastgesteld dan het in decreet nr . 84-661 voorziene niveau ( 1983 - 2 %) en wel om grotere referentiehoeveelheden te kunnen toekennen aan producenten die het slachtoffer waren geworden van klimatologische rampen en die konden verzoeken dat met een ander referentiejaar zou worden rekening gehouden .
( 22 ) Decreet nr . 83-442 van 1 juni 1983 betreffende de modernisering van landbouwbedrijven ( JORF van 3 juni 1983 ). Dit decreet is in de plaats gekomen van de vroegere regeling, die dateerde van 1974 .
( 23 ) Artikel 5 van decreet nr . 84-661 . De andere in dit artikel voorziene prioritaire producenten zijn :
- de producenten die ten behoeve van landbouwers in moeilijkheden ingevoerde steun genieten en wier herstelplan een groei van de produktie voorziet;
- jonge landbouwers die zich na 31 december 1980 hebben gevestigd en aan bepaalde voorwaarden voldoen;
- producenten die voor 1 april 1984 investeringen hebben verricht om hun melkproduktie uit te breiden en die aan bepaalde voorwaarden voldoen .
( 24 ) Artikel 4, zesde alinea, van decreet nr . 84-661 .
( 25 ) Artikel 2 van het besluit van 22 november 1984 .
( 26 ) Artikel 3, eerste alinea, sub c, van het besluit van 22 november 1984 .
( 27 ) Artikel 3, laatste alinea, van het besluit van 22 november 1984 .
( 28 ) Artikel 4, sub 3, van het besluit van 22 november 1984 .
Bepaalde jonge landbouwers alsmede producenten die in economisch en sociaal bijzondere moeilijke omstandigheden verkeren, komen bij voorrang in aanmerking voor deze eventuele aanvulling van referentiehoeveelheden .
( 29 ) Artikel 5, sub 2 en 3, van het besluit van 22 november 1984 .
( 30 ) Artikel 7 van het besluit van 22 november 1984 .
( 31 ) Artikel 2, eerste alinea, van het besluit van 10 juli 1985 .
( 32 ) Artikel 3, eerste alinea, sub b, van het besluit van 10 juli 1985 .
( 33 ) Artikel 3, tweede alinea, van het besluit van 10 juli 1985 .
( 34 ) Artikel 3, derde alinea, van het besluit van 10 juli 1985 .
( 35 ) Artikel 4 van het besluit van 10 juli 1985 .
( 36 ) Artikel 5 van het besluit van 10 juli 1985 .
( 37 ) Zie het besluit van 4 juli 1986 betreffende de vaststelling van de heffing ten laste van de producenten en de kopers van melk die hun referentiehoeveelheid hebben overschreden ( JORF van 23 juli 1986, blz . 9098 ).
( 38 ) Krachtens artikel 2, lid 2, van verordening nr . 857/84 kunnen de Lid-Staten het percentage dat wordt aangewend op de produktie van het gekozen referentiejaar variëren afhankelijk van het niveau van de leveranties van bepaalde categorieën producenten .
( 39 ) De verklaring van de verwijzende rechter, dat ten gevolge van het besluit van 10 juli 1985 de toename van de produktie kon worden beperkt tot 1 %, lijkt mij onjuist .
( 40 ) Het doel dat met deze goedkeuring wordt nagestreefd, wordt uiteengezet in de negende overweging van richtlijn 72/159/EEG : "0m de zekerheid te hebben dat de financiële overheidsmiddelen voor de ontwikkeling van de bedrijven daadwerkelijk worden aangewend ten behoeve van bedrijven die aan de vereiste voorwaarden voldoen ..."
( 41 ) Zie de elfde overweging van richtlijn 72/159/EEG .
( 42 ) Zie het arrest van 27 september 1979 ( zaak 230/78, Eridania, Jurispr . 1979, blz . 2749, r.o . 22 ).
Top