Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 15 juni 1989. - FRANCIS EN INGEBORG OLBRECHTS TEGEN COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. - AMBTENAREN - AMBTENAAR MET VERLOF OM REDENEN VAN PERSOONLIJKE AARD - DEKKING DOOR GEMEENSCHAPPELIJK STELSEL VAN ZIEKTEKOSTENVERZEKERING UIT HOOFDE VAN AANSLUITING VAN ECHTGENOOT. - ZAAK 58/88.
Jurisprudentie 1989 bladzijde 02643
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze zaak gaat het om de vraag, of een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, zonder daarvoor bijdragen te moeten betalen, in aanmerking komt voor dekking door het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de instellingen van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het gemeenschappelijk stelsel ), wanneer zijn echtgenoot eveneens ambtenaar is .
In casu is aan mevrouw Olbrechts, ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, dekking door het gemeenschappelijk stelsel enkel uit hoofde van de aansluiting van haar echtgenoot/ambtenaar, geweigerd . Het beroep van verzoekers beoogt nietigverklaring van het besluit van de Commissie, dat de aansluiting van mevrouw Olbrechts afhankelijk stelt van de betaling van de in artikel 40, lid 3, van het Statuut bedoelde bijdragen .
Voor een uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen verwijs ik naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat voor mijn betoog noodzakelijk is .
De ontvankelijkheid
2 . Om vast te stellen of het beroep tijdig is ingesteld, zullen wij eerst moeten nagaan, wat het voor verzoekers bezwarende besluit is .
Ik deel de mening van de Commissie, dat de nota van het hoofd van de afdeling Ziekte - en ongevallenverzekering, die op 6 februari 1987 door tussenkomst van de heer Olbrechts aan mevrouw Olbrechts is gezonden, het bezwarende besluit vormt . Deze nota volgde op een verzoek van Olbrechts om een borgstelling voor de kosten van een chirurgische ingreep die zijn vrouw enige dagen later moest ondergaan . Deze borgstelling werd door het afwikkelingsbureau inderdaad afgegeven, maar daarbij werd er wel op gewezen, dat mevrouw Olbrechts verplicht was bijdragen te betalen, indien zij voor dekking door het gemeenschappelijk stelsel in aanmerking wilde blijven komen . In de nota van 6 februari 1987 zette het hoofd van het afwikkelingsbureau uiteen, waarom het stelsel van ziektekostenverzekering enkel voor de echtgenoot met verlof om redenen van persoonlijke aard geldt, indien hij daaraan bijdragen betaalt, en hij verzocht mevrouw Olbrechts uitdrukkelijk, haar situatie te regulariseren door de noodzakelijk geachte bijdragen te voldoen . Het afwikkelingsbureau bracht in die nota dus een met redenen omkleed bezwarend besluit tot uitdrukking .
Het is juist, dat het afwikkelingsbureau niet het tot aanstelling bevoegd gezag is . Dit laatste is evenwel niet het enige orgaan van de instellingen dat besluiten kan nemen die bezwarend kunnen zijn en waartegen een klacht kan worden ingediend . Zoals het Hof heeft bevestigd, is een klacht onder meer mogelijk tegen een beoordelingsrapport ( 1 ) of tegen een besluit van het directoraat-generaal Financiële controle waarbij betaling van de ontheemdingstoelage werd geweigerd . ( 2 ) In zijn arrest van 5 juli 1984 ( 3 ) verklaarde het Hof juist een besluit van een afwikkelingsbureau nietig, waartegen de verzoeker eerst een klacht had ingediend en vervolgens beroep had ingesteld .
Verzoekers hadden dus binnen drie maanden na kennisgeving van de nota van 6 februari 1987 een klacht in de zin van artikel 90, lid 2 van het Statuut moeten indienen, indien zij vervolgens de zaak aan het Hof hadden willen voorleggen .
3 . De Commissie vermeldt evenwel niet, op welke datum van de nota van 6 februari 1987 kennis is gegeven, noch op welke dag mevrouw Olbrechts, tot wie de nota was gericht, er daadwerkelijk kennis van gekregen heeft . Toen hierover ter terechtzitting vragen werden gesteld, konden de vertegenwoordigers van de Commissie slechts wijzen op het stilzwijgen van verzoekers, die niet betwisten de nota te hebben ontvangen en zich ook niet op een eventuele te late kennisgeving ervan beroepen . Ze konden evenwel niet bewijzen, op welke dag de kennisgeving van het bezwarend besluit precies heeft plaatsgevonden .
Met betrekking tot dit punt heeft het Hof, in aansluiting op eerdere rechtspraak ( 4 ), in zijn arrest van 11 mei 1989 ( gevoegde zaken 193 en 194/87, Maurissen e.a ., Jurispr . 1989, blz . 1045 ) erop gewezen, dat
" van een besluit naar behoren, in de zin van het Verdrag, kennis is gegeven zodra het is medegedeeld aan degene tot wie het is gericht, en deze in staat is gesteld daarvan kennis te nemen; ... het is bijgevolg aan de partij die aanvoert dat een beroep tardief is, om het bewijs te leveren van de datum van kennisgeving van het besluit" ( r.o . 46 ).
Nu het bewijs van de datum van kennisgeving van het bezwarend besluit niet is geleverd, kan de Commissie mijns inziens niet stellen, dat de klacht uiterlijk op 5 mei 1987 had moeten worden ingediend en dat verzoekers te laat hebben gereageerd door zich pas op 27 mei 1987 tot het tot aanstelling bevoegd gezag te wenden .
4 . Verzoekers hebben aan dat schrijven van 27 mei 1987 de vorm gegeven van een verzoek in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut . Ik meen, dat de Commissie dat verzoek terecht heeft aangemerkt als een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut . Artikel 90, lid 1, is namelijk slechts van toepassing wanneer ten aanzien van de belanghebbende nog geen besluit is genomen .
Om de in het vorige punt uiteengezette redenen lijkt mij echter het middel van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan niet-tijdige indiening van dit in een klacht omgezette verzoek, niet aanvaardbaar .
Ten gronde
Het wettelijk kader
5 . Laten wij beginnen met de thans geldende bepalingen ( 5 ) en in de eerste plaats met die welke op ambtenaren in het algemeen van toepassing zijn . Artikel 72, lid 1, van het Statuut bepaalt dat :
" ... de kosten in geval van ziekte van de ambtenaar, zijn echtgenoot, wanneer deze niet onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen, zijn ... gedekt" ( cursivering van mij ).
Deze bepaling is in artikel 3 van de regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen ( hierna : de regeling ) uitgewerkt als volgt :
"Uit hoofde van de aangeslotene zijn verzekerd :
1 . de echtgenoot van de aangeslotene, voor zover hij niet zelf bij het onderhavige stelsel is aangesloten, en op voorwaarde dat
- hij geen winstgevende bezigheid als beroep uitoefent,
- hij, indien hij wel een dergelijke bezigheid uitoefent, is verzekerd bij een openbare ziektekostenverzekering, en uit hoofde van die bezigheid geen jaarlijks inkomen geniet dat ... meer bedraagt dan het jaarlijks basissalaris van een ambtenaar met de rang B 4 ..." ( cursivering van mij ).
6 . Vervolgens de bepalingen die van toepassing zijn op ambtenaren met verlof om redenen van persoonlijke aard .
Artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut bepaalt dat :
" (( Gedurende zijn verlof neemt de ambtenaar )) geen deel aan het stelsel van sociale zekerheid, bedoeld in de artikelen 72 en 73, en de daaronder vallende risico' s zijn niet gedekt ." ( 6 )
Ingevolge de tweede alinea van dat lid kan :
" de ambtenaar die aantoont dat hij zich niet bij een andere openbare verzekering tegen de in de artikelen 72 en 73 bedoelde risico' s kan verzekeren, ... wanneer hij ... hierom verzoekt, in aanmerking blijven komen voor de in die artikelen bedoelde dekking, mits hij de bijdragen voor de dekking ... te zijnen laste neemt ..."
Ten slotte bevat artikel 4, lid 2, van de regeling de volgende regel :
" De ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard is aangesloten wanneer hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 40, lid 3, tweede alinea van het Statuut" ( cursivering van mij ).
Beoordeling
7 . Ik wil meteen zeggen, dat het beroep van verzoekers mij bij de huidige stand van de wetgeving gegrond lijkt . De redenering die mij ertoe brengt, het Hof in overweging te geven in die zin te beslissen, zal ik hierna uiteenzetten .
8 . In de eerste plaats dienen wij de strekking te bepalen van artikel 72, lid 1, van het Statuut . Naar mijn mening ziet deze bepaling niet uitdrukkelijk op de situatie van de echtgenote van een ambtenaar van de Europese Gemeenschappen, die zelf ook ambtenaar van de Europese Gemeenschappen is . De auteurs van het Statuut hebben duidelijk een situatie voor ogen gehad waarin één van beide echtgenoten ambtenaar is . Dit verklaart, waarom het artikel met betrekking tot de echtgenoot de voorwaarde stelt, dat hij niet tegen ziektekosten is gedekt via een ander stelsel ( zie arrest van 8 maart 1988, zaak 339/85, Brunotti, Jurispr . 1988, blz . 1379, r.o . 11 ).
9 . Na deze eerste conclusie kan het subsidiaire argument van de Commissie, dat gebaseerd is op de bewoordingen van artikel 72, lid 1, van het Statuut, reeds in dit stadium ter zijde worden geschoven . Volgens deze bepaling is de echtgenoot enkel tegen ziektekosten gedekt, wanneer hij "niet onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen ". De Commissie legt het accent op de door mij gecursiveerde woorden . Uit het feit dat de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard dekking door het gemeenschappelijk stelsel kan krijgen door daaraan bijdragen te betalen, trekt zij de conclusie, dat de ambtenaar niet voldoet aan de voorwaarden die artikel 72 van het Statuut stelt om in aanmerking te komen voor dekking uit hoofde van de echtgenoot .
Dit argument overtuigt mij niet, want het berust op een uitlegging van een artikel van het Statuut dat, zoals reeds gezegd, niet uitdrukkelijk ziet op de situatie van de echtgenoot die zelf ook ambtenaar is .
10 . Ook al is artikel 72 niet uitdrukkelijk voor de situatie van de echtgenoot/ambtenaar geschreven, het bevat wel het beginsel dat het mogelijk maakt die situatie in de uitvoeringsbepalingen te regelen . Zoals het Hof in zijn arrest Brunotti verklaarde, berust dit artikel op de gedachte
" dat het toepassingsgebied van de ziektekostenverzekering van de ambtenaar en zijn gezinsleden aldus moest worden afgebakend, dat dubbele dekking zoveel mogelijk werd vermeden" ( r.o . 12 ).
Artikel 3 van de regeling expliciteert dit beginsel op volstrekt logische wijze door te bepalen, dat de echtgenoot van een aangesloten ambtenaar uit hoofde van laatstgenoemde is verzekerd "voor zover hij niet zelf bij het onderhavige stelsel is aangesloten ".
11 . Gezien de bewoordingen van artikel 3 van de regeling - de enige bepaling die uitdrukkelijk het geval van aansluiting van een ambtenarenechtpaar voorziet -, gaat het nu om de vraag, of een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard al dan niet bij de ziektekostenverzekering is aangesloten . Het antwoord wordt gegeven in artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut :
" (( Gedurende zijn verlof neemt de ambtenaar )) geen deel aan het stelsel van sociale zekerheid, bedoeld in de artikelen 72 en 73, en de daaronder vallende risico' s zijn niet gedekt ."
12 . Volgens de Commissie zou het geen zin hebben om in die bepaling naast de schorsing van de aansluiting ook de schorsing van de risicodekking te vermelden, indien de auteurs van het Statuut hadden gewild dat een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard gratis verzekerd zou blijven in zijn hoedanigheid van echtgenoot van een aangesloten ambtenaar .
Begrijp ik dit argument van de Commissie goed, dan gaat het ervan uit, dat artikel 3 van de regeling aldus moet worden opgevat, dat een ambtenaar wiens aansluiting is geschorst, volledig is verzekerd uit hoofde van zijn echtgenoot/ambtenaar . De zinsnede "en de daaronder vallende risico' s zijn niet gedekt" in artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut zouden dan door de auteurs van het Statuut juist zijn toegevoegd om te voorkomen, dat een echtgenoot met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bijdragen te betalen in aanmerking komt voor dekking tegen ziektekosten onder toepassing van genoemd artikel 3 . Ik denk evenwel, dat de Commissie daarmee aan de geciteerde zinsnede een betekenis geeft die zij niet heeft . Hadden de auteurs van het Statuut het door de Commissie genoemde resultaat willen bereiken, dan zouden zij zich zeker duidelijker hebben uitgedrukt . Het lijkt mij logischer, aan artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut de volgende betekenis te geven : tijdens het verlof om redenen van persoonlijke aard van een ambtenaar zijn de twee belangrijkste gevolgen van aansluiting - de betaling van bijdragen door de ambtenaar ( een gevolg dat in de bepaling wordt verondersteld ) en de risicodekking ( een uitdrukkelijk genoemd gevolg ) - geschorst .
13 . Meer subsidiair betoogt de Commissie, dat artikel 3 van de regeling zo moet worden uitgelegd, dat het in overeenstemming is met de bepalingen van het Statuut . Zo gezien meent zij, dat de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard aangesloten blijft, ook al zijn de gevolgen van zijn aansluiting geschorst, zodat artikel 3, lid 1, van de regeling niet op hem kan worden toegepast .
Om te beginnen merk ik op, dat de Commissie daarmee aan artikel 3 van de regeling een uitlegging geeft die verschilt van die welke in haar hoofdargument wordt verondersteld ( zie het voorgaande punt ). De uitlegging die de Commissie voorstaat, is evenmin verenigbaar met artikel 4, lid 2, van de regeling, inhoudende dat de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard slechts blijft aangesloten wanneer hij aan de voorwaarden van artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut voldoet . Tot slot, in de uitlegging van de Commissie wordt kunstmatig onderscheid gemaakt tussen de aansluiting zelf en de gevolgen daarvan . Naar mijn mening is het niet redelijk om te stellen dat een ambtenaar is aangesloten, wanneer hij op geen enkel voordeel van het stelsel aanspraak kan maken .
14 . Uit het voorgaande volgt, dat een ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, wiens aansluiting krachtens artikel 40, lid 3, eerste alinea, van het Statuut is geschorst, in beginsel moet worden beschouwd als iemand die niet is aangesloten . ( 7 ) Deze ambtenaar voldoet dus aan de eerste voorwaarde die artikel 3, punt 1, van de regeling stelt voor verzekering uit hoofde van de aansluiting van de echtgenoot/ambtenaar . Voor zover hij tevens voldoet aan de overige in de betrokken bepaling gestelde voorwaarden ( 8 ), is hij naar mijn mening van rechtswege tegen ziektekosten gedekt uit hoofde van de aansluiting van zijn echtgenoot/ambtenaar .
15 . Hieruit volgt eveneens, dat de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van de regeling, niet behoeft te verzoeken om toepassing van de facultatieve regeling bedoeld in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut . Bijgevolg is de echtgenoot met verlof om redenen van persoonlijke aard niet verplicht bijdragen te betalen om tegen ziektekosten verzekerd te zijn .
16 . Concluderend geef ik in overweging :
- het besluit van de Commissie, waarbij verzoekster dekking onder het stelsel van ziektekostenverzekering is geweigerd wanneer zij geen bijdragen betaalt, nietig te verklaren;
- de Commissie in de kosten te verwijzen .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Zie laatstelijk het arrest van 27 april 1989, zaak 192/88, Turner, Jurispr . 1989, blz . 1017 .
( 2 ) Arrest van 9 maart 1978, zaak 54/77, Herpels, Jurispr . 1978, blz . 584 .
( 3 ) Arrest van 5 juli 1984, zaak 115/83, Ooms, Jurispr . 1984, blz . 2613 .
( 4 ) Arrest van 5 juni 1980, zaak 108/79, Belfiore, Jurispr . 1980, blz . 1769 .
( 5 ) Ter terechtzitting maakten de vertegenwoordigers van de Commissie gewag van in voorbereiding zijnde wijzigingen van de betrokken bepalingen, doch zonder te preciseren wat die wijzigingen inhouden .
( 6 ) Artikel 73 van het Statuut regelt de dekking van de uit beroepsziekten en ongevallen voortvloeiende risico' s .
( 7 ) Ingeval de ambtenaar met verlof om redenen van persoonlijke aard besluit gebruik te maken van de in artikel 40, lid 3, tweede alinea, van het Statuut geboden mogelijkheid, wordt hij overeenkomstig artikel 4, lid 2, van de regeling weer geacht te zijn aangesloten bij het gemeenschappelijk stelsel .
( 8 ) Deze overige voorwaarden zijn : geen winstgevende bezigheid als beroep uitoefenen of, indien wel een dergelijke bezigheid wordt uitgeoefend, verzekerd zijn bij een publieke ziektekostenverzekering en geen inkomen genieten boven een bepaalde grens ( zie punt 5 hiervóór ).
Top