CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 29 juni 1989 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne beren Rechters,
1.
Met het oog op de beslechting van het geschil tussen P. Delbar, een Belgische advocaat die zijn kantoor heeft in Frankrijk en zijn privé-adres (waar ook zijn kinderen wonen) in België, en de Caisse d'allocations familiales de Roubaix-Tourcoing verzocht het tribunal des affaires de sécurité sociale de Lille het Hof, bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de navolgende vragen:
„1)
Zijn volgens de uitlegging die aan artikel 51, sub b, van het Verdrag moet worden gegeven, de autoriteiten van de Lid-Staat waar de werknemer zijn werkzaamheden verricht en in voorkomend geval bijdragen betaalt, dan wel de autoriteiten van de Lid-Staat van de woonplaats van de gezinsleden en/of de kinderen waarvoor recht op gezinsbijslagen bestaat, belast met de betaling van de gezinsbijslagen ?
2)
Wanneer nu een onderdaan van een Lid-Staat zijn beroepsadres heeft in de Lid-Staat waar hij bijdragen betaalt, en zijn privé-adres (waar ook zijn kinderen wonen) in een andere Lid-Staat, moeten dan de autoriteiten van de eerste dan wel die van de tweede Lid-Staat de kinderbijslag betalen ?
3)
Kunnen particulieren, bij gebreke van een voor de beoefenaars van vrije beroepen geldende Europese richtlijn betreffende de kinderbijslag, zich rechtstreeks beroepen op de uit artikel 51 van het Verdrag voortvloeiende rechten ?”
Aangezien een ontkennend antwoord op vraag 3 de behandeling van de eerste twee vragen overbodig maakt, dient allereerst te worden onderzocht, of bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zelfstandigen zich op artikel 51 EEG-Verdrag kunnen beroepen om de gezinsbijslagen te verkrijgen ongeacht de plaats waar hun gezinsleden wonen.
2.
In zijn beroep bij de nationale rechter betwist Delbar de wettigheid van een nationale regeling als die van de artikelen L 512.1 en volgende van de code de la sécurité sociale, op basis waarvan de Franse bevoegde autoriteiten hebben geweigerd hem gezinsbijslagen te betalen voor zijn in België wonende kinderen.
Artikel L 512.1 bepaalt, dat de ouders de gezinsbijslagen slechts kunnen krijgen, indien hun kinderen in Frankrijk wonen. Volgens Delbar is die nationale regeling in strijd met artikel 51, inzonderheid sub b, EEG-Verdrag, waarin wordt bepaald, „dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de Lid-Staten verblijven, zullen worden betaald”.
3.
In hun opmerkingen betwisten de Franse regering en de Commissie de stelling van Delbar.
4.
Zeer duidelijk, doch met grote spijt, zij gezegd, dat de Franse regering en de Commissie moet worden bijgevallen. Ik ben ervan overtuigd, dat er bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht geen goede gronden zijn te vinden voor de stelling van Delbar, als zou in het EEG-Verdrag of in het afgeleide recht een rechtsgrondslag kunnen worden gevonden om heen te stappen over een nationale regel, volgens welke het ontstaan van een verplichting tot betaling van gezinsbijslagen wordt belet door de omstandigheid dat de kinderen wonen in een andere Lid-Staat dan die waarin de zelfstandige werkzaam is. De toepasselijke bepalingen laten immers geen enkele twijfel bestaan over de uitlegging of de eventuele ongeldigheid.
5.
Het lijdt immers geen twijfel:
—
dat artikel 51 EEG-Verdrag als zodanig enkel van toepassing is op werknemers;
—
dat hetzelfde kan worden gezegd van verordening nr. 1408/71 in haar oorspronkelijke versie;
—
dat de op basis van artikel 235 EEG-Verdrag vastgestelde verordening (EEG) nr. 1390/81 van de Raad van 12 mei 1981 (PB 1981, L 143, biz. 1) houdende uitbreiding tot zelfstandigen van de werkingssfeer van een groot aantal bepalingen van verordening (EEG) nr. 1408/71, artikel 73, betreffende de betaling van gezinsbijslagen, onverlet laat; dat deze bepaling derhalve nog steeds uitsluitend voor werknemers geldt;
—
dat die juridische situatie niet voortvloeit uit een vergetelheid van de gemeenschapswetgever, maar door de Raad uitdrukkelijk is gewild. De Commissie, daarbij gesteund door het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité, had immers voorgesteld, de regeling van artikel 73 uit te breiden tot zelfstandigen. Onder meer uit de laatste overweging van de considerans van het voorstel van de Commissie aan de Raad van 5 februari 1988 (PB 1988, C 52, biz. 5) ( 1 ) blijkt, dat de weigering van de Raad om dit voorstel te aanvaarden, verband houdt met het ontbreken van een eenvormige oplossing.voor de gezinsbijslagen, dat ten slotte is uitgelopen op de twee welbekende arresten van het Hof in de zaken Pinna I en Pinna II ( 2 ).
6.
Uit het voorgaande volgt, dat het in 1981 de uitdrukkelijke wil van de gemeenschapswetgever was het voordeel van artikel 73 van verordening nr. 1408/71 niet uit te breiden tot zelfstandigen. Aangezien de beslissing over de uitbreiding tot de discretionaire bevoegdheden van de Raad behoort, en ofschoon ik het in grote lijnen eens ben met de opmerkingen van de Commissie en het Europese Parlement over de wenselijkheid van een dergelijke uitbreiding tot zelfstandigen, meen ik, dat het Hof de derde vraag van de nationale rechter slechts ontkennend kan beantwoorden.
Aangezien de personele werkingssfeer van artikel 51 van het Verdrag, een bepaling van primair recht, tot werknemers is beperkt, levert de uitdrukkelijke beslissing van de Raad om de regeling van artikel 73 niet bij een handeling van afgeleid recht tot zelfstandigen uit te breiden, geen voor veroordeling door het Hof in aanmerking komende schending van enig rechtsbeginsel op.
7.
Gelet op het zojuist geformuleerde antwoord, behoeft het Hof mijns inziens niet nader in te gaan op de andere vragen van de nationale rechter. Het staat immers niet aan het Hof om, na te hebben vastgesteld dat artikel 51 niet geldt voor zelfstandigen, in abstracto uitleggingselementen aan te reiken die niet van belang zijn voor de beslechting van het concrete geval.
Mitsdien geef ik het Hof in overweging aan de nationale rechter te antwoorden, dat bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht artikel 51 EEG-Verdrag de Lid-Staten niet verplicht gezinsbijslagen te betalen aan een zelfstandige wiens gezinsleden wonen in een andere Lid-Staat dan die waarin de zelfstandige zijn beroepswerkzaamheden verricht.
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Italiaans.
( 1 ) Het voorstel beoogt allereerst de consequenties te trekken uit het arrest Pinna I en tegelijkertijd het voordcel van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 uit te breiden tot zelfstandigen.
( 2 ) Zie de arresten van 15 januari 1986 (zaak 41/84, Pinna, Jurispr. 1986, blz. 1) en 2 maart 1989 (zaak 359/87, Pinna, Jurispr. 1989, blz. 585).
Top