Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Tesauro van 12 oktober 1989. - MALT GMBH TEGEN HAUPTZOLLAMT DUESSELDORF. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: BUNDESFINANZHOF - DUITSLAND. - ECHTHEIDSCERTIFICAAT - DOUANEWAARDE - VERORDENING NR. 1224/80. - ZAAK 219/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-01481
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Bundesfinanzhof verzoekt het Hof om uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( 1 ), om uitspraak te kunnen doen in een geding tussen Malt GmbH ( hierna : verzoekster ) en het Hauptzollamt Duesseldorf ( hierna : verweerder ).
2 . De feiten die aan het hoofdgeding ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt .
In de herfst van 1981 voerde verzoekster, in het kader van een bij verordening ( EEG ) nr . 217/81 van de Raad ( 2 ) geopend tariefcontingent voor rundvlees van hoge kwaliteit, Argentijns rundvlees vrij van invoerheffingen in de Gemeenschap in . Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van invoerheffingen, legde verzoekster overeenkomstig verordening ( EEG ) nr . 263/81 van de Commissie ( 3 ) een echtheidscertificaat voor het ingevoerde vlees over .
Bij de invoer vermeldde verzoekster als douanewaarde de factuurprijs, verminderd met de kosten van de echtheidscertificaten .
Het Hauptzollamt ging voor de bepaling van de douanewaarde uit van de factuurprijs inclusief die kosten .
Zowel verzoeksters bezwaarschrift als haar beroep in rechte werden afgewezen . Zij stelde daarop beroep tot "Revision" in bij het Bundesfinanzhof, waar zij betoogde, dat de kosten van het certificaat geen deel uitmaakten van de koopprijs van de goederen, die tevoren afzonderlijk was overeengekomen .
3 . Bij beschikking van 26 mei 1988 heeft het Bundesfinanzhof het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
"1 ) Moet verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ( PB 1980, L 134, blz . 1 ), inzonderheid artikel 3, leden 1 en 3, sub a, aldus worden uitgelegd, dat bij de bepaling van de waarde van Argentijns rundvlees dat in 1981 in het kader van een communautair tariefcontingent vrij van heffingen in het vrije verkeer is gebracht, de bedragen die naast de prijs van de goederen aan de verkoper zijn betaald voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de contingenteringsregeling vereist zijn, tot de werkelijk betaalde of te betalen prijs ( transactiewaarde ) moeten worden gerekend?
2 ) Zo ja, moet genoemde verordening, inzonderheid artikel 3, lid 4, sub b, aldus worden uitgelegd, dat voor de bepaling van de douanewaarde de voor de certificaten betaalde bedragen moeten worden beschouwd als belastingen die bij invoer in de Gemeenschap zijn verschuldigd?
3 ) Zo vraag 2 bevestigend wordt beantwoord : moet genoemde verordening, inzonderheid artikel 3, lid 4, dan aldus worden uitgelegd, dat voldaan is aan het vereiste dat de kosten onderscheiden zijn van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer de factuur een totaalbedrag voor de goederen en de kosten van de certificaten vermeldt, maar daarnaast die kosten specificeert?"
4 . De toepasselijke bepalingen zijn de volgende . Ingevolge de verplichtingen die de Gemeenschap op zich had genomen in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ( Gatt ), stelde de Raad op 20 januari 1981 verordening ( EEG ) nr . 217/81 vast, betreffende de opening van een communautair tariefcontingent voor vers, gekoeld of bevroren rundvlees van hoge kwaliteit voor een totale hoeveelheid van 21 000 ton .
Deze verordening bevatte een regeling voor de benutting van het communautaire tariefcontingent, uitgaande van de overlegging van een echtheidscertificaat dat aard, herkomst en oorsprong van de produkten waarborgt . Hiermee moest worden verzekerd, dat alle belanghebbenden in de Gemeenschap te allen tijde en in gelijke mate gebruik konden maken van het contingent en dat het voor het contingent voorziene recht zonder onderbreking werd toegepast op alle importen van de betrokken produkten in alle Lid-Staten, totdat het contingent was uitgeput . ( 4 )
De uitvoeringsbepalingen van verordening ( EEG ) nr . 217/81 werden door de Commissie vastgesteld bij verordening ( EEG ) nr . 263/81 van 21 januari 1981 . Deze verordening bepaalt met name, dat de invoerheffing voor het betrokken vlees slechts wordt geschorst indien bij de inklaring een echtheidscertificaat wordt overgelegd ter waarborging van de oorsprong en de kwaliteit van het vlees . Dit certificaat moet ingevuld en geviseerd zijn door een in de bijlage bij de verordening vermelde instantie .
In de praktijk worden de certificaten door de nationale autoriteiten van de betrokken derde landen volgens door hen vastgestelde procedures afgegeven en over de slachthuizen verdeeld .
Naar blijkt, wordt in Argentinië aan elk slachthuis een quotum toegewezen dat - anders dan in andere staten - niet aan andere slachthuizen mag worden overgedragen .
Toch vinden indirecte overdrachten plaats in dier voege, dat een bedrijf dat zijn quotum heeft opgebruikt, zijn slachtdieren in een ander bedrijf, dat nog wel over een quotum beschikt, laat slachten . Dit laatste bedrijf belast zich dan tevens met de afgifte van het echtheidscertificaat en int het daarvoor verschuldigde bedrag .
Volgens de Commissie valt er vanuit het gezichtspunt van de toepasselijke gemeenschapsbepalingen tegen deze praktijk niets in te brengen .
5 . De wettelijke regeling waarin het door het Hof uit te leggen artikel 3 van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 thuis hoort, is echter een volstrekt andere .
Genoemde verordening, inzake de douanewaarde van de goederen, heeft tot doel de wereldhandel te stimuleren via een billijk, uniform en neutraal systeem voor de bepaling van de douanewaarde, waarbij het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden wordt uitgesloten . ( 5 ) De Raad heeft ze vastgesteld ter uitvoering van de overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van het Gatt ( 6 ), welke overeenkomst namens de Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 80/271/EEG van 10 december 1979 betreffende de sluiting van de multilaterale overeenkomsten waarover tijdens de handelsbesprekingen 1973-1979 overeenstemming is bereikt . ( 7 )
Deze overeenkomst bevat een aantal regels om het internationale handelsverkeer te vergemakkelijken en te voorkomen dat het door de toepassing van uiteenlopende methoden voor de bepaling van de douanewaarde wordt belemmerd . Als grondslag voor de bepaling van de douanewaarde is daarbij de transactiewaarde ingevoerd .
Artikel 3, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 bepaalt, dat de douanewaarde van ingevoerde goederen de transactiewaarde is, dat wil zeggen de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap verkochte goederen .
Artikel 3, lid 3, sub a, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3193/80 ( 8 ), luidt als volgt :
"De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die werkelijk zijn gedaan of moeten worden gedaan als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en wel door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper . De betaling behoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit de overdracht van geld . Betaling kan eveneens geschieden door middel van kredietbrieven of verhandelbare stukken en kan rechtstreeks of niet rechtstreeks geschieden ."
6 . Het Hof heeft zich al eens uitgesproken over een geval dat in veel opzichten op het onderhavige geleek .
Met betrekking tot quotakosten voor het verkrijgen van exportcontingenten overwoog het als volgt :
"De quotakosten voor het verkrijgen van exportcontingenten maken geen deel uit van de douanewaarde van in de Gemeenschap ingevoerde goederen in de zin van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen, zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 3193/80 van de Raad van 8 december 1980 ." ( 9 )
Het Hof kwam tot deze conclusie, na erop te hebben gewezen, dat het stelsel van in - en uitvoervergunningen deel uitmaakt van de gemeenschapsregeling die de invoer in de Gemeenschap van textielprodukten van oorsprong uit bepaalde derde landen aan een vergunning onderwerpt en tot bepaalde hoeveelheden beperkt; deze regeling beoogt slechts een controle op de uit bepaalde derde landen ingevoerde hoeveelheid textielprodukten en heeft dus een heel ander doel dan verordening nr . 1224/80, die gericht is op de totstandkoming van een billijk, uniform en neutraal systeem voor de bepaling van de waarde van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief . Bijgevolg dient volgens het Hof bij de toepassing van verordening nr . 1224/80 de regeling betreffende het stelsel van in - en uitvoervergunningen buiten beschouwing te worden gelaten . ( 10 )
7 . Volgens de Commissie is er echter alleen maar op het eerste gezicht gelijkenis tussen het onderhavige geval en het zoëven genoemde arrest-Ospig, daar er een belangrijk verschil bestaat tussen het echtheidscertificaat en het uitvoercertificaat in het kader van de regeling voor textielprodukten .
Het uitvoercertificaat heeft immers geen betrekking op bepaalde artikelen, maar op een bepaalde categorie . De goederen en het certificaat kunnen afzonderlijk en zelfs van verschillende personen worden verkregen, zoals het ook mogelijk is dat zij, zoals in de zaak-Ospig, beide van de verkoper worden verkregen .
Volgens de Commissie kunnen bij de invoer van rundvlees van hoge kwaliteit de goederen niet los van het certificaat worden verkregen, daar dit laatste betrekking heeft op bepaalde goederen . Reeds uit de formulering van het certificaat (" Ondergetekende verklaart hiermede dat het in dit certificaat omschreven rundvlees voldoet aan één van de omschrijvingen op de keerzijde ") zou blijken, dat het onmogelijk kan worden afgegeven zonder dat bij de voor de slacht bestemde runderen is gecontroleerd, of de in het certificaat vermelde gegevens inzake de wijze van fokken, voeding enzovoort juist zijn .
Omdat het certificaat dus betrekking heeft op een goed, waarmee het onlosmakelijk is verbonden, moeten de daarvoor gemaakte kosten deel uitmaken van de verkoopprijs en van de transactiewaarde; de voor het certificaat betaalde bedragen zijn volgens de Commissie betalingen voor de goederen, ook al zijn ze op de factuur afzonderlijk vermeld .
8 . Ik wil direct al zeggen, dat ik deze argumenten weinig overtuigend acht .
Alvorens de overeenkomsten en verschillen tussen de onderhavige zaak en de zaak-Ospig precies te onderzoeken, moet ik iets zeggen over de ratio van dat arrest . Deze ratio wordt mijns inziens bepaald door de noodzaak te voorkomen dat, wanneer de kosten voor het verkrijgen van een uitvoervergunning, waarvan de enige functie is de hoeveelheid textielprodukten te controleren die uit bepaalde derde landen worden ingevoerd, in de douanewaarde worden begrepen, dit kan leiden tot een verhoging van de douanerechten bij invoer, met als gevolg dat het protectionisme wordt versterkt en aldus een resultaat wordt bereikt dat tegengesteld is aan het doel van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 inzake de douanewaarde, te weten de ontwikkeling van de wereldhandel .
Het lijkt mij echter niet voor tegenspraak vatbaar, dat de regeling inzake de opening en het gebruik van het tariefcontingent voor rundvlees, juist zoals de gemeenschapsregeling inzake invoervergunningen en kwantitatieve invoerbeperkingen voor textielprodukten, tot doel heeft de invoer te beheersen, en dat zij dus een volstrekt ander doel heeft dan de regeling betreffende de bepaling van de douanewaarde van de goederen . Vanuit dit gezichtspunt, waarop ook het Hof zich in het arrest-Ospig heeft gesteld, bestaat er dus geen verschil tussen beide zaken .
9 . Er is ook een tekstelement dat aandacht verdient . Zie ik het goed, dan is de voor het certificaat betaalde prijs geen voor de goederen betaalde tegenprestatie, maar een betaling om het recht te verkrijgen de goederen heffingvrij in de Gemeenschap in te voeren .
Theoretisch kan het betrokken goed immers ook zonder certificaat in de Gemeenschap worden ingevoerd, maar dan valt het natuurlijk niet onder het door de Gemeenschap toegestane tariefcontingent en is de importeur verplicht de ervoor geldende heffing te betalen .
Met andere woorden, de voor het certificaat betaalde prijs is niet een betaling die een voorwaarde is voor de koop van het goed, maar de tegenprestatie voor het verkrijgen van een bijzondere rechtspositie ten aanzien van de communautaire douaneregeling .
Dit vindt bevestiging in het feit, dat de prijs van het echtheidscertificaat niet alleen apart op de factuur is vermeld, maar ook apart is overeengekomen afhankelijk van criteria en schommelingen die los staan van de marktprijs van het vlees .
10 . Anderzijds brengt het simpele feit, dat er tussen het echtheidscertificaat en het ingevoerde vlees een nauwere band bestaat dan tussen de uitvoervergunning en de desbetreffende textielprodukten, mijns inziens niet erg veel verandering in de probleemstelling .
Deze nauwe band tussen het echtheidscertificaat en het vlees waarbij het hoort, is immers het gevolg van de bij de verordeningen ( EEG ) nrs . 217/81 en 263/81 ingevoerde regeling, volgens welke alleen rundvlees van hoge kwaliteit in aanmerking komt voor de met de opening van het tariefcontingent verbonden voordelen .
De functie van het hier bedoelde certificaat is juist, te attesteren dat dat bepaalde vlees voldoet aan de door de gemeenschapsregeling gestelde eisen, en het valt daarom moeilijk te zien, hoe hieruit kan voortvloeien, dat de prijs van het certificaat deel uitmaakt van de douanewaarde van de ingevoerde goederen .
11 . Op grond van het voorgaande geef ik het Hof in overweging, de vraag van het Bundesfinanzhof te beantwoorden als volgt :
"De aan de verkopers betaalde bedragen voor de echtheidscertificaten die voor de toepassing van de communautaire contingenteringsregeling vereist zijn, maken geen deel uit van de douanewaarde van de in de Gemeenschap ingevoerde goederen in de zin van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) PB 1980, L 134, blz . 1 .
( 2 ) PB 1981, l 38, blz . 1 .
( 3 ) PB 1981, L 27, blz . 52 .
( 4 ) Tweede overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 217/81 .
( 5 ) Zesde overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 1224/80 .
( 6 ) PB 1980, L 71, blz . 107 .
( 7 ) PB 1980, L 71, blz . 1 .
( 8 ) PB 1980, L 333, blz . 1 .
( 9 ) Arrest van 9 februari 1984, zaak 7/83, Ospig, Jurispr . 1984, blz . 609, r.o . 18 .
( 10 ) Voornoemd arrest, r.o . 13 en 14 .
Top