Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Van Gerven van 8 november 1989. - SERMES SA TEGEN DIRECTEUR DES SERVICES DES DOUANES DE STRASBOURG. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: COUR D'APPEL DE COLMAR - FRANKRIJK. - GEMEENSCHAPPELIJKE HANDELSPOLITIEK - ANTI-DUMPINGRECHTEN OP DE INVOER VAN ELECTROMOTOREN. - ZAAK 323/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-03027
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De cour d' appel de Colmar heeft het Hof een vraag gesteld over de geldigheid van verordening ( EEG ) nr . 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde elektromotoren van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie . ( 1 )
In mijn conclusie van vandaag in een reeks rechtstreekse beroepen ( 2 ) heb ik mij reeds uitgesproken over de geldigheid van verordening nr . 864/87 . Voor de kern van mijn betoog in de onderhavige zaak kan ik dus niet alleen naar het rapport ter terechtzitting, maar ook naar mijn conclusie in bedoelde zaken verwijzen . Wat de procedure aangaat, vertoont de onderhavige zaak evenwel twee bijzonderheden die ik eerst wil onderzoeken, alvorens op de grond van de zaak in te gaan .
Bijzonderheden van de prejudiciële vraag
2 . In de eerste plaats moet ik vaststellen, dat de vraag van de cour d' appel zeer algemeen is geformuleerd, en wel als volgt :
"Is verordening ( EEG ) nr . 864/87 van de Raad ... geldig uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht, inzonderheid basisverordening nr . 2176/84 van de Raad, en van de algemene beginselen van gemeenschapsrecht?" ( 3 )
Bij een zo algemene vraag pleegt het Hof na te gaan, of de motivering van de verwijzingsbeschikking wellicht preciseringen bevat . Voor zover uit de motivering kan worden opgemaakt, welke middelen verzoekster in het hoofdgeding voor de nationale rechter aanvoert, tracht het Hof de prejudiciële vraag te beantwoorden na onderzoek van die middelen . ( 4 ) In casu zijn de middelen van verzoekster in de verwijzingsbeschikking in zeer algemene bewoordingen weergegeven : "schending van het rechtszekerheidsbeginsel; schending van verordening ( EEG ) nr . 2176/84 en van wezenlijke vormvoorschriften, met name door ontbreken van motivering; schending van verordening nr . 2176/84 en van fundamentele beginselen, met name schending van het recht van verweer, en van de algemene rechtsbeginselen, inzonderheid de beginselen van gelijkheid, objectiviteit, rechtvaardig bestuur en goede rechtsbedeling; misbruik van bevoegdheid en schending van het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel ". Deze opsomming van de middelen maakt het niet mogelijk, uit te maken welke bepalingen van verordening nr . 2176/84 zouden zijn geschonden .
3 . De tweede bijzonderheid betreft de positie van de vennootschap Sermes, verzoekster in het hoofdgeding . Deze importeert in Frankrijk elektromotoren van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek . In 1986 heeft zij een beroep ingesteld tot nietigverklaring van verordening ( EEG ) nr . 3019/86 van de Commissie tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde elektromotoren van oorsprong uit landen met staatshandel . ( 5 ) Bij beschikking van 8 juli 1987 heeft het Hof dit beroep niet-ontvankelijk verklaard . ( 6 ) Daar Sermes niet geassocieerd was met een exporteur van elektromotoren, was het Hof van mening, dat de bestreden handeling ten aanzien van Sermes een verordening met algemene strekking was, en geen beschikking die haar rechtstreeks en individueel raakte in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag .
Na de inwerkingtreding van het definitieve anti-dumpingrecht bleef Sermes in Frankrijk elektromotoren uit de Duitse Democratische Republiek invoeren . De Franse douane vorderde van haar anti-dumpingrechten ten bedrage van meer dan 400 000 FF voor de in april 1987 verrichte importen . Sermes betwistte het gevorderde bedrag en daagde de Franse douane voor de rechter . De raadsman van Sermes heeft ter terechtzitting niet verheeld, dat zijn cliënt dat had gedaan om een prejudiciële vraag van de nationale rechter uit te lokken, wat haar in de gelegenheid zou stellen bij het Hof te pleiten voor ongeldigverklaring van verordening nr . 864/87, nu haar de weg van een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring was ontzegd .
4 . Gelet op deze twee bijzonderheden van de zaak, moet vooraf worden uitgemaakt, vanuit welk oogpunt verordening nr . 864/87 van de Raad moet worden onderzocht met het oog op het aan de verwijzende rechter te geven antwoord . Mijns inziens is het vanzelfsprekend, dat dit antwoord rekening zal moeten houden met het resultaat van het onderzoek van de diverse middelen die de verzoeksters in voormelde rechtstreekse beroepen tot nietigverklaring van dezelfde verordening nr . 864/87 hebben aangevoerd . Moeten ook andere middelen in aanmerking worden genomen? Moeten met name de middelen worden onderzocht die Sermes in haar bij het Hof ingediende opmerkingen heeft aangevoerd en die verschillen van die welke in de rechtstreekse beroepen zijn voorgedragen? Men zou kunnen tegenwerpen, dat partijen niet kunnen verlangen dat het Hof zich uitspreekt over andere middelen van ongeldigheid dan in de verwijzingsbeschikking zijn vermeld . ( 7 ) In casu vermeldt de verwijzingsbeschikking geen enkel middel van ongeldigheid en worden Sermes' middelen in de motivering van die beschikking slechts in zeer algemene bewoordingen weergegeven . In een geval als dit, zo lijkt mij, pleit de aan de prejudiciële procedure ten gronslag liggende gedachte van rechterlijke samenwerking ervoor, dat de middelen die verzoekster in het hoofdgeding in haar opmerkingen aanvoert, worden onderzocht . De verwijzende rechter zal immers meer geholpen zijn met 's Hofs uitspraak over de geldigheid van de communautaire handeling, wanneer uit de motivering van het arrest blijkt, dat die middelen naar behoren zijn onderzocht .
Dat neemt niet weg, dat de prejudiciële procedure niet geheel bevredigend kan werken wanneer de middelen van ongeldigheid noch in de vraag van de verwijzende rechter noch in de motivering van de verwijzingsbeschikking zijn gepreciseerd . De andere partijen, de Lid-Staten, de Commissie en, in voorkomend geval, de Raad kunnen dan immers niet met vrucht gebruik maken van het hun bij artikel 20 van 's Hofs Statuut verleende recht om in de prejudiciële procedure opmerkingen in te dienen .
Ten gronde
5 . In mijn conclusie van vandaag in de rechtstreekse beroepen tot nietigverklaring van verordening nr . 864/87 van de Raad heb ik een groot aantal middelen van de verzoeksters in die zaken onderzocht . In geen van die middelen heb ik echter aanleiding gevonden de nietigverklaring van de betrokken verordening voor te stellen .
In haar opmerkingen voert Sermes zes middelen voor de ongeldigheid van verordening nr . 864/87 aan; sommige daarvan komen gedeeltelijk overeen met die welke ik in het kader van de rechtstreekse beroepen heb onderzocht . Voorts heeft Sermes de gelegenheid gehad opmerkingen te maken bij de antwoorden van de Commissie en van de Raad op een aantal vragen van het Hof, welke opmerkingen ik heb verwerkt in mijn onderzoek van de rechtstreekse beroepen . Zoals ik in de voorgaande paragraaf aankondigde, zal ik de middelen van verzoekster in het hoofdgeding een voor een bespreken, waarbij ik naar mijn conclusie in de rechtstreekse beroepen zal verwijzen voor zover die middelen daar reeds ter sprake zijn gekomen . Ik zal evenwel niet ingaan op de middelen waarmee de geldigheid van de voorlopige verordening nr . 3019/86 wordt betwist, daar de prejudiciële vraag enkel betrekking heeft op de geldigheid van de definitieve verordening nr . 864/87 .
Eerste middel : schending van artikel 14 van verordening nr . 2176/84 en van het rechtszekerheidsbeginsel
6 . Volgens artikel 14 van verordening nr . 2176/84 wordt een besluit waarbij verbintenissen zijn aanvaard, wanneer daartoe aanleiding bestaat, aan een nieuw onderzoek onderworpen, hetzij op verzoek van een Lid-Staat, hetzij op initiatief van de Commissie . Een nieuw onderzoek wordt ook ingesteld wanneer een belanghebbende partij daarom verzoekt en voldoende bewijsmateriaal over gewijzigde omstandigheden overlegt om de noodzaak van dat onderzoek te rechtvaardigen, mits ten minste één jaar is verlopen na de beëindiging van het onderzoek .
7 . Sermes betoogt, dat verordening nr . 864/87 moet worden nietigverklaard omdat daarbij na een nieuw onderzoek van de voorheen aanvaarde verbintenissen een definitief anti-dumpingrecht is ingesteld, ofschoon dat nieuwe onderzoek is verricht zonder dat ten genoege was aangetoond dat de omstandigheden waren gewijzigd . Dit zou in strijd zijn met artikel 14 van verordening nr . 2176/84 en met het rechtszekerheidsbeginsel .
8 . Voor een goed begrip van dit argument herinner ik eraan, dat de Raad en de Commissie in het kader van een eerdere anti-dumpingprocedure in 1982 de verbintenissen van de exporteurs van elektromotoren uit landen met staatshandel ( 8 ) hadden aanvaard . Deze verbintenissen hielden in, dat de prijzen bij invoer in de Gemeenschap zouden worden verhoogd . De instellingen hadden die verbintenissen aanvaard, omdat zij van oordeel waren, dat de schadelijke uitwerking van de invoer met dumping erdoor zouden worden opgeheven . ( 9 )
In oktober 1985 verzocht Gimelec de Commissie de besluiten tot aanvaarding van de prijsverbintenissen aan een nieuw onderzoek te onderwerpen . De door Gimelec tot staving van haar verzoek overgelegde bewijselementen zijn door de Commissie samengevat in verordening nr . 3019/86 ( punt 3 van de considerans ) en door de Raad in verordening nr . 864/87 ( punt 4 van de considerans ). De Commissie, daarin ondersteund door de Raad, was van mening dat uit deze bewijselementen bleek dat de omstandigheden waren gewijzigd en dat zij voldoende waren om een nieuw onderzoek van de in de eerdere procedure aanvaarde verbintenissen te rechtvaardigen .
Hieruit volgt, dat Sermes' middel moet worden afgewezen . In de eerste plaats kon de Commissie op basis van artikel 14 van verordening nr . 2176/84 eigener beweging de besluiten tot aanvaarding van de aangegane verbintenissen aan een nieuw onderzoek onderwerpen, zonder dat zij een wijziging van de omstandigheden behoefde aan te tonen . In de tweede plaats kan mijns inziens uit de inlichtingen waarover het Hof beschikt, niet worden geconcludeerd dat de gemeenschapsinstellingen een fout hebben gemaakt bij de beoordeling van de gegevens die Gimelec ten bewijze van de wijziging van de omstandigheden heeft verstrekt . Ten slotte wordt het rechtszekerheidsbeginsel op zich niet geschonden door de beslissing om een prijsverbintenis door een anti-dumpingrecht te vervangen . Zoals het Hof met name overwoog in het arrest van 7 mei 1987 in de zaak Nippon Seiko ( 10 ) ,
"beschikken de instellingen over een beoordelingsmarge bij de keuze van de middelen die voor de verwezenlijking van hun beleid noodzakelijk zijn; de handelaars kunnen dus geen gewettigd vertrouwen hebben in de handhaving van de aanvankelijk gekozen middelen, daar deze door de instellingen in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheid kunnen worden gewijzigd ."
Mijns inziens geldt dit nog meer, wanneer blijkt dat de aanvankelijk gekozen methode, te weten aanvaarding van een prijsverbintenis, niet tot opheffing van de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping leidt .
Tweede middel : schending van verordening nr . 2187/84 en van een aantal algemene beginselen van gemeenschapsrecht
- De vaststelling van de normale waarde
9 . Artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 regelt de vaststelling van de normale waarde van een produkt in geval van invoer uit landen die geen markteconommie hebben . In dat geval wordt de normale waarde op passende en niet onredelijke wijze vastgesteld, op basis van een van de volgende criteria :
a ) de werkelijke prijs waartegen een soortgelijk produkt uit een derde land met een markteconomie wordt verkocht voor verbruik op de binnenlandse markt van dat land of aan andere landen, daaronder begrepen de Gemeenschap; of
b ) de aangenomen waarde van een soortgelijk produkt in een derde land met een markteconomie; of
c ) wanneer noch de prijs, noch de aangenomen waarde als bedoeld onder a of b, een deugdelijke basis verschaft, de prijs die in de Gemeenschap voor een soortgelijk produkt werkelijk is of moet worden betaald .
10 . Sermes betoogt, dat de Raad de normale waarde van de ingevoerde motoren niet had mogen vaststellen op basis van de binnenlandse verkoopprijzen van Joegoslavische producenten ( criterium a ), doch had moeten uitgaan van de in de Gemeenschap betaalde prijzen ( criterum c ).
11 . In mijn conclusie in de rechtstreekse beroepen heb ik reeds gezegd, dat de Raad de normale waarde mocht vaststellen op basis van de binnenlandse verkoopprijzen van de Joegoslavische producenten . De gemeenschapsinstellingen hebben de normale waarde dus terecht niet vastgesteld op basis van de in de Gemeenschap betaalde prijzen . Immers, dit criterium moet slechts worden toegepast, wanneer noch de prijs noch de aangenomen waarde als bedoeld onder a of b van artikel 2, lid 5, van verordening nr . 2176/84 een deugdelijke basis verschaft .
- De vaststelling van de schade
12 . Sermes betoogt, dat de instellingen niet hebben aangetoond, dat de communautaire producenten schade hebben geleden door van de invoer van elektromotoren .
In mijn conclusie in de rechtstreekse beroepen heb ik het probleem van de schade reeds onderzocht . Ik heb gezegd, dat de Raad, gelet op alle door de Commissie onderzochte schadefactoren ( punten 18-33 van de considerans van de voorlopige verordening nr . 3019/86 ) en op haar eigen analyse ( punten 17-32 van de considerans van de definitieve verordening nr . 864/87 ), zijn beoordelingsbevoegheid niet heeft overschreden door te constateren, dat de importen uit de landen met staatshandel de gemeenschapsindustrie aanzienlijke schade hadden berokkend .
Met betrekking tot de schadebeoordeling voert Sermes slechts één nieuw middel aan . Dit betreft de steekproef die voor de vaststelling van de schade in aanmerking is genomen . Immers, gelet op het grote aantal motoren dat onder de procedure viel ( meer dan 64 soorten ), heeft de Commissie een steekproef van zes motoren van de in de Gemeenschap meest verkochte categorie genomen, met name ter bepaling van de aan de prijzen verbonden schadeparameters ( zie punt 11 van de considerans van verordening nr . 3019/86 ). De Raad heeft zich op dezelfde steekproef gebaseerd .
Sermes merkt op, dat deze steekproef niet representatief is voor haar eigen verkoop in Frankrijk van motoren van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek . De motoren die zij invoert, verkoopt zij aan een andere clientèle dan die van de grote communautaire producenten en er zou geen oorzakelijk verband bestaan tussen de importen van oorsprong uit de Duitse Democratische Republiek en de verliezen van de communautaire producenten .
13 . In mijn conclusie in de rechtstreekse beroepen heb ik gezegd, dat de Raad de aan de gemeenschapsindustrie toegebrachte schade terecht heeft vastgesteld op basis van de totale invoer met dumping van elektromotoren van oorsprong uit zeven landen met staatshandel . Bijgevolg behoeft niet te worden onderzocht, of de door de gemeenschapsinstellingen genomen steekproef representatief was voor de invoer vanuit één van de betrokken landen . Het argument betreffende de steekproef kan slechts slagen, wanneer zou blijken dat deze steekproef niet representatief was voor de totale invoer . Uit de gegevens waarover het Hof beschikt, blijkt evenwel niet, dat dat het geval was .
Derde middel : misbruik van bevoegdheid
14 . Sermes betoogt, dat de definitieve verordening misbruik van bevoegdheid oplevert, daar de instellingen zich niet door het gemeenschapsbelang, doch door het belang van bescherming van een sector van een - met name van de Franse - industrie hebben laten leiden .
15 . Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( 11 ) is er slechts sprake van misbruik van bevoegheid, wanneer een besluit blijkens objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende gegevens is genomen ter bereiking van andere doelen dan de administratie stelt te hebben nagestreefd . Verordening nr . 2176/84 heeft nu juist ten doel, de instellingen in staat te stellen maatregelen te nemen ter bescherming van communautaire producenten die aanzienlijke schade lijden door de invoer met dumping van gelijksoortige produkten . Krachtens artikel 12, lid 1, van de verordening kan een anti-dumpingrecht evenwel slechts worden ingesteld wanneer de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden noodzakelijk maken . In de punten 33-37 van de considerans van de definitieve verordening nr . 864/87, die aansluiten bij de punten 34-38 van de considerans van de voorlopige verordening nr . 3019/86, heeft de Raad vermeld waarom hij van mening was, dat de belangen van de Gemeenschap de vaststelling van een handelsbeschermende maatregel noodzakelijk maakte . Sermes heeft echter alleen maar een bewering gedaan zonder de juistheid ervan aan te tonen .
Ik meen dan ook, dat uit de gegevens waarover het Hof beschikt, niet tot misbruik van bevoegdheid kan worden geconcludeerd .
Vierde middel : schending van wezenlijke vormvoorschriften en ontbreken van motivering
16 . Sermes betoogt, dat de motivering van verordening nr . 864/87 op verscheidene punten niet voldoende is om het Hof in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen .
17 . Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak ( 12 ) de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig dient te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen .
Mijns inziens is in casu op de door verzoekster in het hoofdgeding vermelde punten aan dit vereiste voldaan :
- met betrekking tot de klacht van Gimelec, door punt 4 van de considerans van verordening nr . 864/87;
- met betrekking tot de steekproef, door punt 8 van de considerans van die verordening, die naar punt 11 van de considerans van de voorlopige verordening nr . 3019/86 verwijst;
- met betrekking tot de schade, door de punten 17 tot en met 32 van de considerans van verordening nr . 864/87 .
Vijfde middel : schending van artikel 7 van verordening nr . 2176/84 en van het recht van verweer
18 . Afgezien van de argumenten betreffende de voorstukken van de voorlopige verordening nr . 3019/86, komt het vijfde middel erop neer, dat de instellingen artikel 7 van verordening nr . 2176/84 en het recht van verweer zouden hebben geschonden, door te weigeren Sermes met de klagers te confronteren .
Volgens artikel 7, lid 6, van verordening nr . 2176/84 moet de Commissie desgevraagd de rechtstreeks betrokken partijen in de gelegenheid stellen elkaar te ontmoeten . Mijns inziens moet het begrip "rechtstreeks betrokken partijen" worden verstaan in de zin die het Hof daaraan geeft wanneer het gaat om de ontvankelijkheid van beroepen tegen een anti-dumpingverordening . Zoals ik hiervóór reeds opmerkte ( paragraaf 3 ), heeft het Hof beslist dat de door Sermes bestreden verordening haar niet rechtstreeks en individueel raakte . Voorts heeft Sermes niet aangetoond, dat zij om een dergelijke confrontatie heeft verzocht .
Zesde middel : schending van het beginsel van gelijke behandeling
19 . Ten slotte betoogt Sermes, dat de uitvoer van de Duitse Democratische Republiek naar de Bondsrepubliek Duitsland mag blijven geschieden tegen de verkoopprijzen die vóór de inwerkingtreding van verordening nr . 864/87 golden . Sermes geeft de rechtsgrondslag van die situatie niet aan . Zij stelt enkel, dat onder die omstandigheden de verordening vergelijkbare situaties verschillend behandelt en daardoor in strijd komt met het beginsel van gelijke behandeling .
De door Sermes beschreven situatie is een gevolg van het aan het EEG-Verdrag gehechte "protocol betreffende de binnenlandse handel van Duitsland en de daarmee samenhangende vraagstukken" van 25 maart 1957 . Punt 1 daarvan luidt als volgt :
"Aangezien het handelsverkeer tussen de Duitse gebieden waar de grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland geldt, en de Duitse gebieden waar die grondwet niet wordt toegepast, deel uitmaakt van de binnenlandse handel van Duitsland, vereist de toepassing van het Verdrag in Duitsland geen enkele wijziging van de thans voor die binnenlandse handel bestaande regeling ."
Het Hof heeft reeds beslist, dat deze regeling de Bondsrepubliek Duitsland beoogt te ontheffen van de verplichting, de communautaire rechtsregels op de binnenlandse handel van Duitsland toe te passen . ( 13 )
Daaruit volgt, dat de Bondsrepubliek Duitsland het recht heeft om verordening nr . 864/87 niet toe te passen op de uitvoer uit de Duitse Democratische Republiek .
Voorgesteld antwoord
20 . Concluderend geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt :
"Bij toetsing van verordening ( EEG ) nr . 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 aan het gemeenschapsrecht, en met name aan verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van die verordening kunnen aantasten ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 864/87 van de Raad van 23 maart 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Tsjechoslowakije en de Sowjet-Unie en definitieve inning van de bedragen die als waarborg voor het voorlopige recht zijn gesteld ( PB 1987, L 83, blz . 1 ).
( 2 ) Conclusie in de gevoegde zaken C-304/86 en C-185/87, Enital/Commissie en Raad, C-305/86 en C-160/87, Neotype Techmashexport/Commissie en Raad, C-320/86 en C-188/87, Stanko France/Commissie en Raad, en in zaak C-157/88, Electroimpex e.a./Raad .
( 3 ) De basisverordening waarnaar wordt verwezen, is verordening ( EEG ) nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ). Deze verordening is intussen vervangen door verordening ( EEG ) nr . 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 ( PB 1988, L 209, blz . 1 ).
( 4 ) Zie onder meer het arrest van 12 mei 1989, zaak 246/87, Continentale Produkten-Gesellschaft Erhardt-Renken, Jurispr . 1989, blz . 1151 .
( 5 ) Verordening ( EEG ) nr . 3019/86 van de Commissie van 30 september 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van gestandaardiseerde meerfasige elektromotoren met een vermogen van meer dan 0,75 kW tot en met 75 kW, van oorsprong uit Bulgarije, de Duitse Democratische Republiek, Hongarije, Polen, Roemenië, Tsjechoslowakije en de Sovjet-Unie ( PB 1986, L 280, blz . 68 ).
( 6 ) Beschikking van 8 juli 1987 ( zaak 279/86, Sermes, Jurispr . 1987, blz . 3109 ).
( 7 ) Zie arrest van 28 oktober 1982 ( gevoegde zaken 50/82 tot en met 58/82, Dorca Marina, Jurispr . 1982, blz . 3949, 3959 ). In die zaak weigerde het Hof de geldigheid van een communautaire handeling te onderzoeken vanuit het oogpunt van de conformiteit ervan met de algemene rechtsbeginselen . Het was evenwel duidelijk, dat het aangevoerde middel niet binnen het kader van de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag viel, hetgeen in onderhavige zaak niet het geval is .
( 8 ) Verordening ( EEG ) nr . 724/82 van de Commissie van 30 maart 1982 ( PB 1982, L 85, blz . 9 ), verordening ( EEG ) nr . 2075/82 van de Raad van 28 juli 1982 ( PB 1982, L 220, blz . 36 ) en besluit 84/189/EEG van de Commissie van 2 april 1984 ( PB 1984, L 95, blz . 28 ).
( 9 ) Zie met name de elfde overweging van de considerans van verordening nr . 2075/82 van de Raad van 28 juli 1982 .
( 10 ) Arrest van 7 mei 1987 ( zaak 258/84, Nippon Seiko, Jurispr . 1987, blz . 1923, r.o . 34 ).
( 11 ) Zie onder meer het arrest van 4 juli 1989 ( zaak 198/87, Kerzmann, Jurispr . 1989, blz . 2083, r.o . 13 ).
( 12 ) Zie onder meer het arrest van 7 mei 1987 ( zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861, r.o . 39 ).
( 13 ) Zie de arrresten van 1 oktober 1974 ( zaak 14/74, Norddeutsches Vieh - und Fleischkontor, Jurispr . 1974, blz . 899 ), 27 september 1979 ( zaak 23/79, Gefluegelschlachterei Freystadt, Jurispr . 1979, blz . 2789 ) en 21 september 1989 ( zaak 12/88, Schaefer Shop, Jurispr . 1989, blz . 2937 ).
Top