Belangrijke juridische mededeling
Conclusie van advocaat-generaal Darmon van 9 november 1989. - TREND-MODEN TEXTILHANDELS GMBH TEGEN HAUPTZOLLAMT EMMERICH. - VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING: FINANZGERICHT DUESSELDORF - DUITSLAND. - VRIJ VERKEER VAN GOEDEREN - BEWIJS VAN HET COMMUNAUTAIRE KARAKTER VAN GOEDEREN. - ZAAK 117/88.
Jurisprudentie 1990 bladzijde I-00631
Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het Finanzgericht Duesseldorf heeft een prejudiciële vraag gesteld over de wijze waarop in het douanerecht de communautaire oorsprong van goederen kan worden bewezen .
2 . De feiten van de zaak zijn bekend . Bij Trend-Moden, handelaar in textielgoederen te Rees ( Bondsrepubliek Duitsland ), is door de Duitse douane controle uitgeoefend met betrekking tot de importen . Daarbij stelde de douaneadministratie vast dat Trend-Moden tussen maart 1980 en maart 1981 textielprodukten uit Nederland had ontvangen, waarvoor geen invoerrechten waren betaald . Bijgevolg vorderde zij van genoemde vennootschap het bedrag van 29 890,90 DM . Trend-Moden stelde dat de betrokken goederen van oorsprong uit de Gemeenschap waren en ter zake bijgevolg geen invoerrechten konden worden toegepast . Zij legde drie verklaringen van haar Nederlandse leveranciers over : uit de eerste twee blijkt dat de goederen binnen de Gemeenschap waren vervaardigd en uit de derde dat de goederen afkomstig waren uit een entrepot te Amsterdam . De douaneadministratie was evenwel van mening dat deze verklaringen niet relevant waren voor het bewijs van de communautaire oorsprong van de betrokken goederen en dat ter zake enkel de zogenoemde documenten voor communautair douanevervoer T2 of T2L geoorloofd waren .
3 . Het Finanzgericht Duesseldorf, waarbij het geding aanhangig is gemaakt, heeft het Hof dan ook een prejudiciële vraag gesteld en wel, zakelijk weergegeven, of ingevolge artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag enkel door middel van de overlegging van een document voor communautair douanevervoer, als bedoeld in de artikelen 1, lid 4, en 9 van verordening ( EEG ) nr . 222/77 ( 1 ), kan worden bewezen dat de goederen van oorsprong uit de Gemeenschap zijn .
4 . In deze verordening worden twee regelingen voor communautair douanevervoer onderscheiden . ( 2 ) De ene, de zogenoemde regeling voor extern communautair douanevervoer, geldt voornamelijk voor de goederen die niet aan de voorwaarden van de artikelen 9 en 10 EEG-Verdrag voldoen, uit derde landen afkomstig zijn en zich niet in het vrije verkeer bevinden . De andere, de zogenoemde regeling voor intern communautair douanevervoer, geldt voornamelijk voor de goederen die van oorsprong zijn uit de Lid-Staten of zich in het vrije verkeer bevinden; deze goederen worden "communautaire goederen" ( 3 ) genoemd . Artikel 1, lid 4, van verordening nr . 222/77 vestigt een vermoeden : "goederen die op regelmatige wijze over een binnengrens het grondgebied van een bepaalde Lid-Staat binnenkomen, worden geacht communautaire goederen te zijn, tenzij voor die goederen een document voor extern communautair douanevervoer wordt overgelegd ". ( 4 ) Volgens artikel 39 moet "voor met toepassing van de regeling voor intern communautair douanevervoer te vervoeren goederen een aangifte worden gedaan" met formulier T2 . Ten slotte kan volgens artikel 9, wanneer in de gevallen bedoeld in de verordening voor het vrije verkeer van de goederen een document voor intern communautair douanevervoer dient te worden overgelegd, "de belanghebbenden, om welke geldige reden dan ook, dit document achteraf van de bevoegde autoreiten van de Lid-Staat van vertrek verkrijgen ".
5 . De communautaire oorsprong van goederen kan krachtens de artikelen 69 en volgende van verordening ( EEG ) nr . 223/77 ( 5 ), die ten tijde van de feiten in het hoofdgeding gold, eveneens door overlegging van een zogenoemd document T2L worden bewezen, wanneer deze goederen rechtstreeks van de ene Lid-Staat naar een andere worden vervoerd . ( 6 ) Dit document kan eveneens achteraf worden afgegeven, zonder dat - in afwijking van het bepaalde in artikel 9 van verordening nr . 222/77 - een geldige reden behoeft te worden aangevoerd . ( 7 )
6 . Ten slotte vermeld ik nog, dat bij deze zelfde verordening een controle-exemplaar T5 is ingevoerd, dat moet worden overgelegd wanneer "de toepassing van een communautaire maatregel welke inzake in - of uitvoer van goederen of inzake goederenverkeer binnen de Gemeenschap werd getroffen, afhankelijk is gesteld van het bewijs dat de betrokken goederen het gebruik en/of de bestemming hebben gekregen die bij deze maatregel is voorzien of voorgeschreven ". ( 8 )
7 . Het Hof heeft zich reeds uitgesproken over de filosofie van een dergelijke bewijsregeling . In het arrest-Craeynest en Vandewalle ( 9 ) verklaarde het Hof ter zake van het certificaat DD4 voor aan landbouwheffingen onderworpen goederen, dat
"het ... van belang is dat van het certificaat DD4, als uniform bewijsmiddel, in alle Lid-Staten op geheel identieke wijze gebruik wordt gemaakt ". ( 10 )
Het Hof vervolgde, dat
"de nakoming van deze eis niet zal zijn verzekerd wanneer de nationale administraties zich ... van andere bewijsmiddelen zouden mogen bedienen" ( 11 ),
om te concluderen dat
"aan de importeurs van goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat het intracommunautaire regiem alleen ten goede kan komen voor goederen waarvoor dit certificaat is afgegeven ". ( 12 )
8 . In het arrest Frankrijk/Commissie ( 13 ), waarin het ging om documenten die waren voorzien in verordening ( EEG ) nr . 2315/69 van de Commissie van 19 november 1969, die sindsdien is vervangen door verordening nr . 223/77 - in zekere zin de voorlopers van het controle-exemplaar T5 -, verklaarde het Hof :
"De gemeenschapsregeling ter zake is vervat in termen die de nationale autoriteiten geen enkele bevoegdheid laten, andere bewijzen van de ondercontrolestelling in het land van bestemming te aanvaarden dan het formele bewijs dat wordt geleverd door het ... controle-exemplaar ..." ( 14 )
9 . Met betrekking tot het document T5 zelf beklemtoonde het Hof in het arrest-Denkavit, dat
"het doel van de regeling is, uit te sluiten dat tweemaal steun wordt betaald of dat de goederen weer in het normale handelscircuit worden gebracht, en aldus fraude te voorkomen; daarom dient zowel bij uitvoer als bij levering in het binnenland strikt de hand te worden gehouden aan de bewijsformaliteiten ". ( 15 )
10 . Gaat men uit van de motivering van de verwijzingsbeschikking, dan lijkt in de prejudiciële vraag, gelet op haar formulering, een uitspraak te worden gevraagd over een eventuele ongeldigheid van de verordeningen nrs . 222/77 en 223/77, in het licht van artikel 9, lid 1, EEG-Verdrag . Het voornaamste argument in de verwijzingsbeschikking is dat het ontbreken van documenten voor communautair douanevervoer, zoals door deze verordeningen worden verlangd, tot toepassing van invoerrechten zou leiden, ofschoon het communautaire karakter van de goederen overigens vast zou staan .
11 . Een dergelijke opvatting lijkt mij niet ter zake dienend . Immers, deze eisen dienen doelstellingen waarvan het Hof het belang reeds heeft beklemtoond, te weten de opheffing van de belemmeringen in het handelsverkeer tussen Lid-Staten door middel van een unificatie van de formaliteiten ( 16 ), de noodzaak dat voor alle marktdeelnemers van de Gemeenschap dezelfde bewijsregels gelden en de doeltreffende bestrijding van fraude . De bepalingen van de verordeningen nrs . 222/77 en 223/77 lijken mij geen verplichtingen op te leggen die onevenredig zijn aan hetgeen strikt noodzakelijk is ter verwezenlijking van deze doelstellingen . Bovendien biedt artikel 9 van de eerste verordening de belanghebbenden - dat lijkt mij van wezenlijk belang - de mogelijkheid om voor elke geldige reden achteraf documenten voor intern communautair douanevervoer van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek te verkrijgen . Een gelijkaardige bepaling is te vinden in artikel 71, lid 3, van verordening nr . 223/77 met betrekking tot het T2L-document . Bijgevolg leidt het niet-overleggen van documenten voor intern communautair douanevervoer bij het vervoer van goederen niet stelselmatig tot de toepassing van invoerrechten, omdat het bewijs van de communautaire oorsprong van de goederen zonder moeilijkheden achteraf kan worden geleverd . De toepassing van invoerrechten op goederen van oorsprong uit de Gemeenschap kan dus gemakkelijk worden voorkomen .
12 . Derhalve geef ik in overweging, voor recht te verklaren :
"Artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat het communautaire karakter van goederen enkel kan worden bewezen door middel van overlegging van de documenten voor intern communautair douanevervoer, als bedoeld in artikel 39 van verordening ( EEG ) nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, of van de documenten, bedoeld in de artikelen 69 en 70 van verordening ( EEG ) nr . 223/77 van de Commissie van 22 december 1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 222/77 van de Raad van 13.12.1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 1 ).
( 2 ) Artikel 1, lid 1 .
( 3 ) Artikel 1, lid 3, sub a .
( 4 ) Cursivering van mij .
( 5 ) Verordening ( EEG ) nr . 223/77 van de Commissie van 22.12.1976 houdende uitvoeringsbepalingen alsmede vereenvoudigingsmaatregelen van de regeling voor communautair douanevervoer ( PB 1977, L 38, blz . 20 ), die is vervangen door verordening ( EEG ) nr . 1062/87 van de Commissie van 27.3.1987 houdende uitvoeringsbepalingen en vereenvoudigingsmaatregelen betreffende de regeling voor communautair douanevervoer, die in werking is getreden op 1.1.1988 ( PB 1987, L 107, blz . 1 ); de artikelen 83 en 84, lid 3, van deze verordening bevatten soortgelijke bepalingen als de artikelen 70 en 71, lid 3, van verordening nr . 223/77 .
( 6 ) Artikel 70 .
( 7 ) Artikel 71, lid 3 .
( 8 ) Artikel 10 .
( 9 ) Arrest van 22.10.1970 ( zaak 12/70, Jurispr . 1970, blz . 905 ).
( 10 ) R.o . 7 .
( 11 ) R.o . 8 .
( 12 ) R.o . 12 .
( 13 ) Arrest van 7.2.1979 ( gevoegde zaken 15/76 en 16/76, Jurispr . 1979, blz . 321 ).
( 14 ) R.o . 14 .
( 15 ) Arrest van 17.5.1984, r.o . 29 ( zaak 15/83, Jurispr . 1984, blz . 2171 ).
( 16 ) Vorengenoemd arrest in zaak 12/70, r.o . 5 .
Top